Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9672

2026-09-17 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/03/354764 / KG ZA 26-310
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/03/354764 / KG ZA 26-310
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding tot afgifte hond en een aantal goederen afgewezen. Niet voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres enig eigenaar is.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.519 tekens)
RECHTBANK Limburg


Civiel recht



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: C/03/354764 / KG ZA 26-310




Vonnis in kort geding van 17 september 2026




in de zaak van





[de vrouw]
,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. A.A.M. Olde Loohuis,



tegen





[de man]
,
wonende te [plaats 2] (Limburg),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. S.L.T.A. Scheepers.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord- de mondelinge behandeling van 3 september 2026- de pleitnota van [de vrouw]- de pleitnota van [de man] .






2De feiten


2.1.
Partijen hebben een relatie gehad en samengewoond op het [adres] te [plaats 2] . Tijdens deze relatie is op 9 december 2023 een [hond] aangeschaft.



2.2.
De samenleving van partijen is geëindigd in januari 2026.



2.3.

[de man] woont nog altijd op het adres te [plaats 2] . [de hond] is sinds de verbreking van de relatie tussen partijen bij [de man] . [de vrouw] heeft [de hond] enkele keren op basis van vooraf tussen partijen gemaakt afspraken opgehaald en weer teruggebracht.






3Het geschil


3.1.


[de vrouw] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [de man] veroordeelt om hond [de hond] binnen vierentwintig uur nadat in deze zaak vonnis is gewezen af te geven aan [de vrouw] op straffe van een dwangsom van €1.000,- voor iedere dag dat [de man] dit nalaat;
II. [de man] veroordeelt om de koelkast, droger, printer en televisie binnen vierentwintig uur nadat in deze zaak vonnis is gewezen af te geven aan [de vrouw] op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [de man] dit nalaat;
III. [de man] veroordeelt in de kosten van deze procedure.




3.2.

[de vrouw] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [de vrouw] stelt dat zij enig eigenaar is van [de hond] en vordert daarom afgifte daarvan. Ter onderbouwing heeft zij een koopovereenkomst overgelegd waarop [de vrouw] als koper van [de hond] staat vermeld (productie 1 bij dagvaarding). Ook heeft zij een betalingsbewijs overgelegd waaruit volgt dat de aanschafprijs van [de hond] vanaf haar privérekening is voldaan (productie 1 bij dagvaarding). [de vrouw] heeft toegelicht dat partijen tijdens hun samenwoning beschikten over een gezamenlijke rekening, die werd gebruikt voor onder meer boodschappen en de huur, maar dat uitgaven die een van hen voor zichzelf wilde doen vanaf de eigen privérekening werden betaald. Volgens [de vrouw] bevestigt dit dat [de hond] door haar is aangeschaft en haar eigendom is. Verder wijst [de vrouw] erop dat zij op huisdierregistratie.nl als eigenaar van [de hond] staat geregistreerd (productie 2 bij dagvaarding). Ook het voer voor [de hond] werd volgens [de vrouw] door haar betaald vanaf haar privérekening, waarvoor zij een afzonderlijk abonnement had afgesloten.



3.3.

[de vrouw] vordert daarnaast afgifte van een koelkast, droger, printer en televisie. Zij stelt dat deze zaken haar eigendom zijn en dat [de man] gehouden is deze aan haar af te geven. Ter onderbouwing heeft [de vrouw] ten aanzien van de koelkast een bewijs van betaling en ten aanzien van de printer Whatsapp-correspondentie overgelegd (productie 3 bij dagvaarding).



3.4.

[de man] voert verweer. [de man] betwist dat [de hond] uitsluitend aan [de vrouw] in eigendom toebehoort. Volgens [de man] was de aanschaf van [de hond] een gezamenlijke keuze van partijen. Zij hebben zich gedurende langere tijd samen georiënteerd op de aanschaf en het soort hond. [de man] verwijst in dit verband naar de door hem overgelegde WhatsApp-correspondentie. Vervolgens zijn partijen samen naar de fokker gereden, hebben zij daar gezamenlijk [de hond] uitgezocht en hebben zij [de hond] samen mee naar huis genomen. Dat [de vrouw] als koper op de koopovereenkomst staat vermeld en dat [de hond] op haar naam is geregistreerd, betekent volgens [de man] niet dat zij daarmee als enige eigenaar moet worden aangemerkt. Dit was volgens hem slechts om praktische redenen zo geregeld. [de man] wijst er verder op dat hij bij de dierenarts als eigenaar/verzorger van [de hond] staat geregistreerd. Ook stelt hij dat hij zelf (vanaf zijn eigen privérekening) uitgaven voor [de hond] heeft gedaan, waaronder voor een mand, een riem, speeltjes en, wanneer het voer uit het abonnement van [de vrouw] op was, voor voer.



3.5.


[de man] betwist verder dat de genoemde zaken (de koelkast, droger, printer en televisie) uitsluitend aan [de vrouw] in eigendom toebehoren. Volgens [de man] zijn de zaken aangeschaft ten behoeve van de gezamenlijke huishouding. Ten aanzien van de koelkast heeft [de man] aangevoerd dat een bedrag van € 1.000,00 door de grootouders van [de vrouw] is betaald en het resterende bedrag door partijen gezamenlijk is voldaan. De koelkast is volgens [de man] daarmee voor de gezamenlijke huishouding aangeschaft. Ook de printer is volgens [de man] in gezamenlijk overleg aangeschaft en was bestemd voor gebruik binnen de gezamenlijke huishouding. De televisie is volgens [de man] kosteloos verkregen bij het afsluiten van een internet- en televisieabonnement. Deze abonnementskosten werden door partijen vanaf hun gezamenlijke rekening betaald en de televisie is daarmee ook gezamenlijk eigendom. Ten aanzien van de droger betwist [de man] eveneens dat deze uitsluitend aan [de vrouw] toebehoort.

[de man] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de vrouw] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de vrouw] in de kosten van deze procedure.




3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.






4De beoordeling



Beoordeling in kort geding




4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de vrouw] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.



4.2.
De beslissingen van de voorzieningenrechter zijn gebaseerd op de overwegingen die hieronder staan. Alles wat partijen meer of anders hebben aangevoerd blijft verder buiten beschouwing omdat het voor de beslissing van de voorzieningenrechter niet (langer) relevant is.




[de hond]






4.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een dier geen zaak is, maar dat op dieren op grond van artikel 3:2a BW de bepalingen met betrekking tot zaken van toepassing zijn, voor zover de wet zich daartegen niet verzet. Op grond van artikel 5:2 BW, in samenhang met artikel 3:2a BW, is de eigenaar van een dier bevoegd haar van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen. Dat wordt ook wel revindicatie genoemd.



4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [de vrouw] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij als enige eigenaar van [de hond] moet worden aangemerkt. Weliswaar staat [de vrouw] als koper vermeld op de koopovereenkomst en is de aanschafprijs vanaf haar privérekening voldaan, maar daar staat tegenover dat [de man] heeft gesteld en (door de overlegde Whatsapp-correspondentie) heeft onderbouwd dat de aanschaf van [de hond] een gezamenlijke keuze van partijen was. Dat partijen zich gezamenlijk op de aanschaf hebben georiënteerd. Voorts heeft [de man] onweersproken gesteld dat partijen [de hond] samen bij de fokker hebben uitgezocht en haar vervolgens samen mee naar huis hebben genomen. Ook heeft [de vrouw] niet betwist dat [de man] vanaf zijn privérekening verschillende uitgaven voor [de hond] heeft gedaan. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan in dit kort geding niet voldoende aannemelijk worden geacht dat [de hond] uitsluitend aan [de vrouw] in eigendom toebehoort en dat [de man] [de hond] derhalve zonder recht onder zich houdt. Voor de beantwoording van de vraag wie eigenaar van [de hond] is, is nader feitenonderzoek nodig. Daarvoor leent de kortgedingprocedure zich niet. De vordering tot afgifte van [de hond] zal daarom worden afgewezen.



Overige zaken





4.5.

Ook ten aanzien van de koelkast, droger, printer en televisie is de voorzieningenrechter van oordeel dat [de vrouw] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarvan exclusief eigenaar is. Partijen hebben gedurende hun samenwoning verschillende goederen aangeschaft. Dat een zaak door een van partijen is betaald, brengt onder deze omstandigheden niet zonder meer mee dat die zaak uitsluitend aan die partij in eigendom toebehoort. Daarvoor zijn de omstandigheden waaronder de betreffende zaak is aangeschaft en gebruikt mede van belang. [de man] heeft immers gemotiveerd gesteld dat de betreffende zaken zijn aangeschaft ten behoeve van de gezamenlijke huishouding. [de vrouw] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van [de man] onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit haar exclusieve eigendom volgt. Ten aanzien van de televisie heeft [de vrouw] ter zitting erkend dat deze destijds kosteloos is verkregen bij het afsluiten van een Ziggo-abonnement en dat de kosten van dat abonnement vanaf de gezamenlijke rekening werden voldaan. Ook ten aanzien van deze zaak kan daarom niet zonder meer worden aangenomen dat deze uitsluitend aan [de vrouw] in eigendom toebehoort.
Gelet op het voorgaande is onvoldoende aannemelijk geworden dat [de vrouw] de exclusieve eigendom heeft van de koelkast, droger, printer en televisie. Om vast te kunnen stellen aan wie de zaken in eigendom toebehoren, is eveneens nader feitenonderzoek nodig. Daarvoor is in deze kortgedingprocedure zoals eerder opgemerkt geen plaats. De vorderingen tot afgifte van deze zaken zullen daarom eveneens worden afgewezen.




Proceskosten





4.6.


[de vrouw] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

[de man] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Partijen met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Gelet op het voorgaande wordt [de vrouw] veroordeeld tot betaling aan [de man] van het lagere griffierecht, de vergoeding van het hierna vast te stellen salaris van de advocaat en ten slotte de nakosten. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding.
De proceskosten van [de man] worden begroot op:










- griffierecht


€


93,00







- salaris advocaat


€


1.177,00







- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.459,00














5De beslissing


De voorzieningenrechter



5.1.
wijst de vorderingen van [de vrouw] af,



5.2.
veroordeelt [de vrouw] in de proceskosten van € 1.459,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [de vrouw] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.










Dit vonnis is gewezen door mr. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.