Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9515
2026-09-16
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12150706 CV EXPL 26-1389
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geldlening tussen natuurlijke personen. geen dupliek.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.682 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12150706 CV EXPL 26-1389
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- een “nadere akte uitlating tevens overlegging producties” die de kantonrechter als de conclusie van repliek heeft opgevat.
[gedaagde] heeft de mogelijkheid gekregen om te reageren op de repliek, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2Het geschil
2.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 12.406,15, vermeerderd met rente en kosten.
2.2.
[eiser] legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde] gehouden is tot vergoeding van schade. [gedaagde] heeft van [eiser] € 6.000,00 ontvangen als voorschot terzake advocaatkosten. De vordering is opeisbaar geworden nadat [gedaagde] op 5 juli 2024 haar woning had verkocht. Ondanks ingebrekestelling en sommaties is terugbetaling uitgebleven.
2.3.
[gedaagde] voert verweer. Van een directe rechtsverhouding met [eiser] was geen sprake. De contacten verliepen met de heer [gemachtigde] , de echtgenoot/partner van [eiser] . In juli 2024 heeft [gedaagde] in totaal € 6.817,93 overgemaakt op het door [gemachtigde] voorgestelde rekeningnummer. Met [eiser] heeft [gedaagde] nooit gesproken over een lening of terugbetaling en tussen partijen is niets op schrift gesteld; zij hebben elkaar ook slechts eenmaal gezien. [eiser] heeft ook geen bedrag aan [gedaagde] persoonlijk betaald (maar aan de advocaat). Het voorschot is door de advocaat ook verrekend.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3De beoordeling
3.1.
De dagvaarding is uiterst summier en er wordt niet verwezen naar de bijgevoegde producties. Het is niet aan de kantonrechter om zelf aan de hand van de producties de grondslag en feiten in te vullen. Schadevergoeding als juridische grondslag is niet te plaatsen. De ingebrachte volmacht voor [gemachtigde] maakt het er niet duidelijker op.
Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] heeft [eiser] de vordering (enigszins) toegelicht. Zo is onder meer gesteld dat de afspraak is gemaakt dat [eiser] diverse kosten (waaronder de advocaatkosten in kwestie) zou voorschieten. Daarbij zijn nieuwe producties ingebracht en is in een productielijst aangegeven waarop de producties betrekking hebben.
Geldlening als grondslag
3.2.
De kantonrechter begrijpt dat de verstrekking van het gestelde voorschot is bedoeld, en hier ook in juridische zin moet worden gekwalificeerd, als een geldlening van [eiser] aan [gedaagde] . Op [eiser] rust de stelplicht, en bij gemotiveerde betwisting, van het bestaan van een overeenkomst van geldlening (zoals bedoeld in artikel 7:129 BW). Voor het bestaan van een geldlening is vereist dat [eiser] het bedrag aan [gedaagde] heeft verstrekt en dat [gedaagde] zich heeft verbonden om het geleende bedrag terug te betalen. Het (beweerde) verzoek van [gedaagde] aan [eiser] , beiden natuurlijke personen, om geld voor te schieten aan een derde althans de afspraak tussen partijen hiertoe en het vervolgens door [eiser] daadwerkelijk overmaken van het geld aan die derde, is (eveneens) als geldlening te duiden. Een schriftelijke overeenkomst is hier niet vereist. Bij een mondelinge afspraak over een voorschieten spreekt een terugbetaling voor zich. [gedaagde] stelt overigens ook niet dat haar geld geschonken zou zijn.
Indien [gedaagde] op haar beurt het standpunt inneemt dat de lening is terugbetaald (hetgeen al een erkenning van het bestaan van de lening c.q. terugbetalingsverplichting impliceert), dan rust de stelplicht en bewijslast van die terugbetaling op [gedaagde] .
Er is sprake van een (of meer) overeenkomst(en) van geldlening
3.3.
Bij repliek zijn emailberichten van 10 mei 2024 ingebracht waaruit is op te maken dat [gedaagde] aan [gemachtigde] meedeelt dat zij de financiën niet heeft voor de advocaat en vervolgens dat [gedaagde] aan de advocaat meedeelt dat [gemachtigde] garant wil staan voor haar voorschotbetaling van € 6.000,00. Er zijn voorts betalingsbewijzen ingebracht waaruit is op te maken dat daadwerkelijk aan de advocaat is betaald. De kantonrechter begrijpt uit de repliek, in samenhang bezien met de producties, dat eveneens wordt gesteld dat aan [gedaagde] , naast de advocaatkosten van € 6.000,00, nog advocaatkosten ad € 4.967,16 en drie maal de huur van de opslag van haar inboedel is voorgeschoten. Ook zou geld aan haar persoonlijk zijn geleend (middels het overmaken van bedragen naar haar bankrekening). In totaal zou het gaan om € 12.817,93. Ook dit laatste vindt steun in de emailberichten tussen [gemachtigde] en [gedaagde] . [gedaagde] heeft daarin toegezegd terug te betalen.
3.3.1.
De kantonrechter gaat ervan uit dat dit (impliciete) standpunt van [eiser] juist is aangezien [gedaagde] dit niet betwist. Zij heeft in het geheel niet meer op de repliek gereageerd. Als vaststaand wordt aangenomen dat (ook) de advocaatkosten ad € 6.000,00 zijn voorgeschoten en dat [gedaagde] wist dat zij die (op enig moment) moest terugbetalen.
[eiser] is partij bij de geldlening
3.4.
Waar [eiser] bij repliek geheel aan voorbij gaat, is dat [gedaagde] bij antwoord gemotiveerd betwist dat de overeenkomst juist met [eiser] (in plaats van [gemachtigde] ) tot stand is gekomen. Zo heeft [gedaagde] emailverkeer van 10 juli 2026 met [gemachtigde] ingebracht waarin zij hem meedeelt dat zij op dat moment in staat is om terug te betalen en waarin zij hem vraagt op welke rekening zij het geld moet storten. In die mail spreekt [gedaagde] eveneens over “jullie bedrijfsrekening”. [gemachtigde] geeft haar hierop het Litouwse rekeningnummer (Revolut) van [eiser] / [b.v.] [gedaagde] heeft het geld ook daadwerkelijk naar deze bedrijfsrekening overgemaakt. Uit de stukken bij de dagvaarding is op te maken dat de voorschotten aan het advocatenkantoor zijn voldaan vanaf de (privé)rekening van [eiser] bij Revolut - hetgeen erop wijst, dat [eiser] bij de overeenkomst is betrokken. [gedaagde] heeft zich over die betaling door juist en alleen [eiser] niet uitgelaten. [eiser] is volgens [gedaagde] de echtgenote of partner van [gemachtigde] , zodat het op zichzelf ook niet bevreemdend is als het contact met [gemachtigde] is verlopen (zoals [gedaagde] stelt) maar het vervolgens [eiser] is geweest die het bedrag heeft betaald. De kantonrechter leidt uit dit alles af dat de overeenkomst is aangegaan met [gemachtigde] en/of [eiser] .
3.4.1.
Nu [gemachtigde] in deze als gemachtigde van [eiser] optreedt, begrijpt de kantonrechter dat [gemachtigde] zich achter het standpunt schaart dat de overeenkomst met [eiser] is aangegaan (en zich daarmee niet de situatie kan voordoen dat [gemachtigde] op eigen naam succesvol eenzelfde vordering jegens [gedaagde] kan instellen). [gedaagde] heeft geen redenen aangevoerd waarom [gemachtigde] zich ten onrechte hierachter zou scharen. Bij gebreke van een dupliek, concludeert de kantonrechter aldus dat [gedaagde] op grond van een mondelinge leningsovereenkomst verplicht was om het bedrag van € 6.000,00 aan [eiser] terug te betalen.
Het voorschot in kwestie is niet terugbetaald
3.5.
[eiser] erkent bij repliek de door [gedaagde] gestelde betaling van € 6.817,93 (zodat die betaling op zichzelf als vaststaand wordt aangenomen). Nu [eiser] de vordering onverkort handhaaft, begrijpt de kantonrechter dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat die terugbetaling betrekking heeft op de (bij repliek aangehaalde) tweede voorgeschoten advocaatkosten, de voorgeschoten huur en de betalingen in privé.
3.5.1.
Indien [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat zij wél de vordering in kwestie heeft voldaan - haar bewoordingen geven hierover ook geen uitsluitsel -, had het op haar weg gelegen om alsnog te reageren. Daarbij constateert de kantonrechter nog dat betalingen inzake het tweede advocatenvoorschot, het huurvoorschot en in privé tezamen gerekend (ook) exact neerkomt op het bedrag van € 6.817,93. Ook het feit dat [gedaagde] zodanig specifieke bedragen van € 2.782,75 en € 4,035,18 heeft overgemaakt duidt er niet op dat die betalingen zagen op de factuur van € 6.000,00. Sterker, zij geeft zelf al als omschrijvingen factuur opslag en gestorte bijdragen (alsook factuur advocaat maar waarvoor net zo goed de tweede voorschotfactuur advocaat kan worden gelezen). [gedaagde] wijst er nog op dat er een creditnota is uitgegaan, maar de kantonrechter vermag niet in te zien dat dit afbreuk doet aan de op [gedaagde] rustende terugbetalingsverplichting. Daarmee wordt aangenomen dat [gedaagde] het bedrag tot op heden niet heeft terugbetaald (noch aan [eiser] en overigens ook niet aan of middels [gemachtigde] ).
De vordering is opeisbaar
3.5.2.
[gedaagde] betwist bij antwoord dat, zoals [eiser] in de dagvaarding bloot stelt, de vordering op 5 juli 2024 opeisbaar is geworden. [eiser] heeft bij repliek evenwel toegelicht dat de mondelinge overeenkomst inhield dat [eiser] diverse kosten voor [gedaagde] zou voorschieten en dat [gedaagde] deze bedragen zou terugbetalen zodra haar woning verkocht zou zijn. Deze stelling vindt tot op zekere hoogte steun in de bij repliek ingebrachte producties. Zo heeft [gedaagde] bij haar verzoek op 15 juni 2024 om ook de tweede advocaatrekening voor te schieten aangegeven alles terug te gaan betalen wanneer het huis is verkocht. Nu [gedaagde] ook hier niet meer op heeft gereageerd, neemt de kantonrechter aan dat het bedrag opeisbaar is geworden.
3.6.
De vordering om [gedaagde] te veroordelen om € 6.000,00 terug te betalen aan [eiser] , is daarmee toewijsbaar en zal worden toegewezen.
3.7.
[eiser] stelt in de dagvaarding dat [gedaagde] sedert 5 juli 2024 in verzuim verkeert. [gedaagde] betwist dit en wijst erop dat er geen ingebrekestelling of anderszins is uitgegaan. Hiervan is ook bij repliek niet gebleken. De door [eiser] berekende vervallen wettelijke rente ad € 595,73 over de periode tot en met 1 maart 2026 (alsook de gevorderde rente op rente) is daarmee niet toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom kan, en zal, slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarden (6 maart 2026).
3.8.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 5.810,42 wegens “dossierbehandeling en huisbezoeken”. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen omdat niet is gebleken dat aan [gedaagde] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW.
3.9.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Er bestaat geen recht op gemachtigdensalaris omdat hieronder professionele gemachtigden vallen die hun werkzaamheden in rekening brengen, en niet bijvoorbeeld familie/gezinsleden die voor elkaar optreden.
De proceskosten van [eiser] worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
265,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
562,77
4De beslissing
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 562,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12150706 CV EXPL 26-1389
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- een “nadere akte uitlating tevens overlegging producties” die de kantonrechter als de conclusie van repliek heeft opgevat.
[gedaagde] heeft de mogelijkheid gekregen om te reageren op de repliek, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2Het geschil
2.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 12.406,15, vermeerderd met rente en kosten.
2.2.
[eiser] legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde] gehouden is tot vergoeding van schade. [gedaagde] heeft van [eiser] € 6.000,00 ontvangen als voorschot terzake advocaatkosten. De vordering is opeisbaar geworden nadat [gedaagde] op 5 juli 2024 haar woning had verkocht. Ondanks ingebrekestelling en sommaties is terugbetaling uitgebleven.
2.3.
[gedaagde] voert verweer. Van een directe rechtsverhouding met [eiser] was geen sprake. De contacten verliepen met de heer [gemachtigde] , de echtgenoot/partner van [eiser] . In juli 2024 heeft [gedaagde] in totaal € 6.817,93 overgemaakt op het door [gemachtigde] voorgestelde rekeningnummer. Met [eiser] heeft [gedaagde] nooit gesproken over een lening of terugbetaling en tussen partijen is niets op schrift gesteld; zij hebben elkaar ook slechts eenmaal gezien. [eiser] heeft ook geen bedrag aan [gedaagde] persoonlijk betaald (maar aan de advocaat). Het voorschot is door de advocaat ook verrekend.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3De beoordeling
3.1.
De dagvaarding is uiterst summier en er wordt niet verwezen naar de bijgevoegde producties. Het is niet aan de kantonrechter om zelf aan de hand van de producties de grondslag en feiten in te vullen. Schadevergoeding als juridische grondslag is niet te plaatsen. De ingebrachte volmacht voor [gemachtigde] maakt het er niet duidelijker op.
Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] heeft [eiser] de vordering (enigszins) toegelicht. Zo is onder meer gesteld dat de afspraak is gemaakt dat [eiser] diverse kosten (waaronder de advocaatkosten in kwestie) zou voorschieten. Daarbij zijn nieuwe producties ingebracht en is in een productielijst aangegeven waarop de producties betrekking hebben.
Geldlening als grondslag
3.2.
De kantonrechter begrijpt dat de verstrekking van het gestelde voorschot is bedoeld, en hier ook in juridische zin moet worden gekwalificeerd, als een geldlening van [eiser] aan [gedaagde] . Op [eiser] rust de stelplicht, en bij gemotiveerde betwisting, van het bestaan van een overeenkomst van geldlening (zoals bedoeld in artikel 7:129 BW). Voor het bestaan van een geldlening is vereist dat [eiser] het bedrag aan [gedaagde] heeft verstrekt en dat [gedaagde] zich heeft verbonden om het geleende bedrag terug te betalen. Het (beweerde) verzoek van [gedaagde] aan [eiser] , beiden natuurlijke personen, om geld voor te schieten aan een derde althans de afspraak tussen partijen hiertoe en het vervolgens door [eiser] daadwerkelijk overmaken van het geld aan die derde, is (eveneens) als geldlening te duiden. Een schriftelijke overeenkomst is hier niet vereist. Bij een mondelinge afspraak over een voorschieten spreekt een terugbetaling voor zich. [gedaagde] stelt overigens ook niet dat haar geld geschonken zou zijn.
Indien [gedaagde] op haar beurt het standpunt inneemt dat de lening is terugbetaald (hetgeen al een erkenning van het bestaan van de lening c.q. terugbetalingsverplichting impliceert), dan rust de stelplicht en bewijslast van die terugbetaling op [gedaagde] .
Er is sprake van een (of meer) overeenkomst(en) van geldlening
3.3.
Bij repliek zijn emailberichten van 10 mei 2024 ingebracht waaruit is op te maken dat [gedaagde] aan [gemachtigde] meedeelt dat zij de financiën niet heeft voor de advocaat en vervolgens dat [gedaagde] aan de advocaat meedeelt dat [gemachtigde] garant wil staan voor haar voorschotbetaling van € 6.000,00. Er zijn voorts betalingsbewijzen ingebracht waaruit is op te maken dat daadwerkelijk aan de advocaat is betaald. De kantonrechter begrijpt uit de repliek, in samenhang bezien met de producties, dat eveneens wordt gesteld dat aan [gedaagde] , naast de advocaatkosten van € 6.000,00, nog advocaatkosten ad € 4.967,16 en drie maal de huur van de opslag van haar inboedel is voorgeschoten. Ook zou geld aan haar persoonlijk zijn geleend (middels het overmaken van bedragen naar haar bankrekening). In totaal zou het gaan om € 12.817,93. Ook dit laatste vindt steun in de emailberichten tussen [gemachtigde] en [gedaagde] . [gedaagde] heeft daarin toegezegd terug te betalen.
3.3.1.
De kantonrechter gaat ervan uit dat dit (impliciete) standpunt van [eiser] juist is aangezien [gedaagde] dit niet betwist. Zij heeft in het geheel niet meer op de repliek gereageerd. Als vaststaand wordt aangenomen dat (ook) de advocaatkosten ad € 6.000,00 zijn voorgeschoten en dat [gedaagde] wist dat zij die (op enig moment) moest terugbetalen.
[eiser] is partij bij de geldlening
3.4.
Waar [eiser] bij repliek geheel aan voorbij gaat, is dat [gedaagde] bij antwoord gemotiveerd betwist dat de overeenkomst juist met [eiser] (in plaats van [gemachtigde] ) tot stand is gekomen. Zo heeft [gedaagde] emailverkeer van 10 juli 2026 met [gemachtigde] ingebracht waarin zij hem meedeelt dat zij op dat moment in staat is om terug te betalen en waarin zij hem vraagt op welke rekening zij het geld moet storten. In die mail spreekt [gedaagde] eveneens over “jullie bedrijfsrekening”. [gemachtigde] geeft haar hierop het Litouwse rekeningnummer (Revolut) van [eiser] / [b.v.] [gedaagde] heeft het geld ook daadwerkelijk naar deze bedrijfsrekening overgemaakt. Uit de stukken bij de dagvaarding is op te maken dat de voorschotten aan het advocatenkantoor zijn voldaan vanaf de (privé)rekening van [eiser] bij Revolut - hetgeen erop wijst, dat [eiser] bij de overeenkomst is betrokken. [gedaagde] heeft zich over die betaling door juist en alleen [eiser] niet uitgelaten. [eiser] is volgens [gedaagde] de echtgenote of partner van [gemachtigde] , zodat het op zichzelf ook niet bevreemdend is als het contact met [gemachtigde] is verlopen (zoals [gedaagde] stelt) maar het vervolgens [eiser] is geweest die het bedrag heeft betaald. De kantonrechter leidt uit dit alles af dat de overeenkomst is aangegaan met [gemachtigde] en/of [eiser] .
3.4.1.
Nu [gemachtigde] in deze als gemachtigde van [eiser] optreedt, begrijpt de kantonrechter dat [gemachtigde] zich achter het standpunt schaart dat de overeenkomst met [eiser] is aangegaan (en zich daarmee niet de situatie kan voordoen dat [gemachtigde] op eigen naam succesvol eenzelfde vordering jegens [gedaagde] kan instellen). [gedaagde] heeft geen redenen aangevoerd waarom [gemachtigde] zich ten onrechte hierachter zou scharen. Bij gebreke van een dupliek, concludeert de kantonrechter aldus dat [gedaagde] op grond van een mondelinge leningsovereenkomst verplicht was om het bedrag van € 6.000,00 aan [eiser] terug te betalen.
Het voorschot in kwestie is niet terugbetaald
3.5.
[eiser] erkent bij repliek de door [gedaagde] gestelde betaling van € 6.817,93 (zodat die betaling op zichzelf als vaststaand wordt aangenomen). Nu [eiser] de vordering onverkort handhaaft, begrijpt de kantonrechter dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat die terugbetaling betrekking heeft op de (bij repliek aangehaalde) tweede voorgeschoten advocaatkosten, de voorgeschoten huur en de betalingen in privé.
3.5.1.
Indien [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat zij wél de vordering in kwestie heeft voldaan - haar bewoordingen geven hierover ook geen uitsluitsel -, had het op haar weg gelegen om alsnog te reageren. Daarbij constateert de kantonrechter nog dat betalingen inzake het tweede advocatenvoorschot, het huurvoorschot en in privé tezamen gerekend (ook) exact neerkomt op het bedrag van € 6.817,93. Ook het feit dat [gedaagde] zodanig specifieke bedragen van € 2.782,75 en € 4,035,18 heeft overgemaakt duidt er niet op dat die betalingen zagen op de factuur van € 6.000,00. Sterker, zij geeft zelf al als omschrijvingen factuur opslag en gestorte bijdragen (alsook factuur advocaat maar waarvoor net zo goed de tweede voorschotfactuur advocaat kan worden gelezen). [gedaagde] wijst er nog op dat er een creditnota is uitgegaan, maar de kantonrechter vermag niet in te zien dat dit afbreuk doet aan de op [gedaagde] rustende terugbetalingsverplichting. Daarmee wordt aangenomen dat [gedaagde] het bedrag tot op heden niet heeft terugbetaald (noch aan [eiser] en overigens ook niet aan of middels [gemachtigde] ).
De vordering is opeisbaar
3.5.2.
[gedaagde] betwist bij antwoord dat, zoals [eiser] in de dagvaarding bloot stelt, de vordering op 5 juli 2024 opeisbaar is geworden. [eiser] heeft bij repliek evenwel toegelicht dat de mondelinge overeenkomst inhield dat [eiser] diverse kosten voor [gedaagde] zou voorschieten en dat [gedaagde] deze bedragen zou terugbetalen zodra haar woning verkocht zou zijn. Deze stelling vindt tot op zekere hoogte steun in de bij repliek ingebrachte producties. Zo heeft [gedaagde] bij haar verzoek op 15 juni 2024 om ook de tweede advocaatrekening voor te schieten aangegeven alles terug te gaan betalen wanneer het huis is verkocht. Nu [gedaagde] ook hier niet meer op heeft gereageerd, neemt de kantonrechter aan dat het bedrag opeisbaar is geworden.
3.6.
De vordering om [gedaagde] te veroordelen om € 6.000,00 terug te betalen aan [eiser] , is daarmee toewijsbaar en zal worden toegewezen.
3.7.
[eiser] stelt in de dagvaarding dat [gedaagde] sedert 5 juli 2024 in verzuim verkeert. [gedaagde] betwist dit en wijst erop dat er geen ingebrekestelling of anderszins is uitgegaan. Hiervan is ook bij repliek niet gebleken. De door [eiser] berekende vervallen wettelijke rente ad € 595,73 over de periode tot en met 1 maart 2026 (alsook de gevorderde rente op rente) is daarmee niet toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom kan, en zal, slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarden (6 maart 2026).
3.8.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 5.810,42 wegens “dossierbehandeling en huisbezoeken”. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen omdat niet is gebleken dat aan [gedaagde] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW.
3.9.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Er bestaat geen recht op gemachtigdensalaris omdat hieronder professionele gemachtigden vallen die hun werkzaamheden in rekening brengen, en niet bijvoorbeeld familie/gezinsleden die voor elkaar optreden.
De proceskosten van [eiser] worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
265,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
562,77
4De beslissing
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 562,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.