Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9124
2026-09-01
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12325518 \ CV EXPL 26-4024
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Ontruiming huurwoning.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.464 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12325518 \ CV EXPL 26-4024
Vonnis in kort geding van 1 september 2026
in de zaak van
[verhuurder]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder],
gemachtigde: mr. J.J.M. Verhagen,
tegen
[huurder]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder],
gemachtigde: mr. S.L.T.A. Scheepers.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen- de conclusie van antwoord met bijlagen- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026- de spreekaantekeningen aan de kant van [verhuurder]- de door [huurder] op de mondelinge behandeling overgelegde e-mails.
2De feiten
2.1.
[huurder] huurt vanaf 1 september 2024 woonruimte van [verhuurder]. Het gaat hierbij om een studio in een hotel aan [adres].
2.2.
De huurovereenkomst is aanvankelijk aangegaan voor de duur van een jaar. Daarna is deze van rechtswege voortgezet voor onbepaalde tijd.
2.3.
De huurprijs bedraagt € 850,00 per maand. Verder betaalt [huurder] € 25,00 per maand voor verbruik van gas, water en licht. Partijen hebben afgesproken dat [huurder] per 1 februari 2026 een aanvullend bedrag van € 50,00 betaalt. De totale maandelijkse betaalverplichting bedraagt daarmee € 925,00.
2.4.
[huurder] heeft niet voldaan aan zijn betaalverplichting over de maanden maart, april, mei, juni, juli en augustus 2026, met uitzondering van een eenmalige betaling van € 200,00. De achterstand bedraagt tot en met augustus 2026 € 5.350,00.
2.5.
[verhuurder] heeft de achterstand op grond van artikel 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening gemeld bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats]. [huurder] heeft inmiddels te horen gekregen dat hij niet in aanmerking komt voor schuldhulpverlening via de gemeente.
2.6.
Op het inkomen van [huurder] is loonbeslag gelegd en hij ontvangt nu € 315,00 netto per week. De schuldenlast is ongeveer € 45.000,00, waaronder deze huurschuld.
3Het geschil
3.1.
[verhuurder] vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
ontruiming van de woonruimte aan [adres];
betaling van de achterstand ad € 5.350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
betaling van een bedrag van € 925,00 per maand tot aan de ontruiming;
betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[verhuurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] heeft een huurachterstand laten ontstaan van zes maanden. Hij biedt geen perspectief op het inlopen van de huurachterstand noch op structurele betaling van de huurtermijnen. [verhuurder] heeft er geen vertrouwen in dat de door [huurder] genoemde betaling van een voorschot op de schade-uitkering bij haar terecht komt en dat [huurder] aan de maandelijkse betaalverplichting kan voldoen. [verhuurder] heeft een spoedeisend belang. Zij is een particuliere verhuurder die de huurinkomsten nodig heeft om de vaste lasten van het pand te kunnen betalen.
3.3.
[huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [verhuurder], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [verhuurder], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.4.
[huurder] voert het volgende aan. [verhuurder] heeft geen spoedeisend belang bij haar vorderingen. [verhuurder] heeft namelijk niet nader onderbouwd dat zij afhankelijk is van de huurinkomsten om de vaste lasten van het pand te dekken. Ten aanzien van de gevorderde ontruiming en betaling van de huurpenningen valt niet in te zien waarom de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Voor ‘doorbetaling’ van de huurpenningen is ook geen plaats omdat dit volgens de huurovereenkomst al verplicht is. Verder voert [huurder] aan dat hij binnen afzienbare tijd € 5.000,00 als voorschot op schadevergoeding in zijn letselschadezaak ontvangt. Daarmee kan hij de achterstand grotendeels aflossen. Tot slot voert [huurder] aan dat zijn bonusdochter bij hem wil komen wonen en daarvoor € 500,00 per maand aan [huurder] zal betalen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat een als voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste rechtspraak - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een
- diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding.
4.2.
In dit kort geding moet worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat de vorderingen van [verhuurder] tot ontruiming en tot betaling van de gevorderde bedragen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen en of het gelet op de belangen van partijen gerechtvaardigd is om vooruitlopend daarop onder meer de ontruiming in dit kort geding als voorlopige voorziening toe te wijzen. In dit vonnis geeft de kantonrechter alleen een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.3.
Bij de beoordeling van een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is verder terughoudendheid op zijn plaats. Om een dergelijke vordering in kort geding te kunnen toewijzen is nodig dat die vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moet er sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat [verhuurder] het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval zij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld. Het is aan [verhuurder] als eisende partij om te stellen en te onderbouwen dat zij een spoedeisend belang heeft bij de eisen die zij instelt. Slechts indien het in hoge mate aannemelijk is dat de geldvordering door de bodemrechter zal worden toegewezen, bestaat er aanleiding minder strenge eisen aan de spoedeisendheid te stellen.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [verhuurder] een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. [verhuurder] heeft verklaard dat zij ter dekking van haar vaste lasten van het betreffende pand afhankelijk is van de huurinkomsten. [huurder] stelt wel dat [verhuurder] dat niet nader heeft onderbouwd, maar daarbij gaat hij eraan voorbij dat verdere onderbouwing pas aan de orde komt bij een concrete betwisting. Daarvan is geen sprake.
4.5.
Verder staat als erkend vast dat het in deze zaak om een huurachterstand van € 5.350,00 gaat. Gelet op de omvang hiervan is het spoedeisend belang van [verhuurder] erin gelegen dat zij op korte termijn over de betaling kan beschikken en hiermee aan haar eigen financiële verplichtingen kan voldoen. Omdat [huurder] de gevorderde huurachterstand heeft erkend en ook niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die zouden maken dat [huurder] de achterstallige huur niet zou hoeven te betalen, zal deze worden toegewezen. Ook de gevorderde huurtermijnen vanaf september 2026 tot aan de ontruiming zijn toewijsbaar. Het feit dat de verplichting tot maandelijkse betaling van de huur tot aan de ontruiming al uit de huurovereenkomst voortvloeit, staat daar niet aan in de weg (artikel 3:296 BW).
4.6.
De wettelijke rente over zowel de achterstand als de toekomstige huurtermijnen wordt toegewezen als gevorderd. Hiertegen heeft [huurder] geen verweer gevoerd en de stellingen van [verhuurder] kunnen deze vorderingen dragen.
4.7.
Over de gevorderde ontruiming oordeelt de kantonrechter als volgt. Met de stand van zaken ten tijde van de mondelinge behandeling, kan met grote mate van waarschijnlijkheid geoordeeld worden dat de bodemrechter zal overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst. Het is namelijk vaste rechtspraak dat bij een huurachterstand van drie maanden, ontbinding van de huurovereenkomst in beginsel gerechtvaardigd is. In dit geval gaat het om een huurachterstand van nagenoeg zes maanden. De huurachterstand is zo groot dat in beginsel niet van [verhuurder] kan worden verlangd dat zij de huurovereenkomst laat voortduren. De door [huurder] aangevoerde omstandigheden (kort gezegd dat hij vanwege een verkeersongeval zijn werkzaamheden niet langer kon uitvoeren en een forse schuldenlast heeft waarvoor beslag is gelegd), zijn omstandigheden die in de verhouding tot [verhuurder] voor rekening en risico van [huurder] komen. Daarbij komt dat inmiddels vaststaat dat [huurder] niet in aanmerking komt voor een schuldhulpverleningstraject van de gemeente, zodat ook in dat opzicht geen sprake is van concreet uitzicht op een oplossing op de korte termijn. Daarmee ligt de gevorderde ontruiming van het gehuurde in beginsel voor toewijzing gereed.
4.8.
[huurder] heeft echter aangevoerd dat hij op korte termijn over een geldbedrag van € 5.000,00 zal beschikken, omdat de verzekeraar in zijn letselschadezaak een voorschot ter hoogte van dat bedrag zal uitbetalen. Op de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [huurder] een e-mail van 18 augustus 2026 overgelegd. Uit die e-mail en de daaronder hangende e-mails valt af te leiden dat inderdaad een voorschot van € 5.000,00 zal worden overgemaakt, binnen 10 werkdagen na 12 augustus 2026. [huurder] voert aan dat hij met de betaling van dit bedrag de achterstand nagenoeg geheel kan inlossen en dat hij het resterende openstaande bedrag kan betalen met de verkoop van spullen.
4.9.
Indien dat het geval zal zijn ([verhuurder] heeft erop gewezen dat er meerdere schuldeisers zijn, waardoor het volgens haar maar de vraag is of de uitkering bij haar terecht zal komen), kan niet met voldoende zekerheid worden geoordeeld dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden, omdat er dan geen sprake meer is van een huurachterstand of slechts nog van een gering bedrag. Hierin bestaat voor de kantonrechter aanleiding om de veroordeling tot ontruiming voorwaardelijk toe te wijzen, te weten alleen voor het geval [huurder] zich niet aan de volgende voorwaarden houdt:
[huurder] betaalt binnen 14 dagen na vandaag een bedrag van € 5.000,00 aan [verhuurder];
[huurder] betaalt de lopende huur vanaf september 2026.
4.10.
[huurder] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
- griffierecht
€
€
153,02
93,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.255,02
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder]:
a. a) € 5.350,00 aan achterstallige huur tot en met 31 augustus 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
b) € 925,00 per maand (of zoveel hoger als bij wettelijke huurverhoging zou zijn toegestaan) te betalen voor elke maand of gedeelte van een maand dat [huurder] na augustus 2026 het gehuurde in gebruik houdt tot aan de dag van volledige ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woonruimte aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurder] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurder], indien niet aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
[huurder] betaalt binnen 14 dagen na vandaag een bedrag van € 5.000,00 aan [verhuurder];
[huurder] betaalt de lopende huur vanaf september 2026,
5.3.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.255,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12325518 \ CV EXPL 26-4024
Vonnis in kort geding van 1 september 2026
in de zaak van
[verhuurder]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder],
gemachtigde: mr. J.J.M. Verhagen,
tegen
[huurder]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder],
gemachtigde: mr. S.L.T.A. Scheepers.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen- de conclusie van antwoord met bijlagen- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026- de spreekaantekeningen aan de kant van [verhuurder]- de door [huurder] op de mondelinge behandeling overgelegde e-mails.
2De feiten
2.1.
[huurder] huurt vanaf 1 september 2024 woonruimte van [verhuurder]. Het gaat hierbij om een studio in een hotel aan [adres].
2.2.
De huurovereenkomst is aanvankelijk aangegaan voor de duur van een jaar. Daarna is deze van rechtswege voortgezet voor onbepaalde tijd.
2.3.
De huurprijs bedraagt € 850,00 per maand. Verder betaalt [huurder] € 25,00 per maand voor verbruik van gas, water en licht. Partijen hebben afgesproken dat [huurder] per 1 februari 2026 een aanvullend bedrag van € 50,00 betaalt. De totale maandelijkse betaalverplichting bedraagt daarmee € 925,00.
2.4.
[huurder] heeft niet voldaan aan zijn betaalverplichting over de maanden maart, april, mei, juni, juli en augustus 2026, met uitzondering van een eenmalige betaling van € 200,00. De achterstand bedraagt tot en met augustus 2026 € 5.350,00.
2.5.
[verhuurder] heeft de achterstand op grond van artikel 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening gemeld bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats]. [huurder] heeft inmiddels te horen gekregen dat hij niet in aanmerking komt voor schuldhulpverlening via de gemeente.
2.6.
Op het inkomen van [huurder] is loonbeslag gelegd en hij ontvangt nu € 315,00 netto per week. De schuldenlast is ongeveer € 45.000,00, waaronder deze huurschuld.
3Het geschil
3.1.
[verhuurder] vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
ontruiming van de woonruimte aan [adres];
betaling van de achterstand ad € 5.350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
betaling van een bedrag van € 925,00 per maand tot aan de ontruiming;
betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[verhuurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] heeft een huurachterstand laten ontstaan van zes maanden. Hij biedt geen perspectief op het inlopen van de huurachterstand noch op structurele betaling van de huurtermijnen. [verhuurder] heeft er geen vertrouwen in dat de door [huurder] genoemde betaling van een voorschot op de schade-uitkering bij haar terecht komt en dat [huurder] aan de maandelijkse betaalverplichting kan voldoen. [verhuurder] heeft een spoedeisend belang. Zij is een particuliere verhuurder die de huurinkomsten nodig heeft om de vaste lasten van het pand te kunnen betalen.
3.3.
[huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [verhuurder], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [verhuurder], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.4.
[huurder] voert het volgende aan. [verhuurder] heeft geen spoedeisend belang bij haar vorderingen. [verhuurder] heeft namelijk niet nader onderbouwd dat zij afhankelijk is van de huurinkomsten om de vaste lasten van het pand te dekken. Ten aanzien van de gevorderde ontruiming en betaling van de huurpenningen valt niet in te zien waarom de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Voor ‘doorbetaling’ van de huurpenningen is ook geen plaats omdat dit volgens de huurovereenkomst al verplicht is. Verder voert [huurder] aan dat hij binnen afzienbare tijd € 5.000,00 als voorschot op schadevergoeding in zijn letselschadezaak ontvangt. Daarmee kan hij de achterstand grotendeels aflossen. Tot slot voert [huurder] aan dat zijn bonusdochter bij hem wil komen wonen en daarvoor € 500,00 per maand aan [huurder] zal betalen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat een als voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste rechtspraak - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een
- diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding.
4.2.
In dit kort geding moet worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat de vorderingen van [verhuurder] tot ontruiming en tot betaling van de gevorderde bedragen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen en of het gelet op de belangen van partijen gerechtvaardigd is om vooruitlopend daarop onder meer de ontruiming in dit kort geding als voorlopige voorziening toe te wijzen. In dit vonnis geeft de kantonrechter alleen een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.3.
Bij de beoordeling van een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is verder terughoudendheid op zijn plaats. Om een dergelijke vordering in kort geding te kunnen toewijzen is nodig dat die vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moet er sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat [verhuurder] het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval zij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld. Het is aan [verhuurder] als eisende partij om te stellen en te onderbouwen dat zij een spoedeisend belang heeft bij de eisen die zij instelt. Slechts indien het in hoge mate aannemelijk is dat de geldvordering door de bodemrechter zal worden toegewezen, bestaat er aanleiding minder strenge eisen aan de spoedeisendheid te stellen.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [verhuurder] een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. [verhuurder] heeft verklaard dat zij ter dekking van haar vaste lasten van het betreffende pand afhankelijk is van de huurinkomsten. [huurder] stelt wel dat [verhuurder] dat niet nader heeft onderbouwd, maar daarbij gaat hij eraan voorbij dat verdere onderbouwing pas aan de orde komt bij een concrete betwisting. Daarvan is geen sprake.
4.5.
Verder staat als erkend vast dat het in deze zaak om een huurachterstand van € 5.350,00 gaat. Gelet op de omvang hiervan is het spoedeisend belang van [verhuurder] erin gelegen dat zij op korte termijn over de betaling kan beschikken en hiermee aan haar eigen financiële verplichtingen kan voldoen. Omdat [huurder] de gevorderde huurachterstand heeft erkend en ook niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die zouden maken dat [huurder] de achterstallige huur niet zou hoeven te betalen, zal deze worden toegewezen. Ook de gevorderde huurtermijnen vanaf september 2026 tot aan de ontruiming zijn toewijsbaar. Het feit dat de verplichting tot maandelijkse betaling van de huur tot aan de ontruiming al uit de huurovereenkomst voortvloeit, staat daar niet aan in de weg (artikel 3:296 BW).
4.6.
De wettelijke rente over zowel de achterstand als de toekomstige huurtermijnen wordt toegewezen als gevorderd. Hiertegen heeft [huurder] geen verweer gevoerd en de stellingen van [verhuurder] kunnen deze vorderingen dragen.
4.7.
Over de gevorderde ontruiming oordeelt de kantonrechter als volgt. Met de stand van zaken ten tijde van de mondelinge behandeling, kan met grote mate van waarschijnlijkheid geoordeeld worden dat de bodemrechter zal overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst. Het is namelijk vaste rechtspraak dat bij een huurachterstand van drie maanden, ontbinding van de huurovereenkomst in beginsel gerechtvaardigd is. In dit geval gaat het om een huurachterstand van nagenoeg zes maanden. De huurachterstand is zo groot dat in beginsel niet van [verhuurder] kan worden verlangd dat zij de huurovereenkomst laat voortduren. De door [huurder] aangevoerde omstandigheden (kort gezegd dat hij vanwege een verkeersongeval zijn werkzaamheden niet langer kon uitvoeren en een forse schuldenlast heeft waarvoor beslag is gelegd), zijn omstandigheden die in de verhouding tot [verhuurder] voor rekening en risico van [huurder] komen. Daarbij komt dat inmiddels vaststaat dat [huurder] niet in aanmerking komt voor een schuldhulpverleningstraject van de gemeente, zodat ook in dat opzicht geen sprake is van concreet uitzicht op een oplossing op de korte termijn. Daarmee ligt de gevorderde ontruiming van het gehuurde in beginsel voor toewijzing gereed.
4.8.
[huurder] heeft echter aangevoerd dat hij op korte termijn over een geldbedrag van € 5.000,00 zal beschikken, omdat de verzekeraar in zijn letselschadezaak een voorschot ter hoogte van dat bedrag zal uitbetalen. Op de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [huurder] een e-mail van 18 augustus 2026 overgelegd. Uit die e-mail en de daaronder hangende e-mails valt af te leiden dat inderdaad een voorschot van € 5.000,00 zal worden overgemaakt, binnen 10 werkdagen na 12 augustus 2026. [huurder] voert aan dat hij met de betaling van dit bedrag de achterstand nagenoeg geheel kan inlossen en dat hij het resterende openstaande bedrag kan betalen met de verkoop van spullen.
4.9.
Indien dat het geval zal zijn ([verhuurder] heeft erop gewezen dat er meerdere schuldeisers zijn, waardoor het volgens haar maar de vraag is of de uitkering bij haar terecht zal komen), kan niet met voldoende zekerheid worden geoordeeld dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden, omdat er dan geen sprake meer is van een huurachterstand of slechts nog van een gering bedrag. Hierin bestaat voor de kantonrechter aanleiding om de veroordeling tot ontruiming voorwaardelijk toe te wijzen, te weten alleen voor het geval [huurder] zich niet aan de volgende voorwaarden houdt:
[huurder] betaalt binnen 14 dagen na vandaag een bedrag van € 5.000,00 aan [verhuurder];
[huurder] betaalt de lopende huur vanaf september 2026.
4.10.
[huurder] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
- griffierecht
€
€
153,02
93,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.255,02
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder]:
a. a) € 5.350,00 aan achterstallige huur tot en met 31 augustus 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
b) € 925,00 per maand (of zoveel hoger als bij wettelijke huurverhoging zou zijn toegestaan) te betalen voor elke maand of gedeelte van een maand dat [huurder] na augustus 2026 het gehuurde in gebruik houdt tot aan de dag van volledige ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woonruimte aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurder] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurder], indien niet aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
[huurder] betaalt binnen 14 dagen na vandaag een bedrag van € 5.000,00 aan [verhuurder];
[huurder] betaalt de lopende huur vanaf september 2026,
5.3.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.255,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.