Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:8940
2026-09-02
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12170899 CV EXPL 26-1807
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
zorgverzekeringsovereenkomst soeverein
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:4819 Rechtbank Den Haag 18-04-2018
- ECLI:NL:RBLIM:2024:5307 Rechtbank Limburg 07-08-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.528 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12170899 CV EXPL 26-1807
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
eisende partij met een tegenvordering,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
CZ wil dat [gedaagde] zorgpremie voor haar zorgverzekering over de maanden januari en februari 2024 betaalt. [gedaagde] voert aan dat zij (zelf) geen overeenkomst is aangegaan met CZ en daarom niet hoeft te betalen. Zij heeft een tegenvordering ingesteld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] wel een zorgverzekering met CZ heeft afgesloten en daarmee de premie moet betalen. De tegenvordering, die aanvankelijk onderkend is gebleven en nog is gewijzigd, wordt afgewezen.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord met een tegenvordering- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek met een gewijzigde tegenvordering.
3Het geschil
de vordering
3.1.
CZ vordert - samengevat - de veroordeling van [gedaagde] tot het betalen van € 282,00, met kosten. Dit bedrag is opgebouwd uit de premie januari en februari 2024 (2 x € 141,00)
3.2.
CZ legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen haar en [gedaagde] een zorgverzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 3 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) tot stand is gekomen op basis waarvan [gedaagde] maandelijks premie is verschuldigd. Ondanks herhaalde aanmaning is [gedaagde] niet tot betaling overgegaan.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
de tegenvordering
3.4.
[gedaagde] vordert - samengevat en na wijziging - de veroordeling van CZ tot het betalen van € 100.000,00. Dit bedrag ziet op (met name immateriële) schadevergoeding.
4De beoordeling
de vordering
4.1.
Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of [gedaagde] een zorgverzekeringsovereenkomst is aangegaan met CZ.
4.2.
Het ligt op de weg van de zorgverzekeraar om het bestaan van de gestelde overeenkomst te onderbouwen. CZ heeft hiertoe een polisblad over het jaar 2024 en een aanmeldingsformulier per januari 2021 overgelegd, beide stukken op naam van [gedaagde] en met hetzelfde relatienummer. Het overleggen van dergelijke stukken was niet het geval in het door [gedaagde] aangehaalde vonnis van de kantonrechter Den Haag van 18 april 2018, en daarmee is al geen sprake van een vergelijkbaar geval.
4.2.1.
[gedaagde] brengt hiertegen in dat, zoals uit het formulier (inderdaad) is op te maken, de aanmelding via een tussenpersoon is geschied. [gedaagde] heeft dit formulier aldus destijds niet zelf ingevuld, maar dat betekent niet, althans niet zonder meer, dat [gedaagde] de overeenkomst dan niet is aangegaan. De kantonrechter overweegt hierover verder als volgt.
4.2.2.
In de eerdere zaak tussen CZ en [gedaagde], die heeft geleid tot het door [gedaagde] bij dupliek aangehaalde vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van
7 augustus 2024, speelde eenzelfde kwestie. CZ had in die zaak het aanmeldingsformulier ingebracht en aangegeven dat CZ eind 2022 een nieuwe zorgverzekeringspolis ingaande
1 januari 2023 had aangeboden aan [gedaagde], dat geen opzegging is ontvangen en dat daarmee de zorgverzekeringsovereenkomst ook per 1 januari 2023 is ingegaan. De kantonrechter is CZ daarin gevolgd en de vordering van CZ tot betaling van een bedrag van € 689,00 aan verschuldigde premies is toegewezen. Destijds is niets aangevoerd over een tussenpersoon die het formulier zou hebben ingevuld, althans de overwegingen in het vonnis geven ervan geen blijk. [gedaagde] brengt dit laatste thans naar voren (en verwijt de kantonrechter destijds dit niet zelf te hebben opgemerkt), maar [gedaagde] miskent hiermee dat het op háár weg had gelegen om dit aan te voeren. De kantonrechter neemt in deze procedure aan dat het hier om een en hetzelfde formulier gaat én dat de aanmelding aldus via een tussenpersoon is geschiedt (maar dit kan de uitkomst uiteindelijk niet anders maken, zie hierna). Uit het formulier is verder op te maken dat [gedaagde] vóór die aanmelding niet was verzekerd.
4.2.3.
De kantonrechter begrijpt uit het verweer en de stukken dat [gedaagde] zichzelf al enige tijd aanduidt als een soeverein (of autonome burger) en zich daarmee simpelweg al langere tijd niet wíl verzekeren. In de zaak die heeft geleid tot het vonnis van 7 augustus 2024 stelde [gedaagde] al bezig te zijn om gemoedsbezwaarde te worden.
4.2.4.
Uit de Zvw, in samenhang met de Wet Langdurige zorg, vloeit voort dat iedereen die in Nederland woont of werkt, verplicht is om een zorgverzekering af te sluiten. Dat is anders indien een ontheffing is verleend wegens gemoedsbezwaren. Deze uitzondering is hier evenwel (nog altijd) niet van toepassing. [gedaagde] heeft (nog altijd) geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij door de Sociale Verzekeringsbank als gemoedsbezwaarde is erkend en een ontheffing van de premieplicht heeft gekregen. Er zijn ook geen bewijzen overgelegd dat zij een bijdrage vervangende belasting betaalt aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Dat betekent dat de verzekeringsplicht ook voor [gedaagde] geldt.
4.2.5.
Weigert een niet-verzekerde een verzekering af te sluiten, dan kan het CAK als wettelijk vertegenwoordiger namens die persoon een verzekering afsluiten. Toestemming van, of machtiging door, de betrokkene is niet benodigd, en zo evenmin aldus de handtekening. Voor de totstandkoming van een overeenkomst is overigens sowieso niet vereist dat er een handtekening van de betrokkene is geplaatst. [gedaagde] verwijst in dit verband naar een (eigen) stuk “8 voorwaarden voor een geldig contract”, maar zij kan hieraan in deze geen rechten ontlenen. De kantonrechter acht, anders dan [gedaagde], voor de onderhavige beoordeling niet relevant dat van die tussenpersoon enkel een nummer bekend is en geen naam. De kantonrechter heeft namelijk geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de verzekeringsovereenkomst (formeel) niet daadwerkelijk namens [gedaagde] is afgesloten.
4.3.
Gezien al het vorenstaande wordt aangenomen dat tussen partijen wel degelijk per
1 januari 2021 een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen; het polisblad en de aanmelding vormt in dit geval voldoende bewijs voor het bestaan van de overeenkomst. Nu [gedaagde] ook niet heeft gesteld dat die overeenkomst is opgezegd, er sprake is van een ontheffing of een verzekering elders, moet worden aangenomen dat de zorgverzekeringsovereenkomst ook per 1 januari 2024 ingegaan.
4.4.
Dat betekent dat [gedaagde] verplicht was in (januari en februari) 2024 premies te betalen. De hoogte van de vordering is niet betwist. Het gevorderde bedrag aan hoofdsom van € 282,00 is dan ook toewijsbaar.
4.5.
Omdat hier uitsluitend de hoofdsom is gevorderd, is een ambtshalve toetsing verder niet aan de orde. Hetgeen overigens als verweer (en in de stukken) is aangevoerd, is niet relevant voor de onderhavige beoordeling (dan wel onnavolgbaar) en kan daarmee niet leiden tot een ander oordeel. Zo is de deurwaarder niet de procespartij geworden; dit is nog altijd CZ.
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
€
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
509,52
de tegenvordering
4.7.
Hoewel het opschrift van de conclusie van antwoord “verweer” vermeldt, bevat dit tevens een eis in reconventie, te weten een veroordeling van CZ tot het terugbetalen van alle onterechte vorderingen mede door CAK en UWV en van gemaakte proceskosten alsook het verwijderen van alle gegevens van [gedaagde] bij bedrijven en instellingen. Deze tegenvordering is niet onderkend. CZ is daarmee niet in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Deze tegenvordering is bij voorbaat evenwel al niet toewijsbaar omdat de vordering van CZ, voor zover gedoeld is op de eerdere zaak tussen partijen, niet onterecht is, enige andere vordering op CZ niet is gespecificeerd en CZ een andere rechtspersoon is dan waar het overige op ziet. Bij dupliek lijkt die vordering ook geheel te zijn verlaten (in welk geval deze om die reden ook geen beoordeling meer behoeft). Bij dupliek is sprake van een geheel nieuwe eis met een geheel andere grondslag. Dit is niet tijdig en niet toelaatbaar, waarmee om die reden niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling ervan. Uitsluitend geheel ten overvloede wordt opgemerkt dat ook deze eis niet toewijsbaar zou zijn omdat aan de bijzondere eisen van schadevergoeding niet is voldaan.
4.8.
Enige tegenvordering is kortom niet toewijsbaar en zal worden afgewezen. Er wordt aldus geen aanleiding gezien om CZ nog te laten reageren.
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op nihil.
5De beslissing
De kantonrechter
de vordering
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot om aan CZ te betalen een bedrag van € 282,00,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 509,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
de tegenvordering
5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
ECLI:NL:RBDHA:2018:4819
ECLI:NL:RBLIM:2024:5307
Omdat in dit geval wel wordt aangenomen dat een overeenkomst tot stand is gekomen, ligt dit nu op de weg van betrokkene. Ook hierin verschilt deze zaak aldus met het vonnis van 18 maart 2018.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12170899 CV EXPL 26-1807
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
eisende partij met een tegenvordering,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
CZ wil dat [gedaagde] zorgpremie voor haar zorgverzekering over de maanden januari en februari 2024 betaalt. [gedaagde] voert aan dat zij (zelf) geen overeenkomst is aangegaan met CZ en daarom niet hoeft te betalen. Zij heeft een tegenvordering ingesteld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] wel een zorgverzekering met CZ heeft afgesloten en daarmee de premie moet betalen. De tegenvordering, die aanvankelijk onderkend is gebleven en nog is gewijzigd, wordt afgewezen.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord met een tegenvordering- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek met een gewijzigde tegenvordering.
3Het geschil
de vordering
3.1.
CZ vordert - samengevat - de veroordeling van [gedaagde] tot het betalen van € 282,00, met kosten. Dit bedrag is opgebouwd uit de premie januari en februari 2024 (2 x € 141,00)
3.2.
CZ legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen haar en [gedaagde] een zorgverzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 3 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) tot stand is gekomen op basis waarvan [gedaagde] maandelijks premie is verschuldigd. Ondanks herhaalde aanmaning is [gedaagde] niet tot betaling overgegaan.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
de tegenvordering
3.4.
[gedaagde] vordert - samengevat en na wijziging - de veroordeling van CZ tot het betalen van € 100.000,00. Dit bedrag ziet op (met name immateriële) schadevergoeding.
4De beoordeling
de vordering
4.1.
Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of [gedaagde] een zorgverzekeringsovereenkomst is aangegaan met CZ.
4.2.
Het ligt op de weg van de zorgverzekeraar om het bestaan van de gestelde overeenkomst te onderbouwen. CZ heeft hiertoe een polisblad over het jaar 2024 en een aanmeldingsformulier per januari 2021 overgelegd, beide stukken op naam van [gedaagde] en met hetzelfde relatienummer. Het overleggen van dergelijke stukken was niet het geval in het door [gedaagde] aangehaalde vonnis van de kantonrechter Den Haag van 18 april 2018, en daarmee is al geen sprake van een vergelijkbaar geval.
4.2.1.
[gedaagde] brengt hiertegen in dat, zoals uit het formulier (inderdaad) is op te maken, de aanmelding via een tussenpersoon is geschied. [gedaagde] heeft dit formulier aldus destijds niet zelf ingevuld, maar dat betekent niet, althans niet zonder meer, dat [gedaagde] de overeenkomst dan niet is aangegaan. De kantonrechter overweegt hierover verder als volgt.
4.2.2.
In de eerdere zaak tussen CZ en [gedaagde], die heeft geleid tot het door [gedaagde] bij dupliek aangehaalde vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van
7 augustus 2024, speelde eenzelfde kwestie. CZ had in die zaak het aanmeldingsformulier ingebracht en aangegeven dat CZ eind 2022 een nieuwe zorgverzekeringspolis ingaande
1 januari 2023 had aangeboden aan [gedaagde], dat geen opzegging is ontvangen en dat daarmee de zorgverzekeringsovereenkomst ook per 1 januari 2023 is ingegaan. De kantonrechter is CZ daarin gevolgd en de vordering van CZ tot betaling van een bedrag van € 689,00 aan verschuldigde premies is toegewezen. Destijds is niets aangevoerd over een tussenpersoon die het formulier zou hebben ingevuld, althans de overwegingen in het vonnis geven ervan geen blijk. [gedaagde] brengt dit laatste thans naar voren (en verwijt de kantonrechter destijds dit niet zelf te hebben opgemerkt), maar [gedaagde] miskent hiermee dat het op háár weg had gelegen om dit aan te voeren. De kantonrechter neemt in deze procedure aan dat het hier om een en hetzelfde formulier gaat én dat de aanmelding aldus via een tussenpersoon is geschiedt (maar dit kan de uitkomst uiteindelijk niet anders maken, zie hierna). Uit het formulier is verder op te maken dat [gedaagde] vóór die aanmelding niet was verzekerd.
4.2.3.
De kantonrechter begrijpt uit het verweer en de stukken dat [gedaagde] zichzelf al enige tijd aanduidt als een soeverein (of autonome burger) en zich daarmee simpelweg al langere tijd niet wíl verzekeren. In de zaak die heeft geleid tot het vonnis van 7 augustus 2024 stelde [gedaagde] al bezig te zijn om gemoedsbezwaarde te worden.
4.2.4.
Uit de Zvw, in samenhang met de Wet Langdurige zorg, vloeit voort dat iedereen die in Nederland woont of werkt, verplicht is om een zorgverzekering af te sluiten. Dat is anders indien een ontheffing is verleend wegens gemoedsbezwaren. Deze uitzondering is hier evenwel (nog altijd) niet van toepassing. [gedaagde] heeft (nog altijd) geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij door de Sociale Verzekeringsbank als gemoedsbezwaarde is erkend en een ontheffing van de premieplicht heeft gekregen. Er zijn ook geen bewijzen overgelegd dat zij een bijdrage vervangende belasting betaalt aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Dat betekent dat de verzekeringsplicht ook voor [gedaagde] geldt.
4.2.5.
Weigert een niet-verzekerde een verzekering af te sluiten, dan kan het CAK als wettelijk vertegenwoordiger namens die persoon een verzekering afsluiten. Toestemming van, of machtiging door, de betrokkene is niet benodigd, en zo evenmin aldus de handtekening. Voor de totstandkoming van een overeenkomst is overigens sowieso niet vereist dat er een handtekening van de betrokkene is geplaatst. [gedaagde] verwijst in dit verband naar een (eigen) stuk “8 voorwaarden voor een geldig contract”, maar zij kan hieraan in deze geen rechten ontlenen. De kantonrechter acht, anders dan [gedaagde], voor de onderhavige beoordeling niet relevant dat van die tussenpersoon enkel een nummer bekend is en geen naam. De kantonrechter heeft namelijk geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de verzekeringsovereenkomst (formeel) niet daadwerkelijk namens [gedaagde] is afgesloten.
4.3.
Gezien al het vorenstaande wordt aangenomen dat tussen partijen wel degelijk per
1 januari 2021 een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen; het polisblad en de aanmelding vormt in dit geval voldoende bewijs voor het bestaan van de overeenkomst. Nu [gedaagde] ook niet heeft gesteld dat die overeenkomst is opgezegd, er sprake is van een ontheffing of een verzekering elders, moet worden aangenomen dat de zorgverzekeringsovereenkomst ook per 1 januari 2024 ingegaan.
4.4.
Dat betekent dat [gedaagde] verplicht was in (januari en februari) 2024 premies te betalen. De hoogte van de vordering is niet betwist. Het gevorderde bedrag aan hoofdsom van € 282,00 is dan ook toewijsbaar.
4.5.
Omdat hier uitsluitend de hoofdsom is gevorderd, is een ambtshalve toetsing verder niet aan de orde. Hetgeen overigens als verweer (en in de stukken) is aangevoerd, is niet relevant voor de onderhavige beoordeling (dan wel onnavolgbaar) en kan daarmee niet leiden tot een ander oordeel. Zo is de deurwaarder niet de procespartij geworden; dit is nog altijd CZ.
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
€
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
509,52
de tegenvordering
4.7.
Hoewel het opschrift van de conclusie van antwoord “verweer” vermeldt, bevat dit tevens een eis in reconventie, te weten een veroordeling van CZ tot het terugbetalen van alle onterechte vorderingen mede door CAK en UWV en van gemaakte proceskosten alsook het verwijderen van alle gegevens van [gedaagde] bij bedrijven en instellingen. Deze tegenvordering is niet onderkend. CZ is daarmee niet in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Deze tegenvordering is bij voorbaat evenwel al niet toewijsbaar omdat de vordering van CZ, voor zover gedoeld is op de eerdere zaak tussen partijen, niet onterecht is, enige andere vordering op CZ niet is gespecificeerd en CZ een andere rechtspersoon is dan waar het overige op ziet. Bij dupliek lijkt die vordering ook geheel te zijn verlaten (in welk geval deze om die reden ook geen beoordeling meer behoeft). Bij dupliek is sprake van een geheel nieuwe eis met een geheel andere grondslag. Dit is niet tijdig en niet toelaatbaar, waarmee om die reden niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling ervan. Uitsluitend geheel ten overvloede wordt opgemerkt dat ook deze eis niet toewijsbaar zou zijn omdat aan de bijzondere eisen van schadevergoeding niet is voldaan.
4.8.
Enige tegenvordering is kortom niet toewijsbaar en zal worden afgewezen. Er wordt aldus geen aanleiding gezien om CZ nog te laten reageren.
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op nihil.
5De beslissing
De kantonrechter
de vordering
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot om aan CZ te betalen een bedrag van € 282,00,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 509,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
de tegenvordering
5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
ECLI:NL:RBDHA:2018:4819
ECLI:NL:RBLIM:2024:5307
Omdat in dit geval wel wordt aangenomen dat een overeenkomst tot stand is gekomen, ligt dit nu op de weg van betrokkene. Ook hierin verschilt deze zaak aldus met het vonnis van 18 maart 2018.