Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9600
2026-09-16
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12152174 \ CV EXPL 26-1439
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Overeenkomst over het gebruik van een dier. Gedaagde zou het dier zonder toestemming van eiseres hebben overgedragen aan een derde. Gedaagde heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat eiseres toestemming heeft gegeven. Toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Schadevergoeding toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.877 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12152174 \ CV EXPL 26-1439
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
STICHTING HEART 4 BOTOSANI STRAYS,
te Maasdriel,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting,
gemachtigde: COLLECT 1 B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 12 februari 2026 met producties 0 tot en met 12;
- het bericht van [gedaagde] met bijlagen, dat bij de rechtbank is binnengekomen op 7 april 2026 en die wordt aangemerkt als conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek met producties 13 tot en met 19;- de schriftelijke weergave van de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op 2 mei 2021 hebben partijen een gebruikersovereenkomst gesloten voor een dier, [de hond] (hierna: [de hond] ). Daarin is – voor zover relevant voor dit geschil – het volgende bepaald:
“Overdrager en ontvanger zijn het volgende overeengekomen:
(…)
Het dier blijft eigendom van de stichting. Een overdracht aan derden is zonder toestemming van de overdrager niet toegestaan.”
Met overdrager wordt de Stichting bedoeld en met ontvanger [gedaagde] .
2.2.
Op 5 februari 2025 heeft [gedaagde] via Messenger contact gezocht met de Stichting over herplaatsing van [de hond] . Op 10 februari 2025 hebben partijen hierover telefonisch contact gehad.
2.3.
[gedaagde] heeft de Stichting laten weten dat de broer van mevrouw [persoon 1] interesse heeft in [de hond] .
2.4.
Op 4 maart 2025 hebben partijen via Messenger contact gehad naar aanleiding van de kennismaking van mevrouw [persoon 1] en haar broer met [de hond] .
2.5.
Op 6 maart 2025 heeft [gedaagde] [de hond] naar de broer van mevrouw [persoon 1] gebracht.
2.6.
Op 9 maart 2025 heeft mevrouw [persoon 1] laten weten dat wordt afgezien van adoptie van [de hond] .
2.7.
Bij brief van 12 maart 2025 heeft de Stichting aan [gedaagde] twee opties gegeven: zelf verzorgen tot adoptie of plaatsing in een pension op kosten van [gedaagde] waarbij de kosten van de vaccinaties op [gedaagde] zouden worden verhaald.
2.8.
Bij e-mail van 12 maart 2025 heeft [gedaagde] aan de Stichting gevraagd om de afstandspapieren te ontvangen.
2.9.
Vervolgens hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd. [gedaagde] heeft geen keuze gemaakt naar aanleiding van de opties die de Stichting aan haar heeft geboden.
2.10.
De Stichting heeft op 17 maart 2025 [de hond] naar een pension gebracht en laten vaccineren. Na een opvangperiode van bijna drie maanden is [de hond] geëuthanaseerd.
2.11.
De Stichting heeft op 16 juni 2026 [gedaagde] schriftelijk aangemaand tot betaling van de vordering van toentertijd € 1.485,41 binnen een termijn van vijftien dagen na ontvangst van die brief door [gedaagde] , bij gebreke waarvan zij € 221,48 aan incassokosten zou moeten voldoen. [gedaagde] heeft op deze brief gereageerd en heeft het openstaande bedrag niet voldaan.
3Het geschil
3.1.
De Stichting vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.717,80, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van de Stichting.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen van de Stichting, behalve de wettelijke rente over de rente tot 27 juni 2025 en over de buitengerechtelijke incassokosten, moeten worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld in de proceskosten. Daartoe wordt als volgt overwogen.
De hoedanigheid van partijen
4.2.
Van belang is in welke hoedanigheid partijen met elkaar hebben gecontracteerd. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is, een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De Stichting handelt bedrijfsmatig. Dit betekent dat [gedaagde] een beroep kan doen op consument-beschermende bepalingen en dat ambtshalve toetsing aan die bepalingen aan de orde is.
4.3.
De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of afspraken zijn gemaakt over de gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Er zijn geen afspraken gemaakt over de gevorderde onderdelen. Er zijn dus geen bedingen die aan toewijzing van de vorderingen van de Stichting in de weg kunnen staan.
De schadevergoeding
4.4.
De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van de Stichting dat zij een schadevergoeding bedoelt te vorderen van € 1.476,50. Het gaat om drie facturen van [pension] die zien op overnachtingen, quarantaine in verband met verlopen enting, entingen en euthanasiekosten van [de hond] . Aan haar vordering legt de Stichting onder meer de stelling ten grondslag dat [gedaagde] in strijd met de gemaakte afspraken [de hond] heeft overgedragen aan een derde en dat zij de daarmee gepaard gaande kosten moet vergoeden.
4.5.
De stellingen van [gedaagde] komen er – samengevat weergegeven – op neer dat zij van mening is dat zij de gevorderde schadevergoeding niet hoeft te betalen omdat de Stichting toestemming heeft gegeven voor de overdracht van [de hond] . Dit verweer slaagt niet. [gedaagde] stelt weliswaar dat zij het brengen van [de hond] naar de broer van mevrouw [persoon 1] met de Stichting heeft besproken, maar zij heeft die stelling niet onderbouwd met stukken waar dat en de toestemming van de Stichting voor de herplaatsing van [de hond] bij de broer van mevrouw [persoon 1] uit blijkt. Dat had op de weg van [gedaagde] gelegen om te doen omdat zij een beroep doet op het rechtsgevolg van de toestemming die zou zijn verleend, namelijk overgang van alle tot de rechtsverhouding tussen de Stichting en [gedaagde] behorende rechten en verplichtingen, en volgens de Stichting alleen contact is geweest over een mogelijke herplaatsing en zij geen toestemming heeft gegeven voor definitieve plaatsing bij mevrouw [persoon 1] of haar broer. Dit betekent dat de verplichtingen uit de overeenkomst voor [gedaagde] zijn blijven gelden ook nadat zij [de hond] naar de broer van mevrouw [persoon 1] heeft gebracht.
4.6.
Door [de hond] zonder toestemming van de Stichting naar de broer van mevrouw [persoon 1] te brengen, is [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenis dat een overdracht aan derden zonder toestemming van de Stichting niet is toegestaan (zie 2.1). Dat sprake is van schade en een causaal verband tussen de tekortkoming en de schade is komen vast te staan omdat [gedaagde] dat niet heeft betwist. Hieruit volgt dat [gedaagde] op grond van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aansprakelijk is voor de tekortkoming en daarom de daardoor door de Stichting geleden schade moet vergoeden. De gang van zaken nadat [gedaagde] [de hond] naar de broer van mevrouw [persoon 1] heeft gebracht is hiervoor niet relevant omdat dat de tekortkoming van [gedaagde] niet ongedaan maakt.
4.7.
De omvang van de (vervangende) schadevergoeding wordt bepaald aan de hand van de bepalingen van afdeling 10 van titel 1 van Boek 6 BW. Over de entingen heeft [gedaagde] aangevoerd dat [de hond] volgens mevrouw [persoon 2] van de Stichting niet hoefde te worden geënt. Dit verweer slaagt niet. De Stichting heeft namelijk voldoende onderbouwd dat de vaccinatie- en quarantainekosten noodzakelijk waren. Dit door de vaccinatiehistorie van [de hond] te overleggen en in de conclusie van repliek naar voren te brengen dat als een hond, in dit geval [de hond] , zonder actuele of voldoende verifieerbare vaccinatiestatus in noodopvang wordt geplaatst, dit risico’s met zich meebrengt en dat bij pensionopvang en mogelijke herplaatsing het noodzakelijk is dat de vaccinatiestatus wordt beoordeeld en zo nodig wordt bijgewerkt. [gedaagde] heeft hier bij dupliek niet meer op gereageerd.
4.8.
Over de kosten in verband met plaatsing in een pension heeft [gedaagde] aangevoerd dat [de hond] niet naar een pension had hoeven gaan, dat zij het niet eens was met plaatsing in een pension en dat zij niet akkoord is gegaan met de daarbij behorende kosten. Dit verweer slaagt niet. De Stichting heeft namelijk voldoende onderbouwd dat opvang van [de hond] in een pension, en de daarmee gepaard gaande kosten, noodzakelijk was. Dit door naar voren te brengen dat noodopvang noodzakelijk was omdat [gedaagde] [de hond] niet terugnam en de familie [persoon 1] haar niet kon houden. Dit blijkt ook uit de verklaring van de familie [persoon 1] die de Stichting heeft overgelegd.
4.9.
Over de euthanasiekosten voert [gedaagde] aan dat zij niet wist dat [de hond] was geëuthanaseerd. Dit verweer slaagt niet. Het niet op de hoogte zijn van bepaalde kosten betekent niet dat die niet hoeven te worden betaald. Ook heeft de Stichting met het overleggen van de factuur van 30 mei 2025 voldoende onderbouwd dat er euthanasiekosten zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag van € 1.476,50 zal worden toegewezen.
De wettelijke rente
4.10.
De Stichting vordert wettelijke rente. Uit randnummer 39 van de dagvaarding blijkt dat de wettelijke rente van artikel 6:119 BW is bedoeld. De kantonrechter begrijpt aan de hand van randnummer 39 en 40 van de dagvaarding dat de Stichting € 19,82 aan rente tot 27 juni 2025 en de rente vanaf 12 februari 2026, datum dagvaarding, bedoelt te vorderen over de hoofdsom van € 1.476,50. Dit in tegenstelling tot wat in het petitum is gevorderd namelijk de rente over de totale vordering van € 1.717,80. De wettelijke rente over de rente tot 27 juni 2025 en over de buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.
4.11.
Wettelijke rente is verschuldigd over de periode dat een schuldenaar met de voldoening van een geldsom in verzuim is geweest (artikel 6:119 lid 1 BW). Het verzuim treedt op grond van artikel 6:83 onderdeel b BW in wanneer de prestatie opeisbaar is en de verbintenis niet direct wordt nagekomen. De vordering tot schadevergoeding is opeisbaar geworden op het moment dat de Stichting de kosten opeisbaar verschuldigd is geworden. In dit geval is dat vanaf de factuurdata omdat niet gesteld of gebleken is dat de Stichting en het pension een termijn hebben afgesproken voor betaling. Daardoor is de verbintenis direct opeisbaar per respectievelijk 1 april 2025, 2 mei 2025 en 30 mei 2025 en is [gedaagde] per die datum in verzuim. Of [gedaagde] de facturen van het pension heeft ontvangen, is hiervoor niet relevant. De wettelijke rente zal worden toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
De Stichting vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 221,48 worden toegewezen.
De proceskosten
4.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
127,08
- griffierecht
€
397,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.066,58
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting te betalen een bedrag van € 1.717,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.476,50, met ingang van 12 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.066,58, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot het tegen behoorlijk bewijs van kwijting betalen van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op
16 september 2026.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12152174 \ CV EXPL 26-1439
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
STICHTING HEART 4 BOTOSANI STRAYS,
te Maasdriel,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting,
gemachtigde: COLLECT 1 B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 12 februari 2026 met producties 0 tot en met 12;
- het bericht van [gedaagde] met bijlagen, dat bij de rechtbank is binnengekomen op 7 april 2026 en die wordt aangemerkt als conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek met producties 13 tot en met 19;- de schriftelijke weergave van de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op 2 mei 2021 hebben partijen een gebruikersovereenkomst gesloten voor een dier, [de hond] (hierna: [de hond] ). Daarin is – voor zover relevant voor dit geschil – het volgende bepaald:
“Overdrager en ontvanger zijn het volgende overeengekomen:
(…)
Het dier blijft eigendom van de stichting. Een overdracht aan derden is zonder toestemming van de overdrager niet toegestaan.”
Met overdrager wordt de Stichting bedoeld en met ontvanger [gedaagde] .
2.2.
Op 5 februari 2025 heeft [gedaagde] via Messenger contact gezocht met de Stichting over herplaatsing van [de hond] . Op 10 februari 2025 hebben partijen hierover telefonisch contact gehad.
2.3.
[gedaagde] heeft de Stichting laten weten dat de broer van mevrouw [persoon 1] interesse heeft in [de hond] .
2.4.
Op 4 maart 2025 hebben partijen via Messenger contact gehad naar aanleiding van de kennismaking van mevrouw [persoon 1] en haar broer met [de hond] .
2.5.
Op 6 maart 2025 heeft [gedaagde] [de hond] naar de broer van mevrouw [persoon 1] gebracht.
2.6.
Op 9 maart 2025 heeft mevrouw [persoon 1] laten weten dat wordt afgezien van adoptie van [de hond] .
2.7.
Bij brief van 12 maart 2025 heeft de Stichting aan [gedaagde] twee opties gegeven: zelf verzorgen tot adoptie of plaatsing in een pension op kosten van [gedaagde] waarbij de kosten van de vaccinaties op [gedaagde] zouden worden verhaald.
2.8.
Bij e-mail van 12 maart 2025 heeft [gedaagde] aan de Stichting gevraagd om de afstandspapieren te ontvangen.
2.9.
Vervolgens hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd. [gedaagde] heeft geen keuze gemaakt naar aanleiding van de opties die de Stichting aan haar heeft geboden.
2.10.
De Stichting heeft op 17 maart 2025 [de hond] naar een pension gebracht en laten vaccineren. Na een opvangperiode van bijna drie maanden is [de hond] geëuthanaseerd.
2.11.
De Stichting heeft op 16 juni 2026 [gedaagde] schriftelijk aangemaand tot betaling van de vordering van toentertijd € 1.485,41 binnen een termijn van vijftien dagen na ontvangst van die brief door [gedaagde] , bij gebreke waarvan zij € 221,48 aan incassokosten zou moeten voldoen. [gedaagde] heeft op deze brief gereageerd en heeft het openstaande bedrag niet voldaan.
3Het geschil
3.1.
De Stichting vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.717,80, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van de Stichting.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen van de Stichting, behalve de wettelijke rente over de rente tot 27 juni 2025 en over de buitengerechtelijke incassokosten, moeten worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld in de proceskosten. Daartoe wordt als volgt overwogen.
De hoedanigheid van partijen
4.2.
Van belang is in welke hoedanigheid partijen met elkaar hebben gecontracteerd. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is, een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De Stichting handelt bedrijfsmatig. Dit betekent dat [gedaagde] een beroep kan doen op consument-beschermende bepalingen en dat ambtshalve toetsing aan die bepalingen aan de orde is.
4.3.
De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of afspraken zijn gemaakt over de gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Er zijn geen afspraken gemaakt over de gevorderde onderdelen. Er zijn dus geen bedingen die aan toewijzing van de vorderingen van de Stichting in de weg kunnen staan.
De schadevergoeding
4.4.
De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van de Stichting dat zij een schadevergoeding bedoelt te vorderen van € 1.476,50. Het gaat om drie facturen van [pension] die zien op overnachtingen, quarantaine in verband met verlopen enting, entingen en euthanasiekosten van [de hond] . Aan haar vordering legt de Stichting onder meer de stelling ten grondslag dat [gedaagde] in strijd met de gemaakte afspraken [de hond] heeft overgedragen aan een derde en dat zij de daarmee gepaard gaande kosten moet vergoeden.
4.5.
De stellingen van [gedaagde] komen er – samengevat weergegeven – op neer dat zij van mening is dat zij de gevorderde schadevergoeding niet hoeft te betalen omdat de Stichting toestemming heeft gegeven voor de overdracht van [de hond] . Dit verweer slaagt niet. [gedaagde] stelt weliswaar dat zij het brengen van [de hond] naar de broer van mevrouw [persoon 1] met de Stichting heeft besproken, maar zij heeft die stelling niet onderbouwd met stukken waar dat en de toestemming van de Stichting voor de herplaatsing van [de hond] bij de broer van mevrouw [persoon 1] uit blijkt. Dat had op de weg van [gedaagde] gelegen om te doen omdat zij een beroep doet op het rechtsgevolg van de toestemming die zou zijn verleend, namelijk overgang van alle tot de rechtsverhouding tussen de Stichting en [gedaagde] behorende rechten en verplichtingen, en volgens de Stichting alleen contact is geweest over een mogelijke herplaatsing en zij geen toestemming heeft gegeven voor definitieve plaatsing bij mevrouw [persoon 1] of haar broer. Dit betekent dat de verplichtingen uit de overeenkomst voor [gedaagde] zijn blijven gelden ook nadat zij [de hond] naar de broer van mevrouw [persoon 1] heeft gebracht.
4.6.
Door [de hond] zonder toestemming van de Stichting naar de broer van mevrouw [persoon 1] te brengen, is [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenis dat een overdracht aan derden zonder toestemming van de Stichting niet is toegestaan (zie 2.1). Dat sprake is van schade en een causaal verband tussen de tekortkoming en de schade is komen vast te staan omdat [gedaagde] dat niet heeft betwist. Hieruit volgt dat [gedaagde] op grond van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aansprakelijk is voor de tekortkoming en daarom de daardoor door de Stichting geleden schade moet vergoeden. De gang van zaken nadat [gedaagde] [de hond] naar de broer van mevrouw [persoon 1] heeft gebracht is hiervoor niet relevant omdat dat de tekortkoming van [gedaagde] niet ongedaan maakt.
4.7.
De omvang van de (vervangende) schadevergoeding wordt bepaald aan de hand van de bepalingen van afdeling 10 van titel 1 van Boek 6 BW. Over de entingen heeft [gedaagde] aangevoerd dat [de hond] volgens mevrouw [persoon 2] van de Stichting niet hoefde te worden geënt. Dit verweer slaagt niet. De Stichting heeft namelijk voldoende onderbouwd dat de vaccinatie- en quarantainekosten noodzakelijk waren. Dit door de vaccinatiehistorie van [de hond] te overleggen en in de conclusie van repliek naar voren te brengen dat als een hond, in dit geval [de hond] , zonder actuele of voldoende verifieerbare vaccinatiestatus in noodopvang wordt geplaatst, dit risico’s met zich meebrengt en dat bij pensionopvang en mogelijke herplaatsing het noodzakelijk is dat de vaccinatiestatus wordt beoordeeld en zo nodig wordt bijgewerkt. [gedaagde] heeft hier bij dupliek niet meer op gereageerd.
4.8.
Over de kosten in verband met plaatsing in een pension heeft [gedaagde] aangevoerd dat [de hond] niet naar een pension had hoeven gaan, dat zij het niet eens was met plaatsing in een pension en dat zij niet akkoord is gegaan met de daarbij behorende kosten. Dit verweer slaagt niet. De Stichting heeft namelijk voldoende onderbouwd dat opvang van [de hond] in een pension, en de daarmee gepaard gaande kosten, noodzakelijk was. Dit door naar voren te brengen dat noodopvang noodzakelijk was omdat [gedaagde] [de hond] niet terugnam en de familie [persoon 1] haar niet kon houden. Dit blijkt ook uit de verklaring van de familie [persoon 1] die de Stichting heeft overgelegd.
4.9.
Over de euthanasiekosten voert [gedaagde] aan dat zij niet wist dat [de hond] was geëuthanaseerd. Dit verweer slaagt niet. Het niet op de hoogte zijn van bepaalde kosten betekent niet dat die niet hoeven te worden betaald. Ook heeft de Stichting met het overleggen van de factuur van 30 mei 2025 voldoende onderbouwd dat er euthanasiekosten zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag van € 1.476,50 zal worden toegewezen.
De wettelijke rente
4.10.
De Stichting vordert wettelijke rente. Uit randnummer 39 van de dagvaarding blijkt dat de wettelijke rente van artikel 6:119 BW is bedoeld. De kantonrechter begrijpt aan de hand van randnummer 39 en 40 van de dagvaarding dat de Stichting € 19,82 aan rente tot 27 juni 2025 en de rente vanaf 12 februari 2026, datum dagvaarding, bedoelt te vorderen over de hoofdsom van € 1.476,50. Dit in tegenstelling tot wat in het petitum is gevorderd namelijk de rente over de totale vordering van € 1.717,80. De wettelijke rente over de rente tot 27 juni 2025 en over de buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.
4.11.
Wettelijke rente is verschuldigd over de periode dat een schuldenaar met de voldoening van een geldsom in verzuim is geweest (artikel 6:119 lid 1 BW). Het verzuim treedt op grond van artikel 6:83 onderdeel b BW in wanneer de prestatie opeisbaar is en de verbintenis niet direct wordt nagekomen. De vordering tot schadevergoeding is opeisbaar geworden op het moment dat de Stichting de kosten opeisbaar verschuldigd is geworden. In dit geval is dat vanaf de factuurdata omdat niet gesteld of gebleken is dat de Stichting en het pension een termijn hebben afgesproken voor betaling. Daardoor is de verbintenis direct opeisbaar per respectievelijk 1 april 2025, 2 mei 2025 en 30 mei 2025 en is [gedaagde] per die datum in verzuim. Of [gedaagde] de facturen van het pension heeft ontvangen, is hiervoor niet relevant. De wettelijke rente zal worden toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
De Stichting vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 221,48 worden toegewezen.
De proceskosten
4.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
127,08
- griffierecht
€
397,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.066,58
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting te betalen een bedrag van € 1.717,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.476,50, met ingang van 12 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.066,58, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot het tegen behoorlijk bewijs van kwijting betalen van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op
16 september 2026.