Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9664

2026-09-10 Bestuursrecht ROE 24/4155
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-10
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
ROE 24/4155
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Trefwoorden: handhaving, artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht, gebruiksovergangsrecht, intensivering gebruik, exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning, bouw padelhal zonder omgevingsvergunning, Bouwbesluit, melding Activiteitenbesluit milieubeheer, parkeernorm, infiltratieplicht, geluidsoverlast, parkeeroverlast, preventieve last onder dwangsom. Betreft beroep van diverse omwonenden tegen een handhavingsbesluit dat is genomen naar aanleiding van een verzoek om handhavend op te treden tegen een aantal, door eisers gestelde, overtredingen gepleegd door een padelcentrum. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van de sportsbar in stand is gelaten. Verweerders besluit om niet handhavend op te treden tegen het gebruik van de sportsbar omdat dat gebruik onder de bescherming van het gebruiksovergangsrecht valt, is onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Verweerder heeft namelijk verzuimd om te beoordelen wat het gebruik en de feitelijke ruimtelijke uitstraling van de voormalige kantine kantine op de peildatum 17 november 2017 was en heeft dat niet vergeleken met de omvang van het gebruik en de feitelijke ruimtelijke uitstraling van de sportsbar ten tijde van de besluitvorming.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (49.644 tekens)
RECHTBANK limburg


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 24/4155


uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2026
in de zaak tussen


[eisers 1] , [adres 1] ,



[eisers 2]
, [adres 2] ,


[eisers 3]
, zorgwoning, [adres 3] ,


[eiser 4]
, hoofdwoning, [adres 3] ,


[eiser 5]
, [adres 4] ,


[eiser 6]
, [adres 5] ,


[eisers 7]
, [adres 6] ,


[eiser 8]
, [adres 7] , allen te [woonplaats] , eisers,
(gemachtigde: ir. R.E.M.M. Bolmers),




en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray, verweerder,
(gemachtigden: mr. P.M. Tummers en mr. A.J.A.H.A. Verkooijen).


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Padelcentrum Noord-Limburg B.V., Vlakwater 11 te Venray,
(gemachtigde: mr. A.D.A. Quaedvlieg).





Procesverloop


Bij besluit van 30 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om ten aanzien van de in het verzoek gestelde overtredingen een handhavingsbesluit te nemen afgewezen.



Eisers hebben tegen dat besluit bezwaar gemaakt.



Bij besluit van 20 december 2023 heeft verweerder aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd ter zake van een zonder omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), geplaatste terrasoverkapping.



Bij besluit van 17 juni 2024 heeft verweerder de begunstigingstermijn, verbonden aan de last onder dwangsom van 20 december 2023, verlengd tot 20 augustus 2024.



Bij besluit van 11 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit, zoals gewijzigd bij de besluiten van 20 december 2023 en 17 juni 2024, gedeeltelijk ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit deels herroepen en beslist om tegen een aantal door eisers in het verzoek om handhaving genoemde overtredingen handhavend op te treden.



Als onderdeel van het bestreden besluit heeft verweerder bij besluit van eveneens 11 juli 2024 aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd om het gebruik van het terras in strijd met het bestemmingsplan en het exploiteren van een zelfstandige, niet ondergeschikte, horecaonderneming, genaamd Sportsbar Pala, te beëindigen en beëindigd te houden.



Bij besluit van 30 juli 2024 heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen het niet voldoen aan de infiltratieplicht, tegen het niet voldoen aan de parkeernorm en tegen geluidsoverlast, aangemerkt als een nieuw verzoek om handhaving dat pas in de bezwaarfase is ingediend en daarop afwijzend beslist.



Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft verweerder de bij besluit van 20 december 2023 aan de derde-partij opgelegde last onder dwangsom, zoals gewijzigd bij besluit van 17 juni 2024, ingetrokken, omdat de bouw van de terrasoverkapping en het gebruik van het terras bij besluit van 26 september 2024 zijn gelegaliseerd door verlening van een omgevingsvergunning. Tevens heeft verweerder de bij het bestreden besluit aan de derde-partij opgelegde last onder dwangsom deels ingetrokken voor zover de last ziet op het gebruik van het terras in strijd met het omgevingsplan. Voor het overige – voor zover Sportsbar Pala als niet ondergeschikte horeca wordt gebruikt – is het dwangsombesluit van 11 juli 2024 in stand gelaten.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met de zaak ROE 25/898 (over de op 26 september 2024 verleende omgevingsvergunning) plaatsgevonden op
16 juli 2026. Van eisers zijn [eisers 1] en [eiser 4] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De overige eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is verschenen, vertegenwoordigd door [naam] en door haar gemachtigde.





Overwegingen

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. Dat geldt ook voor een aanvraag om een handhavingsbesluit te nemen. Het verzoek om handhavend op te treden is op 29 mei 2023 ingediend en op 31 mei 2023 bij verweerder ontvangen. Dat betekent dat het recht van toepassing is zoals dat gold vóór 1 januari 2024.

2. Aan de locatie Vlakwater 11, gelegen in een bosgebied in Venray, ligt een voormalige tennishal Maascourt die in 2022 is omgebouwd tot Padel Centrum Noord Limburg (hierna: het padelcentrum), met daarin gevestigd een padelhal en Sportsbar Pala (hierna: de sportsbar). Er zijn ter plaatse wel nog buiten (tennis)banen in gebruik door de Tennis Vereniging Venray die over een eigen kantine beschikt. Volgens eisers is sinds de verbouwing en het gewijzigde gebruik sprake van een aaneenschakeling en uitbreiding van illegale werkzaamheden, ontwikkelingen, evenementen en activiteiten in en rond het padelcentrum die in strijd zijn met het bestemmingsplan en de visie Vlakwater van de gemeente Venray. In combinatie met andere strijdige activiteiten binnen het gebied zijn deze ontwikkelingen volgens eisers een evidente aantasting van de natuurwaarden ter plaatse en hebben zij een ingrijpende negatieve invloed op hun woonklimaat.

3. Namens eisers zijn bij brief van 29 mei 2023 een aantal verzoeken om handhaving ingediend. Zij vragen wat betreft de padelhal en sportsbar handhavend op te treden tegen alle – al dan niet bij de gemeente bekende – illegale bouwwerken, illegale wijzigingen en/of vormen van gebruik alsmede illegale evenementen en activiteiten in de directe omgeving daarvan. Dat geldt ook voor parkeren, voor zover dat niet op eigen terrein gebeurt. Eisers hebben meer concreet gevraagd om:


de illegale werkzaamheden ten behoeve van de wijziging/uitbreiding van het terras bij de padelhal/sportsbar per direct stil te leggen;


handhavend op te treden tegen het gebruik van een terras, omdat dat geen relatie heeft met sportactiviteiten, maar voor allerlei evenementen wordt gebruikt;


het op social media aangekondigde evenement ‘beer, balls & barbecue’ van 10 juni 2023 te verhinderen door het opleggen van een preventieve last onder dwangsom;


handhavend op te treden tegen het gebruik van de zonder omgevingsvergunning tot padelhal omgebouwde tennishal, die na de gebruikswijziging niet voldoet aan het Bouwbesluit;


handhavend op te treden tegen de in strijd met het bestemmingsplan zonder omgevingsvergunning gerealiseerde sportsbar, die als een zelfstandige horecaonderneming moet worden aangemerkt en niet onder het overgangsrecht valt;


handhavend op te treden tegen het ontbreken van de vereiste Drank- en Horecawet- en exploitatievergunningen;


handhavend op te treden tegen het gebruik van het parkeerterrein aan de Kempweg 150, tegen het parkeren in het bos en om de exploitant van het padelcentrum te verplichten het parkeren geheel op eigen terrein te realiseren;


handhavend op te treden tegen de Bodycamp aan de Kempweg 152, omdat het gebruik van de gronden in strijd is met de daar geldende bestemming ‘Bos’.



4. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek hebben toezichthouders van verweerders gemeente op 26 mei 2023, 5 juni 2023, 10 juni 2023 en 4 augustus 2023 controles uitgevoerd op de locatie Vlakwater 11. Daarvan zijn rapporten opgemaakt. De toezichthouders hebben onder meer geconstateerd dat een vrijstaande, inklapbare terrasoverkapping met een permanente constructie is geplaatst die hoger is dan de toegestane drie meter en dat die deels op gemeentegrond staat en dat daarvoor geen omgevingsvergunning is verleend.

5. Op 12 september 2023 het verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om aan de derde-partij een last onder dwangsom op te leggen, omdat de terrasoverkapping zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, is geplaatst en dus moet worden verwijderd. Daarbij is vermeld dat legalisatie niet aan de orde is, omdat de terrasoverkapping deels op grond van de gemeente is gerealiseerd.

6. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden tegen alle in de aanvraag van 29 mei 2023 genoemde/gestelde overtredingen afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de sportsbar onder de bescherming van het overgangsrecht valt, dat handhavend optreden tegen het terras onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen en dat er verder geen overtredingen zijn vastgesteld.

7. Eisers hebben tegen het besluit van 30 oktober 2023 bezwaar gemaakt.

8. Bij besluit van 20 december 2023, gewijzigd bij besluit van 17 juni 2024, heeft verweerder aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd om binnen zes maanden na verzending van dit besluit de strijdigheid met artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo te beëindigen en beëindigd te houden. Dat kan volgens verweerder door de illegaal geplaatste terrasoverkapping te verwijderen en verwijderd te houden of door een omgevingsvergunning te verkrijgen voor de terrasoverkapping, waarvoor vereist is het wegnemen van de privaatrechtelijke belemmering en het indienen van een ontvankelijke aanvraag. De hoogte van de te verbeuren dwangsom heeft verweerder vastgesteld op € 1.500,00 per week dat is geconstateerd dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 7.500,00.

9. Bij het bestreden besluit heeft verweerder in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften (hierna: de commissie) het bezwaar voor zover dat namens [eiser 5] en [eiser 6] is ingediend niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij te ver weg wonen van het padelcentrum om als belanghebbenden bij het primaire besluit aangemerkt te kunnen worden.


9.1.
Naar aanleiding van het bezwaar van de wel als belanghebbenden aangemerkte eisers heeft verweerder beslist handhavend op te treden tegen de illegaal geplaatste terrasoverkapping, tegen het realiseren en gebruiken van een terras in strijd met het bestemmingsplan en het uitbaten van niet-ondergeschikte horeca ter hoogte van Vlakwater 11. Tevens heeft verweerder beslist om handhavend op te treden tegen de Bodycamp ter hoogte van de Kempweg 152. Voor het overige is het verzoek afgewezen. Verder heeft verweerder zich in het bestreden besluit in navolging van de commissie op het standpunt gesteld dat voor zover eisers aanvoeren dat niet aan de parkeernorm en de infiltratieplicht van artikel 33.3.1 en artikel 33.4.1 van het geldend bestemmingsplan Venray is voldaan en verzoeken om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast van het padelcentrum, sprake is van een uitbreiding van het handhavingsverzoek in de bezwaarfase, zodat daarop een nieuw primair besluit moet worden genomen. Dat besluit heeft verweerder op 30 juli 2024 genomen. Daarbij is het aanvullende handhavingsverzoek afgewezen.



9.2.
Van het bestreden besluit maakt het aan de derde-partij gerichte besluit tot oplegging van een last onder dwangsom van 11 juli 2024 onderdeel uit. Daarbij is in de plaats van de weigering tot handhaving in het primaire besluit, de last onder dwangsom opgelegd om de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo in samenhang met artikel 12.1, onder b, van het bestemmingsplan Venray 2006 binnen acht weken te beëindigen en beëindigd te houden door:



(ondergeschiktheid horeca): “Geen reclame te maken voor ‘Sportsbar Pala’ die niet in direct verband staat tot het padellen en de in het verleden gepubliceerde reclame te verwijderen” en


(aanduiding horeca ‘h110’): “Het gerealiseerde terras en de exploitatie hiervan ter hoogte van Vlakwater 11 te beëindigen en beëindigd te houden”


zulks op straffe van verbeurte van dwangsommen van € 1.500,00 per keer dat reclame-uitingen worden geconstateerd of in de omgeving neergezet waaruit blijkt dat de sportsbar een zelfstandige horecaonderneming is met een maximum van € 15.000,00 respectievelijk € 1.500,00 per maand dat wordt geconstateerd dat een grotere oppervlakte dan 110 m² horeca wordt geëxploiteerd dan is toegestaan met een maximum van € 15.000,00.

10. Eisers hebben in beroep herhaald dat zij van mening blijven dat handhavend moet worden opgetreden tegen het zonder omgevingsvergunning (ver)bouwen tot padelhal en het (ver)bouwen tot een zelfstandige horecaonderneming en tegen alle vormen en gevolgen van het gebruik daarvan. Eisers betogen dat de sportsbar niet onder het overgangsrecht valt, omdat het gebruik is gewijzigd en de afwijking van hetgeen planologisch is toegestaan, is vergroot. De aanwezigheid van de sportsbar heeft door de grote toeloop, het terrasbezoek door padellers, maar ook door willekeurige passanten, de bezoekers van evenementen en feesten van de businessclub en door parkeeroverlast forse en voortdurende (geluids)overlast en hinder tot gevolg met grote invloed op de natuurwaarden en de kwaliteit van de woon- en leefomgeving van met name de bewoners van [adres 3] .
Omdat de tennishal is gesloopt, kan per definitie geen sprake meer zijn van voortzetting van het gebruik van bouwwerken, aldus eisers. Door de aanleg van de padelbanen is de capaciteit van de hal en de toestroom van bezoekers enorm toegenomen en de omvang en capaciteit van de sportsbar staat in geen verhouding tot de in het verleden aanwezige kantine. Doordat verweerder ten onrechte geen omgevingsvergunning voor de verbouwing van de padelhal nodig acht, is ten onrechte niet (preventief) getoetst aan het Bouwbesluit. Ook is ten onrechte geen melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) ingediend. Volgens eisers is evident dat door de geluidsgevolgen van het gebruik van de hal voor padelsport in combinatie met het gebruik van de sportsbar niet aan de geluidsnormen van het Abm kan worden voldaan. Dat is ten onrechte niet onderzocht, evenmin als de gevolgen voor de parkeerdruk.

11. Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft verweerder de bij besluit van 20 december 2023 aan de derde-partij opgelegde last onder dwangsom voor het in strijd met het bestemmingsplan realiseren van een terrasoverkapping zonder de benodigde vergunning en de bij besluit van 11 juli 2024 opgelegde last onder dwangsom wegens het gebruiken van een terras in strijd met het bestemmingsplan ingetrokken. Dat betekent dat alleen nog sprake is van handhaving ten aanzien van niet-ondergeschikte horeca (het besluit van 11 juli 2024).



Het oordeel van de rechtbank





Formele punten



12. De rechtbank stelt vast dat het beroep wel mede namens [eiser 5] en [eiser 6] is ingediend, maar niet is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaar. Dat is in beroep niet bestreden. Hun beroep is daarom ongegrond.

13. Bij de behandeling ter zitting heeft eisers gemachtigde desgevraagd verklaard dat de beroepsgronden die zijn gericht tegen de bij het bestreden besluit aan de Bodycamp opgelegde last onder dwangsom, geen bespreking behoeven. Dat geldt volgens de verklaring van de gemachtigde van eisers ter zitting ook voor de beroepsgronden met betrekking tot de ingebrekestelling/vergoeding van verbeurde dwangsommen en de afwijzing van de vergoeding proceskosten in de bezwaarprocedure. Voor zover het beroep daartegen was gericht, is dat op zitting ingetrokken.

14. Omdat het beroep tegen de aan de Bodycamp opgelegde last onder dwangsom op zitting is ingetrokken, liggen alleen de besluiten op de verzoeken om handhavend op te treden tegen de derde-partij ter beoordeling voor. De indiener van een bezwaarschrift is als zodanig belanghebbende bij een tegen hem gericht besluit op bezwaar. Hij kan tegen dat besluit beroep instellen bij de rechtbank. Dat geldt ook als de indiener van het bezwaarschrift geen belanghebbende is bij het primaire besluit. De reden daarvoor is om de rechter in staat te stellen om te beoordelen of het bestuursorgaan een bezwaar terecht (niet-)ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank is van oordeel dat [eisers 7] , [adres 6] dermate ver weg wonen van het padelcentrum (400 meter) dat zij geen gevolgen van enige betekenis daarvan kunnen ondervinden. Verweerder heeft deze eisers ten onrechte ontvankelijk geacht in hun bezwaar tegen het primaire besluit, omdat zij geen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal hun beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dat aan hen is gericht en zelf voorziend het bezwaar van deze eisers niet-ontvankelijk verklaren.

15. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder de bij besluit van 20 december 2023, zoals gewijzigd op 17 juni 2024, aan de derde-partij opgelegde last onder dwangsom en de bij het bestreden besluit van 11 juli 2024 opgelegde last onder dwangsom bij besluit van 7 oktober 2024 heeft ingetrokken. De reden van de intrekking is dat verweerder de bouw van de terrasoverkapping en het gebruik van het terras bij besluit van 26 september 2024 heeft gelegaliseerd, door hier een omgevingsvergunning voor te verlenen. Omdat de bij het bestreden besluit gehandhaafde en opgelegde lasten ter zake van de bouw van de terrasoverkapping en het gebruik van het terras zijn ingetrokken zal de rechtbank het daartegen gerichte beroep niet-ontvankelijk verklaren.



15.1.
Het intrekkingsbesluit van 7 oktober 2024 is een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij hebben daartoe gewezen op het beroepschrift dat zij hebben ingediend tegen verweerders beslissing op bezwaar van 27 februari 2025 (ROE 25/898). Het beroep tegen het bestreden besluit wordt op grond van artikel 6:19 van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen verweerders besluit van 7 oktober 2024. De rechtbank heeft het beroep van eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het terras en de terrasoverkapping gelijktijdig behandeld en heeft daarin bij separate uitspraak van heden uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank dat beroep – van de ontvankelijke eisers – ongegrond heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de ter zake opgelegde lasten onder dwangsom bij het besluit van 7 oktober 2024 terecht heeft ingetrokken en terecht alsnog heeft geweigerd handhavend op te treden tegen het realiseren en gebruiken van het terras met overkapping. Het mede daartegen gerichte beroep is om die reden ongegrond.



Valt het gebruik van de sportsbar onder het overgangsrecht?



16. Eisers voeren aan dat het gebruik van de sportsbar niet onder het overgangsrecht valt omdat het gebruik is gewijzigd in zelfstandige horeca en de afwijking van hetgeen planologisch is toegestaan, is vergroot. Verder is volgens eisers niet aangetoond dat het gebruik niet in strijd was met het vorige bestemmingsplan en dat het strijdige gebruik ononderbroken is voortgezet.

17. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gebruik onder het overgangsrecht valt, omdat het gebruik voor horeca vanaf de peildatum ononderbroken is voortgezet en omdat nog steeds sprake is van ondergeschikte horeca als bedoeld in het bestemmingsplan Venray 2006. Daartoe heeft verweerder onder meer gewezen op het controlerapport van 11 juni 2024 van de toezichthouder dat op zitting is overgelegd. Bij die controle is aan de hand van de omzetcijfers nagegaan of de horeca die plaatsvindt in en bij het padelcentrum (qua omzet) ondergeschikt is aan het padellen. In het controlerapport wordt geconcludeerd dat de omzet van de baanverhuur sinds 2019 altijd hoger is geweest dan de omzet van de horeca en dat er sinds 2015 ononderbroken horeca is geweest. Daardoor is volgens de toezichthouder sprake van bescherming door het overgangsrecht. Dat het gebruik voor horeca is geïntensiveerd is volgens de toezichthouder en verweerder niet relevant, omdat geen sprake is van ‘ander’ gebruik als bedoeld in het overgangsrecht.

18. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie in beginsel op degene die een beroep doet op overgangsrecht – in dit geval verweerder dus – de plicht rust om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat het gebruik van het gebouw voor horeca onder het vorige bestemmingsplan Venray 2006 was toegestaan, omdat de locatie de functieaanduiding ‘H110’ had die inhield dat daar 110 m² aan ondergeschikte horeca mocht plaatsvinden. De voormalige kantine en de huidige sportsbar hebben een oppervlakte van ca 100 m². Onder het geldende bestemmingsplan Venray 2017 ontbreekt genoemde functieaanduiding en is het gebruik van het perceel voor horeca niet langer positief bestemd. Horeca is niet langer toegestaan.

19. Ingevolge artikel 40.2, eerste lid, van het geldend bestemmingsplan Venray 2017 dat op 19 september 2017 is vastgesteld en dat op 17 november 2017 in werking is getreden en onherroepelijk is geworden (de peildatum), mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. De uitzondering dat het gebruik van de kantine al verboden was op grond van het voordien geldende bestemmingsplan Venray 2006 is, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, niet van toepassing.

20. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de horeca op de peildatum niet aanwezig was en sindsdien niet ononderbroken is voortgezet, maar volgt verweerder niet in diens standpunt dat het niet uitmaakt of het gebruik voor horeca na de peildatum feitelijk is geïntensiveerd zo lang sprake blijft van aan sport (tennis of padel) ondergeschikte horeca als bedoeld in het bestemmingsplan Venray 2006. De rechtbank is van oordeel dat het op de peildatum bestaande gebruik onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt en mag worden voortgezet en worden gewijzigd, zolang de afwijking van het geldende plan niet wordt vergroot. Zoals de Afdeling meermaals heeft overwogen moet een intensivering van het gebruik als een verandering daarvan worden aangemerkt en brengt intensivering naar de aard vergroting van de afwijking van het bestemmingsplan met zich mee. De vergelijking van de feitelijke ruimtelijke gevolgen van het huidige gebruik ten opzichte van het gebruik op de peildatum zijn bepalend voor de toepassing van het overgangsrecht.

21. De rechtbank stelt vast dat noch verweerder noch de derde-partij het standpunt van eisers hebben betwist dat het gebruik van de sportsbar ten opzichte van het gebruik van de voormalige tenniskantine is geïntensiveerd. In het dwangsombesluit van 11 juli 2024 heeft verweerder op pagina 2, onder verwijzing naar het controlerapport van 11 juni 2024, in de vijfde alinea het volgende vermeld: “Daarnaast is het strijdig gebruik ter plekke niet gewijzigd. De horeca op deze locatie is weliswaar gegroeid [cursivering rechtbank], maar het gebruik ‘horeca’ is op zichzelf niet gewijzigd. U voldoet daarom aan artikel 40.2, lid 1, bestemmingsplan Venray 2017”. Ook de gemachtigde van de derde-partij heeft op zitting bevestigd dat het aantal padel- en pickelbanen ten opzichte van het aantal inpandige tennisbanen op de peildatum van vier naar zes is uitgebreid, omdat padel populairder is dan tennis en dus meer sporters trekt die ook van de horeca gebruik maken. Die sporters hoeven anders dan bij een tennisvereniging geen lid te zijn om te sporten. Iedereen kan online een padelbaan boeken en daarna de sportsbar bezoeken. Verder zijn er allerlei horeca-activiteiten bijgekomen die aan padel zijn gerelateerd. Zo worden in de sportsbar verjaardagsfeestjes en bedrijfsuitjes gehouden waarbij met padel kennis wordt gemaakt en tevens van de horecafaciliteiten gebruik wordt gemaakt.

22. Verweerder heeft bij genoemd besluit van 11 juli 2024 een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat de sportsbar als een zelfstandige horeca onderneming ook voor niet padellers wordt gebruikt. Het moet onzelfstandig horecagebruik blijven ten behoeve van/ondergeschikt aan padel, want alleen dat gebruik valt onder het overgangsrecht, aldus verweerder. Zoals de rechtbank onder 20 en 21 heeft overwogen, heeft verweerder daarbij miskend dat een intensivering van het gebruik niet onder het overgangsrecht valt en dat daartegen dus in beginsel handhavend moet worden opgetreden. Uit het voorgaande volgt dat verweerders besluit, voor zover daarbij is geweigerd handhavend op te treden tegen het gebruik van de sportsbar, omdat dat gebruik onder het overgangsrecht valt, onzorgvuldig is voorbereid en ontoereikend is gemotiveerd. Verweerder heeft namelijk verzuimd om te beoordelen wat het gebruik en de feitelijke ruimtelijke uitstraling van de voormalige kantine op de peildatum 17 november 2017 was en heeft dat bovendien niet vergeleken met de omvang van het gebruik en de feitelijke ruimtelijke uitstraling van de sportsbar ten tijde van de besluitvorming.

23. Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond en het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van de sportsbar in stand is gelaten.



Ontbreken geldige exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning



24. Eisers persisteren bij hun standpunt dat er geen geldige exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunningen voor de sportsbar zijn verleend althans dat die door alle wijzigingen hun geldigheid hebben verloren dan wel ingetrokken hadden moeten worden omdat de sportsbar in strijd met het bestemmingsplan is. Daartegen wordt ten onrechte niet handhavend opgetreden, aldus eisers.

25. Verweerder heeft gewezen op de aan [naam] op 4 december 2017 verleende vergunningen die gelden voor de kantine (100 m²) en het terras (80 m²). Verder wijst verweerder onder meer op zijn standpunt dat de kantine en het terras niet (meer) in strijd zijn met het bestemmingsplan. Dat is afhankelijk van het oordeel van de rechtbank over het overgangsrecht en over de rechtmatigheid van de legaliserende vergunning voor het terras en de overkapping, aldus verweerder.

26. De rechtbank heeft op zitting ambtshalve aan de orde gesteld dat niet verweerder, maar de burgemeester bevoegd gezag is inzake het verlenen van vergunningen en handhaving op grond van de Drank- en Horecawet en de geldende Algemene plaatselijke verordening gemeente Venray voor zover het de benodigde exploitatievergunning betreft. Hieruit volgt dat niet verweerder maar de burgemeester van Venray op het handhavingsverzoek had moeten beslissen. Dat moet alsnog gebeuren op basis van de actuele situatie. Op zitting is namelijk gebleken dat het horecagedeelte inmiddels door een andere besloten vennootschap (TODO) wordt geëxploiteerd, die niet gelieerd is aan de derde-partij. Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving is daarom ook op dit punt gegrond en het bestreden besluit wordt in zoverre vernietigd en het primaire besluit in zoverre zelf voorziend herroepen. Zoals gezegd dient vervolgens de burgemeester van Venray alsnog een besluit te nemen op dat deel van het handhavingsverzoek. Verweerder dient het verzoek om handhaving daartoe aan de burgemeester van Venray door te zenden.



Bouw padelhal zonder omgevingsvergunning, Bouwbesluit en melding Abm



27. Eisers blijven eveneens van mening dat voor de verbouwing van de tennishal tot padelhal een omgevingsvergunning was vereist gezien de daardoor veroorzaakte milieugevolgen en overlast voor omwonenden. Omdat onduidelijk is of het gebouw na de functiewijziging aan de eisen van het Bouwbesluit voldoet, verzoeken eisers om daartegen handhavend op te treden. Ook als er geen omgevingsvergunning nodig is, blijft repressief toezicht op grond van het Bouwbesluit noodzakelijk en dat is achterwege gebleven, aldus eisers. Verder persisteren eisers bij hun standpunt dat door de functiewijziging een melding op grond van het Abm had moeten worden gedaan en in dat kader had verweerder de derde-partij moeten verplichten een akoestisch rapport in te dienen. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij onevenredig worden benadeeld doordat geen akoestisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Zij betogen dat verweerder alsnog een akoestisch rapport moet verlangen.

28. Verweerder voert aan dat tijdens de controles van 26 mei 2023 en 5 juni 2023 niet is geconstateerd dat sprake is van een verandering van een bouwwerk waarbij niet wordt voldaan aan de eisen, gesteld in artikel 3, achtste lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Bij de aanleg van padelbanen in plaats van de tennisbanen in de hal is de draagconstructie en de brandcompartimentering van het gebouw niet veranderd en heeft geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte of van het bouwvolume plaatsgevonden, zodat daarvoor geen (bouw-)omgevingsvergunning nodig was en geen toets aan het Bouwbesluit, aldus verweerder. Verder heeft verweerder toegelicht waarom geen akoestisch onderzoek was vereist, ook niet in het kader van een melding op grond van het Abm.

29. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de controlerapporten en in het voetspoor daarvan de conclusie van verweerder dat voor de inpandige verandering van de hal geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo (activiteit bouwen) was vereist. Van sloop van de tennishal en nieuwbouw van een padelhal, zoals eisers betogen, is geen sprake geweest. Omdat genoemde omgevingsvergunning niet nodig was, was ook geen preventieve toets aan het Bouwbesluit aan de orde. De rechtbank volgt verweerder ook in diens standpunt dat het gebruik van de hal voor de padelsport zowel onder het vorig als het geldend bestemmingsplan planologisch rechtstreeks is toegestaan. Van planologisch strijdig gebruik is geen sprake. Er was daarom ook geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo (activiteit afwijken van het bestemmingsplan) nodig voor de verbouwing tot padelhal. Voor een akoestisch onderzoek om te beoordelen of de gewijzigde functie ruimtelijk inpasbaar is, bestaat dan geen ruimte, omdat het bestemmingsplan deze functie toestaat. Dat geldt ook voor beoordeling van andere mogelijke ruimtelijke gevolgen van de wijziging, zoals parkeerdruk. Verder bestaat geen ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich eveneens terecht op het standpunt stelt dat voor de inpandige verandering/functiewijziging geen akoestisch onderzoek in het kader van een (nieuwe) melding op grond van het Abm was vereist. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat zich geen van de gevallen voordoet als bedoeld in artikel 1.10, tweede lid, van het Abm in verbinding met artikel 1.11, tweede en derde lid, van het Abm. Deze beroepsgronden slagen niet.



Parkeernorm, infiltratieplicht en geluidsoverlast



30. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte een nieuw primair besluit heeft genomen op hun verzoek handhavend op te treden tegen het niet voldoen aan de geldende parkeernorm, de infiltratieverplichting en de door het padellen veroorzaakte geluidsoverlast. Volgens eisers was dat in het inleidend verzoek ook al aangevoerd en had verweerder dat in het bestreden besluit moeten beoordelen.

31. De rechtbank is het met verweerder eens dat het niet voldoen aan de geldende parkeernorm zoals opgenomen in artikel 33.4.1 van het bestemmingsplan Venray 2017 en de infiltratieverplichting als bedoeld in artikel 33.31 van dat bestemmingsplan, niet in het verzoek om handhaving maar pas in de bezwaarfase zijn aangevoerd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan een verzoek om handhaving na het nemen van het primaire besluit niet worden uitgebreid maar moet een dergelijke uitbreiding als een nieuw verzoek worden aangemerkt. Verweerder heeft daarop terecht beslist door op 30 juli 2024 een nieuw primair besluit te nemen. Tegen dat besluit hebben eisers geen bezwaar gemaakt. Daardoor staat de afwijzing van dat aanvullende handhavingsverzoek in rechte vast. Deze beroepsgronden slagen niet.

32. Het voorgaande geldt grotendeels ook voor het in bezwaar concreet geformuleerde verzoek om handhavend op te treden tegen overschrijding van de geldende geluidsnormen als gevolg van padellen, hoewel eisers in het initiële handhavingsverzoek al wel toename van het geproduceerde geluid hebben genoemd in relatie tot het Bouwbesluit (en het ontbreken van een vergunning). De rechtbank merkt daarover - deels in aanvulling op hetgeen onder 31 is overwogen - het volgende op. Vóór het indienen van het handhavingsverzoek heeft op 24 april 2023 een geluidsonderzoek plaatsgevonden naar aanleiding van klachten van de bewoners van [adres 3] over geluidsoverlast door padelactiviteiten. Bij de metingen zijn geen overschrijdingen van artikel 2.17 van het Abm geconstateerd. Die meting was blijkbaar niet representatief omdat, zoals het controlerapport vermeldt, in de beoordelingsperiode van 14 april tot en met 23 april 2023 – voor zover controleerbaar – geen padelactiviteiten hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft daarna geprobeerd in overleg met de bewoners een afspraak te maken om het onderzoek opnieuw te doen, maar die zijn daar niet op ingegaan. Desgevraagd hebben zij op zitting verklaard dat zijn geen vertrouwen (meer) in verweerder hebben. Zonder onderzoek naar de geluidsemissie op hun woning als gevolg van padelactiviteiten en de sportsbar kan echter niet worden vastgesteld of (cumulatief) aan de geldende geluidsnormen (artikel 2.17 Abm, nu artikel 22.63 van het Omgevingsplan gemeente Venray) wordt voldaan. Zo lang geen overtreding is geconstateerd, kan verweerder niet handhaven. Daarom is medewerking van eisers nodig als zij willen dat verweerder bij/in hun woning controleert en zo nodig tot handhaving overgaat in verband met overschrijding van de geluidsnormen door het padelcentrum. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het bestreden besluit niet heeft mogen nemen.



Parkeren parkeerplaats Kempweg 150, parkeren in bos en parkeren op eigen terrein



33. Eisers hebben in beroep herhaald dat zij ernstige overlast ondervinden van parkeren door bezoekers van het padelcentrum. De exploitant verwijst bezoekers naar het parkeerterrein aan de Kempweg 150, maar dat terrein behoort niet tot het op de plankaart aangewezen terrein van het padelcentrum en is geen eigendom van de derde-partij, maar van de gemeente. De derde-partij zou daarom verplicht moeten worden voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren zoals het bestemmingsplan voorschrijft, aldus eisers.

34. Verweerder heeft de parkeersituatie ter plaatse in het bestreden besluit toegelicht. Aan één kant van de Kempweg geldt een parkeerverbod dat kan en moet worden gehandhaafd, aldus verweerder. Daartegen kan strafrechtelijk door het opleggen van verkeersboetes worden opgetreden. Voor het opleggen van een last onder bestuursdwang op grond van artikel 170 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) bestaat geen grond. Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat het parkeerprobleem wordt aangepakt en dat hij daarover met omwonenden in gesprek wil om samen dit probleem op te lossen en eventuele aanvullende of gewijzigde verkeersbesluiten te nemen.

35. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in het besluit van 30 juli 2024, waartegen eisers geen bezwaar hebben gemaakt, terecht op het standpunt heeft gesteld dat de parkeernorm in het bestemmingsplan is opgenomen als toetsingsnorm voor het verlenen van een omgevingsvergunning en geen zelfstandige handhaafbare norm betreft. Gelet daarop heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden tegen het niet voldoen aan de parkeernorm afgewezen. Zoals de rechtbank hiervoor onder 31 heeft overwogen, staat die afwijzing in rechte vast. Verder wijst verweerder er terecht op dat tegen verkeers- en parkeerovertredingen die voor overlast zorgen via het strafrecht (Wvw en Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) en niet via het bestuursrecht moet worden opgetreden. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat voor het toepassen van de vergaande maatregel van bestuursdwang op grond van artikel 170 van de Wvw in het onderhavige geval geen grond bestaat. Overigens hebben eisers op zitting verklaard dat de parkeeroverlast niet is verdwenen, maar wel is verminderd als dan niet als gevolg van door verweerder genomen maatregelen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het verzoek om handhaving op dit punt heeft kunnen afwijzen. De beroepsgronden slagen niet.



De op 10 juni 2023 aangekondigde barbecue



36. Eisers persisteren bij hun standpunt dat verweerder een preventieve last onder dwangsom had moeten opleggen tegen het aangekondigde barbecue evenement dat op 10 juni 2023 zou plaatsvinden, omdat er op voorhand geen reden was om aan te nemen dat dat evenement niet door zou gaan.

37. De rechtbank stelt vast dat het gaat om een evenement dat in het verleden zou plaatsvinden, maar is geannuleerd en geen doorgang heeft gevonden, zoals ook uit de controle van verweerder is gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers in zoverre geen procesbelang hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Onduidelijk is wat eisers op dit punt nu nog met hun beroep willen bereiken. Verder is gesteld noch gebleken dat eisers schade hebben geleden door de weigering een preventief handhavingsbesluit te nemen. De rechtbank zal hun beroep daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.



Conclusie



38. Het beroep is deels niet-ontvankelijk, deels gegrond en deels ongegrond. De rechtbank beslist zoals in het dictum is aangegeven.

39. Omdat de rechtbank het beroep (deels) gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 23,40 wegens reiskosten op basis van tarief openbaar vervoer (trein retour Venray-Roermond) van [eisers 1] . De door eisers gemachtigde verleende bijstand is geen door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die voor een proceskostenvergoeding (in beroep of bezwaar) in aanmerking komt. De overige door [eisers 1] op het formulier proceskosten genoemde kosten, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat bij ‘verletkosten’ alleen uren maar geen bedrag is ingevuld en bij de ‘om andere redenen gemaakte kosten’ ad € 23,76 niet is ingevuld waar die betrekking op hebben.




Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep van [eiser 5] en [eiser 6] tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij hun bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, ongegrond;


verklaart het beroep van [eisers 7] gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover zij daarbij ontvankelijk zijn geacht in hun bezwaar, vernietigt het bestreden besluit in zoverre, verklaart zelf voorziend hun bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;


verklaart het beroep van de overige eisers tegen het bestreden besluit voor zover


daarbij aan de derde-partij een last onder dwangsom is opgelegd dan wel in stand gelaten ter zake van de bouw van een terrasoverkapping en het gebruik van een terras niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van de overige eisers tegen het besluit van 7 oktober 2024,
waarbij genoemde lasten zijn ingetrokken, ongegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het primaire besluit in stand is gelaten om niet handhavend op te treden tegen het gebruik van de sportsbar en draagt verweerder op in zoverre een nieuw besluit op het bezwaar van de overige eisers te nemen met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak;


verklaart het beroep voor het overige ongegrond;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,00 aan eisers te vergoeden;


- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser [eisers 1] tot een bedrag van € 23,40.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzitter, en mrs. R.J.G.H. Seerden en
S.A. Lemmens, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026.





griffier voorzitter




Afschrift verzonden aan partijen op: 10 september 2026.





Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.





Bijlage: juridisch kader


Bestemmingsplan Venray 2017:



art. 1.67: Ondergeschikte activiteit: Activiteit die afwijkt van de hoofdfunctie, maar die hieraan niet gelijkwaardig is vanwege:



de oppervlakte; de activiteit beslaat in oppervlakte maximaal 25% van het vloeroppervlak van het gebouw/de gebouwen, of;



de duur en frequentie; de activiteit komt incidenteel voor en beslaat qua beoefening dus minder tijd dan de hoofdfunctie, of;



de functie in relatie tot de hoofdfunctie; de activiteit wordt uitgeoefend ter ondersteuning van de hoofdfunctie.



Zie art. 1.70: Ondergeschikte horeca: Het als ondergeschikte activiteit beperkt verstrekken van dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse in direct verband met andere ter plaatse toegestane hoofdactiviteiten, niet zijnde horeca.



Zie ook nog art. 1.86: Sportterrein: Een terrein dat geheel of gedeeltelijk is ingericht of wordt gebruikt ten behoeve van sportieve activiteiten met daarbij inbegrepen aan de inrichting verbonden en ondergeschikte daghorecavoorzieningen.



Artikel 15.1.1, onder b: “Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘horeca, zijn de voor recreatie aangewezen gronden bestemd voor horeca ondergeschikt aan en ten dienste van de doeleinden als bedoeld onder a (sportieve en recreatieve doeleinden), met dien verstande dat de brutovloeroppervlakte van de betreffende horecafunctie niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum vloeroppervlakte (m²) is aangegeven”;



Ingevolge artikel 15.5 is gebruik van voor Recreatie aangewezen gronden voor horeca strijdig gebruik tenzij het onder art. 15.1.1, onder b, is te scharen.



Artikel 33.3.1 Infiltratieplicht:
“Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voor de aanwezige functie op eigen terrein wordt voorzien in infiltratie van hemelwater”.



Artikel 33.3.2 Afwijking:
“Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 33.3.1 voor zover op andere wijze in de nodige infiltratievoorziening wordt voorzien”.
Artikel 33.4.1: “Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in “Bijlage 3 Parkeernormen Venray” die als bijlage bij de “Beleidsnota parkeernormen, Gemeente Venray” hoort. Indien deze nota niet toereikend is wordt getoetst aan de CROW publicatie 317 'kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Indien de beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging.



Artikel 33.4.2 Afwijking:
“Het bevoegd gezag kan een omgevingsverlening verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 33.4.1 indien het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit”.



Artikel 34.1: Algemeen gebruiksverbod: “Onverlet het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is het (ook) verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het laten gebruiken danwel het doen laten gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan”.



Artikel 40.1 (overgangsrecht bouwwerken)


1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,


gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;


na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.


2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.


Artikel 40.2 (overgangsrecht gebruik)




Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.


Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.


Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.


Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.




Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 december 2014, ECLI:NL:RVS:2019: 4736, r.o. 2, derde zin.


Die bevoegdheid is gegeven in artikel 8:72, derde lid, onderdeel b, van de Awb.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2677.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA2682, r.o. 2.3.1, 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015, r.o. 3.1 en 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4439, r.o. 3.7.


De zaak waarin heden separaat uitspraak is gedaan met procedurenummer ROE 25/898.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 november 3031, ECLI:NL:RVS:2021:2422.


Pagina 9 van het bestreden besluit.