Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9310

2026-09-01 Bestuursrecht ROE 24/4228 en ROE 24/253
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-09-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 24/4228 en ROE 24/253
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het verzet is gegrond, omdat de rechtbank de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Er was namelijk discussie mogelijk over de juridische status van het betreffende pad. De rechtbank had deze kwestie daarom tijdens een zitting moeten behandelen. Bij de inhoudelijke beoordeling komt de rechtbank echter tot het oordeel dat het pad, gelet op de feitelijke situatie en de uiterlijke kenmerken, duidelijk moet worden aangemerkt als een voet- en fietspad en niet als rijbaan. Voor weggebruikers is voldoende duidelijk dat het pad niet bedoeld is voor gemotoriseerd verkeer. Het verkeersbord en onderbord heeft daarom geen zelfstandig rechtsgevolg. De bezwaren tegen de betreffende besluiten zijn dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond verklaard. Wel heeft de rechtbank een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.910 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Maastricht


Bestuursrecht


zaaknummers: ROE 24/253 en ROE 24/4228



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026
op het verzet van



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, opposant,
(gemachtigde: mr. V. van den Heuvel),



en uitspraak in de beroepszaak tussen




[geopposeerde, tevens eiser]
, uit [woonplaats] , geopposeerde, tevens eiser
(gemachtigde: mr. E.G.W. Hendriks),



en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, het college.




Inleiding


1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 juli 2024 waarin de rechtbank het beroep van geopposeerde gegrond heeft verklaard. Het verzet wordt in deze uitspraak gegrond verklaard.
De uitspraak gaat in dit geval ook over het beroep van geopposeerde tegen opposant.



1.1.
Met het besluit van 11 december 2023 (het bestreden besluit 1) heeft opposant het bezwaar van geopposeerde niet-ontvankelijk verklaard. Volgens opposant is het schrijven van 3 augustus 2023 geen besluit, maar een brief, waarin uitleg is gegeven over de status van een pad. Daartegen kan volgens opposant geen bezwaar worden gemaakt. Er is geen sprake van een verkeersbesluit of een verplichting om een verkeersbesluit te nemen. De plaatsing van het verkeersbord G7 (‘voetpad’) als bedoeld in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv) aan het begin en het einde van het pad is volgens opposant enkel bedoeld ter verduidelijking van de reeds bestaande verkeerssituatie. Het gaat dus om feitelijk handelen en dat is niet gericht op rechtsgevolg, aldus opposant.



1.2.
Bij uitspraak van 19 juli 2024 heeft de rechtbank het beroep van geopposeerde (bekend onder zaaknummer ROE 224/253) kennelijk gegrond verklaard en opposant opgedragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw een besluit te nemen op het bezwaar van geopposeerde.



1.3.
Opposant heeft op 25 juli 2025 tegen deze uitspraak verzet gedaan.



1.4.
Met het besluit van 30 augustus 2024 (het bestreden besluit 2) heeft opposant de bezwaren van geopposeerde tegen het plaatsen van een onderbord bij de G7 borden met de tekst ‘Fietsen toegestaan’ kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Opposant stelt dat hij met het plaatsen van de onderborden slechts tot uitdrukking heeft gebracht wat de reeds bestaande (juridische) status van het betreffende pad is (namelijk voet- en fietspad) en dat een verkeersregel van toepassing is (namelijk artikel 10 van het Rvv). Volgens opposant blijft het niet toegestaan om met motorrijtuigen het pad te gebruiken. Het nemen van een verkeersbesluit is onder die omstandigheden niet nodig, gelet op het bepaalde in artikel 16 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (Babw). Opposant merkt verder nog op dat zij met het bestreden besluit 2 ook uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 19 juli 2024.



1.5.
Geopposeerde heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dit beroep is bekend onder zaaknummer ROE 24/ 4228.



1.6.
De rechtbank heeft het verzet op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant (het college) en geopposeerde (eiser), de gemachtigde van geopposeerde.




Beoordeling door de rechtbank van het verzet


2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt de mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant de G7 verkeersborden in dit geval alleen mag plaatsen of verwijderen met een verkeersbesluit. Opposant heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat er met de plaatsing van de G7 verkeersborden geen sprake is van het ontstaan of wijzigen van een gebod of verbod. Opposant heeft verwezen naar het geldende bestemmingsplan, waarin het pad bestemd is voor gebruik door voetgangers en fietsers. Door het enkel plaatsen van het bord ‘voetpad’, geldt een verplichting voor voetgangers om van dit pad gebruik te maken en een verbod voor fietsers om van dit pad gebruik te maken. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een nieuwe verkeerssituatie op voor in ieder geval fietsers, omdat hun situatie afwijkt van wat in het bestemmingsplan is bepaald. Omdat het plaatsen van de G7 verkeersborden leidt tot het ontstaan of wijzigen van een gebod of verbod, mag opposant naar het oordeel van de rechtbank hier uitsluitend toe overgaan op basis van een verkeersbesluit. Opposant heeft in het schrijven van 3 augustus 2023 geweigerd een verkeersbesluit te nemen. Op het hiertegen door geopposeerde gemaakte bezwaar had opposant inhoudelijk moeten beslissen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat opposant ten onrechte het bezwaar van geopposeerde niet-ontvankelijk heeft verklaard.



2.1.
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of zij in de buitenzittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep kennelijk gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.



2.2.
Opposant heeft in verzet aangevoerd dat de rechtbank de omvang van het geding heeft overschreden door ambtshalve een niet-aangevoerde grond bij haar beoordeling te betrekken. Daarnaast stelt opposant dat de door de rechtbank geconstateerde normschending, zo die al bestaat, geen betrekking heeft op de belangen van de geopposeerde, maar op die van fietsers. In deze procedure gaat het uitsluitend om de vraag of het pad voor de geopposeerde toegankelijk is met een motorvoertuig, wat volgens opposant niet het geval. Het relativiteitsvereiste kan daarom aan vernietiging van het bestreden besluit 1 in de weg staan, aldus opposant. Opposant erkent dat de plaatsing van enkel verkeersbord G7 niet volledig aansluit bij de bestaande verkeerssituatie, omdat abusievelijk geen onderbord voor fietsers was geplaatst. Volgens opposant volgt hieruit niet dat een wijziging van de verkeerssituatie voor fietsers was beoogd; het tegendeel blijkt namelijk uit de dossierstukken. Naar de mening van opposant had de rechtbank hem in de gelegenheid moeten stellen hierover een nadere toelichting te geven dan wel de geconstateerde discrepantie te herstellen. Deze omstandigheid rechtvaardigt volgens opposant in ieder geval geen vereenvoudigde afdoening, zodat van een kennelijk gegrond beroep geen sprake is.



2.3.
De toetsing in verzet van een uitspraak die is gedaan met toepassing artikel 8:54 van de Awb vindt plaats op basis van de in verzet beschikbare informatie. Dit gaat dus ook om informatie die pas in die fase voor het eerst in het geding naar voren wordt gebracht. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Hoge Raad van 13 mei 2011. Dit betekent dat de rechtbank ook acht moet slaan op de in verzet ingebrachte bewijsmiddelen en moet beoordelen of de rechtbank de buitenzittinguitspraak met de wetenschap van nu, op die manier had kunnen doen.



2.4.
Gelet op het verzetschrift, de zich in het dossier bevindende stukken en wat ter zitting besproken is, is de rechtbank (kort gezegd) van oordeel dat er een juridische discussie mogelijk is over de status van het pad. Nu de rechtbank dit heeft miskend, heeft zij de zaak ten onrechte zonder zitting afgedaan. De rechtbank ziet daarom aanleiding het verzet gegrond te verklaren. Ingevolge artikel 8:55, negende lid, van de Awb, vervalt als gevolg daarvan de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek door de rechtbank voortgezet in de stand waarin het zich bevond.




Beoordeling door de rechtbank van het beroep


3. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep tegen het bestreden besluit 1. De rechtbank zal ook ingaan op het beroep tegen het bestreden besluit 2.



3.1.
De rechtbank moet beoordelen of opposant (hierna: het college) de bezwaren van geopposeerde (hierna: eiser), zoals vervat in de bestreden besluiten 1 en 2, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank verklaart de beroepen van eiser ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



3.2.

De toepasselijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Inhoudelijk oordeel van de bestreden besluiten 1 en 2




3.3.
Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) in samenhang gelezen met artikel 12, aanhef en onder a, van het Babw dient de plaatsing of verwijdering van een G7-verkeersbord bij verkeersbesluit te geschieden, voor zover daarmee een gebod of verbod wordt ingesteld of gewijzigd.



3.4.
Het college stelt zich op het standpunt dat de plaatsing van de G7-verkeersborden met onderborden ‘Fietsen toegestaan’ niet leidt tot het ontstaan of wijzigen van een gebod of verbod. Het college wijst erop dat het pad volgens het bestemmingsplan bestemd is voor voetgangers en fietsers. Daarnaast volgt uit artikel 10, eerste lid, van het Rvv dat motorvoertuigen uitsluitend van een rijbaan gebruik mogen maken. Fiets- en fiets/brompaden maken geen onderdeel uit van een rijbaan. Volgens het college is het betreffende pad, gelet op de bestemming, inrichting en afmetingen, geen rijbaan. Motorvoertuigen mogen het pad daarom al niet gebruiken, ongeacht de plaatsing van de verkeersborden. Van een wijziging van de verkeerssituatie is dan ook geen sprake, zodat volgens het college op grond van artikel 16 van het Babw geen verkeersbesluit nodig is.



3.5.
Eiser heeft aangevoerd dat door het plaatsen van het verkeersbord G7 en het onderbord ‘Fietsen toegestaan’ alleen voetgangers en fietsers van het pad gebruik mogen maken, terwijl voorheen (sinds 1976) het pad ook werd gebruikt door motorvoertuigen. Volgens eiser weigert het college ten onrechte een verkeersbesluit te nemen voorafgaand aan het plaatsen van het betreffende verkeersbord met onderbord.



3.6.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de feitelijke situatie ter plaatse, het evident is dat het betreffende pad moet worden aangemerkt als een voet- en fietspad. Daarbij is van belang dat het pad door het afwijkend materiaalgebruik – de stoeptegels tegenover de verharding van de rijbaan – duidelijk van de rijbaan is te onderscheiden. Ook de verhoogde drempel en de geringe breedte van het pad dragen daaraan bij. Gelet op deze uiterlijke kenmerken kan het pad redelijkerwijs niet als rijbaan worden aangemerkt. Voor een verkeersdeelnemer die het pad nadert, is dan ook voldoende kenbaar dat het – ook zonder plaatsing van een verkeersbord – niet de bedoeling is dat gemotoriseerd verkeer van dit pad gebruikmaakt.



3.7.
Aan het plaatsen van het verkeersbord komt daarom geen zelfstandig rechtsgevolg toe. Dit betekent dat het bezwaar van eiser tegen het bestreden besluit 1 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Hetzelfde geldt voor het plaatsen van het onderbord, waarop het bestreden besluit 2 betrekking heeft. Ook in dit besluit heeft het college de bezwaren van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het plaatsen van het onderbord brengt, gelet op de reeds bestaande en voor verkeersdeelnemers kenbare inrichting van het pad als voet- en fietspad, geen zelfstandig rechtsgevolg met zich mee. Eiser kan daarom ook tegen dit besluit geen ontvankelijk bezwaar maken.



3.8.
De rechtbank merkt nog op dat het aan eiser is om, indien hij zijn woning met de auto wil kunnen bereiken, daartoe een ontheffing bij het college kan aanvragen. Op een dergelijke aanvraag dient het college vervolgens een besluit te nemen. Indien dit besluit voor eiser ongunstig uitvalt, kan hij daartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen aanwenden. Bij de beoordeling van de aanvraag zal het college in ieder geval een kenbare en inzichtelijke belangenafweging moeten maken. Daarbij dient het college onder meer het door eiser gestelde belang te betrekken dat hij sinds jaar en dag gebruikmaakt van het pad om zijn woning met auto te kunnen bereiken en daar te parkeren, als ook zijn gestelde belang dat hij vanwege zijn fysieke beperking deze mogelijkheid nodig heeft.



Schadevergoeding overschrijding van de redelijke termijn

4. Eiser heeft op zitting in beide zaken verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.




4.1.
In dit geval heeft het verzoek om schadevergoeding betrekking op twee bezwaarschriften en twee beroepschriften van één belanghebbende, die met elkaar samenhangen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt in gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld en deze zaken betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen in beide zaken niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.



4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om voor beide zaken schadevergoeding toe te kennen, omdat hier sprake is van twee zaken van één belanghebbende die in wezen betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.



4.3.
Het voorgaande betekent dat onder de in rechtsoverweging 4 genoemde termijn van twee jaar de onderhavige verzetsprocedure is inbegrepen. In dit geval is het (eerste) bezwaarschrift van 8 september 2023 één of twee dagen later per post door het college ontvangen. Vanaf die datum tot aan de datum van de uitspraak is ruim twee jaar en 11 maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim 11 maanden is overschreden, zodat een schadevergoeding van € 1.000,- gerechtvaardigd is. De rechtbank constateert dat het bestreden besluit 1 op 11 december 2023 is genomen, zodat in de bestuurlijke fase geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Daarom bestaat aanleiding om de overschrijding volledig aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank zal daarom de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) opdragen dit bedrag te vergoeden.




Conclusie en gevolgen


5. De rechtbank verklaart het verzet gegrond en de beide beroepen ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.



5.1.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe. Omdat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (mondeling) ter zitting is gedaan en dit verder (naast de opmerking dat de redelijke termijn is overschreden) ter zitting inhoudelijk niet is besproken, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om een vergoeding van de proceskosten voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1ongegrond;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 1.000,- aan schadevergoeding aan eiser wegens overschrijding van de redelijke termijn.


Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.


















griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 september 2026.





Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.


Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Algemene wet bestuursrecht (Awb)



Artikel 8:54

1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
(…)


Artikel 8:55
(…)

9. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
10. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, kan hij tevens uitspraak doen op het beroep, mits:
a. nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, en
b. de partijen in de gelegenheid zijn gesteld op een zitting te worden gehoord en daarbij zijn gewezen op de bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep.



Wegenverkeerswet 1994 (Wvw)



Artikel 15

1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.
(…)



Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv)



Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)

rijbaan: elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden;
(…)



Artikel 4

1. Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.
(…)


Artikel 5

1. Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad.
(…)


artikel 10

1. Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
(..)



Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (Babw)



Artikel 12

1. De plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens moet geschieden krachtens een verkeersbesluit:
a. de volgende borden:

I de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, uitgezonderd de borden C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13 tenzij onder deze verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, wordt aangebracht, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid;
(…)



Artikel 16
Geen verkeersbesluit behoeft te worden genomen indien het betrokken verkeersteken wordt geplaatst of verwijderd ter nadere aanduiding dat een verkeersregel van toepassing is dan wel dat een ander verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt is geplaatst.




Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)



Artikel 6

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
(…)


Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.


Zie artikelen 4 en 5 van het Rvv.


ECLI:NL:HR:2011:BQ4296.


Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.


Dit volgt uit artikel 1 van het Rvv.


Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4402 (r.o. 15.1 en verder).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:877 (r.o. 3.1).