Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9668

2026-09-23 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/03/353630 / HA ZA 26-282
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/03/353630 / HA ZA 26-282
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Incident oproeping in vrijwaring afgewezen. Geen sprake van een rechtsverhouding die een verplichting tot vrijwaring meebrengt.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.914 tekens)
RECHTBANK Limburg


Civiel recht



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: C/03/353630 / HA ZA 26-282




Vonnis in incident van 23 september 2026




in de zaak van




OPENSOURCE ENERGIE B.V., T.H.O.D.N. EAG ENERGY,
gevestigd te 's-Gravenhage,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: OSE,
advocaat: mr. R. Bravenboer,



tegen





[de B.V.] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [de B.V.] ,
advocaat: mr. J.A. Abma.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring
- de conclusie van antwoord in het incident.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.





2De beoordeling in het incident


2.1.

[de B.V.] vordert dat haar wordt toegestaan EAG Nederland B.V., statutair gevestigd te Apeldoorn, kantoorhoudende te Deventer aan [adres] (hierna: "EAG") in vrijwaring op te roepen.



2.2.
In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand. OSE vordert in de hoofdzaak betaling van [de B.V.] van onbetaald gelaten facturen ter zake van door OSE aan [de B.V.] geleverde energie. Aan de energielevering ligt een door [de B.V.] geaccordeerde offerte van OSE ten grondslag.



2.3.

[de B.V.] [plaats] Vastgoed heeft met EAG een overeenkomst gesloten die uit drie samenhangende onderdelen bestaat: de koop en verkoop van een batterijcontainer voor stroomopslag, de koop en verkoop van een energiemanagementsysteem (EMS) en een dynamisch stroomcontract. [de B.V.] [plaats] Vastgoed is de moedermaatschappij van [de B.V.] . Met de zonnepanelen op de bedrijfspanden van [de B.V.] [plaats] Vastgoed wordt elektriciteit opgewekt ten behoeve van de bedrijfsvoering van [de B.V.] . Met de overeenkomst tussen [de B.V.] [plaats] Vastgoed en EAG werd beoogd het verbruik, de opwekking, de opslag, de afname en de levering van elektriciteit aan het elektriciteitsnet automatisch en optimaal op elkaar af te stemmen en daarmee de kosten en opbrengsten te optimaliseren.



2.4.

Volgens [de B.V.] heeft EAG dit doel niet bereikt, omdat EAG een niet-conforme batterijcontainer zou hebben aangeboden en de batterijcontainer en het EMS uiteindelijk niet aan [de B.V.] [plaats] Vastgoed zijn geleverd. Over dit geschil tussen [de B.V.] [plaats] Vastgoed en EAG is inmiddels een afzonderlijke procedure aanhangig.
Volgens [de B.V.] heeft zij gedurende ongeveer acht maanden niet kunnen profiteren van de beoogde optimalisering en kostenbesparing, omdat het contract tussen EAG en [de B.V.] [plaats] Vastgoed is opgezegd. [de B.V.] vordert dat haar wordt toegestaan EAG in vrijwaring op te roepen




Grondslag [de B.V.]





2.5.


[de B.V.] vordert toestemming om EAG in vrijwaring te mogen oproepen. [de B.V.] legt hieraan het volgende ten grondslag.
Volgens [de B.V.] heeft EAG zich jegens haar als stroomleverancier gepresenteerd. EAG heeft de levering van stroom onder haar eigen naam aangeboden, terwijl zij de benodigde elektriciteit elders inkocht. De communicatie over het energiecontract verliep voornamelijk via een medewerker van EAG. Op het contract stonden de naam van deze medewerker, de handelsnaam en het logo van EAG en een e-mailadres van EAG. [de B.V.] mocht er daarom van uitgaan dat zij met EAG contracteerde. Dat het contract uiteindelijk op naam van [de B.V.] en niet op naam van [de B.V.] [plaats] Vastgoed bleek te zijn gesteld, heeft [de B.V.] naar eigen zeggen pas later gezien. Volgens [de B.V.] vloeit de rechtsverhouding tussen haar en EAG voort uit de overeenkomst die EAG met [de B.V.] [plaats] Vastgoed heeft gesloten. EAG wist dat deze overeenkomst ten behoeve van [de B.V.] werd aangegaan en dat daarmee werd beoogd het energieverbruik, de energieopwekking, de energieopslag, de afname en de levering aan het elektriciteitsnet automatisch en optimaal op elkaar af te stemmen. Gelet op de aard en strekking van de overeenkomst heeft EAG zich volgens [de B.V.] daarom jegens haar verbonden tot het leveren van een geïntegreerde energieprestatie. Hoewel deze verplichting niet letterlijk in de overeenkomst is opgenomen, vloeit deze volgens [de B.V.] voort uit de overeenkomst en de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 1 BW.




2.6.
Subsidiair stelt [de B.V.] dat EAG, door tekort te schieten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [de B.V.] [plaats] Vastgoed, tevens haar zorgplicht jegens [de B.V.] heeft geschonden. Daarbij is volgens [de B.V.] van belang dat EAG de stroomcomponent van haar dienstverlening eenzijdig heeft uitbesteed aan OSE. [de B.V.] baseert deze zorgplicht primair op artikel 6:248 lid 2 BW en subsidiair op artikel 6:162 BW. Volgens [de B.V.] heeft EAG onder de gegeven omstandigheden de belangen van [de B.V.] verwaarloosd, waardoor [de B.V.] schade heeft geleden en EAG gehouden is die schade te vergoeden. [de B.V.] stelt zich verder op het standpunt dat zij als gevolg van het tekortschieten van EAG gedurende ongeveer acht maanden niet heeft kunnen profiteren van de beoogde optimalisering en kostenbesparing. Indien [de B.V.] in de hoofdzaak wordt veroordeeld tot betaling van de door OSE gevorderde energiekosten, dient EAG volgens [de B.V.] de gevolgen daarvan voor haar rekening te nemen.



Verweer OSE





2.7.
OSE heeft verweer gevoerd. OSE stelt zich op het standpunt dat [de B.V.] geen belang heeft bij oproeping van EAG in vrijwaring. [de B.V.] is gehouden de door haar afgenomen energie aan OSE te betalen. [de B.V.] heeft de energieleveringsovereenkomst met OSE op eigen naam ondertekend en heeft de eerste twee aan haar gerichte facturen ook voldaan. Dat de batterijcontainer en het EMS volgens [de B.V.] niet naar behoren functioneren, doet volgens OSE niet af aan de betalingsverplichting van [de B.V.] voor de daadwerkelijk door OSE geleverde energie. OSE voert verder aan dat zij haar verplichtingen als energieleverancier volledig is nagekomen. Dat het dynamische stroomcontract volgens [de B.V.] zonder een goed functionerend EMS minder voordelig uitpakte, is volgens OSE niet het gevolg van enige tekortkoming aan haar zijde, maar van het beweerdelijk uitblijven van de door EAG aan [de B.V.] [plaats] Vastgoed te leveren hardware. [de B.V.] kan haar betalingsverplichting jegens OSE volgens OSE niet via een vrijwaringsprocedure op EAG afwentelen. Volgens OSE bestaat geen rechtsverhouding tussen [de B.V.] en EAG die een verplichting tot vrijwaring kan meebrengen. De gemengde overeenkomst waarop [de B.V.] zich beroept, is gesloten tussen EAG en [de B.V.] [plaats] Vastgoed. [de B.V.] is daarbij geen partij. Dat [de B.V.] [plaats] Vastgoed de moedermaatschappij van [de B.V.] is, brengt volgens OSE niet mee dat [de B.V.] contractueel gebonden is aan de wederpartij van [de B.V.] [plaats] Vastgoed. OSE betwist voorts dat uit de aard van de overeenkomst en de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 6:248 lid 1 BW een rechtsverhouding tussen [de B.V.] en EAG voortvloeit. De energieleveringsovereenkomst tussen OSE en [de B.V.] is bovendien pas twee maanden na de overeenkomst tussen EAG en [de B.V.] [plaats] Vastgoed over de batterijcontainer en het EMS gesloten. De levering van de batterijcontainer, het EMS en het aansturen daarvan valt volgens OSE uitdrukkelijk buiten de energieleveringsovereenkomst tussen OSE en [de B.V.] en buiten de invloedssfeer van OSE. Het KvK-nummer op het energiecontract identificeert OSE als contractspartij en [de B.V.] heeft dit contract ondertekend.



2.8.
Ook de subsidiair door [de B.V.] gestelde zorgplicht van EAG jegens [de B.V.] kan volgens OSE niet leiden tot een verplichting tot vrijwaring. Gelet op het duidelijke onderscheid tussen de rechtsverhouding van EAG met [de B.V.] [plaats] Vastgoed enerzijds en die van OSE met [de B.V.] anderzijds, heeft EAG geen zorgplicht jegens [de B.V.] die meebrengt dat zij de gevolgen van een eventuele veroordeling van [de B.V.] jegens OSE moet dragen. Voor zover [de B.V.] haar vordering baseert op artikel 6:162 BW, geldt volgens OSE bovendien dat de norm om de overeenkomst tussen EAG en [de B.V.] [plaats] Vastgoed deugdelijk na te komen niet strekt tot bescherming van [de B.V.] als derde. Van een verplichting van EAG om de eventuele schade van [de B.V.] te vergoeden is volgens OSE dan ook geen sprake.



Oordeel





2.9.
De incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring zal worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.



2.10.
Bij de beoordeling van het verzoek tot oproeping in vrijwaring stelt de rechtbank voorop dat een gedaagde een derde in vrijwaring kan oproepen indien hij voldoende gemotiveerd stelt dat tussen hem en die derde een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van de gedaagde in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen. Voor toewijzing van het verzoek is niet vereist dat reeds vaststaat dat een dergelijke verplichting bestaat. Wel moet op grond van de stellingen van de gedaagde kunnen worden aangenomen dat de aangevoerde rechtsverhouding een dergelijke verplichting kan meebrengen.



2.11.

[de B.V.] stelt in dit verband primair dat tussen haar en EAG een rechtsverhouding bestaat die voortvloeit uit de door [de B.V.] [plaats] Vastgoed en EAG gesloten overeenkomst. De rechtbank stelt vast dat [de B.V.] geen partij is bij deze overeenkomst. Dat [de B.V.] [plaats] Vastgoed de moedermaatschappij van [de B.V.] is en dat de overeenkomst mede ten behoeve van de bedrijfsvoering van [de B.V.] is gesloten, brengt op zichzelf niet mee dat tussen [de B.V.] en EAG een contractuele rechtsverhouding is ontstaan. [de B.V.] heeft evenmin voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat EAG zich, naast haar contractuele verplichtingen jegens [de B.V.] [plaats] Vastgoed, jegens [de B.V.] heeft verbonden tot het leveren van de door [de B.V.] gestelde geïntegreerde energieprestatie. De omstandigheid dat [de B.V.] zich bij het aangaan van het dynamische stroomcontract mogelijk heeft voorgesteld dat zij met EAG contracteerde, kan evenmin zonder meer leiden tot het aannemen van een rechtsverhouding tussen [de B.V.] en EAG die een verplichting tot vrijwaring meebrengt. De gemengde overeenkomst is uiteindelijk op naam van [de B.V.] [plaats] Vastgoed gesteld. Daartegenover staat dat de energieleveringsovereenkomst waarop de vordering van OSE is gebaseerd tussen OSE en [de B.V.] is gesloten. De betalingsverplichting van [de B.V.] jegens OSE vloeit uit die overeenkomst voort.



2.12.

[de B.V.] heeft subsidiair aangevoerd dat EAG jegens haar een zorgplicht heeft geschonden en dat EAG op grond daarvan aansprakelijk is voor de schade die [de B.V.] lijdt indien zij in de hoofdzaak tot betaling aan OSE wordt veroordeeld. Ook deze stelling kan de vordering tot oproeping in vrijwaring echter niet dragen. De door [de B.V.] gestelde tekortkomingen van EAG hebben betrekking op de overeenkomst tussen EAG en [de B.V.] [plaats] Vastgoed, in het bijzonder op de batterijcontainer, het EMS en de daarmee beoogde optimalisering van het energieverbruik en de energiekosten. De vordering van OSE op [de B.V.] heeft daarentegen betrekking op de betaling van de door OSE aan [de B.V.] geleverde energie. [de B.V.] heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat EAG op grond van haar rechtsverhouding met [de B.V.] [plaats] Vastgoed gehouden is de betalingsverplichtingen van [de B.V.] jegens OSE voor haar rekening te nemen. Dat [de B.V.] mogelijk een zelfstandige vordering op EAG heeft uit hoofde van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst met [de B.V.] [plaats] Vastgoed dan wel uit hoofde van onrechtmatig handelen, maakt dit niet anders. Een dergelijke vordering brengt immers niet zonder meer mee dat EAG gehouden is de nadelige gevolgen van een veroordeling van [de B.V.] in de onderhavige hoofdzaak te dragen. De vrijwaringsprocedure strekt niet ertoe een afzonderlijke vordering van [de B.V.] op EAG te beoordelen die niet ziet op het dragen van de gevolgen van de in de hoofdzaak gevorderde veroordeling.



Proceskosten in incident





2.13.

[de B.V.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van OSE worden begroot op € 2.240,00 (€ 2.051,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 2.051,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.



2.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





3De beslissing


De rechtbank




in het incident




3.1.
wijst de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring af,



3.2.
veroordeelt [de B.V.] in de proceskosten van € 2.240,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de B.V.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.3.
veroordeelt [de B.V.] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



in de hoofdzaak





3.5.
verwijst de zaak naar de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [de B.V.] ,



3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.









Dit vonnis is gewezen door mr. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.