Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9276
2026-09-02
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11991750 \ CV EXPL 25-5482
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 7:230a BW. Huurovereenkomst opslagruimte. Huurder na einde huurovereenkomst opgeslagen goederen (deels) niet opgehaald. Toewijzing opslagkosten over periode vanaf augustus 2024.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.237 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11991750 \ CV EXPL 25-5482
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[verhuurder]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder],
gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen,
tegen
THE GROUP B.V.,
te Waalre,
gedaagde partij,
hierna te noemen: The Group,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen The Group verleende verstek
- de zuivering van het verstek door The Group- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Met ingang van 1 juni 2023 heeft [verhuurder] aan The Group een opslagruimte verhuurd in de zin van artikel 7:230a BW, gelegen aan [adres], groot 320 m2. De huurprijs bedroeg € 1.089,00 exclusief elektra/stroom per maand, telkens te voldoen vóór of uiterlijk op de eerste dag van elke maand (productie 1 van [verhuurder]).
2.2.
In artikel 2 van de huurovereenkomst is bepaald dat deze is aangegaan voor de duur van een jaar. Bij het verstrijken van de duur van de huurovereenkomst wordt deze verlengd voor de duur van een jaar, tenzij de overeenkomst door een van de partijen met inacht-neming van een maand opzegtermijn wordt opgezegd.
2.3.
The Group heeft de huurpenningen over de maanden maart tot en met mei 2024 onbetaald gelaten.
2.4.
[verhuurder] heeft de huurovereenkomst bij aangetekend schrijven op 7 april 2024 opgezegd tegen 1 juni 2024.
2.5.
The Group heeft tot op heden de door haar opgeslagen goederen, die door [verhuurder] inmiddels elders zijn opgeslagen, (deels) niet opgehaald.
3Het geschil
3.1.
[verhuurder] vordert - samengevat -;
I. de veroordeling van The Group tot betaling van € 15.599,07 inclusief BTW (huurpenningen en opslagkosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de tweede dag van elke maand dat The Group de huurtermijn verschuldigd is, maar in ieder geval vanaf 22 augustus 2025, zijnde de datum waarop is gesommeerd,
II. de veroordeling van The Group tot het ophalen van de haar opgeslagen goederen bij [verhuurder], binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag, met een maximum van € 9.000,00,
III. een verklaring voor recht dat het [verhuurder] vrijstaat om de door The Group opgeslagen goederen af te voeren naar een afvalverwerker, indien The Group na het vollopen van de dwangsom de goederen niet heeft opgehaald, onder betaling van de kosten van afvoer,
IV. veroordeling van The Group in de kosten van de procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke handelsrente.
3.2.
[verhuurder] legt aan de vordering - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag.
Omdat The Group vanaf maart 2024 haar huurpenningen niet meer heeft betaald, heeft [verhuurder] de huurovereenkomst niet verlengd, waardoor deze per 1 juni 2024 is geëindigd. De huurachterstand bedraagt over de periode maart 2024 tot en met juni 2024 in totaal 3.953,07 inclusief BTW. Omdat de goederen op 1 juni 2024 niet door The Group uit het gehuurde zijn gehaald heeft [verhuurder] deze in een andere opslagruimte opgeslagen, omdat [verhuurder] het gehuurde per 1 juni 2024 aan een andere huurder had verhuurd. [verhuurder] heeft de opslagkosten berekend op basis van de gebruikte ruimte per m2. Aanvankelijk bedroeg deze € 680,63 inclusief BTW per maand. In april 2025 heeft The Group een aantal goederen opgehaald, waarna de opslagkosten zijn verlaagd naar € 605,00 inclusief BTW per maand. Ondanks meerdere verzoeken heeft The Group de resterende goederen niet opgehaald en de opslagkosten niet betaald. De onbetaalde opslagkosten over de periode 1 juni 2024 tot en met november 2025 bedragen in totaal € 11.646,00 inclusief BTW.
3.3.
The Group voert - verkort weergegeven - als volgt verweer. The Group concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [verhuurder], met veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure. Volgens The Group is zij de huurachterstand niet verschuldigd, omdat The Group op 2 februari 2024 had vastgesteld dat [verhuurder] schade had veroorzaakt aan haar goederen. [verhuurder] heeft haar goederen ruim vóór 1 juni 2024 zonder overleg en zonder de vereiste zorgvuldigheid op pallets geplaatst en naar een andere locatie verplaatst. The Group wenst haar schade op [verhuurder] te verhalen, door middel van afwijzing van de vordering van [verhuurder]. Zij verwijst hiervoor naar haar bijlagen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Zuivering van het verleende verstek
4.1.
Op grond van artikel 142 Rv heeft de gedaagde tegen wie verstek is verleend, zolang het eindvonnis nog niet is gewezen, de bevoegdheid om alsnog in het geding te verschijnen. The Group is niet verschenen op de in de dagvaarding vermelde datum. Tegen The Group is verstek verleend en de uitspraak voor het verstekvonnis is bepaald op 11 februari 2026. The Group heeft dit verstek tijdig gezuiverd waarmee de gevolgen van het tegen haar verleende verstek vervallen. Daardoor wordt de procedure op tegenspraak voortgezet.
Inhoudelijke beoordeling
4.2.
De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of The Group de huurachterstand over de periode maart tot en met mei 2024 en de opslagkosten over de periode 1 juni 2024 tot en met november 2025 aan [verhuurder] verschuldigd is.
Huurachterstand
4.3.
Vast staat dat de huurovereenkomst is geëindigd per 1 juni 2024 en dat The Group de huurpenningen over de periode maart tot en met mei 2024 niet heeft betaald. Hierbij zal worden uitgegaan van € 1.089,00 per maand, zijnde een totaalbedrag van € 3.267,00 inclusief BTW (anders dan het door [verhuurder] onder punt 19 van de dagvaarding genoemde bedrag aan huurachterstand). Dit bedrag is The Group in beginsel aan [verhuurder] verschuldigd.
Toegang tot en gebruik van het gehuurde
4.4.
Volgens The Group heeft [verhuurder] op 28 maart 2024 de sloten van het gehuurde vervangen en de toegang tot het gehuurde geblokkeerd. [verhuurder] betwist dat The Group de toegang tot het gehuurde is geblokkeerd. Volgens [verhuurder] heeft zij bij The Group kenbaar gemaakt dat zij zich bij [verhuurder] moest melden als zij bij haar goederen wilde komen en heeft zij op 30 mei 2024 onder meer aan The Group het volgende geschreven:
“(..) Vanaf 1 april zit er een ander slot in en wij hebben jou nooit de toestemming ontzegd tot de loods, alleen moet je dat eerst laten weten als de loods in wil, zodat wij deze open kunnen maken (..) (productie 4 bij de dagvaarding).
Dat [verhuurder] op 1 april 2024 een ander slot op het gehuurde had geplaats en The Group zich bij haar moest melden blijkt ook uit het aangetekend schrijven van [verhuurder] van 7 april 2024, waarin zij bovendien vermeld; “Wij willen geen nieuwe spullen meer in de loods…” (productie 3 bij de dagvaarding).
4.5.
In artikel 7:203 BW is het huurgenot geregeld. De verhuurder dient aan de huurder onbelemmerde toegang tot het gehuurde te verschaffen. Dat betekent dat je als huurder het recht hebt om het gehuurde vrij, zonder hinder, te betreden en te gebruiken.
Daar is in dit geval over de periode april tot en met juni 2024 geen sprake van geweest, omdat [verhuurder] met ingang van 1 april 2024 de sloten heeft veranderd en The Group het gehuurde enkel en alleen kon betreden nadat zij bij [verhuurder] de sleutel had opgehaald.
Dat zou in de praktijk inhouden dat The Group zich iedere keer eerst bij [verhuurder] zou moeten melden en de sleutel moet ophalen, als zij het gehuurde wil betreden. In dat geval is er geen sprake meer van onbelemmerde toegang tot het gehuurde.
Nu gesteld noch gebleken is dat er sprake is van gerechtvaardigde opschorting door [verhuurder] van haar verplichting tot het onbelemmerd verschaffen van huurgenot aan The Group, is zij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit de huurovereenkomst.
Bovendien heeft [verhuurder] aan The Group haar recht ontnomen om nieuwe spullen in de loods te plaatsen. Dat betekent dat de huurachterstand over de periode april tot en met juni 2024 wordt afgewezen.
4.6.
De huurachterstand over de periode maart 2024 ad € 1.089,00 wordt wel toegewezen, aangezien niet vast is komen te staan dat [verhuurder] reeds vanaf 28 maart 2024 de sloten van het gehuurde had vervangen, zodat zij over deze periode niet in strijd heeft gehandeld met artikel 7:203 BW.
Opslagkosten; periode 1 juni 2024 tot en met 31 juli 2024
4.7.
The Group heeft niet (tijdig) om verlenging van de ontruimingstermijn verzocht op grond van artikel 7:230a BW. The Group heeft op grond van voornoemd artikel wel recht op ontruimingsbescherming voor een periode van twee maanden vanaf de door [verhuurder] aangezegde datum van ontruiming. Dat betekent dat The Group tot en met 31 juli 2024 de tijd had om het gehuurde te ontruimen. Die tijd heeft zij van [verhuurder] niet gekregen, omdat [verhuurder] het gehuurde zelf had ontruimd door middel van het verplaatsen van de opgeslagen goederen van The Group naar een andere opslagruimte. Over deze periode heeft [verhuurder] dan ook geen recht op vergoeding van de door haar gevorderde opslagkosten voor een andere ruimte dan het gehuurde. Dit betreft een bedrag van twee maanden ad € 680,63 inclusief BTW per maand, zijnde € 1.361,26 inclusief BTW. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.
Opslagkosten: periode 1 augustus 2024 tot en met november 2025
4.8.
The Group stelt zich op het standpunt dat zij na 1 juni 2024 niet wist waar haar spullen stonden, terwijl [verhuurder] wel facturen bleef sturen. Dit standpunt kan niet slagen. [verhuurder] heeft onweersproken gesteld dat zij The Group op de hoogte heeft gebracht van het feit dat zij de goederen van The Group na 1 juni 2024 naar een andere loods heeft verplaatst en dat The Group op haar eerste verzoek toegang kon krijgen tot de gestalde goederen.
Gesteld noch gebleken is dat The Group na 1 juni 2024 een of meerdere malen aan [verhuurder] heeft gevraagd om haar spullen te mogen ophalen en dat [verhuurder] dit heeft geweigerd. Integendeel; uit de door [verhuurder] overgelegde stukken, waaronder het e-mailbericht van [verhuurder] van 30 mei 2024 en 5 juni 2024, blijkt dat [verhuurder] The Group heeft geïnformeerd dat de goederen in een andere loods waren opgeslagen en verzocht heeft de goederen te komen ophalen/een datum af te spreken voor het ophalen van de goederen (productie 4 en 10 van [verhuurder]).
Volgens The Group is zij op 12 mei 2025 de ruimte gaan bezichtigen waar de spullen door [verhuurder] waren opgeslagen, maar voldoet deze ruimte onder meer niet aan de normen van de overeenkomst tussen partijen. Volgens The Group betreft het een schuur die verre van schoon is en waarvan de oppervlakte niet bekend is die wordt gebruikt voor de goederen van The Group. Zij betwist dat zij het gevorderde bedrag per maand hiervoor verschuldigd is.
Dit standpunt is door [verhuurder] betwist. Volgens [verhuurder] zijn de goederen opgeslagen in een kleinere opslagruimte van dezelfde kwaliteit en zijn de opslagkosten berekend aan de hand van het aantal gebruikte m2 voor de opslag van de goederen van The Group. [verhuurder] heeft als productie 11 een foto van de opslagplaats overgelegd. The Group heeft de gemotiveerde betwisting van haar stelling niet weerlegd en haar stelling ook niet verder onderbouwd.
Bovendien heeft [verhuurder] onweersproken gesteld dat The Group in april 2025 een aantal van de meest waardevolle goederen heeft opgehaald, maar de rest van haar goederen niet (productie 10 van [verhuurder]). Indien The Group van mening was dat de goederen niet correct waren opgeslagen, had zij al haar goederen opgehaald en niet slechts een deel hiervan. Dat heeft zij tot op heden niet gedaan.
4.9.
De conclusie van dit alles is dat [verhuurder] na het einde van de huurovereenkomst opslagkosten heeft moeten maken omdat The Group haar goederen niet (allemaal) is komen ophalen en [verhuurder] hiervoor ruimte heeft moeten vrijmaken in een andere opslagruimte. [verhuurder] heeft hiervoor tot en met maart 2024 een bedrag van € 680,63 inclusief BTW berekend en nadat The Group een aantal goederen had opgehaald in april 2024, een bedrag van € 605,00 inclusief BTW. De kantonrechter is van oordeel dat The Group over de periode augustus 2024 tot en met november 2025 opslagkosten verschuldigd is.
The Group heeft enkel gesteld maar onvoldoende onderbouwd op grond waarvan het gevorderde bedrag aan opslagkosten per maand te hoog zou zijn. Dat betekent dat een bedrag van (8 maanden maal € 680,63 en 8 maanden maal € 605,00, zijnde in totaal)
€ 10.285,04, wordt toegewezen.
Schade aan de goederen van The Group
4.10.
Volgens The Group heeft [verhuurder] schade veroorzaakt aan haar opgeslagen goederen, doordat [verhuurder] de goederen roekeloos op pallets heeft gezet en verplaatst. The Group verwijst voor haar schade naar de door haar overgelegde communicatie tussen haar en [verhuurder] (whatsappberichten en e-mailberichten). [verhuurder] wenst haar schade op The Group te verhalen, door de vordering in conventie af te wijzen. Dat betekent dat The Group een beroep doet op het verrekeningsverweer ex artikel 6:136 BW. The Group heeft geen eis in reconventie ingesteld. Een verrekeningsverweer kan echter alleen slagen als de tegenvordering waar The Group zich op beroept op eenvoudige wijze is vast te stellen. Daar is in dit geval geen sprake van. De tegenvordering wordt namelijk door [verhuurder] betwist en de omvang van de tegenvordering staat niet vast. The Group verwijst voor haar tegenvordering naar de door haar overgelegde correspondentie, maar ook daar is niet op eenvoudige wijze een tegenvordering uit op te maken.
Dat betekent dat het verweer niet slaagt en de vordering wordt toegewezen, zoals onder overweging 4.6 en 4.9 is overwogen.
Wettelijke (handels)rente
4.11.
De wettelijke handelsrente wordt toegewezen over de huurachterstand ad
€ 1.089,00, vanaf de tweede dag van de maand dat de huurtermijn verschuldigd is geworden. Over het toe te wijzen bedrag aan opslagkosten ad € 10.285,04 is de wettelijke rente toewijsbaar en niet de wettelijke handelsrente, omdat de verschuldigdheid van de opstalkosten na het einde van de overeenkomst geen betalingsverbintenis is die voortvloeit uit een handelsovereenkomst in de zin van voornoemd artikel. De wettelijke rente hierover is toewijsbaar vanaf 22 augustus 2025.
Ophalen van de goederen
4.12.
Nu The Group een deel van haar opgeslagen goederen niet bij [verhuurder] heeft opgehaald, zal zij worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis deze bij [verhuurder] op te halen. De kantonrechter zal de gevorderde dwangsom van
€ 50,00 per dag tot een maximum van € 2.000,00 toewijzen, nu The Group - ondanks diverse verzoeken - de goederen niet heeft opgehaald.
Verklaring voor recht
4.13.
De verklaring voor recht om de door The Group opgeslagen goederen af te voeren naar een afvalverwerker, indien The Group na het vollopen van de maximale dwangsom de goederen niet heeft opgehaald, is toewijsbaar. De daarmee gepaard gaande kosten worden afgewezen, nu deze kosten kunnen worden betaald uit de geïnde boete.
Proceskosten en nakosten
4.14.
The Group is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
147,42
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.616,42
4.15.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten en nakosten wordt afgewezen omdat de verschuldigdheid van proceskosten geen betalingsverbintenis is die voortvloeit uit een handelsovereenkomst in de zin van voornoemd artikel. De wettelijke rente uit artikel 6:119 BW is toewijsbaar en wel met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis. Deze wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt The Group tot betaling van € 1.089,00 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de tweede dag van de maand dat de huurtermijn verschuldigd is geworden tot aan de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt The Group tot betaling van € 10.285,04 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 22 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt The Group tot het ophalen van de door haar opgeslagen goederen bij [verhuurder], binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag(deel) dat zij hieraan in gebreke blijft, met een maximum van
€ 2.000,00,
5.4.
verklaart voor recht dat het [verhuurder] vrijstaat om de door The Group opgeslagen goederen bij [verhuurder] af te voeren naar een afvalverwerker, indien The Group na het vollopen van de maximale dwangsom de goederen niet heeft opgehaald,
5.5.
veroordeelt The Group in de proceskosten van € 2.616,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als The Group niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt The Group tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten en de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11991750 \ CV EXPL 25-5482
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[verhuurder]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder],
gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen,
tegen
THE GROUP B.V.,
te Waalre,
gedaagde partij,
hierna te noemen: The Group,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen The Group verleende verstek
- de zuivering van het verstek door The Group- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Met ingang van 1 juni 2023 heeft [verhuurder] aan The Group een opslagruimte verhuurd in de zin van artikel 7:230a BW, gelegen aan [adres], groot 320 m2. De huurprijs bedroeg € 1.089,00 exclusief elektra/stroom per maand, telkens te voldoen vóór of uiterlijk op de eerste dag van elke maand (productie 1 van [verhuurder]).
2.2.
In artikel 2 van de huurovereenkomst is bepaald dat deze is aangegaan voor de duur van een jaar. Bij het verstrijken van de duur van de huurovereenkomst wordt deze verlengd voor de duur van een jaar, tenzij de overeenkomst door een van de partijen met inacht-neming van een maand opzegtermijn wordt opgezegd.
2.3.
The Group heeft de huurpenningen over de maanden maart tot en met mei 2024 onbetaald gelaten.
2.4.
[verhuurder] heeft de huurovereenkomst bij aangetekend schrijven op 7 april 2024 opgezegd tegen 1 juni 2024.
2.5.
The Group heeft tot op heden de door haar opgeslagen goederen, die door [verhuurder] inmiddels elders zijn opgeslagen, (deels) niet opgehaald.
3Het geschil
3.1.
[verhuurder] vordert - samengevat -;
I. de veroordeling van The Group tot betaling van € 15.599,07 inclusief BTW (huurpenningen en opslagkosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de tweede dag van elke maand dat The Group de huurtermijn verschuldigd is, maar in ieder geval vanaf 22 augustus 2025, zijnde de datum waarop is gesommeerd,
II. de veroordeling van The Group tot het ophalen van de haar opgeslagen goederen bij [verhuurder], binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag, met een maximum van € 9.000,00,
III. een verklaring voor recht dat het [verhuurder] vrijstaat om de door The Group opgeslagen goederen af te voeren naar een afvalverwerker, indien The Group na het vollopen van de dwangsom de goederen niet heeft opgehaald, onder betaling van de kosten van afvoer,
IV. veroordeling van The Group in de kosten van de procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke handelsrente.
3.2.
[verhuurder] legt aan de vordering - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag.
Omdat The Group vanaf maart 2024 haar huurpenningen niet meer heeft betaald, heeft [verhuurder] de huurovereenkomst niet verlengd, waardoor deze per 1 juni 2024 is geëindigd. De huurachterstand bedraagt over de periode maart 2024 tot en met juni 2024 in totaal 3.953,07 inclusief BTW. Omdat de goederen op 1 juni 2024 niet door The Group uit het gehuurde zijn gehaald heeft [verhuurder] deze in een andere opslagruimte opgeslagen, omdat [verhuurder] het gehuurde per 1 juni 2024 aan een andere huurder had verhuurd. [verhuurder] heeft de opslagkosten berekend op basis van de gebruikte ruimte per m2. Aanvankelijk bedroeg deze € 680,63 inclusief BTW per maand. In april 2025 heeft The Group een aantal goederen opgehaald, waarna de opslagkosten zijn verlaagd naar € 605,00 inclusief BTW per maand. Ondanks meerdere verzoeken heeft The Group de resterende goederen niet opgehaald en de opslagkosten niet betaald. De onbetaalde opslagkosten over de periode 1 juni 2024 tot en met november 2025 bedragen in totaal € 11.646,00 inclusief BTW.
3.3.
The Group voert - verkort weergegeven - als volgt verweer. The Group concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [verhuurder], met veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure. Volgens The Group is zij de huurachterstand niet verschuldigd, omdat The Group op 2 februari 2024 had vastgesteld dat [verhuurder] schade had veroorzaakt aan haar goederen. [verhuurder] heeft haar goederen ruim vóór 1 juni 2024 zonder overleg en zonder de vereiste zorgvuldigheid op pallets geplaatst en naar een andere locatie verplaatst. The Group wenst haar schade op [verhuurder] te verhalen, door middel van afwijzing van de vordering van [verhuurder]. Zij verwijst hiervoor naar haar bijlagen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Zuivering van het verleende verstek
4.1.
Op grond van artikel 142 Rv heeft de gedaagde tegen wie verstek is verleend, zolang het eindvonnis nog niet is gewezen, de bevoegdheid om alsnog in het geding te verschijnen. The Group is niet verschenen op de in de dagvaarding vermelde datum. Tegen The Group is verstek verleend en de uitspraak voor het verstekvonnis is bepaald op 11 februari 2026. The Group heeft dit verstek tijdig gezuiverd waarmee de gevolgen van het tegen haar verleende verstek vervallen. Daardoor wordt de procedure op tegenspraak voortgezet.
Inhoudelijke beoordeling
4.2.
De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of The Group de huurachterstand over de periode maart tot en met mei 2024 en de opslagkosten over de periode 1 juni 2024 tot en met november 2025 aan [verhuurder] verschuldigd is.
Huurachterstand
4.3.
Vast staat dat de huurovereenkomst is geëindigd per 1 juni 2024 en dat The Group de huurpenningen over de periode maart tot en met mei 2024 niet heeft betaald. Hierbij zal worden uitgegaan van € 1.089,00 per maand, zijnde een totaalbedrag van € 3.267,00 inclusief BTW (anders dan het door [verhuurder] onder punt 19 van de dagvaarding genoemde bedrag aan huurachterstand). Dit bedrag is The Group in beginsel aan [verhuurder] verschuldigd.
Toegang tot en gebruik van het gehuurde
4.4.
Volgens The Group heeft [verhuurder] op 28 maart 2024 de sloten van het gehuurde vervangen en de toegang tot het gehuurde geblokkeerd. [verhuurder] betwist dat The Group de toegang tot het gehuurde is geblokkeerd. Volgens [verhuurder] heeft zij bij The Group kenbaar gemaakt dat zij zich bij [verhuurder] moest melden als zij bij haar goederen wilde komen en heeft zij op 30 mei 2024 onder meer aan The Group het volgende geschreven:
“(..) Vanaf 1 april zit er een ander slot in en wij hebben jou nooit de toestemming ontzegd tot de loods, alleen moet je dat eerst laten weten als de loods in wil, zodat wij deze open kunnen maken (..) (productie 4 bij de dagvaarding).
Dat [verhuurder] op 1 april 2024 een ander slot op het gehuurde had geplaats en The Group zich bij haar moest melden blijkt ook uit het aangetekend schrijven van [verhuurder] van 7 april 2024, waarin zij bovendien vermeld; “Wij willen geen nieuwe spullen meer in de loods…” (productie 3 bij de dagvaarding).
4.5.
In artikel 7:203 BW is het huurgenot geregeld. De verhuurder dient aan de huurder onbelemmerde toegang tot het gehuurde te verschaffen. Dat betekent dat je als huurder het recht hebt om het gehuurde vrij, zonder hinder, te betreden en te gebruiken.
Daar is in dit geval over de periode april tot en met juni 2024 geen sprake van geweest, omdat [verhuurder] met ingang van 1 april 2024 de sloten heeft veranderd en The Group het gehuurde enkel en alleen kon betreden nadat zij bij [verhuurder] de sleutel had opgehaald.
Dat zou in de praktijk inhouden dat The Group zich iedere keer eerst bij [verhuurder] zou moeten melden en de sleutel moet ophalen, als zij het gehuurde wil betreden. In dat geval is er geen sprake meer van onbelemmerde toegang tot het gehuurde.
Nu gesteld noch gebleken is dat er sprake is van gerechtvaardigde opschorting door [verhuurder] van haar verplichting tot het onbelemmerd verschaffen van huurgenot aan The Group, is zij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit de huurovereenkomst.
Bovendien heeft [verhuurder] aan The Group haar recht ontnomen om nieuwe spullen in de loods te plaatsen. Dat betekent dat de huurachterstand over de periode april tot en met juni 2024 wordt afgewezen.
4.6.
De huurachterstand over de periode maart 2024 ad € 1.089,00 wordt wel toegewezen, aangezien niet vast is komen te staan dat [verhuurder] reeds vanaf 28 maart 2024 de sloten van het gehuurde had vervangen, zodat zij over deze periode niet in strijd heeft gehandeld met artikel 7:203 BW.
Opslagkosten; periode 1 juni 2024 tot en met 31 juli 2024
4.7.
The Group heeft niet (tijdig) om verlenging van de ontruimingstermijn verzocht op grond van artikel 7:230a BW. The Group heeft op grond van voornoemd artikel wel recht op ontruimingsbescherming voor een periode van twee maanden vanaf de door [verhuurder] aangezegde datum van ontruiming. Dat betekent dat The Group tot en met 31 juli 2024 de tijd had om het gehuurde te ontruimen. Die tijd heeft zij van [verhuurder] niet gekregen, omdat [verhuurder] het gehuurde zelf had ontruimd door middel van het verplaatsen van de opgeslagen goederen van The Group naar een andere opslagruimte. Over deze periode heeft [verhuurder] dan ook geen recht op vergoeding van de door haar gevorderde opslagkosten voor een andere ruimte dan het gehuurde. Dit betreft een bedrag van twee maanden ad € 680,63 inclusief BTW per maand, zijnde € 1.361,26 inclusief BTW. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.
Opslagkosten: periode 1 augustus 2024 tot en met november 2025
4.8.
The Group stelt zich op het standpunt dat zij na 1 juni 2024 niet wist waar haar spullen stonden, terwijl [verhuurder] wel facturen bleef sturen. Dit standpunt kan niet slagen. [verhuurder] heeft onweersproken gesteld dat zij The Group op de hoogte heeft gebracht van het feit dat zij de goederen van The Group na 1 juni 2024 naar een andere loods heeft verplaatst en dat The Group op haar eerste verzoek toegang kon krijgen tot de gestalde goederen.
Gesteld noch gebleken is dat The Group na 1 juni 2024 een of meerdere malen aan [verhuurder] heeft gevraagd om haar spullen te mogen ophalen en dat [verhuurder] dit heeft geweigerd. Integendeel; uit de door [verhuurder] overgelegde stukken, waaronder het e-mailbericht van [verhuurder] van 30 mei 2024 en 5 juni 2024, blijkt dat [verhuurder] The Group heeft geïnformeerd dat de goederen in een andere loods waren opgeslagen en verzocht heeft de goederen te komen ophalen/een datum af te spreken voor het ophalen van de goederen (productie 4 en 10 van [verhuurder]).
Volgens The Group is zij op 12 mei 2025 de ruimte gaan bezichtigen waar de spullen door [verhuurder] waren opgeslagen, maar voldoet deze ruimte onder meer niet aan de normen van de overeenkomst tussen partijen. Volgens The Group betreft het een schuur die verre van schoon is en waarvan de oppervlakte niet bekend is die wordt gebruikt voor de goederen van The Group. Zij betwist dat zij het gevorderde bedrag per maand hiervoor verschuldigd is.
Dit standpunt is door [verhuurder] betwist. Volgens [verhuurder] zijn de goederen opgeslagen in een kleinere opslagruimte van dezelfde kwaliteit en zijn de opslagkosten berekend aan de hand van het aantal gebruikte m2 voor de opslag van de goederen van The Group. [verhuurder] heeft als productie 11 een foto van de opslagplaats overgelegd. The Group heeft de gemotiveerde betwisting van haar stelling niet weerlegd en haar stelling ook niet verder onderbouwd.
Bovendien heeft [verhuurder] onweersproken gesteld dat The Group in april 2025 een aantal van de meest waardevolle goederen heeft opgehaald, maar de rest van haar goederen niet (productie 10 van [verhuurder]). Indien The Group van mening was dat de goederen niet correct waren opgeslagen, had zij al haar goederen opgehaald en niet slechts een deel hiervan. Dat heeft zij tot op heden niet gedaan.
4.9.
De conclusie van dit alles is dat [verhuurder] na het einde van de huurovereenkomst opslagkosten heeft moeten maken omdat The Group haar goederen niet (allemaal) is komen ophalen en [verhuurder] hiervoor ruimte heeft moeten vrijmaken in een andere opslagruimte. [verhuurder] heeft hiervoor tot en met maart 2024 een bedrag van € 680,63 inclusief BTW berekend en nadat The Group een aantal goederen had opgehaald in april 2024, een bedrag van € 605,00 inclusief BTW. De kantonrechter is van oordeel dat The Group over de periode augustus 2024 tot en met november 2025 opslagkosten verschuldigd is.
The Group heeft enkel gesteld maar onvoldoende onderbouwd op grond waarvan het gevorderde bedrag aan opslagkosten per maand te hoog zou zijn. Dat betekent dat een bedrag van (8 maanden maal € 680,63 en 8 maanden maal € 605,00, zijnde in totaal)
€ 10.285,04, wordt toegewezen.
Schade aan de goederen van The Group
4.10.
Volgens The Group heeft [verhuurder] schade veroorzaakt aan haar opgeslagen goederen, doordat [verhuurder] de goederen roekeloos op pallets heeft gezet en verplaatst. The Group verwijst voor haar schade naar de door haar overgelegde communicatie tussen haar en [verhuurder] (whatsappberichten en e-mailberichten). [verhuurder] wenst haar schade op The Group te verhalen, door de vordering in conventie af te wijzen. Dat betekent dat The Group een beroep doet op het verrekeningsverweer ex artikel 6:136 BW. The Group heeft geen eis in reconventie ingesteld. Een verrekeningsverweer kan echter alleen slagen als de tegenvordering waar The Group zich op beroept op eenvoudige wijze is vast te stellen. Daar is in dit geval geen sprake van. De tegenvordering wordt namelijk door [verhuurder] betwist en de omvang van de tegenvordering staat niet vast. The Group verwijst voor haar tegenvordering naar de door haar overgelegde correspondentie, maar ook daar is niet op eenvoudige wijze een tegenvordering uit op te maken.
Dat betekent dat het verweer niet slaagt en de vordering wordt toegewezen, zoals onder overweging 4.6 en 4.9 is overwogen.
Wettelijke (handels)rente
4.11.
De wettelijke handelsrente wordt toegewezen over de huurachterstand ad
€ 1.089,00, vanaf de tweede dag van de maand dat de huurtermijn verschuldigd is geworden. Over het toe te wijzen bedrag aan opslagkosten ad € 10.285,04 is de wettelijke rente toewijsbaar en niet de wettelijke handelsrente, omdat de verschuldigdheid van de opstalkosten na het einde van de overeenkomst geen betalingsverbintenis is die voortvloeit uit een handelsovereenkomst in de zin van voornoemd artikel. De wettelijke rente hierover is toewijsbaar vanaf 22 augustus 2025.
Ophalen van de goederen
4.12.
Nu The Group een deel van haar opgeslagen goederen niet bij [verhuurder] heeft opgehaald, zal zij worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis deze bij [verhuurder] op te halen. De kantonrechter zal de gevorderde dwangsom van
€ 50,00 per dag tot een maximum van € 2.000,00 toewijzen, nu The Group - ondanks diverse verzoeken - de goederen niet heeft opgehaald.
Verklaring voor recht
4.13.
De verklaring voor recht om de door The Group opgeslagen goederen af te voeren naar een afvalverwerker, indien The Group na het vollopen van de maximale dwangsom de goederen niet heeft opgehaald, is toewijsbaar. De daarmee gepaard gaande kosten worden afgewezen, nu deze kosten kunnen worden betaald uit de geïnde boete.
Proceskosten en nakosten
4.14.
The Group is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
147,42
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.616,42
4.15.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten en nakosten wordt afgewezen omdat de verschuldigdheid van proceskosten geen betalingsverbintenis is die voortvloeit uit een handelsovereenkomst in de zin van voornoemd artikel. De wettelijke rente uit artikel 6:119 BW is toewijsbaar en wel met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis. Deze wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt The Group tot betaling van € 1.089,00 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de tweede dag van de maand dat de huurtermijn verschuldigd is geworden tot aan de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt The Group tot betaling van € 10.285,04 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 22 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt The Group tot het ophalen van de door haar opgeslagen goederen bij [verhuurder], binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag(deel) dat zij hieraan in gebreke blijft, met een maximum van
€ 2.000,00,
5.4.
verklaart voor recht dat het [verhuurder] vrijstaat om de door The Group opgeslagen goederen bij [verhuurder] af te voeren naar een afvalverwerker, indien The Group na het vollopen van de maximale dwangsom de goederen niet heeft opgehaald,
5.5.
veroordeelt The Group in de proceskosten van € 2.616,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als The Group niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt The Group tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten en de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.