Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9518
2026-09-08
Bestuursrecht
ROE 25/805
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen weigering om handhavend op te treden tegen verkoop van kerstartikelen door de derde-partij. Eiseres heeft procesbelang en kan als belanghebbende worden aangemerkt. De rechtbank ziet geen grond om de verkoop van kerstartikelen niet aan te merken als passend binnen de branche ‘woninginrichting’ of ‘tuincentra’ waarin de bestemming voorziet. Geen sprake van verkoop van branchevreemde artikelen in strijd met het omgevingsplan. Omdat geen sprake is van een overtreding, was verweerder niet bevoegd om handhavend op te treden en is het handhavingsverzoek van eiseres terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.
Citeert (9)
- ECLI:NL:CRVB:2017:2830 Centrale Raad van Beroep 17-08-2017
- ECLI:NL:RVS:2005:AU1396 Raad van State 24-08-2005
- ECLI:NL:RVS:2017:2310 Raad van State 30-08-2017
- ECLI:NL:RVS:2012:BY1061 Raad van State 24-10-2012
- ECLI:NL:RVS:2018:2001 Raad van State 20-06-2018
- ECLI:NL:RVS:2024:4088 Raad van State 09-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1392 Raad van State 03-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2021:518 Raad van State 10-03-2021
- ECLI:NL:RVS:2007:BB2938 Raad van State 05-09-2007
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.037 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/805
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: W. Eilering),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen
(gemachtigden: mr. A.B.E. van Kan, D.J.P. Limpens en N. Smeets).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Intratuin B.V. uit Geleen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering om handhavend op te treden tegen de verkoop van branchevreemde artikelen door de derde-partij gevestigd aan de [adres 1] in Geleen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar handhavingsverzoek door verweerder. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder heeft mogen weigeren om handhavend op te treden.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Onder 4 e.v. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 8 t/m 13 gaat de rechtbank in op de ontvankelijkheid van het beroep. Onder 14 t/m 15 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 21. Daarbij gaat de rechtbank in op de door eiseres aangevoerde beroepsgronden. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
4. Eiseres heeft op 25 september 2024 aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de verkoop van branchevreemde artikelen door de derde-partij die volgens eiseres in strijd is met het omgevingsplan. Met het besluit van 11 november 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder dit verzoek van eiseres afgewezen en geweigerd om handhavend op te treden. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
5. Bij besluit van 17 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de weigering om handhavend op te treden in stand gelaten.
6. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaak over de geweigerde omgevingsvergunning van eiseres (zaaknummer ROE 24/3909) voor haar bedrijf aan de [adres 2] in [plaats] . Eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door [naam 1] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verder zijn de gemachtigden van verweerder verschenen en de derde-partij, vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] .
Ontvankelijkheid
Procesbelang
8. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of eiseres belang heeft bij de uitkomst van de procedure. Voor die beoordeling is eerst relevant om vast te stellen wat eiseres concreet met haar beroep wil bereiken. Vervolgens moet beoordeeld worden of het doel dat eiseres voor ogen staat met de beroepsprocedure kan worden bereikt en of dit voor eiseres feitelijk (nog) van betekenis is. Volgens vaste rechtspraak is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben.
9. Hoewel het handhavingsverzoek van eiseres van 25 september 2024 is ingegeven door verkoop van (kort gezegd) kerstartikelen voorafgaand aan en in de kerstperiode van 2024, is de rechtbank van oordeel dat eiseres nog steeds een actueel en reëel belang heeft bij de behandeling van het beroep. Zoals ter zitting is besproken heeft behandeling van het beroep ook betekenis voor nog komende periodes waarin branchevreemde artikelen worden verkocht. Het gaat om een terugkerende activiteit en een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het besluit op het handhavingsverzoek kan daarmee van betekenis zijn voor toekomstige aanvragen. Op grond van vaste rechtspraak heeft eiseres ook om die reden belang bij de inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Het belang van eiseres is concreet gelegen in het verkrijgen van duidelijkheid over de vraag of op de locatie van de derde-partij branchevreemde artikelen mogen worden verkocht en of dat gebruik in strijd is met het omgevingsplan, nu in het geval van eiseres een daartoe strekkende vergunningaanvraag is geweigerd.
Belanghebbende
10. De rechtbank dient verder ambtshalve te beoordelen of eiseres als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Verweerder heeft de belanghebbendheid van eiseres in beroep ter discussie gesteld op de grond dat volgens verweerder de ondernemingen van eiseres en de derde-partij niet werkzaam zijn in hetzelfde verzorgingsgebied vanwege de (ruime) aanwezigheid van concurrenten in de omgeving.
11. De rechtbank stelt voorop dat eiseres beroep heeft ingesteld tegen een aan haar gerichte beslissing op bezwaar (waarin eiseres als belanghebbende is aangemerkt) en dat haar beroep reeds om die reden ontvankelijk is. Niet in geschil is dat eiseres haar belang alleen kan ontlenen aan concurrentie. Pas in het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres geen concurrentiebelang heeft. Als dat het geval is, dan had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De rechtbank gaat hierna in op de vraag of eiseres in dit geval een concurrentiebelang heeft.
12. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende bij dit besluit. Dit is slechts het geval indien de onderneming in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het besluit voorziene bedrijvigheid. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen. Of het belang rechtstreeks is betrokken bij het besluit hangt af van de aard van het besluit en de gevolgen die eiseres daarvan ondervindt. Van het uitgangspunt dat een concurrentiebelang in beginsel rechtstreeks is betrokken bij het besluit indien een concurrent werkzaam is in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied, kan alleen worden afgeweken als het uitgesloten is dat feitelijke gevolgen aanwezig zijn. Voor het concurrentiebelang wordt niet de correctie via het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ gehanteerd.
13. Het bedrijf van eiseres in gelegen op de locatie Industriepark Noord en het bedrijf van de derde-partij is gelegen op het nabij gelegen bedrijventerrein Retailpark Sittard-Geleen, waarbij sprake is van een afstand van circa 6,7 kilometer over de weg tussen beide ondernemingen. Verder zijn beide ondernemingen werkzaam in een overlappend marktsegment. Dat sprake is van (mede)concurrentie door ondernemingen in de omgeving, zoals verweerder stelt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat daardoor geen sprake kan zijn van hetzelfde verzorgingsgebied. De rechtbank acht daarbij van belang - zoals ook door verweerder is erkend - dat de (reis)afstand tussen beide ondernemingen beperkt is en acht deze dermate beperkt voor deze branche dat aangenomen wordt dat de ondernemingen een overlappend verzorgingsgebied hebben. De rechtbank concludeert daarom dat sprake is van een concurrentiebelang voor eiseres.
Waar deze zaak over gaat
Inleiding
14. Eiseres heeft op 25 september 2024 aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen het bedrijf van de derde-partij, Intratuin, gelegen aan [adres 1] in Geleen op het bedrijventerrein Retailpark Sittard-Geleen. Eiseres heeft daarbij specifiek verzocht om handhavend op te treden tegen de verkoop van branchevreemde artikelen, in het bijzonder kerstartikelen, in strijd met het omgevingsplan. Eiseres heeft in haar handhavingsverzoek gesteld dat de winkelruimte in het tuincentrum van de derde-partij voor meer dan 500 m² is ingericht voor de verkoop van kerstartikelen. Volgens eiseres zijn kerstartikelen aan te merken als branchevreemde artikelen die volgens het omgevingsplan slechts mogen worden verkocht binnen een beperkt vloeroppervlak van maximaal 100 m².
15. Tijdens een uitgevoerde controle op 7 oktober 2024 heeft verweerder vastgesteld dat bij het tuincentrum van de derde-partij inderdaad kerstartikelen worden verkocht. Verweerder heeft zich bij dat besluit echter– kort gezegd – op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overtreding omdat het omgevingsplan voor de locatie van de derde-partij geen beperkingen stelt aan de mogelijkheid om branchevreemde producten aan te bieden. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres daarom afgewezen en geweigerd om handhavend op te treden. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
16. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Aan dat besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de verkoop van kerstartikelen door de derde-partij niet in strijd is met het omgevingsplan. Verweerder heeft daarbij de motivering ten opzichte van het primaire besluit aangepast in die zin, dat verweerder zich vanwege het ontbreken van een regeling voor verkoop van branchevreemde producten in het omgevingsplan op het standpunt heeft gesteld dat verkoop van branchevreemde producten in algemene zin niet is toegestaan op grond van het omgevingsplan. Verweerder heeft hierover ook ter zitting gesteld dat het ontbreken van een regeling voor verkoop van branchevreemde producten in het omgevingsplan zo moet worden uitgelegd, dat hierdoor in algemene zin detailhandel in branchevreemde producten niet toegestaan is en dat de producten dus moeten passen binnen de toegestane branche. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verkoop van kerstartikelen door de derde-partij past binnen de ter plaatse toegestane branche ‘tuincentrum’ en dus rechtstreeks past binnen het omgevingsplan. Volgens verweerder is daarom geen sprake van een overtreding, waardoor verweerder niet bevoegd is handhavend op te treden.
Standpunt eiseres
17. Eisers stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd om handhavend op te treden omdat volgens eiseres sprake is van een overtreding vanwege de verkoop van kerstartikelen door de derde-partij in strijd met het omgevingsplan. Verder voert eiseres aan dat de weigering van verweerder om daartegen handhavend op te treden, in strijd is met het beleid over detailhandel en dat sprake is van een inconsistente en willekeurige toepassing van het gemeentelijk beleid door verweerder. Ook stelt eiseres dat verweerder bij het bestreden besluit had moeten over gaan tot herroeping van het primaire besluit nu eiseres volgens haar materieel in het gelijk is gesteld en de motivering van het primaire besluit onjuist was.
Omvang geschil
18. Tussen partijen is in geschil of de verkoop van kerstartikelen door de derde-partij, waar het handhavingsverzoek van eiseres op ziet, in strijd is met het omgevingsplan. Verder is in geschil of verweerder door de weigering om daartegen handhavend op te treden, in strijd heeft gehandeld met het beleid en of sprake is van een inconsistente en willekeurige toepassing van het gemeentelijk beleid door verweerder. Ook is in geschil of verweerder bij het bestreden besluit had moeten over gaan tot herroeping van het primaire besluit.
Toetsingskader
Omgevingswet
19. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Omgevingsplan
20. Ter plaatse is van toepassing het bestemmingsplan ‘Veegplan 2022’, vastgesteld door de gemeenteraad op 21 mei 2024, dat onderdeel uitmaakt van omgevingsplan. De locatie van de derde-partij heeft de bestemming ‘Detailhandel - 2’. Op grond van artikel 10 van het veegplan zijn de voor 'Detailhandel - 2' aangewezen gronden bestemd voor: de vestiging van winkels binnen de branches woninginrichting, doe-het-zelf, bouwmarkten en tuincentra. Aan de locatie is op grond van het omgevingsplan geen specifieke functieaanduiding toegekend met daaraan gekoppelde specifieke gebruiksregels, zoals dat voor de locatie van eiseres aan de [adres 2] in [plaats] wel het geval is.
Beoordeling van het beroep
Is sprake van een overtreding?
21. Eiseres stelt dat verweerder zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een overtreding. De verkoop van kerstartikelen is volgens eiseres niet in overeenstemming met de ter plaatse toegestane branches. Eiseres wijst in dat verband ook naar de begripsbepalingen uit het omgevingsplan, de plantoelichting, en rechtspraak van de Afdeling, waaruit volgens eiseres kan worden afgeleid verkoop van kerstartikelen door tuincentra niet rechtstreeks is toegestaan.
22. Tussen partijen is niet in geschil dat in de winkel van de derde-partij, ten tijde van de besluitvorming door verweerder, feitelijk kerstartikelen werden aangeboden. Het geschil beperkt zich tot de vraag of die verkoop kan worden aangemerkt als passend binnen de bestemming (‘Detailhandel -2’) en of daarmee sprake is van verkoop van branchevreemde artikelen in strijd met het omgevingsplan.
23. De rechtbank stelt voorop dat het omgevingsplan detailhandel binnen de branches ‘woninginrichting, doe-het-zelf, bouwmarkten en tuincentra’ rechtstreeks mogelijk maakt op deze locatie. Op grond van het omgevingsplan gelden daarvoor geen specifieke functieaanduidingen en gebruiksregels. Ook is in het omgevingsplan niet voorzien in een specifieke gebruiksregeling over de verkoop van branchevreemde artikelen met een maximum te gebruiken vloeroppervlak voor de verkoop daarvan, zoals eiseres in haar handhavingsverzoek heeft gesteld en zoals wel geldt voor eiseres. Dat betekent dat in die zin - ten aanzien van branchevreemde producten - voor de derde-partij meer beperkingen gelden dan voor eiseres. Eiseres mag immers binnen bepaalde grenzen wel branchevreemde producten verkopen terwijl de derde-partij dat niet mag,
24. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verkoop van kerstartikelen past binnen de branches ‘woninginrichting’ en ‘tuincentra’ waarin de ingevolge het omgevingsplan geldende bestemming voorziet. De rechtbank motiveert dat oordeel als volgt.
24.1.
In het omgevingsplan/bestemmingsplan is geen begripsbepaling opgenomen van de branches ‘woninginrichting’ en ‘tuincentra’ en ook de toelichting op het bestemmingsplan geeft geen nadere uitleg. Dat betekent dat deze begrippen moeten worden uitgelegd conform hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan. Volgens het woordenboek Van Dale betekent woninginrichting: 1) het inrichten van een woning en 2) het woninginterieur, woninginventaris. Onder het interieur vallen ook de aankleding, meubilering en stoffering van een woning. Woningdecoratie met kerstartikelen kan daaronder naar het oordeel ook worden geschaard, nu die ook dienen ter inrichting en/of aankleding van een woning. In hoeverre dit ook past binnen de branche ‘tuincentra’ is daarom voor deze zaak niet relevant, maar de rechtbank is het met verweerder en de derde-partij eens dat het in het algemeen gangbaar is dat tuincentra kerstartikelen verkopen. Zeker voor kerstbomen geldt dat deze naar het oordeel van de rechtbank geacht kunnen worden binnen het normale seizoensassortiment van tuincentra te passen. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen grond om de verkoop van kerstartikelen niet aan te merken als passend binnen de branche ‘woninginrichting’ of ‘tuincentra’ waarin de bestemming voorziet.
24.2.
In de verwijzing van eiseres naar rechtspraak van de Afdeling ziet de rechtbank geen grond om tot een ander oordeel te komen. De betreffende uitspraak ziet immers enkel op het begrip ‘tuincentrum’ en op de vraag of daarin ook de verkoop van huishoudelijke artikelen past, terwijl het in het onderhavige geval gaat om de uitleg van de begrippen ‘woninginrichting’ en/of ‘tuincentrum’ en de vraag of de verkoop van kerstartikelen daarbinnen past.
25. Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat verkoop van kerstartikelen kan worden aangemerkt als passend binnen de ter plaatse toegestane branches, is geen sprake van de verkoop van branchevreemde producten. De rechtbank komt dus niet toe aan de daarop gerichte beroepsgronden. Dat geldt ook voor de beroepsgronden over het beleid, nu hetgeen in het beleid is vastgelegd niet kan afdoen aan hetgeen rechtstreeks is toegelaten op grond van het omgevingsplan. De regeling is onherroepelijk en eventuele strijd of discrepantie met hetgeen in beleid(sregels) is geformuleerd, wat daarvan ook zij, kan daaraan niet afdoen.
26. Het voorgaande betekent dat geen sprake is van een overtreding. Verweerder was daarom niet bevoegd om handhavend op te treden en het verzoek van eiseres is daarom terecht afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet.
Wijziging van motivering in het bestreden besluit ten opzichte van het primaire besluit
27. De enkele omstandigheid dat verweerder in het primaire besluit een andere motivering heeft opgenomen dan in het bestreden besluit en dat eiseres op dat punt volgens haar materieel in het gelijk is gesteld, maakt niet dat sprake is van een herroeping van het primaire besluit. De uitkomst is immers hetzelfde: afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
28. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.A.M. Bergmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2830.
Zij bijvoorbeeld uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396 en 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2310
Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1061, r.o. 4.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2001, r.o. 4.4.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4088, r.o. 8.6. en van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1392 r.o. 6.7.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:518, r.o. 3.1.
Uitspraak van de Afdeling van 5 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2938.
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/805
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: W. Eilering),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen
(gemachtigden: mr. A.B.E. van Kan, D.J.P. Limpens en N. Smeets).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Intratuin B.V. uit Geleen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering om handhavend op te treden tegen de verkoop van branchevreemde artikelen door de derde-partij gevestigd aan de [adres 1] in Geleen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar handhavingsverzoek door verweerder. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder heeft mogen weigeren om handhavend op te treden.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Onder 4 e.v. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 8 t/m 13 gaat de rechtbank in op de ontvankelijkheid van het beroep. Onder 14 t/m 15 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 21. Daarbij gaat de rechtbank in op de door eiseres aangevoerde beroepsgronden. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
4. Eiseres heeft op 25 september 2024 aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de verkoop van branchevreemde artikelen door de derde-partij die volgens eiseres in strijd is met het omgevingsplan. Met het besluit van 11 november 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder dit verzoek van eiseres afgewezen en geweigerd om handhavend op te treden. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
5. Bij besluit van 17 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de weigering om handhavend op te treden in stand gelaten.
6. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaak over de geweigerde omgevingsvergunning van eiseres (zaaknummer ROE 24/3909) voor haar bedrijf aan de [adres 2] in [plaats] . Eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door [naam 1] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verder zijn de gemachtigden van verweerder verschenen en de derde-partij, vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] .
Ontvankelijkheid
Procesbelang
8. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of eiseres belang heeft bij de uitkomst van de procedure. Voor die beoordeling is eerst relevant om vast te stellen wat eiseres concreet met haar beroep wil bereiken. Vervolgens moet beoordeeld worden of het doel dat eiseres voor ogen staat met de beroepsprocedure kan worden bereikt en of dit voor eiseres feitelijk (nog) van betekenis is. Volgens vaste rechtspraak is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben.
9. Hoewel het handhavingsverzoek van eiseres van 25 september 2024 is ingegeven door verkoop van (kort gezegd) kerstartikelen voorafgaand aan en in de kerstperiode van 2024, is de rechtbank van oordeel dat eiseres nog steeds een actueel en reëel belang heeft bij de behandeling van het beroep. Zoals ter zitting is besproken heeft behandeling van het beroep ook betekenis voor nog komende periodes waarin branchevreemde artikelen worden verkocht. Het gaat om een terugkerende activiteit en een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het besluit op het handhavingsverzoek kan daarmee van betekenis zijn voor toekomstige aanvragen. Op grond van vaste rechtspraak heeft eiseres ook om die reden belang bij de inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Het belang van eiseres is concreet gelegen in het verkrijgen van duidelijkheid over de vraag of op de locatie van de derde-partij branchevreemde artikelen mogen worden verkocht en of dat gebruik in strijd is met het omgevingsplan, nu in het geval van eiseres een daartoe strekkende vergunningaanvraag is geweigerd.
Belanghebbende
10. De rechtbank dient verder ambtshalve te beoordelen of eiseres als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Verweerder heeft de belanghebbendheid van eiseres in beroep ter discussie gesteld op de grond dat volgens verweerder de ondernemingen van eiseres en de derde-partij niet werkzaam zijn in hetzelfde verzorgingsgebied vanwege de (ruime) aanwezigheid van concurrenten in de omgeving.
11. De rechtbank stelt voorop dat eiseres beroep heeft ingesteld tegen een aan haar gerichte beslissing op bezwaar (waarin eiseres als belanghebbende is aangemerkt) en dat haar beroep reeds om die reden ontvankelijk is. Niet in geschil is dat eiseres haar belang alleen kan ontlenen aan concurrentie. Pas in het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres geen concurrentiebelang heeft. Als dat het geval is, dan had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De rechtbank gaat hierna in op de vraag of eiseres in dit geval een concurrentiebelang heeft.
12. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende bij dit besluit. Dit is slechts het geval indien de onderneming in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het besluit voorziene bedrijvigheid. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen. Of het belang rechtstreeks is betrokken bij het besluit hangt af van de aard van het besluit en de gevolgen die eiseres daarvan ondervindt. Van het uitgangspunt dat een concurrentiebelang in beginsel rechtstreeks is betrokken bij het besluit indien een concurrent werkzaam is in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied, kan alleen worden afgeweken als het uitgesloten is dat feitelijke gevolgen aanwezig zijn. Voor het concurrentiebelang wordt niet de correctie via het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ gehanteerd.
13. Het bedrijf van eiseres in gelegen op de locatie Industriepark Noord en het bedrijf van de derde-partij is gelegen op het nabij gelegen bedrijventerrein Retailpark Sittard-Geleen, waarbij sprake is van een afstand van circa 6,7 kilometer over de weg tussen beide ondernemingen. Verder zijn beide ondernemingen werkzaam in een overlappend marktsegment. Dat sprake is van (mede)concurrentie door ondernemingen in de omgeving, zoals verweerder stelt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat daardoor geen sprake kan zijn van hetzelfde verzorgingsgebied. De rechtbank acht daarbij van belang - zoals ook door verweerder is erkend - dat de (reis)afstand tussen beide ondernemingen beperkt is en acht deze dermate beperkt voor deze branche dat aangenomen wordt dat de ondernemingen een overlappend verzorgingsgebied hebben. De rechtbank concludeert daarom dat sprake is van een concurrentiebelang voor eiseres.
Waar deze zaak over gaat
Inleiding
14. Eiseres heeft op 25 september 2024 aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen het bedrijf van de derde-partij, Intratuin, gelegen aan [adres 1] in Geleen op het bedrijventerrein Retailpark Sittard-Geleen. Eiseres heeft daarbij specifiek verzocht om handhavend op te treden tegen de verkoop van branchevreemde artikelen, in het bijzonder kerstartikelen, in strijd met het omgevingsplan. Eiseres heeft in haar handhavingsverzoek gesteld dat de winkelruimte in het tuincentrum van de derde-partij voor meer dan 500 m² is ingericht voor de verkoop van kerstartikelen. Volgens eiseres zijn kerstartikelen aan te merken als branchevreemde artikelen die volgens het omgevingsplan slechts mogen worden verkocht binnen een beperkt vloeroppervlak van maximaal 100 m².
15. Tijdens een uitgevoerde controle op 7 oktober 2024 heeft verweerder vastgesteld dat bij het tuincentrum van de derde-partij inderdaad kerstartikelen worden verkocht. Verweerder heeft zich bij dat besluit echter– kort gezegd – op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overtreding omdat het omgevingsplan voor de locatie van de derde-partij geen beperkingen stelt aan de mogelijkheid om branchevreemde producten aan te bieden. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres daarom afgewezen en geweigerd om handhavend op te treden. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
16. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Aan dat besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de verkoop van kerstartikelen door de derde-partij niet in strijd is met het omgevingsplan. Verweerder heeft daarbij de motivering ten opzichte van het primaire besluit aangepast in die zin, dat verweerder zich vanwege het ontbreken van een regeling voor verkoop van branchevreemde producten in het omgevingsplan op het standpunt heeft gesteld dat verkoop van branchevreemde producten in algemene zin niet is toegestaan op grond van het omgevingsplan. Verweerder heeft hierover ook ter zitting gesteld dat het ontbreken van een regeling voor verkoop van branchevreemde producten in het omgevingsplan zo moet worden uitgelegd, dat hierdoor in algemene zin detailhandel in branchevreemde producten niet toegestaan is en dat de producten dus moeten passen binnen de toegestane branche. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verkoop van kerstartikelen door de derde-partij past binnen de ter plaatse toegestane branche ‘tuincentrum’ en dus rechtstreeks past binnen het omgevingsplan. Volgens verweerder is daarom geen sprake van een overtreding, waardoor verweerder niet bevoegd is handhavend op te treden.
Standpunt eiseres
17. Eisers stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd om handhavend op te treden omdat volgens eiseres sprake is van een overtreding vanwege de verkoop van kerstartikelen door de derde-partij in strijd met het omgevingsplan. Verder voert eiseres aan dat de weigering van verweerder om daartegen handhavend op te treden, in strijd is met het beleid over detailhandel en dat sprake is van een inconsistente en willekeurige toepassing van het gemeentelijk beleid door verweerder. Ook stelt eiseres dat verweerder bij het bestreden besluit had moeten over gaan tot herroeping van het primaire besluit nu eiseres volgens haar materieel in het gelijk is gesteld en de motivering van het primaire besluit onjuist was.
Omvang geschil
18. Tussen partijen is in geschil of de verkoop van kerstartikelen door de derde-partij, waar het handhavingsverzoek van eiseres op ziet, in strijd is met het omgevingsplan. Verder is in geschil of verweerder door de weigering om daartegen handhavend op te treden, in strijd heeft gehandeld met het beleid en of sprake is van een inconsistente en willekeurige toepassing van het gemeentelijk beleid door verweerder. Ook is in geschil of verweerder bij het bestreden besluit had moeten over gaan tot herroeping van het primaire besluit.
Toetsingskader
Omgevingswet
19. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Omgevingsplan
20. Ter plaatse is van toepassing het bestemmingsplan ‘Veegplan 2022’, vastgesteld door de gemeenteraad op 21 mei 2024, dat onderdeel uitmaakt van omgevingsplan. De locatie van de derde-partij heeft de bestemming ‘Detailhandel - 2’. Op grond van artikel 10 van het veegplan zijn de voor 'Detailhandel - 2' aangewezen gronden bestemd voor: de vestiging van winkels binnen de branches woninginrichting, doe-het-zelf, bouwmarkten en tuincentra. Aan de locatie is op grond van het omgevingsplan geen specifieke functieaanduiding toegekend met daaraan gekoppelde specifieke gebruiksregels, zoals dat voor de locatie van eiseres aan de [adres 2] in [plaats] wel het geval is.
Beoordeling van het beroep
Is sprake van een overtreding?
21. Eiseres stelt dat verweerder zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een overtreding. De verkoop van kerstartikelen is volgens eiseres niet in overeenstemming met de ter plaatse toegestane branches. Eiseres wijst in dat verband ook naar de begripsbepalingen uit het omgevingsplan, de plantoelichting, en rechtspraak van de Afdeling, waaruit volgens eiseres kan worden afgeleid verkoop van kerstartikelen door tuincentra niet rechtstreeks is toegestaan.
22. Tussen partijen is niet in geschil dat in de winkel van de derde-partij, ten tijde van de besluitvorming door verweerder, feitelijk kerstartikelen werden aangeboden. Het geschil beperkt zich tot de vraag of die verkoop kan worden aangemerkt als passend binnen de bestemming (‘Detailhandel -2’) en of daarmee sprake is van verkoop van branchevreemde artikelen in strijd met het omgevingsplan.
23. De rechtbank stelt voorop dat het omgevingsplan detailhandel binnen de branches ‘woninginrichting, doe-het-zelf, bouwmarkten en tuincentra’ rechtstreeks mogelijk maakt op deze locatie. Op grond van het omgevingsplan gelden daarvoor geen specifieke functieaanduidingen en gebruiksregels. Ook is in het omgevingsplan niet voorzien in een specifieke gebruiksregeling over de verkoop van branchevreemde artikelen met een maximum te gebruiken vloeroppervlak voor de verkoop daarvan, zoals eiseres in haar handhavingsverzoek heeft gesteld en zoals wel geldt voor eiseres. Dat betekent dat in die zin - ten aanzien van branchevreemde producten - voor de derde-partij meer beperkingen gelden dan voor eiseres. Eiseres mag immers binnen bepaalde grenzen wel branchevreemde producten verkopen terwijl de derde-partij dat niet mag,
24. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verkoop van kerstartikelen past binnen de branches ‘woninginrichting’ en ‘tuincentra’ waarin de ingevolge het omgevingsplan geldende bestemming voorziet. De rechtbank motiveert dat oordeel als volgt.
24.1.
In het omgevingsplan/bestemmingsplan is geen begripsbepaling opgenomen van de branches ‘woninginrichting’ en ‘tuincentra’ en ook de toelichting op het bestemmingsplan geeft geen nadere uitleg. Dat betekent dat deze begrippen moeten worden uitgelegd conform hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan. Volgens het woordenboek Van Dale betekent woninginrichting: 1) het inrichten van een woning en 2) het woninginterieur, woninginventaris. Onder het interieur vallen ook de aankleding, meubilering en stoffering van een woning. Woningdecoratie met kerstartikelen kan daaronder naar het oordeel ook worden geschaard, nu die ook dienen ter inrichting en/of aankleding van een woning. In hoeverre dit ook past binnen de branche ‘tuincentra’ is daarom voor deze zaak niet relevant, maar de rechtbank is het met verweerder en de derde-partij eens dat het in het algemeen gangbaar is dat tuincentra kerstartikelen verkopen. Zeker voor kerstbomen geldt dat deze naar het oordeel van de rechtbank geacht kunnen worden binnen het normale seizoensassortiment van tuincentra te passen. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen grond om de verkoop van kerstartikelen niet aan te merken als passend binnen de branche ‘woninginrichting’ of ‘tuincentra’ waarin de bestemming voorziet.
24.2.
In de verwijzing van eiseres naar rechtspraak van de Afdeling ziet de rechtbank geen grond om tot een ander oordeel te komen. De betreffende uitspraak ziet immers enkel op het begrip ‘tuincentrum’ en op de vraag of daarin ook de verkoop van huishoudelijke artikelen past, terwijl het in het onderhavige geval gaat om de uitleg van de begrippen ‘woninginrichting’ en/of ‘tuincentrum’ en de vraag of de verkoop van kerstartikelen daarbinnen past.
25. Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat verkoop van kerstartikelen kan worden aangemerkt als passend binnen de ter plaatse toegestane branches, is geen sprake van de verkoop van branchevreemde producten. De rechtbank komt dus niet toe aan de daarop gerichte beroepsgronden. Dat geldt ook voor de beroepsgronden over het beleid, nu hetgeen in het beleid is vastgelegd niet kan afdoen aan hetgeen rechtstreeks is toegelaten op grond van het omgevingsplan. De regeling is onherroepelijk en eventuele strijd of discrepantie met hetgeen in beleid(sregels) is geformuleerd, wat daarvan ook zij, kan daaraan niet afdoen.
26. Het voorgaande betekent dat geen sprake is van een overtreding. Verweerder was daarom niet bevoegd om handhavend op te treden en het verzoek van eiseres is daarom terecht afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet.
Wijziging van motivering in het bestreden besluit ten opzichte van het primaire besluit
27. De enkele omstandigheid dat verweerder in het primaire besluit een andere motivering heeft opgenomen dan in het bestreden besluit en dat eiseres op dat punt volgens haar materieel in het gelijk is gesteld, maakt niet dat sprake is van een herroeping van het primaire besluit. De uitkomst is immers hetzelfde: afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
28. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.A.M. Bergmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2830.
Zij bijvoorbeeld uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396 en 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2310
Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1061, r.o. 4.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2001, r.o. 4.4.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4088, r.o. 8.6. en van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1392 r.o. 6.7.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:518, r.o. 3.1.
Uitspraak van de Afdeling van 5 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2938.