Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9426
2026-09-09
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/03/338919 / HA ZA 25-70
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzekeringsovereenkomst. Zorgplicht, tekortkoming, causaal verband en schade. Eiser verwijt gedaagde haar taak als assurantietussenpersoon niet goed vervuld te hebben en als gevolg daarvan schade geleden te hebben. De rechtbank stelt een schending van de zorgplicht en het bestaan van een causaal verband vast. De rechtbank beoordeelt de gestelde schadeposten. Een deel van die posten wordt toegewezen en een deel afgewezen.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2019:376 Hoge Raad 15-03-2019
- ECLI:NL:HR:1995:ZC1608 Hoge Raad 13-01-1995
- ECLI:NL:HR:1997:ZC2286 Hoge Raad 21-02-1997
- ECLI:NL:HR:2019:376 Hoge Raad 15-03-2019
- ECLI:NL:RBROT:2011:BQ1833 Rechtbank Rotterdam 20-04-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.483 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/338919 / HA ZA 25-70
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.M. van den Boomen,
tegen
[gedaagde] B.V.,h.o.d.n. ‘ [handelsnaam 1] ’, ‘ [handelsnaam 2] ’ en of ‘ [handelsnaam 3] ’,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] of de tussenpersoon,
advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 13 augustus 2025, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,
- de nagekomen bijlages 1 tot en met 8 van [eiser] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 maart 2026,
- de spreekaantekeningen van [eiser] ,
- de reacties van partijen van 8 april 2026 op het proces-verbaal,
- de brief van de rechtbank van 9 april 2026 aan partijen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] is een assurantietussenpersoon.
2.2.
[eiser] is een gepensioneerd voormalig ondernemer. [eiser] heeft in 2013 via [gedaagde] als tussenpersoon een opstalverzekering afgesloten bij Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. (hierna: Nationale Nederlanden). De opstalverzekering ziet op het pand gelegen aan de [adres] te [plaats 3] (hierna: het pand), gelegen op [perceel 1] van 645m². De verzekerde som bedroeg € 496.614,87.
2.3.
In de Bijzondere Voorwaarden Gebouwenverzekering Plus Extra (hierna: de polisvoorwaarden) is onder meer het volgende opgenomen.
2.3.1.
Met betrekking tot de herbouwwaarde en de verkoopwaarde:
1.8
Herbouwwaarde
De kosten van herbouw op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming.
1.9
Verkoopwaarde
De prijs van het gebouw bij verkoop exclusief de prijs voor de grond.
12.2
Uitgegaan wordt van:
a. de herbouwwaarde indien verzekerde binnen drie jaar tot herbouw op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming of tot herstel overgaat, alsmede op voorwaarde dat verzekerde van herbouw of herstel binnen een jaar na de schadedatum schriftelijk mededeling heeft gedaan;
b. de verkoopwaarde indien aan het onder a. genoemde niet wordt voldaan dan wel indien reeds voor de schade:
- verzekerde het voornemen had het gebouw af te breken;
- het gebouw bestemd was voor afbraak of onteigening;
- het gebouw door de gemeente onbewoonbaar of onbruikbaar was verklaard.
2.3.2.
Met betrekking tot de huurderving:
Artikel 5 Dekking boven de verzekerde som
(..) 5.7 huurderving op basis van de huurwaarde van het gebouw als gevolg van het geheel of gedeeltelijk onbruikbaar zijn ervan door een onder artikel 3 gedekte gebeurtenis. Deze dekking geldt ook als verzekerde het gebouw zelf bewoont. Indien verzekerde niet tot herbouw of herstel overgaat, vindt vergoeding plaats over een periode van ten hoogste tien weken.
2.4.
Het door [eiser] bewoonde pand bestaat uit een woongedeelte en een ondergelegen bedrijfspand. De onderneming die [eiser] vanuit het pand exploiteerde, is op [datum] 2018 opgeheven.
2.5.
In het kader van de bedrijfsbeëindiging heeft in 2018 een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [persoon] , als adviseur werkzaam bij [gedaagde] , en [eiser] en zijn vrouw. Dit gesprek ging over de gebouwenpolis/opstalverzekering.
2.6.
Op 14 juli 2021 hebben in [plaats 1] overstromingen plaatsgevonden door heftige regenval. Die overstromingen hebben ertoe geleid dat een brug in de buurt van het pand van [eiser] is ingestort. Hierdoor is een groot deel van de kademuur, waarop het pand van [eiser] was gebouwd, ingestort.
2.7.
[eiser] heeft de door hem geleden schade als gevolg van de overstromingen bij Nationale Nederlanden gemeld.
2.8.
Mandaat Assuradeuren, die de schadeafwikkeling voor Nationale Nederlanden afhandelt, heeft [eiser] in een e-mail van 5 november 2021 als volgt bericht. De verzekerde som van het pand is naar aanleiding van de gemelde waterschade gecontroleerd en er is een onderverzekering vastgesteld. Als wordt uitgegaan van herstel van het pand leidt dit tot een schadebedrag van € 885.000,- (werkelijke waarde). Dit zou verhoudingsgewijs, afgezet tegen de verzekerde som van € 496.614,87, betekenen dat 56,1% van herstelkosten vergoed worden. Indien niet wordt overgegaan tot herstel zal worden uitgegaan van de verkoopwaarde.
2.9.
[eiser] heeft [gedaagde] in een brief van 7 januari 2022 aansprakelijk gesteld voor door hem als gevolg van onderverzekering van het pand geleden schade en nog te lijden schade.
2.10.
In een taxatierapport van 21 september 2022 heeft een [schade-expert] , een door Mandaat Assuradeuren ingeschakeld expertisebureau, de waarde van het pand op 1 juli 2021 vastgesteld op € 410.000,-.
2.11.
[schade-expert]
heeft de door [eiser] als gevolg van de overstroming geleden schade aan zijn pand (‘het opstal’) vastgesteld. Die schade wordt op 3 oktober 2022 door [schade-expert] op basis van de herbouwwaarde begroot op € 545.620,41 (welk bedrag wordt opgevoerd als herstelkosten) en op basis van de verkoopwaarde op € 279.000,-.
2.12.
Expert [bedrijf] is ingeschakeld na overleg tussen de (contra-)expert van verzekerde en de expert van verzekeraar Nationale Nederlanden. [bedrijf] heeft in de schadetaxatie van 8 december 2022 - kort samengevat - de schade begroot op € 545.620,41 en de schade op basis van de verkoopwaarde op € 302.500,-. De verzekerde som van de opstal/het pand dient volgens [bedrijf] op basis van de herbouwwaarde ten minste € 884.018,40 te bedragen.
2.13.
Mandaat Assuradeuren heeft [eiser] in een e-mail van 17 januari 2023 over de afwikkeling van de geleden waterschade aan het pand bericht dat aan [eiser] een schadebedrag van € 305.468,82 zal worden uitgekeerd. Bij de vaststelling van dit bedrag is uitgegaan van de verkoopwaarde (zonder grond), aangezien [eiser] heeft aangegeven niet tot herstel over te zullen gaan. Bij de vaststelling van dit bedrag is (onder meer) rekening gehouden met een bedrag aan huurderving van € 3.692,31. Mandaat Assuradeuren heeft [eiser] in die e-mail ten slotte nog bericht dat de verzekerde som weliswaar te laag is gebleken voor dekking van de herbouwwaarde, maar dat de uitgekeerde verkoopwaarde voor de verzekerde som toereikend is.
2.14.
De toenmalige gemachtigde van [eiser] heeft de advocaat van [gedaagde] in een brief van 26 april 2023 bericht dat zijn cliënt zich, als gevolg van de onderverzekering, genoodzaakt ziet om te kiezen voor schadeafwikkeling op basis van de verkoopwaarde.
2.15.
Vanaf omstreeks begin januari 2023 hebben onderhandelingen plaatsgevonden tussen [eiser] en het Waterschap Limburg (hierna: het Waterschap) enerzijds en [eiser] en [projectontwikkelaar] (hierna: de projectontwikkelaar) anderzijds over de verkoop van het perceel van [eiser] . De interesse van het Waterschap was ingegeven door het belang van herstel van de ingestorte kade ter hoogte van het perceel van [eiser] . De projectontwikkelaar was voornemens op het perceel een appartementencomplex te realiseren en was bereid daar € 550.000,- voor te betalen. Het Waterschap heeft uiteindelijk, nadat de koopovereenkomst met de projectontwikkelaar was ontbonden, het [perceel 1] en het kleinere [perceel 2] van 140 m² (de Geulbedding) van [eiser] , inclusief de door de gemeente Valkenburg onbewoonbaar verklaarde opstallen gekocht voor € 450.000,- en in september 2025 geleverd gekregen.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot:
I. betaling van € 292.441,20 aan [eiser] , vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, met ingang van 10 mei 2023;
II. betaling van € 3.237,21 aan [eiser] aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
III. betaling van de proceskosten aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De zaak in het kort
4.1.
[eiser] verwijt [gedaagde] haar taak als assurantietussenpersoon niet goed vervuld te hebben. Hij stelt als gevolg daarvan schade geleden te hebben. Hij vordert van
[gedaagde] € 292.441,20 aan schadevergoeding. Dat bedrag is opgebouwd uit de volgende componenten:
(1) onderverzekering € 239.107,32
(2) huurderving € 15.507,69
(3) huisvestingskosten p.m. € 17.000,00
(4) advieskosten € 14.021,62
(5) immateriële schade € 15.000,00.
4.2.
[gedaagde] betwist deze bedragen verschuldigd te zijn aan [eiser] .
4.3.
De rechtbank zal de vijf componenten hierna puntsgewijs behandelen.
(1) Onderverzekering
Zorgplicht, tekortkoming, causaal verband en schade
Juridisch kader
4.4.
Een assurantietussenpersoon dient tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is de taak van een assurantietussenpersoon om te waken voor de belangen van de verzekeringnemer en de verzekeringnemer in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een assurantietussenpersoon behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
4.5.
Indien er sprake is van een zorgplichtschending door de assurantietussenpersoon, is deze aansprakelijk voor de als gevolg van dit tekortschieten geleden schade door de verzekeringnemer. Om de schade te begroten, moet een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie waarin de zorgplicht is geschonden en de hypothetische situatie waarin die schending achterwege zou zijn gebleven.
Standpunt van [eiser]
4.6.
[gedaagde] is tekortgeschoten in haar zorgplicht als assurantietussenpersoon jegens [eiser] bij het beheren van zijn verzekeringsovereenkomst door hem niet tijdig te waarschuwen voor onderverzekering. Als [gedaagde] dat wel gedaan had, zou [eiser] daarop zijn verzekering hebben aangepast. Door deze beroepsfout van [gedaagde] heeft [eiser] na de overstromingen, die zijn pand beschadigd hebben, vermogensschade geleden in de vorm van een lager uitgekeerd bedrag. Tussen de schending van de zorgplicht door [gedaagde] en de door [eiser] geleden schade bestaat een causaal verband. Door de onderverzekering is hem de mogelijkheid ontnomen te kiezen voor herbouw met de daarbij behorende uit te keren som. Hij was door de onderverzekering financieel niet in staat om tot herbouw over te gaan, terwijl de wens tot herbouw wel bij hem aanwezig was. Hij werd als gevolg van de onderverzekering gedwongen genoegen te nemen met de verkoopwaarde en te verhuizen, terwijl hij dat voordien niet van plan was.
Standpunt van [gedaagde]
4.7.
[eiser] heeft bewust gekozen voor afwikkeling op basis van de verkoopwaarde en daarvoor was de verzekerde som toereikend. [gedaagde] kan daarom niet aansprakelijk gesteld worden voor schade van [eiser] vanwege onderverzekering. De omstandigheid dat de verzekerde som niet toereikend was als gekozen zou zijn voor de herbouwwaarde is, gelet op die bewuste keuze van [eiser] , niet relevant. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] effectief geen schade geleden, nu hij het als schade gevorderde bedrag van € 239.107,32, niet mist in zijn vermogen, omdat hij nooit tot heropbouw is overgegaan en hij dit bedrag dus niet heeft hoeven uitgeven. De wijze waarop de vordering thans is ingestoken, is niet zuiver in het kader van het causaal verband. Het gevorderde in randnummer 3.1. van de dagvaarding valt, gelet op de berekeningsmethodiek, niet anders te begrijpen dan dat die vordering ziet op het vergoed krijgen van de herstelkosten, terwijl geen herstel heeft plaatsgevonden. Er had een hypothetische vergelijking gemaakt moeten worden tussen de situatie met en de situatie zonder de gestelde fout. [eiser] heeft bovendien, naast de uitkering van Nationale Nederlanden, € 450.000,- ontvangen bij de verkoop van de percelen. [eiser] heeft daarom geen schade geleden. Dat [eiser] over onvoldoende financiële middelen zou beschikken om tot herbouw over te gaan, is door hem onvoldoende onderbouwd/toegelicht. In 2018, toen [eiser] zijn onderneming ophief, was nog onduidelijk wat hij en zijn vrouw met het pand wilden gaan doen en overwogen zij om tot verkoop van pand over te gaan. [eiser] had op zijn minst [gedaagde] moeten betrekken in zijn beslissing om, naar hij stelt, noodgedwongen te kiezen voor het laten uitkeren van de verkoopwaarde. [eiser] had [gedaagde] bovendien binnen de in artikel 12 van de polisvoorwaarden gestelde termijn(en) in rechte kunnen betrekken.
Oordeel
4.8.
Partijen zijn het er over eens dat zij in 2018 voor het laatst gesproken hebben over de verzekerde waarde van het pand en [gedaagde] die waarde nadien niet meer onder de aandacht van [eiser] heeft gebracht. Vast staat dat er ten tijde van de overstromingen in 2021 in relatie tot de herbouwwaarde sprake was van onderverzekering van het pand. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] is tekortgeschoten in haar zorgplicht als assurantietussenpersoon.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de beroepsfout van [gedaagde] . [eiser] heeft onbetwist gesteld dat, als hij wel tijdig geïnformeerd zou zijn door [gedaagde] , hij tot verhoging van het verzekerde bedrag voor de herbouwwaarde zou hebben besloten. Dat [eiser] al verkoopplannen had, die aan een uitkering op grond van de herbouwwaarde in de weg zouden hebben gestaan, is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft bovendien gemotiveerd betwist dat hij de intentie had om te verkopen en te verhuizen. Hij heeft erop gewezen dat er geen hypotheek meer gevestigd was op het pand, dat hij met zijn vrouw al jarenlang bewoonde, waardoor zij uiterst lage woonlasten hadden. [gedaagde] heeft de stelling van [eiser] dat het hem aan financiële middelen ontbrak om, naast de verzekeringsuitkering gebaseerd op de verkoopwaarde, enkele tonnen te kunnen besteden aan de herbouw van het pand, betwist. Concrete aanwijzingen van het tegendeel zijn door [gedaagde] echter niet aangedragen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de juistheid van die stelling van [eiser] in twijfel te trekken. Gelet op de leeftijd van [eiser] (78 jaar toen de dagvaarding werd betekend) is het niet onwaarschijnlijk dat het verkrijgen van een aanvullende financiering voor de herbouw van het pand lastig zou zijn geweest. De rechtbank volgt [gedaagde] , gelet op het voorgaande, niet in haar betoog dat [eiser] uit eigen vrije keuze voor een uitkering gebaseerd op de verkoopwaarde heeft gekozen.
4.10.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of [eiser] schade geleden heeft door de beroepsfout van [gedaagde] , zoals hij stelt. [eiser] vordert € 239.107,32 als schade vanwege de onderverzekering. [eiser] heeft eerst de zogenoemde onderverzekeringsbreuk berekend, zijnde: (verzekerde som/ herbouwwaarde) x de herstelschade = (€ 496.614,87 / € 884.018,40) x € 545.620,41 = € 306.513,09. [eiser] heeft vervolgens van de schade op basis van de herbouwwaarde, zoals begroot door de experts, van € 545.620,41, het bedrag van € 306.513,09 afgetrokken, hetgeen leidt tot € 239.107,32.
4.11.
[gedaagde] wijst naar het oordeel van de rechtbank terecht erop dat deze wijze van berekenen van de schade door [eiser] geënt is op schade in de vorm van het herstel/de herbouw van het pand. Herbouw is echter niet meer aan de orde, omdat [eiser] de percelen met het pand inmiddels verkocht heeft zonder dat herbouw heeft plaatsgevonden. Bij de berekening van de schade moeten tegen elkaar afgezet worden i) de vermogenssituatie waarin [eiser] zich zou hebben bevonden indien de fout niet door [gedaagde] was gemaakt (oftewel herbouw) en ii) de vermogenssituatie die is ontstaan door de fout. Het is niet juist om de herbouwwaarde af te zetten tegen de uitgekeerde verkoopwaarde. Dat het pand en de percelen inmiddels verkocht zijn (situatie met fout), is van invloed op de schadeberekening, evenals de wijziging van de hoogte van de premie die zou hebben plaatsgevonden in geval van aanpassing van de verzekerde herbouwwaarde (situatie zonder fout). Dat betekent dat de vordering van € 239.107,32, die volledig geënt is op de herstelkosten, niet toewijsbaar is. Bij gebrek aan stellingen van [eiser] die geënt zijn op de vermogensvergelijking zoals bedoeld in 4.5, kan de rechtbank niet vaststellen dat [eiser] door de onderverzekering schade geleden heeft.
4.12.
De slotsom is dat voor zover de vordering onder I ziet op de schadecomponent ‘onderverzekering’ deze zal worden afgewezen.
(2) De huurderving
Standpunt van [eiser]
4.13.
vordert een bedrag van € 15.507,69 aan huurderving. Hij legt daaraan ten grondslag dat hij, bij herstel van het pand gedurende de periode van herstel, gemaximeerd op 52 weken, van de verzekeraar € 19.200,- zou hebben ontvangen. heeft nu, op basis van de verkoopwaarde, slechts een bedrag van € 3.692,31 ontvangen dat gebaseerd is op een periode van tien weken.
Standpunt van [gedaagde]
4.14.
Huurderving kan niet als schadepost worden aangemerkt, omdat Nationale Nederlanden uit hoofde van de dekking voor inboedelschade al een uitkering heeft gedaan waarin deze post is opgenomen.
Oordeel
4.15.
Onbetwist staat vast dat [eiser] , als er geen beroepsfout gemaakt zou zijn, had kunnen kiezen voor een uitkering naar herbouwwaarde. [eiser] heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat hij in dat geval ook die keuze gemaakt zou hebben. Onbetwist is tevens dat [eiser] in de situatie zonder beroepsfout bij de keuze voor herbouw, het hogere (op 52 weken gebaseerde) bedrag van € 19.200,- had ontvangen, in plaats van het (op tien weken) gebaseerde bedrag van € 3.692,31. Het verschil tussen dit hogere bedrag en het aan [eiser] uitgekeerde bedrag ad € 15.507,69 zal daarom worden toegewezen.
(3) De huisvestingskosten
Standpunt van [eiser]
4.16.
vordert € 17.000,- aan huisvestingskosten. Hij legt daaraan ten grondslag dat hij, na de overstroming in juli 2021, een huurwoning moest betrekken en daarvoor huurpenningen verschuldigd is, terwijl hij daarvoor hypotheekvrij in het pand woonde. Uit ervaringsregels blijkt dat het verkooptraject minimaal 2 jaar duurt, hetgeen volgens [eiser] , uitgaande van een maandhuur van € 708,17, neerkomt op € 17.000,-.
Standpunt van [gedaagde]
4.17.
Uit productie 8 bij de dagvaarding blijkt dat de aanvullende verhuiskosten al door Nationale Nederlanden zijn vergoed. Uit de schadetaxatie blijkt bovendien dat, ook als er geen sprake van onderverzekering was geweest, maximaal € 8.536,44 was uitgekeerd. Dat bedrag is ook uitgekeerd bedrag.
Oordeel
4.18.
Uit productie 8 bij de dagvaarding, waarin de afwikkeling van de schade wordt beschreven, volgt dat op basis van de inboedelverzekering reeds is voorzien in de kosten van huisvesting. Uit productie 6 bij de dagvaarding volgt dat het uitgekeerde bedrag ad € 8.536,44 een periode beslaat van 12 maanden (12 keer € 708,17). [eiser] claimt, naar de rechtbank begrijpt, naast dit uitgekeerde bedrag € 17.000,- extra aan huisvestingskosten gedurende twee jaar, onder verwijzing naar ervaringsregels aangaande de termijn waarbinnen wordt verkocht.
4.19.
De rechtbank wijst deze vordering af. Ook bij deze schadepost moet immers een vergelijking worden gemaakt tussen de hypothetische situatie met en zonder fout, waarbij de vermogensrechtelijke situatie op het vlak van de huisvestingskosten in beide gevallen tegen elkaar moeten worden afgezet. Dit is niet gebeurd. De door [eiser] gestelde algemene ervaringsregels, die niet concreet zijn gemaakt, zijn onvoldoende als onderbouwing van de schade.
(4) De adviseurskosten
Standpunt van [eiser]
4.20.
vordert vergoeding van € 14.021,62 aan advieskosten. De noodzaak van de adviezen die aan de facturen ten grondslag liggen, zijn volgens [eiser] een rechtstreeks gevolg van het tekortschieten van [gedaagde] .
Standpunt van [gedaagde]
4.21.
Door [eiser] is volgens [gedaagde] niet toegelicht waarom de adviseurskosten een gevolg zouden zijn van de gestelde tekortkoming van [gedaagde] .
Oordeel
4.22.
[gedaagde] heeft de stelling van [eiser] dat hij als gevolg van de onderverzekering door de beroepsfout gedwongen was op verschillende vlakken advies in te winnen, niet gemotiveerd betwist. Zij heeft dit slechts in algemene zin gedaan. Het had op de weg gelegen van [gedaagde] om hier concreter op in te gaan, temeer omdat de werkzaamheden in de facturen in kaart zijn gebracht. [gedaagde] heeft evenmin de hoogte van de individuele posten van de facturen betwist. De rechtbank zal daarom € 14.021,62 aan advieskosten toewijzen.
(5) De immateriële schade
Het standpunt van [eiser]
4.23.
Volgens [eiser] heeft de beroepsfout van [gedaagde] bij hem geestelijk letsel veroorzaakt dat dermate ernstig is dat dit valt te scharen onder art. 6:106 sub b BW. Ook is er sprake van een ernstige normschending. [eiser] wijst erop dat hij door de fout moest verhuizen uit zijn vertrouwde omgeving.
Het standpunt van [gedaagde]
4.24.
Door [eiser] is niet afdoende onderbouwd waarom aan de voorwaarden voor toekenning van immateriële schadevergoeding is voldaan.
Oordeel rechtbank
4.25.
Op grond van artikel 6:106 onder b BW bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat [eiser] zijn vordering baseert op de grond dat hij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Degene die zich beroept op ‘geestelijk letsel’ zal voldoende concrete gegevens moeten aandragen op grond waarvan dit naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). De rechter kan op grond van een rapportage van een deskundige, bijvoorbeeld een psychiater, huisarts of psycholoog, tot het oordeel komen dat er sprake is van geestelijk letsel (HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022: 958). Meer of minder psychisch onbehagen, zoals gevoelens van onmacht, boosheid, frustratie, verdriet, angst en slapeloosheid leveren – hoe voorstelbaar vaak ook – niet bedoeld geestelijk letsel op en kunnen op zich dan ook niet dienen als grondslag voor immateriële schadevergoeding (HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608 en HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2286).
4.26.
Dat de overstroming in juli 2021, de schade aan het pand van [eiser] en het niet kunnen herbouwen van het pand vanwege de onderverzekering grote impact hebben gehad op [eiser] en zijn echtgenote lijdt geen twijfel. Dat er sprake is van geestelijk letsel, zoals bedoeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad, is door [eiser] echter niet met stukken onderbouwd. Dat betekent dat voor zover de vordering gegrond is op ‘geestelijk letsel’ deze moet worden afgewezen.
4.27.
Ook zonder geestelijk letsel kan er sprake zijn van aantasting in de persoon ‘op een andere wijze’, namelijk wanneer de aard en de ernst van de normschending en van de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij dat meebrengen. Het gaat hierbij om een weging van deze factoren bezien in onderlinge samenhang. Naarmate de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, ligt een aantasting in de persoon meer voor de hand. Het is in beginsel aan de benadeelde partij om dit met concrete gegevens te onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de aard en ernst van de gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad. De enkele schending van een fundamenteel recht levert nog geen aantasting in de persoon op (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376).
4.28.
De normschending - het niet houden van een periodiek onderhoudsgesprek met de verzekerde door de assurantietussenpersoon - is naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat, hoe ingrijpend het gevolg voor [eiser] ook was, een vergoeding op grond van artikel 6:106 lid b BW toewijsbaar is.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.29.
[eiser] vordert buitengerechtelijke incassokosten ad € 3.237,21. Hij stelt daartoe dat hij op grond van de polisvoorwaarden van de rechtsbijstandsverzekeraar gehouden is om aanspraak te maken op deze kosten.
4.30.
De buitengerechtelijke incassokosten zijn volgens [gedaagde] niet toewijsbaar, omdat [eiser] een rechtsbijstandsverzekering heeft en hij uit zijn eigen vermogen dus geen kosten heeft voldaan.
4.31.
[gedaagde] heeft de stelling van [eiser] dat hij op grond van de polisvoorwaarden gehouden is om aanspraak te maken op de kosten, die zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte, niet weersproken. Het enkele feit dat [eiser] over een rechtsbijstandsverzekering beschikt, staat op grond van vaste jurisprudentie niet aan toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten in de weg. Van belang is of de gemaakte kosten als door de benadeelde zelf ( [eiser] ) geleden schade kunnen worden aangemerkt. Omdat [eiser] gehouden is op grond van de polisvoorwaarden de (voorgeschoten) kosten van voldoening buiten rechte te verhalen op de aansprakelijke partij, zijn buitengerechtelijke kosten als schadepost toewijsbaar. Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen incassokosten zal worden uitgegaan van het aan [eiser] in totaal toegewezen bedrag van € 29.529,31. Er zal daarom, op basis van de wettelijke staffel, een bedrag van € 1.070,29 worden toegewezen.
De rente
4.32.
De door [eiser] gevorderde wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar, omdat geen sprake is van een handelsoverkomst in de zin van art. 6:119a BW. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat ten onrechte aanspraak gemaakt wordt op de wettelijke handelsrente. De subsidiair gevorderde wettelijke rente ex art. 6:119 BW is wel toewijsbaar en zal worden toegewezen met ingang van de niet betwiste datum 10 mei 2023.
De proceskosten
4.33.
[gedaagde] is deels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
2.723,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.732,04
4.34.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om € 29.529,31 aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 10 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om € 1.070,29 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.732,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
Zie randnummer 1.1. van de dagvaarding.
Zie pagina 3 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en randnummer 2.8 van de dagvaarding.
Zie productie 4 bij de dagvaarding.
Zie productie 5 van [eiser] .
Zie productie 3 van [gedaagde] . Het betreft een taxatierapport met als opdrachtdatum 10 februari 2022.
[schade-expert] is op enig moment overgegaan in [bedrijf] , die onderdeel uitmaakt van de [groep] .
Zie productie 6 bij de dagvaarding.
Zie productie 7 bij dagvaarding en randnummer 2.4. van de conclusie van antwoord.
Zie productie 8 bij de dagvaarding.
Zie productie 9 van [eiser] .
Zie 2.2
Zie productie 32 van [eiser] .
Zie productie 32 van [eiser] en randnummer 4.2 van de spreekaantekeningen van [eiser] .
Zie productie 2 van [gedaagde] .
Zie randnummer 2.16 van de dagvaarding.
Zie randnummer 3.3 van de dagvaarding en pagina 3 van het proces-verbaal.
Zie randnummer 4.45 en 4.48 van de dagvaarding.
Zie randnummer 4.51 van de dagvaarding.
Zie randnummer 3.3. van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 2.8. van de conclusie van antwoord.
Zie pagina 2 van het proces-verbaal.
Zie randnummer 1.2. van de conclusie van antwoord.
Zie pagina 3 van het proces-verbaal en randnummer 2.2. van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 3.4. en 3.5. van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 4.51 van de dagvaarding.
Zie randnummer 3.1. van de dagvaarding.
Zie 2.15.
Zie 4.5.
Zie productie 7 bij dagvaarding.
Zie randnummer 3.10. van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 3.2 van de dagvaarding.
Zie pagina 3 van het proces-verbaal.
Zie randnummer 3.10. van de conclusie van antwoord en pagina 3 van het proces-verbaal.
Zie randnummer 3.10. van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 3.7. van de dagvaarding.
Zie onder meer rov. 4.10 van rechtbank Rotterdam 20 april 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ1833.
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/338919 / HA ZA 25-70
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.M. van den Boomen,
tegen
[gedaagde] B.V.,h.o.d.n. ‘ [handelsnaam 1] ’, ‘ [handelsnaam 2] ’ en of ‘ [handelsnaam 3] ’,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] of de tussenpersoon,
advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 13 augustus 2025, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,
- de nagekomen bijlages 1 tot en met 8 van [eiser] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 maart 2026,
- de spreekaantekeningen van [eiser] ,
- de reacties van partijen van 8 april 2026 op het proces-verbaal,
- de brief van de rechtbank van 9 april 2026 aan partijen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] is een assurantietussenpersoon.
2.2.
[eiser] is een gepensioneerd voormalig ondernemer. [eiser] heeft in 2013 via [gedaagde] als tussenpersoon een opstalverzekering afgesloten bij Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. (hierna: Nationale Nederlanden). De opstalverzekering ziet op het pand gelegen aan de [adres] te [plaats 3] (hierna: het pand), gelegen op [perceel 1] van 645m². De verzekerde som bedroeg € 496.614,87.
2.3.
In de Bijzondere Voorwaarden Gebouwenverzekering Plus Extra (hierna: de polisvoorwaarden) is onder meer het volgende opgenomen.
2.3.1.
Met betrekking tot de herbouwwaarde en de verkoopwaarde:
1.8
Herbouwwaarde
De kosten van herbouw op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming.
1.9
Verkoopwaarde
De prijs van het gebouw bij verkoop exclusief de prijs voor de grond.
12.2
Uitgegaan wordt van:
a. de herbouwwaarde indien verzekerde binnen drie jaar tot herbouw op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming of tot herstel overgaat, alsmede op voorwaarde dat verzekerde van herbouw of herstel binnen een jaar na de schadedatum schriftelijk mededeling heeft gedaan;
b. de verkoopwaarde indien aan het onder a. genoemde niet wordt voldaan dan wel indien reeds voor de schade:
- verzekerde het voornemen had het gebouw af te breken;
- het gebouw bestemd was voor afbraak of onteigening;
- het gebouw door de gemeente onbewoonbaar of onbruikbaar was verklaard.
2.3.2.
Met betrekking tot de huurderving:
Artikel 5 Dekking boven de verzekerde som
(..) 5.7 huurderving op basis van de huurwaarde van het gebouw als gevolg van het geheel of gedeeltelijk onbruikbaar zijn ervan door een onder artikel 3 gedekte gebeurtenis. Deze dekking geldt ook als verzekerde het gebouw zelf bewoont. Indien verzekerde niet tot herbouw of herstel overgaat, vindt vergoeding plaats over een periode van ten hoogste tien weken.
2.4.
Het door [eiser] bewoonde pand bestaat uit een woongedeelte en een ondergelegen bedrijfspand. De onderneming die [eiser] vanuit het pand exploiteerde, is op [datum] 2018 opgeheven.
2.5.
In het kader van de bedrijfsbeëindiging heeft in 2018 een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [persoon] , als adviseur werkzaam bij [gedaagde] , en [eiser] en zijn vrouw. Dit gesprek ging over de gebouwenpolis/opstalverzekering.
2.6.
Op 14 juli 2021 hebben in [plaats 1] overstromingen plaatsgevonden door heftige regenval. Die overstromingen hebben ertoe geleid dat een brug in de buurt van het pand van [eiser] is ingestort. Hierdoor is een groot deel van de kademuur, waarop het pand van [eiser] was gebouwd, ingestort.
2.7.
[eiser] heeft de door hem geleden schade als gevolg van de overstromingen bij Nationale Nederlanden gemeld.
2.8.
Mandaat Assuradeuren, die de schadeafwikkeling voor Nationale Nederlanden afhandelt, heeft [eiser] in een e-mail van 5 november 2021 als volgt bericht. De verzekerde som van het pand is naar aanleiding van de gemelde waterschade gecontroleerd en er is een onderverzekering vastgesteld. Als wordt uitgegaan van herstel van het pand leidt dit tot een schadebedrag van € 885.000,- (werkelijke waarde). Dit zou verhoudingsgewijs, afgezet tegen de verzekerde som van € 496.614,87, betekenen dat 56,1% van herstelkosten vergoed worden. Indien niet wordt overgegaan tot herstel zal worden uitgegaan van de verkoopwaarde.
2.9.
[eiser] heeft [gedaagde] in een brief van 7 januari 2022 aansprakelijk gesteld voor door hem als gevolg van onderverzekering van het pand geleden schade en nog te lijden schade.
2.10.
In een taxatierapport van 21 september 2022 heeft een [schade-expert] , een door Mandaat Assuradeuren ingeschakeld expertisebureau, de waarde van het pand op 1 juli 2021 vastgesteld op € 410.000,-.
2.11.
[schade-expert]
heeft de door [eiser] als gevolg van de overstroming geleden schade aan zijn pand (‘het opstal’) vastgesteld. Die schade wordt op 3 oktober 2022 door [schade-expert] op basis van de herbouwwaarde begroot op € 545.620,41 (welk bedrag wordt opgevoerd als herstelkosten) en op basis van de verkoopwaarde op € 279.000,-.
2.12.
Expert [bedrijf] is ingeschakeld na overleg tussen de (contra-)expert van verzekerde en de expert van verzekeraar Nationale Nederlanden. [bedrijf] heeft in de schadetaxatie van 8 december 2022 - kort samengevat - de schade begroot op € 545.620,41 en de schade op basis van de verkoopwaarde op € 302.500,-. De verzekerde som van de opstal/het pand dient volgens [bedrijf] op basis van de herbouwwaarde ten minste € 884.018,40 te bedragen.
2.13.
Mandaat Assuradeuren heeft [eiser] in een e-mail van 17 januari 2023 over de afwikkeling van de geleden waterschade aan het pand bericht dat aan [eiser] een schadebedrag van € 305.468,82 zal worden uitgekeerd. Bij de vaststelling van dit bedrag is uitgegaan van de verkoopwaarde (zonder grond), aangezien [eiser] heeft aangegeven niet tot herstel over te zullen gaan. Bij de vaststelling van dit bedrag is (onder meer) rekening gehouden met een bedrag aan huurderving van € 3.692,31. Mandaat Assuradeuren heeft [eiser] in die e-mail ten slotte nog bericht dat de verzekerde som weliswaar te laag is gebleken voor dekking van de herbouwwaarde, maar dat de uitgekeerde verkoopwaarde voor de verzekerde som toereikend is.
2.14.
De toenmalige gemachtigde van [eiser] heeft de advocaat van [gedaagde] in een brief van 26 april 2023 bericht dat zijn cliënt zich, als gevolg van de onderverzekering, genoodzaakt ziet om te kiezen voor schadeafwikkeling op basis van de verkoopwaarde.
2.15.
Vanaf omstreeks begin januari 2023 hebben onderhandelingen plaatsgevonden tussen [eiser] en het Waterschap Limburg (hierna: het Waterschap) enerzijds en [eiser] en [projectontwikkelaar] (hierna: de projectontwikkelaar) anderzijds over de verkoop van het perceel van [eiser] . De interesse van het Waterschap was ingegeven door het belang van herstel van de ingestorte kade ter hoogte van het perceel van [eiser] . De projectontwikkelaar was voornemens op het perceel een appartementencomplex te realiseren en was bereid daar € 550.000,- voor te betalen. Het Waterschap heeft uiteindelijk, nadat de koopovereenkomst met de projectontwikkelaar was ontbonden, het [perceel 1] en het kleinere [perceel 2] van 140 m² (de Geulbedding) van [eiser] , inclusief de door de gemeente Valkenburg onbewoonbaar verklaarde opstallen gekocht voor € 450.000,- en in september 2025 geleverd gekregen.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot:
I. betaling van € 292.441,20 aan [eiser] , vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, met ingang van 10 mei 2023;
II. betaling van € 3.237,21 aan [eiser] aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
III. betaling van de proceskosten aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De zaak in het kort
4.1.
[eiser] verwijt [gedaagde] haar taak als assurantietussenpersoon niet goed vervuld te hebben. Hij stelt als gevolg daarvan schade geleden te hebben. Hij vordert van
[gedaagde] € 292.441,20 aan schadevergoeding. Dat bedrag is opgebouwd uit de volgende componenten:
(1) onderverzekering € 239.107,32
(2) huurderving € 15.507,69
(3) huisvestingskosten p.m. € 17.000,00
(4) advieskosten € 14.021,62
(5) immateriële schade € 15.000,00.
4.2.
[gedaagde] betwist deze bedragen verschuldigd te zijn aan [eiser] .
4.3.
De rechtbank zal de vijf componenten hierna puntsgewijs behandelen.
(1) Onderverzekering
Zorgplicht, tekortkoming, causaal verband en schade
Juridisch kader
4.4.
Een assurantietussenpersoon dient tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is de taak van een assurantietussenpersoon om te waken voor de belangen van de verzekeringnemer en de verzekeringnemer in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een assurantietussenpersoon behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
4.5.
Indien er sprake is van een zorgplichtschending door de assurantietussenpersoon, is deze aansprakelijk voor de als gevolg van dit tekortschieten geleden schade door de verzekeringnemer. Om de schade te begroten, moet een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie waarin de zorgplicht is geschonden en de hypothetische situatie waarin die schending achterwege zou zijn gebleven.
Standpunt van [eiser]
4.6.
[gedaagde] is tekortgeschoten in haar zorgplicht als assurantietussenpersoon jegens [eiser] bij het beheren van zijn verzekeringsovereenkomst door hem niet tijdig te waarschuwen voor onderverzekering. Als [gedaagde] dat wel gedaan had, zou [eiser] daarop zijn verzekering hebben aangepast. Door deze beroepsfout van [gedaagde] heeft [eiser] na de overstromingen, die zijn pand beschadigd hebben, vermogensschade geleden in de vorm van een lager uitgekeerd bedrag. Tussen de schending van de zorgplicht door [gedaagde] en de door [eiser] geleden schade bestaat een causaal verband. Door de onderverzekering is hem de mogelijkheid ontnomen te kiezen voor herbouw met de daarbij behorende uit te keren som. Hij was door de onderverzekering financieel niet in staat om tot herbouw over te gaan, terwijl de wens tot herbouw wel bij hem aanwezig was. Hij werd als gevolg van de onderverzekering gedwongen genoegen te nemen met de verkoopwaarde en te verhuizen, terwijl hij dat voordien niet van plan was.
Standpunt van [gedaagde]
4.7.
[eiser] heeft bewust gekozen voor afwikkeling op basis van de verkoopwaarde en daarvoor was de verzekerde som toereikend. [gedaagde] kan daarom niet aansprakelijk gesteld worden voor schade van [eiser] vanwege onderverzekering. De omstandigheid dat de verzekerde som niet toereikend was als gekozen zou zijn voor de herbouwwaarde is, gelet op die bewuste keuze van [eiser] , niet relevant. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] effectief geen schade geleden, nu hij het als schade gevorderde bedrag van € 239.107,32, niet mist in zijn vermogen, omdat hij nooit tot heropbouw is overgegaan en hij dit bedrag dus niet heeft hoeven uitgeven. De wijze waarop de vordering thans is ingestoken, is niet zuiver in het kader van het causaal verband. Het gevorderde in randnummer 3.1. van de dagvaarding valt, gelet op de berekeningsmethodiek, niet anders te begrijpen dan dat die vordering ziet op het vergoed krijgen van de herstelkosten, terwijl geen herstel heeft plaatsgevonden. Er had een hypothetische vergelijking gemaakt moeten worden tussen de situatie met en de situatie zonder de gestelde fout. [eiser] heeft bovendien, naast de uitkering van Nationale Nederlanden, € 450.000,- ontvangen bij de verkoop van de percelen. [eiser] heeft daarom geen schade geleden. Dat [eiser] over onvoldoende financiële middelen zou beschikken om tot herbouw over te gaan, is door hem onvoldoende onderbouwd/toegelicht. In 2018, toen [eiser] zijn onderneming ophief, was nog onduidelijk wat hij en zijn vrouw met het pand wilden gaan doen en overwogen zij om tot verkoop van pand over te gaan. [eiser] had op zijn minst [gedaagde] moeten betrekken in zijn beslissing om, naar hij stelt, noodgedwongen te kiezen voor het laten uitkeren van de verkoopwaarde. [eiser] had [gedaagde] bovendien binnen de in artikel 12 van de polisvoorwaarden gestelde termijn(en) in rechte kunnen betrekken.
Oordeel
4.8.
Partijen zijn het er over eens dat zij in 2018 voor het laatst gesproken hebben over de verzekerde waarde van het pand en [gedaagde] die waarde nadien niet meer onder de aandacht van [eiser] heeft gebracht. Vast staat dat er ten tijde van de overstromingen in 2021 in relatie tot de herbouwwaarde sprake was van onderverzekering van het pand. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] is tekortgeschoten in haar zorgplicht als assurantietussenpersoon.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de beroepsfout van [gedaagde] . [eiser] heeft onbetwist gesteld dat, als hij wel tijdig geïnformeerd zou zijn door [gedaagde] , hij tot verhoging van het verzekerde bedrag voor de herbouwwaarde zou hebben besloten. Dat [eiser] al verkoopplannen had, die aan een uitkering op grond van de herbouwwaarde in de weg zouden hebben gestaan, is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft bovendien gemotiveerd betwist dat hij de intentie had om te verkopen en te verhuizen. Hij heeft erop gewezen dat er geen hypotheek meer gevestigd was op het pand, dat hij met zijn vrouw al jarenlang bewoonde, waardoor zij uiterst lage woonlasten hadden. [gedaagde] heeft de stelling van [eiser] dat het hem aan financiële middelen ontbrak om, naast de verzekeringsuitkering gebaseerd op de verkoopwaarde, enkele tonnen te kunnen besteden aan de herbouw van het pand, betwist. Concrete aanwijzingen van het tegendeel zijn door [gedaagde] echter niet aangedragen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de juistheid van die stelling van [eiser] in twijfel te trekken. Gelet op de leeftijd van [eiser] (78 jaar toen de dagvaarding werd betekend) is het niet onwaarschijnlijk dat het verkrijgen van een aanvullende financiering voor de herbouw van het pand lastig zou zijn geweest. De rechtbank volgt [gedaagde] , gelet op het voorgaande, niet in haar betoog dat [eiser] uit eigen vrije keuze voor een uitkering gebaseerd op de verkoopwaarde heeft gekozen.
4.10.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of [eiser] schade geleden heeft door de beroepsfout van [gedaagde] , zoals hij stelt. [eiser] vordert € 239.107,32 als schade vanwege de onderverzekering. [eiser] heeft eerst de zogenoemde onderverzekeringsbreuk berekend, zijnde: (verzekerde som/ herbouwwaarde) x de herstelschade = (€ 496.614,87 / € 884.018,40) x € 545.620,41 = € 306.513,09. [eiser] heeft vervolgens van de schade op basis van de herbouwwaarde, zoals begroot door de experts, van € 545.620,41, het bedrag van € 306.513,09 afgetrokken, hetgeen leidt tot € 239.107,32.
4.11.
[gedaagde] wijst naar het oordeel van de rechtbank terecht erop dat deze wijze van berekenen van de schade door [eiser] geënt is op schade in de vorm van het herstel/de herbouw van het pand. Herbouw is echter niet meer aan de orde, omdat [eiser] de percelen met het pand inmiddels verkocht heeft zonder dat herbouw heeft plaatsgevonden. Bij de berekening van de schade moeten tegen elkaar afgezet worden i) de vermogenssituatie waarin [eiser] zich zou hebben bevonden indien de fout niet door [gedaagde] was gemaakt (oftewel herbouw) en ii) de vermogenssituatie die is ontstaan door de fout. Het is niet juist om de herbouwwaarde af te zetten tegen de uitgekeerde verkoopwaarde. Dat het pand en de percelen inmiddels verkocht zijn (situatie met fout), is van invloed op de schadeberekening, evenals de wijziging van de hoogte van de premie die zou hebben plaatsgevonden in geval van aanpassing van de verzekerde herbouwwaarde (situatie zonder fout). Dat betekent dat de vordering van € 239.107,32, die volledig geënt is op de herstelkosten, niet toewijsbaar is. Bij gebrek aan stellingen van [eiser] die geënt zijn op de vermogensvergelijking zoals bedoeld in 4.5, kan de rechtbank niet vaststellen dat [eiser] door de onderverzekering schade geleden heeft.
4.12.
De slotsom is dat voor zover de vordering onder I ziet op de schadecomponent ‘onderverzekering’ deze zal worden afgewezen.
(2) De huurderving
Standpunt van [eiser]
4.13.
vordert een bedrag van € 15.507,69 aan huurderving. Hij legt daaraan ten grondslag dat hij, bij herstel van het pand gedurende de periode van herstel, gemaximeerd op 52 weken, van de verzekeraar € 19.200,- zou hebben ontvangen. heeft nu, op basis van de verkoopwaarde, slechts een bedrag van € 3.692,31 ontvangen dat gebaseerd is op een periode van tien weken.
Standpunt van [gedaagde]
4.14.
Huurderving kan niet als schadepost worden aangemerkt, omdat Nationale Nederlanden uit hoofde van de dekking voor inboedelschade al een uitkering heeft gedaan waarin deze post is opgenomen.
Oordeel
4.15.
Onbetwist staat vast dat [eiser] , als er geen beroepsfout gemaakt zou zijn, had kunnen kiezen voor een uitkering naar herbouwwaarde. [eiser] heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat hij in dat geval ook die keuze gemaakt zou hebben. Onbetwist is tevens dat [eiser] in de situatie zonder beroepsfout bij de keuze voor herbouw, het hogere (op 52 weken gebaseerde) bedrag van € 19.200,- had ontvangen, in plaats van het (op tien weken) gebaseerde bedrag van € 3.692,31. Het verschil tussen dit hogere bedrag en het aan [eiser] uitgekeerde bedrag ad € 15.507,69 zal daarom worden toegewezen.
(3) De huisvestingskosten
Standpunt van [eiser]
4.16.
vordert € 17.000,- aan huisvestingskosten. Hij legt daaraan ten grondslag dat hij, na de overstroming in juli 2021, een huurwoning moest betrekken en daarvoor huurpenningen verschuldigd is, terwijl hij daarvoor hypotheekvrij in het pand woonde. Uit ervaringsregels blijkt dat het verkooptraject minimaal 2 jaar duurt, hetgeen volgens [eiser] , uitgaande van een maandhuur van € 708,17, neerkomt op € 17.000,-.
Standpunt van [gedaagde]
4.17.
Uit productie 8 bij de dagvaarding blijkt dat de aanvullende verhuiskosten al door Nationale Nederlanden zijn vergoed. Uit de schadetaxatie blijkt bovendien dat, ook als er geen sprake van onderverzekering was geweest, maximaal € 8.536,44 was uitgekeerd. Dat bedrag is ook uitgekeerd bedrag.
Oordeel
4.18.
Uit productie 8 bij de dagvaarding, waarin de afwikkeling van de schade wordt beschreven, volgt dat op basis van de inboedelverzekering reeds is voorzien in de kosten van huisvesting. Uit productie 6 bij de dagvaarding volgt dat het uitgekeerde bedrag ad € 8.536,44 een periode beslaat van 12 maanden (12 keer € 708,17). [eiser] claimt, naar de rechtbank begrijpt, naast dit uitgekeerde bedrag € 17.000,- extra aan huisvestingskosten gedurende twee jaar, onder verwijzing naar ervaringsregels aangaande de termijn waarbinnen wordt verkocht.
4.19.
De rechtbank wijst deze vordering af. Ook bij deze schadepost moet immers een vergelijking worden gemaakt tussen de hypothetische situatie met en zonder fout, waarbij de vermogensrechtelijke situatie op het vlak van de huisvestingskosten in beide gevallen tegen elkaar moeten worden afgezet. Dit is niet gebeurd. De door [eiser] gestelde algemene ervaringsregels, die niet concreet zijn gemaakt, zijn onvoldoende als onderbouwing van de schade.
(4) De adviseurskosten
Standpunt van [eiser]
4.20.
vordert vergoeding van € 14.021,62 aan advieskosten. De noodzaak van de adviezen die aan de facturen ten grondslag liggen, zijn volgens [eiser] een rechtstreeks gevolg van het tekortschieten van [gedaagde] .
Standpunt van [gedaagde]
4.21.
Door [eiser] is volgens [gedaagde] niet toegelicht waarom de adviseurskosten een gevolg zouden zijn van de gestelde tekortkoming van [gedaagde] .
Oordeel
4.22.
[gedaagde] heeft de stelling van [eiser] dat hij als gevolg van de onderverzekering door de beroepsfout gedwongen was op verschillende vlakken advies in te winnen, niet gemotiveerd betwist. Zij heeft dit slechts in algemene zin gedaan. Het had op de weg gelegen van [gedaagde] om hier concreter op in te gaan, temeer omdat de werkzaamheden in de facturen in kaart zijn gebracht. [gedaagde] heeft evenmin de hoogte van de individuele posten van de facturen betwist. De rechtbank zal daarom € 14.021,62 aan advieskosten toewijzen.
(5) De immateriële schade
Het standpunt van [eiser]
4.23.
Volgens [eiser] heeft de beroepsfout van [gedaagde] bij hem geestelijk letsel veroorzaakt dat dermate ernstig is dat dit valt te scharen onder art. 6:106 sub b BW. Ook is er sprake van een ernstige normschending. [eiser] wijst erop dat hij door de fout moest verhuizen uit zijn vertrouwde omgeving.
Het standpunt van [gedaagde]
4.24.
Door [eiser] is niet afdoende onderbouwd waarom aan de voorwaarden voor toekenning van immateriële schadevergoeding is voldaan.
Oordeel rechtbank
4.25.
Op grond van artikel 6:106 onder b BW bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat [eiser] zijn vordering baseert op de grond dat hij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Degene die zich beroept op ‘geestelijk letsel’ zal voldoende concrete gegevens moeten aandragen op grond waarvan dit naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). De rechter kan op grond van een rapportage van een deskundige, bijvoorbeeld een psychiater, huisarts of psycholoog, tot het oordeel komen dat er sprake is van geestelijk letsel (HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022: 958). Meer of minder psychisch onbehagen, zoals gevoelens van onmacht, boosheid, frustratie, verdriet, angst en slapeloosheid leveren – hoe voorstelbaar vaak ook – niet bedoeld geestelijk letsel op en kunnen op zich dan ook niet dienen als grondslag voor immateriële schadevergoeding (HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608 en HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2286).
4.26.
Dat de overstroming in juli 2021, de schade aan het pand van [eiser] en het niet kunnen herbouwen van het pand vanwege de onderverzekering grote impact hebben gehad op [eiser] en zijn echtgenote lijdt geen twijfel. Dat er sprake is van geestelijk letsel, zoals bedoeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad, is door [eiser] echter niet met stukken onderbouwd. Dat betekent dat voor zover de vordering gegrond is op ‘geestelijk letsel’ deze moet worden afgewezen.
4.27.
Ook zonder geestelijk letsel kan er sprake zijn van aantasting in de persoon ‘op een andere wijze’, namelijk wanneer de aard en de ernst van de normschending en van de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij dat meebrengen. Het gaat hierbij om een weging van deze factoren bezien in onderlinge samenhang. Naarmate de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, ligt een aantasting in de persoon meer voor de hand. Het is in beginsel aan de benadeelde partij om dit met concrete gegevens te onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de aard en ernst van de gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad. De enkele schending van een fundamenteel recht levert nog geen aantasting in de persoon op (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376).
4.28.
De normschending - het niet houden van een periodiek onderhoudsgesprek met de verzekerde door de assurantietussenpersoon - is naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat, hoe ingrijpend het gevolg voor [eiser] ook was, een vergoeding op grond van artikel 6:106 lid b BW toewijsbaar is.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.29.
[eiser] vordert buitengerechtelijke incassokosten ad € 3.237,21. Hij stelt daartoe dat hij op grond van de polisvoorwaarden van de rechtsbijstandsverzekeraar gehouden is om aanspraak te maken op deze kosten.
4.30.
De buitengerechtelijke incassokosten zijn volgens [gedaagde] niet toewijsbaar, omdat [eiser] een rechtsbijstandsverzekering heeft en hij uit zijn eigen vermogen dus geen kosten heeft voldaan.
4.31.
[gedaagde] heeft de stelling van [eiser] dat hij op grond van de polisvoorwaarden gehouden is om aanspraak te maken op de kosten, die zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte, niet weersproken. Het enkele feit dat [eiser] over een rechtsbijstandsverzekering beschikt, staat op grond van vaste jurisprudentie niet aan toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten in de weg. Van belang is of de gemaakte kosten als door de benadeelde zelf ( [eiser] ) geleden schade kunnen worden aangemerkt. Omdat [eiser] gehouden is op grond van de polisvoorwaarden de (voorgeschoten) kosten van voldoening buiten rechte te verhalen op de aansprakelijke partij, zijn buitengerechtelijke kosten als schadepost toewijsbaar. Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen incassokosten zal worden uitgegaan van het aan [eiser] in totaal toegewezen bedrag van € 29.529,31. Er zal daarom, op basis van de wettelijke staffel, een bedrag van € 1.070,29 worden toegewezen.
De rente
4.32.
De door [eiser] gevorderde wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar, omdat geen sprake is van een handelsoverkomst in de zin van art. 6:119a BW. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat ten onrechte aanspraak gemaakt wordt op de wettelijke handelsrente. De subsidiair gevorderde wettelijke rente ex art. 6:119 BW is wel toewijsbaar en zal worden toegewezen met ingang van de niet betwiste datum 10 mei 2023.
De proceskosten
4.33.
[gedaagde] is deels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
2.723,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.732,04
4.34.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om € 29.529,31 aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 10 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om € 1.070,29 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.732,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
Zie randnummer 1.1. van de dagvaarding.
Zie pagina 3 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en randnummer 2.8 van de dagvaarding.
Zie productie 4 bij de dagvaarding.
Zie productie 5 van [eiser] .
Zie productie 3 van [gedaagde] . Het betreft een taxatierapport met als opdrachtdatum 10 februari 2022.
[schade-expert] is op enig moment overgegaan in [bedrijf] , die onderdeel uitmaakt van de [groep] .
Zie productie 6 bij de dagvaarding.
Zie productie 7 bij dagvaarding en randnummer 2.4. van de conclusie van antwoord.
Zie productie 8 bij de dagvaarding.
Zie productie 9 van [eiser] .
Zie 2.2
Zie productie 32 van [eiser] .
Zie productie 32 van [eiser] en randnummer 4.2 van de spreekaantekeningen van [eiser] .
Zie productie 2 van [gedaagde] .
Zie randnummer 2.16 van de dagvaarding.
Zie randnummer 3.3 van de dagvaarding en pagina 3 van het proces-verbaal.
Zie randnummer 4.45 en 4.48 van de dagvaarding.
Zie randnummer 4.51 van de dagvaarding.
Zie randnummer 3.3. van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 2.8. van de conclusie van antwoord.
Zie pagina 2 van het proces-verbaal.
Zie randnummer 1.2. van de conclusie van antwoord.
Zie pagina 3 van het proces-verbaal en randnummer 2.2. van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 3.4. en 3.5. van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 4.51 van de dagvaarding.
Zie randnummer 3.1. van de dagvaarding.
Zie 2.15.
Zie 4.5.
Zie productie 7 bij dagvaarding.
Zie randnummer 3.10. van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 3.2 van de dagvaarding.
Zie pagina 3 van het proces-verbaal.
Zie randnummer 3.10. van de conclusie van antwoord en pagina 3 van het proces-verbaal.
Zie randnummer 3.10. van de conclusie van antwoord.
Zie randnummer 3.7. van de dagvaarding.
Zie onder meer rov. 4.10 van rechtbank Rotterdam 20 april 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ1833.