Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9439
2026-09-09
Civiel recht
12144525 \ CV EXPL 26-1344
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Toepasselijk recht. Bewindvoerder correct verschenen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2014:525 Hoge Raad 07-03-2014
- ECLI:NL:HR:2014:525 Hoge Raad 07-03-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.254 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12144525 \ CV EXPL 26-1344
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[persoon A]
,
wonend in [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [persoon A] ,
gemachtigde: mr. L.V.V. Eymael,
tegen
DRIEPAS BEWINDVOERING VOORJANS B.V.,
in hoedanigheid van de bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [persoon B] ,
statutair gevestigd in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [persoon B] of de Bewindvoerder,
gemachtigde: mr. B.A.L.H. Robijns.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de akte vermindering van eis van [persoon A] ;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[persoon A] , [persoon B] en [persoon C] (hierna: ‘ [persoon C] ’ en gezamenlijk ‘ [persoon A, B en C] ’ ) zijn op 13 september 2011 in België strafrechtelijk veroordeeld voor het illegaal aftappen van stroom van CVBA Infrax (nu Fluvius en hierna: ‘Fluvius’).
2.2.
Op 12 maart 2013 heeft de Correctionele Rechtbank in Tongeren (België) [persoon A, B en C] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan Fluvius voor de diefstal van de stroom van € 5.490,74 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en een rechtsplegingsvergoeding van € 990,00 (hierna: ‘het Belgische vonnis’). [persoon B] is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen in die procedure en hij is bij verstek veroordeeld.
2.3.
De gemachtigde van [persoon A] heeft via een aangetekende brief van 27 januari 2026 [persoon B] en [persoon C] laten weten dat [persoon A] nagenoeg het gehele aan Fluvius verschuldigde bedrag heeft voldaan en dat hij wegens de hoofdelijke veroordeling een regresvordering op [persoon B] en [persoon C] heeft. Beiden zijn gesommeerd om binnen veertien dagen na ontvangst van de sommatiebrief € 5.642,40 aan [persoon A] te betalen. [persoon B] heeft de aangetekende brief op 29 januari 2026 geweigerd in ontvangst te nemen, waarna deze retour is gegaan.
3Het geschil
3.1.
[persoon A] vordert, na vermindering van eis, - samengevat - bij vonnis veroordeling van [persoon B] tot betaling van € 2.821,20, vermeerderd met rente en kosten. Hij vordert daarbij eveneens dat de kantonrechter verklaart dat het vonnis ook moet worden uitgevoerd als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
[persoon A] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [persoon B] en hij hoofdelijk zijn veroordeeld tot de betaling van de schadevergoeding aan Fluvius. Nu [persoon A] nagenoeg het gehele bedrag aan Fluvius heeft betaald, althans deze via een lopende betalingsregeling heeft gegarandeerd, heeft hij meer voldaan dan hij in de interne verdeling tussen [persoon A, B en C] verschuldigd is en heeft hij een regresvordering op zijn medeschuldenaar [persoon B] .
3.3.
[persoon B] is het hier niet mee eens en voert verweer. Kort gezegd, voert hij aan dat de regresvordering van [persoon A] is verjaard, het bestaan en de omvang van de hoofdelijke schuld en de regresvordering onvoldoende duidelijk is, [persoon B] nooit kennis heeft genomen van het Belgische vonnis en [persoon A] niet de bewindvoerder van [persoon B] heeft aangeschreven. Ook wordt verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten. [persoon B] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de kosten van deze procedure.
4De beoordeling
Vragen van internationaal privaatrecht
4.1.
Deze zaak heeft internationale aspecten. [persoon A] woont in België en baseert zijn vordering op een naar Belgisch recht gewezen vonnis. Daarnaast woont [persoon B] in Nederland en is hij voor de Nederlandse rechter gedagvaard. Dit betekent dat allereerst moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van dit geschil. Als dit het geval is, moet worden onderzocht welk nationaal rechtsstelsel van toepassing is op de vordering van [persoon A] .
De Nederlandse rechter is bevoegd
4.2.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: ‘Brussel-I bis’) bepaalt in dit geval welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Volgens de hoofdregel van artikel 4 Brussel I-bis worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Wat de woonplaats van iemand precies is, wordt op grond van artikel 62 lid 1 Brussel I-bis bepaalt door het nationale recht van de aangezochte rechter. Dat is dus in dit geval het Nederlandse recht. Relevant is dat de goederen die aan [persoon B] (zullen) toebehoren onder bewind staan. Uit artikel 1:12 lid 2 Burgerlijk Wetboek volgt dan dat de woonplaats van de bewindvoerder moet worden gevolgd. Nu de Bewindvoerder in [plaats 2] is gevestigd, is de Nederlandse rechter bevoegd.
Het oude Belgische recht is van toepassing op de hoofdvordering en de vordering die strekt tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten
4.3.
Vervolgens moet het toepasselijk recht worden vastgesteld. Het gaat hier om een schadevergoedingsvordering die voortvloeit uit diefstal van elektriciteit en meer specifiek om de regresvordering die [persoon A] meent te hebben op [persoon B] als mede hoofdelijk schuldenaar. Dit is een zogenoemde ‘niet-contractuele verbintenis’ en de verwijsregels van de Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (hierna: ‘Rome II’) zijn dan ook van toepassing. Artikel 20 Rome II bepaalt dat het regresrecht van een hoofdelijk schuldenaar jegens de overige hoofdelijk schuldenaars wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de niet-contractuele verbintenis van die schuldenaar jegens de schuldeiser. In dit geval is dat dus de verbintenis tussen [persoon A] en Fluvius.
4.4.
[persoon A, B en C] zijn in het Belgische vonnis veroordeeld naar Belgisch recht. De vordering die Fluvius op [persoon A, B en C] heeft uit dit vonnis wordt dus beheerst door Belgisch recht. Artikel 20 Rome II volgend, betekent dit dat ook de regresvordering van [persoon A] op [persoon B] wordt beheerst door Belgisch recht.
4.5.
Omdat het Belgische privaatrecht recentelijk is hervormd, moet vervolgens worden vastgesteld welk Belgisch recht op de regresvordering van toepassing is: het oude, of het nieuwe recht? Het gaat voor het nieuwe recht specifiek om Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de bepalingen over hoofdelijkheid zijn opgenomen en dat op 1 januari 2023 in werking is getreden.
4.6.
Het overgangsrecht van het nieuwe recht is vastgelegd in artikel 64 van de Wet van 28 april 2022 houdende Boek 5 "Verbintenissen" van het Burgerlijk Wetboek. De hoofdregel is dat Boek 5 van toepassing is op rechtshandelingen en rechtsfeiten van na 1 januari 2023. Artikel 64 bevat echter ook een uitzondering: wanneer een rechtshandeling of rechtsfeit na 1 januari 2023 plaatsvindt, maar voortvloeit uit een verbintenis die zelf is ontstaan vóór de inwerkingtreding, blijft op die verbintenis het oude recht van toepassing.
4.7.
De regresvordering van [persoon A] vindt haar oorsprong in de hoofdelijke veroordeling uit het vonnis van 12 maart 2013, dus in een rechtsfeit van vóór 1 januari 2023. Het oude Belgische recht blijft dus van toepassing op de regresvordering.
4.8.
Het recht dat op grond van Rome II van toepassing is, strekt zich ook uit tot de vraag of buitengerechtelijke incassokosten voor vergoeding in aanmerking komen, omdat dergelijke kosten worden aangemerkt als schade (artikel 15 sub c Rome II). Nu het oude Belgische recht van toepassing is op de hoofdvordering, is dat ook van toepassing op de nevenvordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten.
Het Nederlandse recht is van toepassing op de vordering die strekt tot vergoeding van de proceskosten en de nakosten
4.9.
[persoon A] heeft ook gevorderd dat [persoon B] wordt veroordeeld in de proceskosten en de nakosten. Mocht het tot een dergelijke veroordeling komen dan geldt daarvoor dat het Nederlandse recht van toepassing. Het recht dat op grond van Rome II wordt aangewezen, omvat niet het procesrecht (artikel 1 lid 3 Rome II). Op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter is het Nederlandse recht van toepassing (artikel 10:3 Burgerlijk Wetboek). De nakosten zijn onderdeel van de proceskosten (artikel 237 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) en ook daarop is dus het Nederlandse recht van toepassing.
De bewindvoerder van [persoon B] geldt als formele procespartij
4.10.
Een ander punt waar vooraf op moet worden beslist, is de vraag of [persoon A] de juiste partij heeft gedagvaard. [persoon A] heeft [persoon B] gedagvaard, maar gedurende de procedure is duidelijk geworden dat de goederen die aan [persoon B] (zullen) toebehoren onder bewind staan. [persoon B] heeft [persoon A] dan ook verweten dat [persoon A] de Bewindvoerder niet eerder heeft aangeschreven over de regresvordering.
4.11.
In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed moet de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte worden betrokken. [persoon A] heeft [persoon B] in persoon gedagvaard. Echter, de goederen die aan [persoon B] (zullen) toebehoren zijn bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 27 november 2025 onder bewind gesteld vanwege [persoon B] ’s lichamelijke of geestelijke toestand. Hoewel in diezelfde beschikking was opgedragen om haar in te schrijven in het Centraal curatele- en bewindregister (artikel 1:391 van het Burgerlijk Wetboek), heeft [persoon A] bij zijn akte van repliek aangetoond dat deze beschikking op 19 maart 2026 niet in dit register is ingeschreven. Dit betekent dat zij dus ook op het moment van dagvaarden, 26 februari 2026, niet was ingeschreven. [persoon A] , zijn gemachtigde of de deurwaarder konden daarom geen kennis hebben van het bewind. Dat [persoon A] de verkeerde partij heeft gedagvaard ( [persoon B] in persoon, in plaats van de Bewindvoerder), kan hem dus niet worden verweten. [persoon A] kan aldus in zijn vorderingen worden ontvangen. Het feit dat hij de Bewindvoerder niet eerder heeft aangeschreven, kan hem ook niet worden verweten.
4.12.
De volgende vraag is of de Bewindvoerder de procedure als formele procespartij van [persoon B] heeft overgenomen. Als een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, dan kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn volgens de Hoge Raad geen bijzondere formaliteiten vereist. Een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. In het geval dat de wederpartij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind, kan hij de bewindvoerder oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren. Als de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen. In deze zaak is de conclusie van dupliek ingediend namens de Bewindvoerder. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om hier nog nadere processuele gevolgen aan te verbinden omdat niet valt in te zien welke meerwaarde in dit geval nog verbonden zou kunnen zijn aan het andermaal (laten) oproepen van de Bewindvoerder die van het geding op de hoogte is en bovendien heeft gereageerd op de ingestelde vordering. Een redelijk doel is daarmee niet gediend. De kantonrechter gaat er dus vanuit dat de Bewindvoerder in rechte is verschenen en het geding als formele procespartij heeft overgenomen.
Verder verloop van de procedure
4.13.
Op basis van het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding om partijen nog twee schriftelijke rondes te laten nemen. [persoon A] is pas bij de conclusie van dupliek bekend geworden met het verweer van de Bewindvoerder en heeft hier nog niet op kunnen reageren Daarnaast zijn beide partijen uitgegaan van het verkeerde toepasselijke recht. [persoon A] heeft zijn vorderingen gebaseerd op het nieuwe Belgische recht en [persoon B] op het Nederlandse recht. Zoals hiervoor is toegelicht, is het oude Belgische recht van toepassing op de hoofdvordering en nevenvordering. Om een ontoelaatbare verrassingsbeslissing te voorkomen, krijgen partijen de kans om hun stellingen opnieuw te onderbouwen, maar dan naar het toepasselijke oude Belgische recht. Het gaat dan specifiek om de toepassing van artikelen 1213 en 1214 van het oud Belgisch Burgerlijk Wetboek. De hoofdelijke schuld is van rechtswege deelbaar tussen de hoofdelijke schuldenaars en zij zijn in hun onderlinge verhouding niet hoofdelijk, maar slechts voor gelijke delen verbonden (artikel 1213). En wie meer heeft betaald dan zijn eigen aandeel, kan het meerdere op de andere hoofdelijke schuldenaars verhalen, maar nooit meer dan ieders eigen aandeel in de schuld (artikel 1214). Ook is artikel 1153 van het oud Belgisch Burgerlijk Wetboek relevant voor de aanvang van de wettelijke rente als komt vast te staan dat [persoon A] een regresvordering heeft op de Bewindvoerder.
4.14.
Concreet betekent dit het volgende voor het verloop van de procedure:
Eerst mag [persoon A] een akte nemen voor het aanpassen van zijn stellingen naar oud Belgisch recht. Hij krijgt hiervoor vier weken de tijd;
Daarna mag de Bewindvoerder daarop reageren met inachtneming van het toepasselijke oude Belgisch recht. Hiervoor krijgt hij vier weken de tijd nadat [persoon A] zijn aanvullende akte heeft genomen;
Vervolgens mag [persoon A] weer reageren op het verweer van de Bewindvoerder. Ook hiervoor geldt een termijn van vier weken nadat de Bewindvoerder haar akte heeft genomen.
Tot slot mag de Bewindvoerder nog een keer hierop reageren. Wederom geldt hiervoor een termijn van vier weken, die aanvangt nadat [persoon A] zijn akte van repliek heeft genomen.
4.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 7 oktober 2026 voor het nemen van een akte voor [persoon A] , met inachtneming van wat is vermeld onder 4.14,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit tussenvonnis is gewezen door mr. Hartman-Ohnesorge en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, rov. 3.4.2.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, rov. 3.4.2.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12144525 \ CV EXPL 26-1344
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[persoon A]
,
wonend in [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [persoon A] ,
gemachtigde: mr. L.V.V. Eymael,
tegen
DRIEPAS BEWINDVOERING VOORJANS B.V.,
in hoedanigheid van de bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [persoon B] ,
statutair gevestigd in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [persoon B] of de Bewindvoerder,
gemachtigde: mr. B.A.L.H. Robijns.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de akte vermindering van eis van [persoon A] ;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[persoon A] , [persoon B] en [persoon C] (hierna: ‘ [persoon C] ’ en gezamenlijk ‘ [persoon A, B en C] ’ ) zijn op 13 september 2011 in België strafrechtelijk veroordeeld voor het illegaal aftappen van stroom van CVBA Infrax (nu Fluvius en hierna: ‘Fluvius’).
2.2.
Op 12 maart 2013 heeft de Correctionele Rechtbank in Tongeren (België) [persoon A, B en C] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan Fluvius voor de diefstal van de stroom van € 5.490,74 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en een rechtsplegingsvergoeding van € 990,00 (hierna: ‘het Belgische vonnis’). [persoon B] is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen in die procedure en hij is bij verstek veroordeeld.
2.3.
De gemachtigde van [persoon A] heeft via een aangetekende brief van 27 januari 2026 [persoon B] en [persoon C] laten weten dat [persoon A] nagenoeg het gehele aan Fluvius verschuldigde bedrag heeft voldaan en dat hij wegens de hoofdelijke veroordeling een regresvordering op [persoon B] en [persoon C] heeft. Beiden zijn gesommeerd om binnen veertien dagen na ontvangst van de sommatiebrief € 5.642,40 aan [persoon A] te betalen. [persoon B] heeft de aangetekende brief op 29 januari 2026 geweigerd in ontvangst te nemen, waarna deze retour is gegaan.
3Het geschil
3.1.
[persoon A] vordert, na vermindering van eis, - samengevat - bij vonnis veroordeling van [persoon B] tot betaling van € 2.821,20, vermeerderd met rente en kosten. Hij vordert daarbij eveneens dat de kantonrechter verklaart dat het vonnis ook moet worden uitgevoerd als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
[persoon A] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [persoon B] en hij hoofdelijk zijn veroordeeld tot de betaling van de schadevergoeding aan Fluvius. Nu [persoon A] nagenoeg het gehele bedrag aan Fluvius heeft betaald, althans deze via een lopende betalingsregeling heeft gegarandeerd, heeft hij meer voldaan dan hij in de interne verdeling tussen [persoon A, B en C] verschuldigd is en heeft hij een regresvordering op zijn medeschuldenaar [persoon B] .
3.3.
[persoon B] is het hier niet mee eens en voert verweer. Kort gezegd, voert hij aan dat de regresvordering van [persoon A] is verjaard, het bestaan en de omvang van de hoofdelijke schuld en de regresvordering onvoldoende duidelijk is, [persoon B] nooit kennis heeft genomen van het Belgische vonnis en [persoon A] niet de bewindvoerder van [persoon B] heeft aangeschreven. Ook wordt verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten. [persoon B] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de kosten van deze procedure.
4De beoordeling
Vragen van internationaal privaatrecht
4.1.
Deze zaak heeft internationale aspecten. [persoon A] woont in België en baseert zijn vordering op een naar Belgisch recht gewezen vonnis. Daarnaast woont [persoon B] in Nederland en is hij voor de Nederlandse rechter gedagvaard. Dit betekent dat allereerst moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van dit geschil. Als dit het geval is, moet worden onderzocht welk nationaal rechtsstelsel van toepassing is op de vordering van [persoon A] .
De Nederlandse rechter is bevoegd
4.2.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: ‘Brussel-I bis’) bepaalt in dit geval welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Volgens de hoofdregel van artikel 4 Brussel I-bis worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Wat de woonplaats van iemand precies is, wordt op grond van artikel 62 lid 1 Brussel I-bis bepaalt door het nationale recht van de aangezochte rechter. Dat is dus in dit geval het Nederlandse recht. Relevant is dat de goederen die aan [persoon B] (zullen) toebehoren onder bewind staan. Uit artikel 1:12 lid 2 Burgerlijk Wetboek volgt dan dat de woonplaats van de bewindvoerder moet worden gevolgd. Nu de Bewindvoerder in [plaats 2] is gevestigd, is de Nederlandse rechter bevoegd.
Het oude Belgische recht is van toepassing op de hoofdvordering en de vordering die strekt tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten
4.3.
Vervolgens moet het toepasselijk recht worden vastgesteld. Het gaat hier om een schadevergoedingsvordering die voortvloeit uit diefstal van elektriciteit en meer specifiek om de regresvordering die [persoon A] meent te hebben op [persoon B] als mede hoofdelijk schuldenaar. Dit is een zogenoemde ‘niet-contractuele verbintenis’ en de verwijsregels van de Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (hierna: ‘Rome II’) zijn dan ook van toepassing. Artikel 20 Rome II bepaalt dat het regresrecht van een hoofdelijk schuldenaar jegens de overige hoofdelijk schuldenaars wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de niet-contractuele verbintenis van die schuldenaar jegens de schuldeiser. In dit geval is dat dus de verbintenis tussen [persoon A] en Fluvius.
4.4.
[persoon A, B en C] zijn in het Belgische vonnis veroordeeld naar Belgisch recht. De vordering die Fluvius op [persoon A, B en C] heeft uit dit vonnis wordt dus beheerst door Belgisch recht. Artikel 20 Rome II volgend, betekent dit dat ook de regresvordering van [persoon A] op [persoon B] wordt beheerst door Belgisch recht.
4.5.
Omdat het Belgische privaatrecht recentelijk is hervormd, moet vervolgens worden vastgesteld welk Belgisch recht op de regresvordering van toepassing is: het oude, of het nieuwe recht? Het gaat voor het nieuwe recht specifiek om Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de bepalingen over hoofdelijkheid zijn opgenomen en dat op 1 januari 2023 in werking is getreden.
4.6.
Het overgangsrecht van het nieuwe recht is vastgelegd in artikel 64 van de Wet van 28 april 2022 houdende Boek 5 "Verbintenissen" van het Burgerlijk Wetboek. De hoofdregel is dat Boek 5 van toepassing is op rechtshandelingen en rechtsfeiten van na 1 januari 2023. Artikel 64 bevat echter ook een uitzondering: wanneer een rechtshandeling of rechtsfeit na 1 januari 2023 plaatsvindt, maar voortvloeit uit een verbintenis die zelf is ontstaan vóór de inwerkingtreding, blijft op die verbintenis het oude recht van toepassing.
4.7.
De regresvordering van [persoon A] vindt haar oorsprong in de hoofdelijke veroordeling uit het vonnis van 12 maart 2013, dus in een rechtsfeit van vóór 1 januari 2023. Het oude Belgische recht blijft dus van toepassing op de regresvordering.
4.8.
Het recht dat op grond van Rome II van toepassing is, strekt zich ook uit tot de vraag of buitengerechtelijke incassokosten voor vergoeding in aanmerking komen, omdat dergelijke kosten worden aangemerkt als schade (artikel 15 sub c Rome II). Nu het oude Belgische recht van toepassing is op de hoofdvordering, is dat ook van toepassing op de nevenvordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten.
Het Nederlandse recht is van toepassing op de vordering die strekt tot vergoeding van de proceskosten en de nakosten
4.9.
[persoon A] heeft ook gevorderd dat [persoon B] wordt veroordeeld in de proceskosten en de nakosten. Mocht het tot een dergelijke veroordeling komen dan geldt daarvoor dat het Nederlandse recht van toepassing. Het recht dat op grond van Rome II wordt aangewezen, omvat niet het procesrecht (artikel 1 lid 3 Rome II). Op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter is het Nederlandse recht van toepassing (artikel 10:3 Burgerlijk Wetboek). De nakosten zijn onderdeel van de proceskosten (artikel 237 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) en ook daarop is dus het Nederlandse recht van toepassing.
De bewindvoerder van [persoon B] geldt als formele procespartij
4.10.
Een ander punt waar vooraf op moet worden beslist, is de vraag of [persoon A] de juiste partij heeft gedagvaard. [persoon A] heeft [persoon B] gedagvaard, maar gedurende de procedure is duidelijk geworden dat de goederen die aan [persoon B] (zullen) toebehoren onder bewind staan. [persoon B] heeft [persoon A] dan ook verweten dat [persoon A] de Bewindvoerder niet eerder heeft aangeschreven over de regresvordering.
4.11.
In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed moet de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte worden betrokken. [persoon A] heeft [persoon B] in persoon gedagvaard. Echter, de goederen die aan [persoon B] (zullen) toebehoren zijn bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 27 november 2025 onder bewind gesteld vanwege [persoon B] ’s lichamelijke of geestelijke toestand. Hoewel in diezelfde beschikking was opgedragen om haar in te schrijven in het Centraal curatele- en bewindregister (artikel 1:391 van het Burgerlijk Wetboek), heeft [persoon A] bij zijn akte van repliek aangetoond dat deze beschikking op 19 maart 2026 niet in dit register is ingeschreven. Dit betekent dat zij dus ook op het moment van dagvaarden, 26 februari 2026, niet was ingeschreven. [persoon A] , zijn gemachtigde of de deurwaarder konden daarom geen kennis hebben van het bewind. Dat [persoon A] de verkeerde partij heeft gedagvaard ( [persoon B] in persoon, in plaats van de Bewindvoerder), kan hem dus niet worden verweten. [persoon A] kan aldus in zijn vorderingen worden ontvangen. Het feit dat hij de Bewindvoerder niet eerder heeft aangeschreven, kan hem ook niet worden verweten.
4.12.
De volgende vraag is of de Bewindvoerder de procedure als formele procespartij van [persoon B] heeft overgenomen. Als een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, dan kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn volgens de Hoge Raad geen bijzondere formaliteiten vereist. Een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. In het geval dat de wederpartij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind, kan hij de bewindvoerder oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren. Als de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen. In deze zaak is de conclusie van dupliek ingediend namens de Bewindvoerder. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om hier nog nadere processuele gevolgen aan te verbinden omdat niet valt in te zien welke meerwaarde in dit geval nog verbonden zou kunnen zijn aan het andermaal (laten) oproepen van de Bewindvoerder die van het geding op de hoogte is en bovendien heeft gereageerd op de ingestelde vordering. Een redelijk doel is daarmee niet gediend. De kantonrechter gaat er dus vanuit dat de Bewindvoerder in rechte is verschenen en het geding als formele procespartij heeft overgenomen.
Verder verloop van de procedure
4.13.
Op basis van het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding om partijen nog twee schriftelijke rondes te laten nemen. [persoon A] is pas bij de conclusie van dupliek bekend geworden met het verweer van de Bewindvoerder en heeft hier nog niet op kunnen reageren Daarnaast zijn beide partijen uitgegaan van het verkeerde toepasselijke recht. [persoon A] heeft zijn vorderingen gebaseerd op het nieuwe Belgische recht en [persoon B] op het Nederlandse recht. Zoals hiervoor is toegelicht, is het oude Belgische recht van toepassing op de hoofdvordering en nevenvordering. Om een ontoelaatbare verrassingsbeslissing te voorkomen, krijgen partijen de kans om hun stellingen opnieuw te onderbouwen, maar dan naar het toepasselijke oude Belgische recht. Het gaat dan specifiek om de toepassing van artikelen 1213 en 1214 van het oud Belgisch Burgerlijk Wetboek. De hoofdelijke schuld is van rechtswege deelbaar tussen de hoofdelijke schuldenaars en zij zijn in hun onderlinge verhouding niet hoofdelijk, maar slechts voor gelijke delen verbonden (artikel 1213). En wie meer heeft betaald dan zijn eigen aandeel, kan het meerdere op de andere hoofdelijke schuldenaars verhalen, maar nooit meer dan ieders eigen aandeel in de schuld (artikel 1214). Ook is artikel 1153 van het oud Belgisch Burgerlijk Wetboek relevant voor de aanvang van de wettelijke rente als komt vast te staan dat [persoon A] een regresvordering heeft op de Bewindvoerder.
4.14.
Concreet betekent dit het volgende voor het verloop van de procedure:
Eerst mag [persoon A] een akte nemen voor het aanpassen van zijn stellingen naar oud Belgisch recht. Hij krijgt hiervoor vier weken de tijd;
Daarna mag de Bewindvoerder daarop reageren met inachtneming van het toepasselijke oude Belgisch recht. Hiervoor krijgt hij vier weken de tijd nadat [persoon A] zijn aanvullende akte heeft genomen;
Vervolgens mag [persoon A] weer reageren op het verweer van de Bewindvoerder. Ook hiervoor geldt een termijn van vier weken nadat de Bewindvoerder haar akte heeft genomen.
Tot slot mag de Bewindvoerder nog een keer hierop reageren. Wederom geldt hiervoor een termijn van vier weken, die aanvangt nadat [persoon A] zijn akte van repliek heeft genomen.
4.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 7 oktober 2026 voor het nemen van een akte voor [persoon A] , met inachtneming van wat is vermeld onder 4.14,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit tussenvonnis is gewezen door mr. Hartman-Ohnesorge en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, rov. 3.4.2.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, rov. 3.4.2.