Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9605
2026-09-23
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12177120 \ CV EXPL 26-1678
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Nakoming overeenkomst, ongerechtvaardigde verrijking
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2011:BQ2213 Hoge Raad 16-09-2011
- ECLI:NL:HR:2018:2043 Hoge Raad 02-11-2018
- ECLI:NL:HR:2011:BQ3876 Hoge Raad 02-09-2011
- ECLI:NL:HR:2024:1808 Hoge Raad 06-12-2024
- ECLI:NL:HR:2010:BM2329 Hoge Raad 09-07-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.544 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12177120 \ CV EXPL 26-1678
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. M.F.A. Vreeswijk,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 11
- de reactie op de dagvaarding met producties 1 en 2
- mondelinge behandeling van 26 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eisende partij] is een bedrijf dat dakwerkzaamheden verricht.
2.2.
[gedaagde partij] exploiteert de [eenmanszaak] (hiena: [eenmanszaak] ).
2.3.
[eisende partij] heeft in de periode 2022 – 2024 verschillende werkzaamheden bij [eenmanszaak] verricht:
Tussen 26 augustus 2022 tot en met 3 september 2022 heeft [eisende partij] bij [eenmanszaak] meerdere dakramen gemonteerd.
Op 7 februari 2023 heeft [eisende partij] een afdak gerealiseerd.
Op 7 en 11 september 2024 heeft [eisende partij] kopgevels van de hal gedemonteerd.
[eisende partij] had over deze werkzaamheden contact met de heer [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ). [persoon 1] verrichte hand- en spandiensten voor [gedaagde partij] bij [eenmanszaak] . [persoon 1] is op 14 december 2024 overleden.
2.4.
Op 16 december 2024 heeft [eisende partij] haar werkzaamheden op [eenmanszaak] in 2022 en 2023 gefactureerd aan [gedaagde partij] (totaal: € 4.310,63). Op 12 januari 2025 heeft [eisende partij] haar werkzaamheden op [eenmanszaak] in 2024 gefactureerd aan [gedaagde partij] (€ 1.101,10). In totaal heeft [eisende partij] voor haar werkzaamheden dus € 5.411,73 (4.310,63 + 1.101,10) gefactureerd.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld om aan [eisende partij] een bedrag van EUR 5.411,73 te voldoen, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke (handels)rente vanaf datum factuur, respectievelijk datum sommatie, respectievelijk dag van dagvaarding;
Subsidiair: dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld om aan [eisende partij] een bedrag van EUR 5.411,73 te voldoen op grond van artikel 6:212 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke (handels)rente vanaf datum factuur, respectievelijk datum sommatie, respectievelijk dag van dagvaarding;
3.2.
[eisende partij] legt aan de primaire vordering ten grondslag dat sprake is van een overeenkomst van aanneming van werk tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] , waarbij [persoon 1] [gedaagde partij] vertegenwoordigde. [eisende partij] vordert nakoming van deze overeenkomst.
3.3.
Indien geen sprake is van een overeenkomst, vordert [eisende partij] subsidiair een vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Door de werkzaamheden van [eisende partij] is het pand van [eenmanszaak] in waarde gestegen/verbeterd waardoor [gedaagde partij] is verrijkt, aldus [eisende partij] . [eisende partij] is verarmd door vermogensschade in de vorm van gederfde winst. Er is geen redelijke grond voor verrijking, waardoor de verrijking ongerechtvaardigd is aldus [eisende partij] .
3.4.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] stelt geen sprake is van een overeenkomst. [persoon 1] was daarnaast niet vertegenwoordigingsbevoegd. De werkzaamheden van [eisende partij] , zijn te kwalificeren als een vriendendienst. Dit houdt tevens in dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, aldus [gedaagde partij] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter wijst de primaire vordering af. Ten aanzien van de subsidiair vordering oordeelt de rechter dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking en veroordeelt [gedaagde partij] om de daardoor door [eisende partij] geleden schade te vergoeden. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van EUR 3.620,93. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Primaire vordering: nakoming overeenkomst
Juridisch kader totstandkoming overeenkomst
4.2.
In artikel 6:217 BW is opgenomen dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en aanvaarding daarvan. Of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard, uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Wanneer een schriftelijke overeenkomst ontbreekt, kan de totstandkoming van een overeenkomst mede worden afgeleid uit een tussen partijen op enig moment bestaande feitelijke situatie.
Juridisch kader vertegenwoordigingsbevoegdheid
4.3.
Artikel 3:61 BW bepaalt dat een volmacht uitdrukkelijk of stilzwijgend kan worden verleend. Het kan zijn dat iemand namens een ander handelt zonder (toereikende) volmacht. Als de wederpartij door een verklaring of gedraging van die ander redelijkerwijs mocht aannemen dat er wél een (toereikende) volmacht was, kan de ander zich niet meer beroepen op het ontbreken of de ontoereikendheid van die volmacht.
De kantonrechter wijst de primaire vordering af: tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] is wel een overeenkomst gesloten, maar de inhoud van de overeenkomst staat niet vast.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisende partij] in 2022, 2023 en 2024 de gefactureerde werkzaamheden heeft verricht bij [gedaagde partij] . Tussen partijen is wel in geschil of [gedaagde partij] voor deze werkzaamheden moet betalen. Uit artikel 150 Wetboek van Rechtsvordering volgt dat de bewijslast rust op de partij die zich op het rechtsgevolg van dat feit beroept. Aangezien [eisende partij] betaling van de werkzaamheden vordert, beroept [eisende partij] zich op het rechtsgevolg. Dit houdt in dat [eisende partij] moet stellen en onderbouwen dat [gedaagde partij] het gevorderde bedrag moet betalen.
4.5.
Ter zitting heeft [eisende partij] haar gebruikelijke werkwijze toegelicht: normaliter start [eisende partij] met haar werkzaamheden na een geaccordeerde offerte. Bij [eenmanszaak] heeft [eisende partij] van haar gebruikelijke werkwijze afgeweken omdat zij dit eerder ook had gedaan. [eisende partij] heeft in 2019 en 2020 werkzaamheden bij [eenmanszaak] verricht in opdracht van [persoon 1] zonder geaccordeerde offerte. [gedaagde partij] heeft destijds de factuur van de werkzaamheden betaald. Voor de werkzaamheden in 2022, 2023 en 20224 verliep het sluiten van een overeenkomst volgens [eisende partij] hetzelfde: [persoon 1] vroeg via whatsapp aan [eisende partij] of zij dakwerkzaamheden bij [eenmanszaak] kon verrichten. In deze whatsappgesprekken is niet gesproken over een uurtarief en [eisende partij] heeft geen indicatie gegeven voor het aantal uren dat [eisende partij] met deze werkzaamheden bezig zou zijn. [eisende partij] achtte bespreking van het uurtarief niet nodig, omdat [persoon 1] door eerdere werkzaamheden van [eisende partij] bij [eenmanszaak] in 2019 en 2020 op de hoogte was van het uurtarief. De rechter merkt op dat deze whatsappberichten niet zijn overlegd.
4.6.
Ter zitting heeft [gedaagde partij] verduidelijkt dat [persoon 1] voor veel zaken op [eenmanszaak] contactpersoon was naar externe partijen. [gedaagde partij] verklaart dat zij geen contact had met partijen en de factuur betaalde wanneer deze werden gestuurd. [gedaagde partij] erkent dat [eisende partij] in 2019 en 2020 werkzaamheden heeft uitgevoerd, dat het contact toen via [persoon 1] verliep en dat [gedaagde partij] de facturen heeft betaald.
4.7.
Op basis van voorgaande oordeelt de kantonrechter dat [eisende partij] op basis van de gedragingen van [gedaagde partij] in het verleden, mocht aannemen dat [persoon 1] over een toereikende volmacht beschikte. Dit houdt in dat [gedaagde partij] zich niet kan beroepen op het ontbreken van deze volmacht. Daarnaast betwist [gedaagde partij] niet dat [eisende partij] de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Er is dan ook sprake van een feitelijke situatie waaruit de totstandkoming van een overeenkomst mag worden afgeleid. De kantonrechter oordeelt dan ook dat sprake is van een overeenkomst tussen [gedaagde partij] en [eisende partij] ten aanzien van de dakwerkzaamheden in 2022, 2023 en 2024. Dit betekent echter nog niet dat het gevorderde kan worden toegewezen.
4.8.
[eisende partij] heeft niet voldoende onderbouwd gesteld om het gevorderde bedrag toe te wijzen. Zo heeft [eisende partij] geen onderbouwing overlegd van een prijsafspraak. Daarbij rust het risico van het achterwege blijven van de concrete afspraak op de professionele partij, in dit geval aannemer [eisende partij] . Hoewel de kantonrechter oordeelt dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, wijst de kantonrechter de vordering tot nakoming af. De kantonrechter kan namelijk niet voldoende vaststellen of en welke betalingsverplichtingen uit de overeenkomst voortvloeien.
Subsidiaire vordering: ongerechtvaardigde verrijking
Juridisch kader ongerechtvaardigde verrijking
4.9.
In artikel 6:212 BW is opgenomen dat degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot aan het bedrag van zijn verrijking. De wet kent verschillende vereisten voor ongerechtvaardigde verrijking: (1) verrijking, (2) verarming van de ander, (3) verband tussen verrijking en verarming, en (4) ongerechtvaardigd. De stelplicht dat aan deze vereisten is voldaan, rust op de partij die zich op ongerechtvaardigde verrijking beroept.
4.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan de vereisten (1) verrijking, (2) verarming, en (3) verband tussen verrijking, is voldaan. Tussen partijen is wel in geschil of aan het vereiste ‘ongerechtvaardigd’ is voldaan. [gedaagde partij] betwist dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking omdat [eisende partij] de werkzaamheden als vriendendienst zou hebben uitgevoerd, dan wel dat deze werkzaamheden verrekend moeten worden met de door [persoon 1] voor [persoon 2] verrichte (vrienden)diensten
Rechter wijst de subsidiaire vordering toe tot een bedrag van € 3.620,93: [gedaagde partij] is ongerechtvaardigd verrijkt, er is geen sprake van een vriendendienst.
4.11.
[gedaagde partij] voert aan dat [persoon 1] bij haar heeft gemeld dat niet betaald hoefde te worden voor de werkzaamheden van [eisende partij] in 2022, 2023 en 2024 omdat dit weggestreept werd tegen werkzaamheden die [persoon 1] voor de heer [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) van [eisende partij] had uitgevoerd. [persoon 1] heeft [persoon 2] twaalf keer van- en naar Amsterdam Schiphol gereden. Dit staat in verhouding tot de gewerkte uren van [eisende partij] . [gedaagde partij] erkent dat ze is verrijkt, maar ze heeft voor deze verrijking betaald doordat [persoon 1] op haar terrein woonde zonder daarvoor te betalen, hand- en spandiensten verrichten voor [eenmanszaak] en in het verlengde daarvan de kilometers die [persoon 1] maakte om [persoon 2] naar het vliegveld te brengen.
4.12.
[eisende partij] voert aan dat hij drie keer naar het vliegveld is gebracht door [persoon 1] , dit was op basis van een privérelatie tussen [persoon 2] en [persoon 1] , dit heeft niets te maken met de zakelijke relatie tussen [eisende partij] en [eenmanszaak] . Daarbij voert [eisende partij] aan dat de vriendendienst tussen [persoon 2] en [persoon 1] op geen enkele wijze te vergelijken is met de vele uren arbeid die [eisende partij] heeft verricht op [eenmanszaak] .
4.13.
De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een vriendendienst. De kantonrechter stelt voorop dat ze zich kan voorstellen dat het wrang voelt dat de facturen kort na het overlijden van [persoon 1] zijn verstuurd. Desalniettemin komt de kantonrechter komt tot dit oordeel. [gedaagde partij] heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake zou zijn van een vriendendienst, hetgeen door [eisende partij] voldoende gemotiveerd is betwist. [eisende partij] heeft aangegeven dat tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] geen andere relatie dan een zakelijke bestond, in tegenstelling tot de relatie tussen [persoon 2] en [persoon 1] , die ook vriendschappelijk van aard was. [gedaagde partij] heeft de aard van de relatie tussen [persoon 2] en [persoon 1] bevestigd. De kantonrechter acht het dan ook niet aannemelijk dat een (vrienden)dienst van [persoon 1] aan [persoon 2] , verrekend wordt met werkzaamheden van de rechtspersoon [eisende partij] voor [gedaagde partij] . Tot slot heeft [gedaagde partij] niet betwist dat [eisende partij] 66,5 uur werk op [eenmanszaak] heeft verricht in 2022, 2023 en 2024. Dit aantal uren is niet te rechtvaardigen door een vriendendienst. Hiermee is aan het vereiste van “ongerechtvaardigd” voldaan.
Rechter wijst een schadevergoeding van € 3.620,93 toe
4.14.
Artikel 6:212 BW geeft recht op een schadevergoeding tot het bedrag van de verrijking. Indien aan de vereisten is voldaan, kan de rechter de eventuele schadevergoeding limiteren door de toevoeging “voor zover dit redelijk is” in artikel 6:212 BW.
4.15.
[eisende partij] vordert een bedrag van € 5.411,73 (inclusief btw). Dit bedrag bestaat uit facturen voor werkzaamheden op [eenmanszaak] die [eisende partij] heeft verricht, waarbij uit is gegaan van (totaal) 66,5 uur en een uurtarief van € 65.
4.16.
[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben ter zitting verklaard dat het uurtarief van [eisende partij] in 2019 en 2020 € 45 bedroeg. [gedaagde partij] heeft aangevoerd het uurtarief in 2022, 2023 en 2024 van € 65 hoog te vinden, gelet op het veel lagere uurtarief (€ 45) in 2019 en 2020.
4.17.
De kantonrechter oordeelt dat het niet aannemelijk is dat het uurtarief in twee jaar tijd € 20 is gestegen. De rechtbank neemt hierin mee dat [eisende partij] ter zitting heeft verklaard in 2022, 2023 en 2024 geen uurtarief te noemen aan [persoon 1] aangezien het uurtarief vanwege eerdere werkzaamheden bekend was. Deze verklaring strookt niet met de forse verhoging van het uurtarief. Op basis van voorgaande oordeelt de kantonrechter dat het redelijk is dat [gedaagde partij] een bedrag van € 3.620,93 inclusief btw aan [eisende partij] vergoedt. [gedaagde partij] wordt veroordeeld om dit bedrag bij wijze van schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking aan [eisende partij] te voldoen.
Wettelijke (handels)rente
4.18.
[eisende partij] vordert dat de vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking wordt vermeerderd met de wettelijke (handels)rente als bedoeld in artikel 6:119a BW. De wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW heeft geen betrekking op een verbintenis tot schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking. De kantonrechter wijst de gevorderde wettelijke handelsrente dan ook af.
4.19.
De kantonrechter begrijpt uit de door [eisende partij] gebruikte terminologie “wettelijke (handels)rente” dat [eisende partij] ook heeft bedoeld om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te vorderen. Voor vergoeding van deze wettelijke rente is vereist dat sprake is van verzuim, dit vereiste geldt ook bij ongerechtvaardigde verrijking. Er is geen verzuimdatum gesteld, daarom wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de dag waarop de dagvaarding is betekend, 31 maart 2026.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.20.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking valt niet onder de reikwijdte van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter toetst de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom aan de eisen voor dergelijke vordering zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Op grond van dit rapport kan een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden toegerekend. Voor vaststelling van de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten zal aansluiting worden gezocht bij de in het Besluit bepaalde en door de rechtbank redelijk geachte tarieven. Dit komt in dit geval uit op een bedrag van € 487,09.
Proceskosten
4.21.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] B.V. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,57
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.549,07
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] B.V. te betalen een bedrag van € 3.620,93 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] B.V. te betalen een bedrag van € 487,09 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.549,07, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Duin en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
zie o.a. HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213, NJ 2011/572 (Batavus/Vriend), HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2043, RvdW 2018/1206) en HR 17 december 2021, ECLO:NL:HR:2021:1889, NJ 2022/254 (Waternet II)
HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876 (DE/Fuchs e.a.)
HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1808, NJ 2025/19 (Hotelquotum)
De kantonrechter komt tot dit bedrag met de volgende som: 66,5 uur * € 45 * 1,21% = € 3.620,93
Zie HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2329 r.o. 4.8.3.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12177120 \ CV EXPL 26-1678
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. M.F.A. Vreeswijk,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 11
- de reactie op de dagvaarding met producties 1 en 2
- mondelinge behandeling van 26 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eisende partij] is een bedrijf dat dakwerkzaamheden verricht.
2.2.
[gedaagde partij] exploiteert de [eenmanszaak] (hiena: [eenmanszaak] ).
2.3.
[eisende partij] heeft in de periode 2022 – 2024 verschillende werkzaamheden bij [eenmanszaak] verricht:
Tussen 26 augustus 2022 tot en met 3 september 2022 heeft [eisende partij] bij [eenmanszaak] meerdere dakramen gemonteerd.
Op 7 februari 2023 heeft [eisende partij] een afdak gerealiseerd.
Op 7 en 11 september 2024 heeft [eisende partij] kopgevels van de hal gedemonteerd.
[eisende partij] had over deze werkzaamheden contact met de heer [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ). [persoon 1] verrichte hand- en spandiensten voor [gedaagde partij] bij [eenmanszaak] . [persoon 1] is op 14 december 2024 overleden.
2.4.
Op 16 december 2024 heeft [eisende partij] haar werkzaamheden op [eenmanszaak] in 2022 en 2023 gefactureerd aan [gedaagde partij] (totaal: € 4.310,63). Op 12 januari 2025 heeft [eisende partij] haar werkzaamheden op [eenmanszaak] in 2024 gefactureerd aan [gedaagde partij] (€ 1.101,10). In totaal heeft [eisende partij] voor haar werkzaamheden dus € 5.411,73 (4.310,63 + 1.101,10) gefactureerd.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld om aan [eisende partij] een bedrag van EUR 5.411,73 te voldoen, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke (handels)rente vanaf datum factuur, respectievelijk datum sommatie, respectievelijk dag van dagvaarding;
Subsidiair: dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld om aan [eisende partij] een bedrag van EUR 5.411,73 te voldoen op grond van artikel 6:212 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke (handels)rente vanaf datum factuur, respectievelijk datum sommatie, respectievelijk dag van dagvaarding;
3.2.
[eisende partij] legt aan de primaire vordering ten grondslag dat sprake is van een overeenkomst van aanneming van werk tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] , waarbij [persoon 1] [gedaagde partij] vertegenwoordigde. [eisende partij] vordert nakoming van deze overeenkomst.
3.3.
Indien geen sprake is van een overeenkomst, vordert [eisende partij] subsidiair een vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Door de werkzaamheden van [eisende partij] is het pand van [eenmanszaak] in waarde gestegen/verbeterd waardoor [gedaagde partij] is verrijkt, aldus [eisende partij] . [eisende partij] is verarmd door vermogensschade in de vorm van gederfde winst. Er is geen redelijke grond voor verrijking, waardoor de verrijking ongerechtvaardigd is aldus [eisende partij] .
3.4.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] stelt geen sprake is van een overeenkomst. [persoon 1] was daarnaast niet vertegenwoordigingsbevoegd. De werkzaamheden van [eisende partij] , zijn te kwalificeren als een vriendendienst. Dit houdt tevens in dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, aldus [gedaagde partij] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter wijst de primaire vordering af. Ten aanzien van de subsidiair vordering oordeelt de rechter dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking en veroordeelt [gedaagde partij] om de daardoor door [eisende partij] geleden schade te vergoeden. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van EUR 3.620,93. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Primaire vordering: nakoming overeenkomst
Juridisch kader totstandkoming overeenkomst
4.2.
In artikel 6:217 BW is opgenomen dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en aanvaarding daarvan. Of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard, uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Wanneer een schriftelijke overeenkomst ontbreekt, kan de totstandkoming van een overeenkomst mede worden afgeleid uit een tussen partijen op enig moment bestaande feitelijke situatie.
Juridisch kader vertegenwoordigingsbevoegdheid
4.3.
Artikel 3:61 BW bepaalt dat een volmacht uitdrukkelijk of stilzwijgend kan worden verleend. Het kan zijn dat iemand namens een ander handelt zonder (toereikende) volmacht. Als de wederpartij door een verklaring of gedraging van die ander redelijkerwijs mocht aannemen dat er wél een (toereikende) volmacht was, kan de ander zich niet meer beroepen op het ontbreken of de ontoereikendheid van die volmacht.
De kantonrechter wijst de primaire vordering af: tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] is wel een overeenkomst gesloten, maar de inhoud van de overeenkomst staat niet vast.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisende partij] in 2022, 2023 en 2024 de gefactureerde werkzaamheden heeft verricht bij [gedaagde partij] . Tussen partijen is wel in geschil of [gedaagde partij] voor deze werkzaamheden moet betalen. Uit artikel 150 Wetboek van Rechtsvordering volgt dat de bewijslast rust op de partij die zich op het rechtsgevolg van dat feit beroept. Aangezien [eisende partij] betaling van de werkzaamheden vordert, beroept [eisende partij] zich op het rechtsgevolg. Dit houdt in dat [eisende partij] moet stellen en onderbouwen dat [gedaagde partij] het gevorderde bedrag moet betalen.
4.5.
Ter zitting heeft [eisende partij] haar gebruikelijke werkwijze toegelicht: normaliter start [eisende partij] met haar werkzaamheden na een geaccordeerde offerte. Bij [eenmanszaak] heeft [eisende partij] van haar gebruikelijke werkwijze afgeweken omdat zij dit eerder ook had gedaan. [eisende partij] heeft in 2019 en 2020 werkzaamheden bij [eenmanszaak] verricht in opdracht van [persoon 1] zonder geaccordeerde offerte. [gedaagde partij] heeft destijds de factuur van de werkzaamheden betaald. Voor de werkzaamheden in 2022, 2023 en 20224 verliep het sluiten van een overeenkomst volgens [eisende partij] hetzelfde: [persoon 1] vroeg via whatsapp aan [eisende partij] of zij dakwerkzaamheden bij [eenmanszaak] kon verrichten. In deze whatsappgesprekken is niet gesproken over een uurtarief en [eisende partij] heeft geen indicatie gegeven voor het aantal uren dat [eisende partij] met deze werkzaamheden bezig zou zijn. [eisende partij] achtte bespreking van het uurtarief niet nodig, omdat [persoon 1] door eerdere werkzaamheden van [eisende partij] bij [eenmanszaak] in 2019 en 2020 op de hoogte was van het uurtarief. De rechter merkt op dat deze whatsappberichten niet zijn overlegd.
4.6.
Ter zitting heeft [gedaagde partij] verduidelijkt dat [persoon 1] voor veel zaken op [eenmanszaak] contactpersoon was naar externe partijen. [gedaagde partij] verklaart dat zij geen contact had met partijen en de factuur betaalde wanneer deze werden gestuurd. [gedaagde partij] erkent dat [eisende partij] in 2019 en 2020 werkzaamheden heeft uitgevoerd, dat het contact toen via [persoon 1] verliep en dat [gedaagde partij] de facturen heeft betaald.
4.7.
Op basis van voorgaande oordeelt de kantonrechter dat [eisende partij] op basis van de gedragingen van [gedaagde partij] in het verleden, mocht aannemen dat [persoon 1] over een toereikende volmacht beschikte. Dit houdt in dat [gedaagde partij] zich niet kan beroepen op het ontbreken van deze volmacht. Daarnaast betwist [gedaagde partij] niet dat [eisende partij] de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Er is dan ook sprake van een feitelijke situatie waaruit de totstandkoming van een overeenkomst mag worden afgeleid. De kantonrechter oordeelt dan ook dat sprake is van een overeenkomst tussen [gedaagde partij] en [eisende partij] ten aanzien van de dakwerkzaamheden in 2022, 2023 en 2024. Dit betekent echter nog niet dat het gevorderde kan worden toegewezen.
4.8.
[eisende partij] heeft niet voldoende onderbouwd gesteld om het gevorderde bedrag toe te wijzen. Zo heeft [eisende partij] geen onderbouwing overlegd van een prijsafspraak. Daarbij rust het risico van het achterwege blijven van de concrete afspraak op de professionele partij, in dit geval aannemer [eisende partij] . Hoewel de kantonrechter oordeelt dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, wijst de kantonrechter de vordering tot nakoming af. De kantonrechter kan namelijk niet voldoende vaststellen of en welke betalingsverplichtingen uit de overeenkomst voortvloeien.
Subsidiaire vordering: ongerechtvaardigde verrijking
Juridisch kader ongerechtvaardigde verrijking
4.9.
In artikel 6:212 BW is opgenomen dat degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot aan het bedrag van zijn verrijking. De wet kent verschillende vereisten voor ongerechtvaardigde verrijking: (1) verrijking, (2) verarming van de ander, (3) verband tussen verrijking en verarming, en (4) ongerechtvaardigd. De stelplicht dat aan deze vereisten is voldaan, rust op de partij die zich op ongerechtvaardigde verrijking beroept.
4.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan de vereisten (1) verrijking, (2) verarming, en (3) verband tussen verrijking, is voldaan. Tussen partijen is wel in geschil of aan het vereiste ‘ongerechtvaardigd’ is voldaan. [gedaagde partij] betwist dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking omdat [eisende partij] de werkzaamheden als vriendendienst zou hebben uitgevoerd, dan wel dat deze werkzaamheden verrekend moeten worden met de door [persoon 1] voor [persoon 2] verrichte (vrienden)diensten
Rechter wijst de subsidiaire vordering toe tot een bedrag van € 3.620,93: [gedaagde partij] is ongerechtvaardigd verrijkt, er is geen sprake van een vriendendienst.
4.11.
[gedaagde partij] voert aan dat [persoon 1] bij haar heeft gemeld dat niet betaald hoefde te worden voor de werkzaamheden van [eisende partij] in 2022, 2023 en 2024 omdat dit weggestreept werd tegen werkzaamheden die [persoon 1] voor de heer [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) van [eisende partij] had uitgevoerd. [persoon 1] heeft [persoon 2] twaalf keer van- en naar Amsterdam Schiphol gereden. Dit staat in verhouding tot de gewerkte uren van [eisende partij] . [gedaagde partij] erkent dat ze is verrijkt, maar ze heeft voor deze verrijking betaald doordat [persoon 1] op haar terrein woonde zonder daarvoor te betalen, hand- en spandiensten verrichten voor [eenmanszaak] en in het verlengde daarvan de kilometers die [persoon 1] maakte om [persoon 2] naar het vliegveld te brengen.
4.12.
[eisende partij] voert aan dat hij drie keer naar het vliegveld is gebracht door [persoon 1] , dit was op basis van een privérelatie tussen [persoon 2] en [persoon 1] , dit heeft niets te maken met de zakelijke relatie tussen [eisende partij] en [eenmanszaak] . Daarbij voert [eisende partij] aan dat de vriendendienst tussen [persoon 2] en [persoon 1] op geen enkele wijze te vergelijken is met de vele uren arbeid die [eisende partij] heeft verricht op [eenmanszaak] .
4.13.
De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een vriendendienst. De kantonrechter stelt voorop dat ze zich kan voorstellen dat het wrang voelt dat de facturen kort na het overlijden van [persoon 1] zijn verstuurd. Desalniettemin komt de kantonrechter komt tot dit oordeel. [gedaagde partij] heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake zou zijn van een vriendendienst, hetgeen door [eisende partij] voldoende gemotiveerd is betwist. [eisende partij] heeft aangegeven dat tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] geen andere relatie dan een zakelijke bestond, in tegenstelling tot de relatie tussen [persoon 2] en [persoon 1] , die ook vriendschappelijk van aard was. [gedaagde partij] heeft de aard van de relatie tussen [persoon 2] en [persoon 1] bevestigd. De kantonrechter acht het dan ook niet aannemelijk dat een (vrienden)dienst van [persoon 1] aan [persoon 2] , verrekend wordt met werkzaamheden van de rechtspersoon [eisende partij] voor [gedaagde partij] . Tot slot heeft [gedaagde partij] niet betwist dat [eisende partij] 66,5 uur werk op [eenmanszaak] heeft verricht in 2022, 2023 en 2024. Dit aantal uren is niet te rechtvaardigen door een vriendendienst. Hiermee is aan het vereiste van “ongerechtvaardigd” voldaan.
Rechter wijst een schadevergoeding van € 3.620,93 toe
4.14.
Artikel 6:212 BW geeft recht op een schadevergoeding tot het bedrag van de verrijking. Indien aan de vereisten is voldaan, kan de rechter de eventuele schadevergoeding limiteren door de toevoeging “voor zover dit redelijk is” in artikel 6:212 BW.
4.15.
[eisende partij] vordert een bedrag van € 5.411,73 (inclusief btw). Dit bedrag bestaat uit facturen voor werkzaamheden op [eenmanszaak] die [eisende partij] heeft verricht, waarbij uit is gegaan van (totaal) 66,5 uur en een uurtarief van € 65.
4.16.
[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben ter zitting verklaard dat het uurtarief van [eisende partij] in 2019 en 2020 € 45 bedroeg. [gedaagde partij] heeft aangevoerd het uurtarief in 2022, 2023 en 2024 van € 65 hoog te vinden, gelet op het veel lagere uurtarief (€ 45) in 2019 en 2020.
4.17.
De kantonrechter oordeelt dat het niet aannemelijk is dat het uurtarief in twee jaar tijd € 20 is gestegen. De rechtbank neemt hierin mee dat [eisende partij] ter zitting heeft verklaard in 2022, 2023 en 2024 geen uurtarief te noemen aan [persoon 1] aangezien het uurtarief vanwege eerdere werkzaamheden bekend was. Deze verklaring strookt niet met de forse verhoging van het uurtarief. Op basis van voorgaande oordeelt de kantonrechter dat het redelijk is dat [gedaagde partij] een bedrag van € 3.620,93 inclusief btw aan [eisende partij] vergoedt. [gedaagde partij] wordt veroordeeld om dit bedrag bij wijze van schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking aan [eisende partij] te voldoen.
Wettelijke (handels)rente
4.18.
[eisende partij] vordert dat de vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking wordt vermeerderd met de wettelijke (handels)rente als bedoeld in artikel 6:119a BW. De wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW heeft geen betrekking op een verbintenis tot schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking. De kantonrechter wijst de gevorderde wettelijke handelsrente dan ook af.
4.19.
De kantonrechter begrijpt uit de door [eisende partij] gebruikte terminologie “wettelijke (handels)rente” dat [eisende partij] ook heeft bedoeld om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te vorderen. Voor vergoeding van deze wettelijke rente is vereist dat sprake is van verzuim, dit vereiste geldt ook bij ongerechtvaardigde verrijking. Er is geen verzuimdatum gesteld, daarom wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de dag waarop de dagvaarding is betekend, 31 maart 2026.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.20.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking valt niet onder de reikwijdte van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter toetst de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom aan de eisen voor dergelijke vordering zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Op grond van dit rapport kan een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden toegerekend. Voor vaststelling van de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten zal aansluiting worden gezocht bij de in het Besluit bepaalde en door de rechtbank redelijk geachte tarieven. Dit komt in dit geval uit op een bedrag van € 487,09.
Proceskosten
4.21.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] B.V. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,57
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.549,07
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] B.V. te betalen een bedrag van € 3.620,93 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] B.V. te betalen een bedrag van € 487,09 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.549,07, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Duin en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
zie o.a. HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213, NJ 2011/572 (Batavus/Vriend), HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2043, RvdW 2018/1206) en HR 17 december 2021, ECLO:NL:HR:2021:1889, NJ 2022/254 (Waternet II)
HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876 (DE/Fuchs e.a.)
HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1808, NJ 2025/19 (Hotelquotum)
De kantonrechter komt tot dit bedrag met de volgende som: 66,5 uur * € 45 * 1,21% = € 3.620,93
Zie HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2329 r.o. 4.8.3.