Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9378

2026-09-16 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12156108 CV EXPL 26-1393
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-02
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12156108 CV EXPL 26-1393
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontbinding en ontruiming woonruimte wegens huurachterstand.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.694 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 12156108 \ CV EXPL 26-1393




Vonnis van 16 september 2026




in de zaak van




STICHTING WONEN LIMBURG,
te Roermond,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Wonen Limburg,
gemachtigde: AGIN Otten,



tegen





[huurder]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. R.M.J. Schoonbrood.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties- de conclusie van antwoord met producties- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Stichting Wonen Limburg nog een actueel overzicht van de huurachterstand overgelegd.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Stichting Wonen Limburg verhuurt met ingang van 4 augustus 2020 aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedroeg tot en met juni 2026 € 494,45 per maand en vanaf juli 2026 € 520,26 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Stichting Wonen Limburg van toepassing.



2.2.

[huurder] heeft een huurachterstand laten ontstaan. [huurder] is op 3 februari 2026 aangemaand om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.



2.3.
Stichting Wonen Limburg heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden en heeft hem op 23 december 2025 bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering. De schuldhulpverlening is vooralsnog niet van de grond gekomen. Wel heeft [huurder] een machtiging gegeven aan de sociale dienst, die ervoor zorgdraagt dat de lopende huur vanaf april 2026 wordt voldaan.



2.4.

[huurder] was van plan een aanvraag beschermingsbewind in te dienen, maar op de mondelinge behandeling was daarvan nog geen sprake.





3Het geschil


3.1.
Stichting Wonen Limburg vordert - samengevat -, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van € 3.515,34 (€ 3.054,34 ter zake van huurachterstand tot en met maart 2026 en € 461,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten), en daarnaast € 494,45 voor iedere maand (behoudens huurverhogingen) die vanaf 31 maart 2026 tot het tijdstip van ontruiming mocht verstrijken of zijn ingegaan, met nevenvorderingen.



3.2.
Stichting Wonen Limburg legt aan het gevorderde het volgende ten grondslag. [huurder] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand en de weinig coöperatieve houding van [huurder] rechtvaardigen volgens Stichting Wonen Limburg de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.



3.3.

[huurder] voert verweer. [huurder] erkent de huurachterstand maar voert samengevat aan dat zijn belangen bij behoud van de woning zwaarder wegen dan het belang van Stichting Wonen Limburg bij ontbinding en ontruiming.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden




4.1.
Stichting Wonen Limburg vordert betaling van rente en buitengerechtelijke incassokosten en wijst op huurverhogingen. De kantonrechter moet ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ, EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971).



4.2.
De kantonrechter stelt vast dat de toepasselijke algemene voorwaarden in artikel 6.2 in samenhang met 13.2 een beding bevatten op grond waarvan Stichting Wonen Limburg aanspraak kan maken op vergoeding van rente. De kantonrechter is van oordeel dat dit beding eerlijk is. Hieruit volgt dat dit beding niet ambtshalve vernietigd zal worden.



4.3.
De kantonrechter stelt vast dat de toepasselijke algemene voorwaarden in artikel 6.2 in samenhang met artikel 13.2 een beding bevatten op grond waarvan Stichting Wonen Limburg aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Hierover heeft Stichting Wonen Limburg aangevoerd dat weliswaar uit de tekst van de algemene voorwaarden voortvloeit dat die kosten direct verschuldigd zijn, maar dat zij in dit geval eerst een aanmaning conform de wet heeft gestuurd (de brief van 3 februari 2026). De kantonrechter is van oordeel dat het beding over buitengerechtelijke incassokosten oneerlijk is. De bedongen vergoeding is namelijk niet begrensd in omvang en de tekst van het beding sluit niet uit dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de consument in verzuim is, terwijl de wettekst dwingend voorschrijft dat de incassokosten pas na het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd worden. De kantonrechter is van oordeel dat het beding daardoor oneerlijk is ten opzichte van [huurder] . Het beding wordt daarom vernietigd. Het gevolg hiervan is dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.



4.4.
In artikel 15 van de algemene voorwaarden staat een wijzigingsbepaling op grond waarvan de huurprijs wordt verhoogd overeenkomstig de volgens de wet toegestane verhoging. Dit is niet onredelijk bezwarend, waardoor het beding ook niet ambtshalve vernietigd zal worden.



Ontbinding en ontruiming





4.5.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling van de ontbindingsvordering voorop dat op grond van artikel 6:265 lid 1 BW als uitgangspunt geldt dat iedere tekortkoming in de nakoming grond oplevert voor ontbinding van een huurovereenkomst, tenzij die tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het is aan de huurder om te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake is van die “tenzij-bepaling”. Bij beantwoording van de vraag of ontbinding en ontruiming is gerechtvaardigd, zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder het belang van de huurder bij voortduring van de huurovereenkomst. Het is aan de kantonrechter om te beoordelen of de tekortkoming van voldoende gewicht is om tot ontbinding over te gaan. Vaak zal een achterstand van drie maanden of meer genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de lopende huur (weer) wordt betaald en of de achterstand (voldoende) is ingelopen.



4.6.


[huurder] heeft erkend dat er een huurachterstand is die tot en met augustus 2026 berekend is op een bedrag van € 3.104,79. Er hebben ter aflossing nog
twee betalingen van elk € 75,00 aan de gemachtigde van Stichting Wonen Limburg plaatsgevonden, die in mindering moeten strekken op dat wat verschuldigd is aan Stichting Wonen Limburg. Volgens [huurder] is er nog derde betaling van € 75,00 gedaan, maar dat had de gemachtigde van Stichting Wonen Limburg ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet kunnen vaststellen.




4.7.

[huurder] heeft aangevoerd dat de huurachterstand is ontstaan toen zijn gevangenhouding op 11 september 2025 werd bevolen, omdat vervolgens per deze datum de Participatiewet-uitkering van [huurder] werd beëindigd. Na schorsing van de voorlopige hechtenis op 15 december 2025 is - nadat eerst twee eerdere aanvragen buiten behandeling werden gesteld vanwege het niet aanleveren van gegevens - per 6 maart 2026 weer een Participatiewet-uitkering toegekend. Namens [huurder] is verklaard dat sprake is van een lastige situatie, omdat [huurder] beperkt zelfredzaam is. Het lukt hem niet of moeilijk om actie te ondernemen en afspraken na te komen. Er is sprake van een gokverslaving. Hulp wordt gemeden. De relatie met de huisarts is inmiddels ook gebrouilleerd. Dit alles maakt dat het juist heel belangrijk is voor [huurder] om in de woning te kunnen blijven wonen. Namens [huurder] is erop gewezen dat de sociale dienst er inmiddels voor zorgt dat de lopende huur wordt voldaan. [huurder] lost verder iedere maand € 75,00 af. Stichting Wonen Limburg heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat uit haar administratie blijkt dat vooralsnog € 150,00 is ingelost, maar wijst erop dat betalingen allereerst in mindering strekken op de kosten en verschenen rente en dan pas op de hoofdsom en lopende rente.



4.8.
De kantonrechter overweegt als volgt. Weliswaar worden de lopende huurtermijnen inmiddels voldaan en lost [huurder] iedere maand wat af, maar zes maanden huurachterstand en geen perspectief op inlossing binnen een redelijke termijn maken dat de kantonrechter van oordeel is dat een ontbinding desalniettemin gerechtvaardigd is. Er bestaat geen (voldoende) perspectief, gelet op de hoogte van het inkomen van [huurder] (€ 1.401,00 bruto per maand) afgezet tegen de hoogte van de huurachterstand, het feit dat er meer schulden zijn (waarvan de hoogte nog niet duidelijk is) en [huurder] zich weinig betrouwbaar en coöperatief opstelt bij het aanpakken van zijn (schulden)situatie. Uit de namens [huurder] op de mondelinge behandeling gegeven toelichting volgt dat [huurder] afspraken niet nakomt en dat hulp wordt gemeden. In de verhouding tot Stichting Wonen Limburg is sprake van feiten en omstandigheden die voor rekening en risico van [huurder] komen. Voor het nog gunnen van een termijn voor aflossing van de huurachterstand, zoals [huurder] heeft gevraagd, ziet de kantonrechter geen basis. Met een aflossing van € 75,00 is geen sprake van zicht op aflossing van de huurachterstand op korte c.q. redelijke termijn. Gezien alle omstandigheden weegt het belang van Stichting Wonen Limburg bij ontbinding en ontruiming zwaarder dan het belang van [huurder] bij behoud van zijn woonruimte. De gevorderde ontbinding en ontruiming zullen dan ook worden toegewezen.



4.9.

[huurder] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit, anders dan de gevorderde drie dagen, een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.



De huurachterstand





4.10.
Ten tijde van de mondelinge behandeling is gebleken dat de huurachterstand tot en met augustus 2026 € 3.104,79 bedraagt. [huurder] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.



4.11.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding
(17 maart 2026), zoals is gevorderd. Het gaat daarbij om de wettelijke rente (telkens) over vervallen huurtermijnen.




4.12.
Stichting Wonen Limburg wil ook dat [huurder] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 494,45 (behoudens huurverhogingen), te rekenen vanaf 31 maart 2026 tot het moment dat [huurder] het gehuurde ontruimt. Deze vordering tot betaling van huur/gebruiksvergoeding zal worden toegewezen, waarbij rekening zal worden gehouden met het feit dat de huurprijs met ingang van juli 2026 is verhoogd naar € 520,26 per maand.



4.13.

Vaststaat dat [huurder] in elk geval twee keer € 75,00 aan aflossing heeft betaald aan de gemachtigde van Stichting Wonen Limburg, en mogelijk nog één of inmiddels twee keer extra. Vanzelfsprekend moet Stichting Wonen Limburg op het verschuldigde nog in mindering brengen € 150,00 en daarna nog door de gemachtigde van Stichting Wonen Limburg betaalde bedragen aan aflossing. Daarbij geldt dat betalingen op grond van
artikel 6:44 BW eerst in mindering strekken op de kosten, daarna op de verschenen rente, en daarna op de hoofdsom en lopende rente.




De proceskosten





4.14.

[huurder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Wonen Limburg worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


153,02







- griffierecht


€


529,00







- salaris gemachtigde


€


506,00


(2 punten × € 253,00)




- nakosten


€


126,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.314,52











4.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Stichting Wonen Limburg dat eist en [huurder] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] ,



5.2.
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting Wonen Limburg zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting Wonen Limburg,



5.3.
veroordeelt [huurder] om te betalen aan Stichting Wonen Limburg:
- € 3.104,79 aan achterstallige huur tot en met augustus 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de vervallen huurtermijnen vanaf 17 maart 2026 tot de dag van voldoening,
- € 520,26 per maand vanaf september 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,


5.4.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.314,52, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,



5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.