Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:8901
2026-08-26
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/03/341362 / HA ZA 25-192
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Partijen hebben in het verleden samengewoond zonder het opmaken van een samenlevingsovereenkomst. De relatie is een aantal jaar geleden beëindigd. Het geschil betreft de financiële afwikkeling van hun voormalige samenleving.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (45.503 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/341362 / HA ZA 25-192
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[de vrouw]
,
te [plaats 1] , gemeente Eijsden-Margraten,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. R.P.H.W. Haas,
tegen
[de man]
,
te [plaats 1] , gemeente Eijsden-Margraten,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. M. van Riet.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 11
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 t/m 4
de conclusie van antwoord in reconventie tevens vermeerdering van eis in conventie
de akte indienen producties 12 en 13 van [de vrouw]
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 januari 2026
de akte van [de vrouw] met producties 14 t/m 19
de antwoordakte van [de man] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[de vrouw] en [de man] hebben gedurende 25 jaar als partners ongehuwd samengewoond zonder het opmaken van een samenlevingsovereenkomst. Zij hebben twee meerderjarige kinderen. Op 1 oktober 2021 is hun relatie beëindigd.
2.2.
[de vrouw] en [de man] hebben in gezamenlijk eigendom, ieder voor de helft, een woning aan de [adres] te [plaats 1] . Op de woning rust een hypotheek in verband met een geldlening die verstrekt is door de SNS Bank N.V. Per 2 juni 2025 was het openstaande bedrag van de spaarhypotheek € 79.865,35. Aan de hypotheek is een Spaardeel Rekening gekoppeld. Het saldo van die rekening per 25 juni 2025 was € 72.961,98.
2.3.
[de vrouw] heeft de woning in oktober 2021 verlaten. [de man] is daarin blijven wonen. Na haar vertrek heeft [de vrouw] tot juli 2022 € 225,00 per maand meebetaald aan de eigenaarslasten van de woning (ca. € 450,00 per maand).
2.4.
Op 26 oktober 2022 is de woning getaxeerd op een waarde van € 580.000,00.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[de vrouw] vordert in de dagvaarding en na vermeerdering van eis bij de conclusie van antwoord in reconventie tevens vermeerdering van eis in conventie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verdeling van de woning als volgt vaststelt:
- de woning, staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats 1] aan de [adres] zal worden getaxeerd door [makelaarskantoor] , dan wel door een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke deskundige, op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, mede rekening houdend met de krapte op de huizenmarkt (overbiedingen), waarna de woning aan [de man] zal worden toegescheiden, onder de verplichting van [de man] om de helft van de overwaarde (= waarde woning + Spaardeel minus restant hypotheek) aan [de vrouw] te voldoen, waarna de overwaarde tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld;
- de hypotheek die rust op de woning, zal aan [de man] worden toegescheiden, onder de verplichting van [de man] om [de vrouw] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;
II. althans bepaalt dat de gezamenlijke woning van partijen te ( [postcode] ) [plaats 1] aan de [adres] dient te worden verkocht aan een derde en dat de verkoopopbrengst na aftrek van de kosten verbonden aan de verkoop en na verrekening van de hypothecaire geldlening en het Spaardeel, tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld en dat [de man] wordt veroordeeld om volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, waarbij die medewerking zal bestaan uit:
- het verlenen van toegang tot de woning aan de verkoopmakelaar [makelaarskantoor] te [plaats 2] , diens medewerkers en ingezette derden, ter voorbereiding van de verkoopwerkzaamheden, waaronder maar niet beperkt tot het maken van foto's in en om de woning;
- het in ordentelijke staat brengen van de woning (ten behoeve van een dergelijke fotosessie);
- het afgeven van de sleutels van de woning aan de makelaar ten behoeve van bezichtigingen;
- het verlaten van de woning op verzoek van de makelaar en daarin niet terugkeren gedurende bezichtigingen ten behoeve van de verkoop;
- het ondertekenen van het (voorlopig) koopcontract en de akte van levering/overdracht bij de notaris;
- zulks op straffe van een dwangsom van ad € 500,-- per dag of dagdeel dat [de man] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,--;
III. [de vrouw] vervangende toestemming verleent c.q. dit vonnis in de plaats laat komen van de instemmende wilsverklaring van [de man] , voor hetgeen waartoe [de man] onder II., is veroordeeld, indien [de man] niet op het eerste verzoek van [de vrouw] medewerking verleent en bepaalt dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW mede in de plaats zal treden van de door de makelaar op te stellen overeenkomst van (verkoop)opdracht en de koopovereenkomst alsmede de door de notaris op te stellen akte van levering met betrekking tot de woning, voor zover het betreft het verlenen van toestemming van [de man] tot die verkoop en notariële levering;
IV. [de man] veroordeelt om inzage te verschaffen in de actuele hypotheekstand en Spaarpolis, middels overlegging van een kopie waaruit de huidige stand van de afbetalingen c.q. waarde blijkt;
V. althans een zodanige verdeling van de woning vaststelt als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
VI. [de man] veroordeelt om aan [de vrouw] te voldoen een gebruiksvergoeding:- vanaf 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022, ter grootte van € 4.425,-, - vanaf 1 juli 2022 tot de datum van verdeling van de woning van partijen, ter grootte van € 500,- per maand (dat is 2% van de helft van de overwaarde van de woning van partijen), althans een zodanige gebruiksvergoeding tot aan de datum van verdeling van de woning van partijen vast te stellen, als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
VII. bepaalt dat de schuld van partijen aan de ouders van [de vrouw] ad € 60.000,- een gezamenlijke schuld van partijen betreft en [de man] in de interne verhouding met [de vrouw] is gehouden om de helft van deze schuld te voldoen en bepaalt dat [de vrouw] een vordering op [de man] heeft zodra zij meer dan de helft van deze schuld heeft voldaan ter hoogte van dat meerdere;
VIII. [de man] veroordeelt om inzage te verschaffen in de actuele (afkoop)waarde van de overlijdensrisicoverzekering met [polisnummer] , middels overlegging van een kopie waaruit de huidige stand van deze (afkoop)waarde blijkt en te bepalen dat de polis aan [de man] wordt toegescheiden onder de verplichting van [de man] om de helft van de waarde aan [de vrouw] te voldoen;
IX. de roerende inboedelzaken verdeelt, conform een nog door [de vrouw] aan te leveren voorkeurslijst en bepaalt dat de Mercedes ( [kenteken 1] ) aan [de man] wordt toebedeeld en de Opel Corsa ( [kenteken 2] ) aan [de vrouw] wordt toebedeeld onder de verplichting van [de man] om wegens overbedeling een bedrag ad € 5.000,- aan [de vrouw] te voldoen;
X. bepaalt dat de spaargelden van partijen op de spaarrekening bij Sparkasse
Aachen met [rekeningnummer 1] , per 1 juli 2022 bij helfte zullen worden verdeeld onder verrekening van een extra bedrag ten gunste van [de vrouw] van € 8.500,- wegens overbedeling van [de man] ;
XI. bepaalt dat [de man] ten aanzien van de verrekening van de gemeenschappelijke rekening van partijen bij Sparkasse met [rekeningnummer 2] vanaf de feitelijke scheiding van partijen per 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 wegens overbedeling aan [de vrouw] dient te voldoen € 21.024,90, waarbij de rekening aan [de man] kan worden toebedeeld;
XII. althans in goede justitie een verdeling vaststelt;
XIII. [de man] te veroordeelt in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover.
3.2.
Bij akte van 18 maart 2026 heeft [de vrouw] de eis als volgt gewijzigd:
“(…) De vordering van [de vrouw] op [de man] ten aanzien van de verrekening van inkomen en uitgaven bedraagt ad € 19.550,59 en hierbij dienovereenkomstig wordt gewijzigd c.q. verminderd, zoals ook nader gespecificeerd onder productie 15 en dat de vordering van [de vrouw] ten aanzien van de spaargelden bij de Sparkasse te Aachen met [rekeningnummer 1] bedraagt ad € 36.992,- (stand eind januari 2026).”
3.3.
[de man] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[de man] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad, - de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats 1] aan de [adres]
aan [de man] toedeelt, conform de taxatiewaarde van € 580.0000,00 [de rechtbank leest en begrijpt: € 580.000,00], onder de verplichting van [de man] om de helft van de overwaarde (waarde woning minus restant hypotheek minus kosten) aan [de vrouw] te voldoen, en onder de verplichting van [de man] om [de vrouw] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld (indien nog van toepassing), - althans in goede justitie een regeling vaststelt.
3.6.
[de vrouw] voert verweer.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze gelijktijdig beoordelen.
4.2.
Partijen zijn er zelf niet in geslaagd tot een financiële afwikkeling te komen van hun voormalige samenleving. De punten waarover partijen van mening verschillen, zal de rechtbank hieronder beoordelen.
Vorderingen I, II, III, IV, V in conventie en de vordering in reconventie:
de woning, de daarop rustende hypotheek en de daaraan gekoppelde Spaardeel-rekening
Standpunt [de vrouw]
4.3.
stemt ermee in dat [de man] haar aandeel in de woning overneemt, maar dan moet wel worden uitgegaan van de actuele taxatiewaarde van de woning. Zij stelt voor om een taxatie te laten uitvoeren door [makelaarskantoor] of een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke deskundige. De taxatie uit 2022, die [de man] tot uitgangspunt wil nemen, is niet meer bruikbaar. Die taxatie is destijds verricht met als doel om alle geschilpunten in een keer minnelijk af te wikkelen, maar dat is niet gelukt. De overwaarde moet bij helfte tussen partijen worden verdeeld, aldus [de vrouw] .
Standpunt [de man]
4.4.
wil dat de woning aan hem toegedeeld wordt en dat daarbij de taxatiewaarde van de woning op 26 oktober 2022, zijnde € 580.000,00, wordt aangehouden. [de vrouw] heeft in 2022 immers zelf voorgesteld een taxatie te laten verrichten én tegen die waarde te verdelen. Partijen waren het eens over dat bedrag. Hij verwijst naar productie 5 van [de vrouw] . Het betreft een gespreksverslag dat is opgesteld in de tijd dat partijen onderhandelden over de afwikkeling van hun samenleving waarin die waarde genoemd wordt. Ook wijst hij op een ontwerpakte van verdeling van 28 maart 2023 opgesteld door [notaris] , door hem overgelegd als productie 4, waarin volgens hem dit bedrag staat. Als gevolg van andere posten (zoals de verdeling van het door [de man] opgebouwde pensioen) die [de vrouw] aankaartte en waar partijen het niet over eens werden, is de woning toen niet aan hem geleverd, aldus [de man] .
Oordeel rechtbank
Vorderingen I en V in conventie en vordering in reconventie
4.5.
Niet in geschil is dat partijen in 2022 overleg gevoerd hebben over de financiële afwikkeling van alle aspecten van hun samenwoning en dat zij daarbij zijn uitgegaan van een waarde van € 580.000,00 van de woning. Een regeling is toen niet tot stand gekomen. Niet is gebleken dat partijen destijds de afspraak gemaakt hebben dat als de onderhandelingen over een volledige regeling zouden mislukken, partijen bij een verdeling van de woning op later moment - welk moment dan ook - toch zouden uitgaan van een waarde van € 580.000,00. De rechtbank volgt het standpunt van [de man] dan ook niet. In plaats daarvan zal de rechtbank als de peildatum voor de waardering van de woning die behoort tot een eenvoudige gemeenschap op grond van de hoofdregel de datum van de verdeling (datum van dit vonnis) hanteren.
4.6.
[de man] heeft ter zitting verklaard dat hij de woning financieel kan en wil overnemen, ook als hij geen baan meer mocht hebben. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat in geval van toedeling van de woning aan [de man] deze niet plaats zal vinden op basis van de taxatiewaarde uit 2022, maar op basis van de huidige waarde. [de man] heeft zich er niet over uitgelaten of hij de woning ook wil overnemen als de woning op een hoger bedrag gewaardeerd wordt dan € 580.000,00. De rechtbank gaat er van uit dat hij de woning ook toegedeeld wil krijgen als de waarde hoger is dan € 580.000,00 als hij daartoe financieel in staat is.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat [de man] geen bezwaar geuit heeft tegen de persoon van
[makelaarskantoor] . De rechtbank zal deze makelaar benoemen, zodat deze de waarde van de woning per datum van dit vonnis kan vaststellen. Tegen die nog vast te stellen waarde zal de woning in beginsel worden toegedeeld aan [de man] , onder de voorwaarde dat [de vrouw] door de bank wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. [de man] is voor dat ontslag afhankelijk van medewerking van SNS Bank N.V. [de man] zal verder op het moment van de levering van het aandeel van [de vrouw] in de woning aan hem, de helft van de overwaarde aan [de vrouw] moeten voldoen. De overwaarde bestaat uit de waarde van de woning minus de hypotheekschuld op 1 juli 2022 die resteert na aftrek van het saldo van het Spaardeel op 1 juli 2022. Sinds 1 juli 2022 heeft immers alleen [de man] de lasten verbonden aan de woning voor zijn rekening genomen. De kosten van de makelaar en de notaris zullen partijen ieder voor de helft moeten dragen.
4.8.
Partijen spreken in hun processtukken over het “toescheiden” van de hypotheekschuld aan [de man] . De rechtbank begrijpt dat zij bedoelen dat de rechtbank in hun onderlinge verhouding de draaglast van deze schuld vaststelt. [de man] is degene die sinds juli 2022 de lasten volledig voldoet omdat alleen hij de woning bewoont. De rechtbank zal verstaan dat in de interne verhouding van partijen tot het moment van levering en ontslag van [de vrouw] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid op [de man] de draaglast rust van de hypothecaire geldlening.
Vorderingen II en III in conventie en vordering in reconventie
4.9.
Op dit moment is onbekend wat volgens [makelaarskantoor] de waarde is van de woning. Niet uitgesloten is dat de makelaar tot een andere taxatiewaarde komt dan [de man] nu in gedachten heeft. Mocht [de man] de woning uiteindelijk toch niet kunnen of willen overnemen als deze meer waard blijkt te zijn dan € 580.000,00, dan zal de woning verkocht moeten worden. De rechtbank zal [de man] vier weken na het bekend maken van de taxatiewaarde door [makelaarskantoor] de tijd geven om aan [de vrouw] kenbaar te maken of hij de woning definitief wil overnemen. Voor het geval [de man] de woning toch niet toegedeeld wil krijgen, zal de rechtbank verkoop van de woning gelasten en hem veroordelen om daaraan mee te werken op de wijze zoals in het dictum is bepaald. Indien [de man] aan die veroordeling geen gevolg geeft, zal het vonnis van de rechtbank in de plaats gesteld worden van de instemmende wilsverklaring van [de man] voor de bemiddelingsovereenkomst met de makelaar, de verkoopovereenkomst van de woning en de akte van levering van de woning.
Vordering IV in conventie
4.10.
Ter zitting heeft [de man] verklaard dat de hypotheek op dat moment (dat wil zeggen 20 januari 2026) nog € 79.865,35 bedroeg en dat het spaardeel, dat gekoppeld is aan die hypotheek, nog drie maanden loopt (dat wil zeggen tot en met april 2026), waarna de woning helemaal is afgelost. Hierop heeft [de vrouw] niet gereageerd. Gelet hierop alsook op het feit dat [de vrouw] mede-hypotheekgever is en zij zelf bij de bank uit dien hoofde informatie over het saldo van de hypothecaire geldlening kan opvragen, zal de rechtbank de door [de vrouw] bij petitum sub IV gevorderde inzage in de actuele hypotheekstand door [de man] wegens het ontbreken van belang afwijzen.
Vordering VI in conventie: de gebruiksvergoeding
Standpunt [de vrouw]
4.11.
heeft de woning in oktober 2021 verlaten en zij heeft tot juli 2022 de helft van alle eigenaarslasten voldaan, te weten 8 maanden x € 225,00 = € 1.800,00. Zij vordert op grond van art. 3:169 BW over de periode 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 een gebruiksvergoeding van 2 % van de overwaarde van de woning, die volgens haar minimaal € 590.000 / € 600.000 is. Zij becijfert haar aanspraak op € 5.900,00 per jaar oftewel € 491,67 per maand. Voor de periode 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 bedraagt de totale vergoeding dan € 4.425,00. Ook voor de periode na 1 juli 2022 zoekt zij aansluiting bij het bedrag van € 491,67 per maand.
Standpunt [de man]
4.12.
betwist deze vordering. [de man] is bereid de door [de vrouw] betaalde woonlasten over de periode 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 (9 maanden x € 225,00 = € 2.025,00) terug te betalen, maar hij wil geen € 4.425,00 betalen. Met het terugbetalen van haar deel van de eigenaarslasten over die periode, is er geen grond meer voor betaling van een gebruiksvergoeding, aldus [de man] . [de man] betaalt sinds 1 juli 2022 alle eigenaarslasten alleen. Het is dan ook niet redelijk dat hij vanaf die datum een gebruiksvergoeding zou moeten betalen. De gevorderde gebruiksvergoeding is hoger dan de maandelijkse hypotheeklast die hij betaalt. Ook dat is niet redelijk. [de man] wilde de woning al in 2022 verdelen, maar [de vrouw] kwam steeds met nieuwe discussiepunten waardoor het toen niet is gelukt. Het is niet aan hem te wijten dat verdeling van de woning zo lang duurt.
Oordeel rechtbank
4.13.
Tussen partijen is niet in geschil dat [de vrouw] in beginsel aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding over de periode 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 omdat zij in die periode voor de helft heeft bijgedragen aan de eigenaarskosten, terwijl zij in die periode niet het woongenot had van de woning. De vraag is vervolgens hoe hoog die vergoeding moet zijn. De rechtbank volgt niet de rekenwijze van [de vrouw] die uitgaat van een speculatieve woningwaarde. De rechtbank zal in goede justitie aansluiten bij het bedrag dat [de vrouw] in deze periode als mede-eigenaar heeft voldaan, te weten € 225,00 per maand. De rechtbank zal [de man] daarom veroordelen om aan [de vrouw] te betalen 9 x € 225,00 = € 2.025,00.
4.14.
De door [de vrouw] gevorderde gebruiksvergoeding vanaf 1 juli 2022 tot verdeling van de woning wijst de rechtbank af. Allereerst geldt dat zij vanaf 1 juli 2022 geen eigenaarslasten meer betaald heeft, terwijl zij de helft van die kosten uit hoofde van haar mede-eigendom wél zou moeten dragen. Daarbij komt dat partijen in 2022 de woning al hadden kunnen verdelen - de waarde toen was niet het discussiepunt - en zij de overige geschilpunten aan de rechtbank hadden kunnen voorleggen. Tegen die achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van een gebruiksvergoeding vanaf 1 juli 2022.
Vordering VII in conventie: de lening van partijen bij de ouders van [de vrouw] van
€ 60.000,00
Standpunt [de vrouw]
4.15.
Volgens [de vrouw] hebben partijen op 23 mei 2003 € 60.000,00 van haar ouders geleend om in 2003 de aankoop van de woning te kunnen financieren. Hiertoe is een schuldbekentenis opgesteld. Zij verwijst naar haar productie 2. Tijdens hun relatie hebben zij nooit afgelost op de lening van haar ouders. Partijen moeten ieder de helft van deze schuld dragen.
Standpunt [de man]
4.16.
erkent dat partijen in 2003 € 60.000,00 van de ouders van [de vrouw] hebben ontvangen. Het is nooit de bedoeling geweest dat dit bedrag aan hen zou worden terugbetaald. Dat blijkt uit het feit dat partijen nooit afgelost hebben op dit bedrag, zij nooit tot terugbetaling aangesproken zijn door de ouders van [de vrouw] en partijen in hun aangifte IB-belasting geen lening van de ouders van [de vrouw] vermeld hebben. Dat er destijds een lening op papier is gesteld, heeft een fiscale reden; het was voor zijn schoonouders uit fiscaal oogpunt handiger. [de man] stelt nog contact te hebben opgenomen met zijn voormalige schoonvader en die heeft aan hem bevestigd dat het bedrag van € 60.000,00 niet terugbetaald hoeft te worden. Het ter beschikking gestelde bedrag van € 60.000,00 betreft in feite een schenking aan partijen. Deze vordering dient dan ook te worden afgewezen, aldus [de man] .
Reactie [de vrouw]
4.17.
ontkent dat er sprake was van een schenking en dat haar vader onlangs gezegd heeft dat er niets terugbetaald hoeft te worden.
Oordeel rechtbank
4.18.
Niet in geschil is dat partijen en de ouders van [de vrouw] op 23 mei 2003 een document getekend hebben met als titel ‘geldleningsovereenkomst’ en dat partijen toen € 60.000,00 ontvangen hebben van de ouders van [de vrouw] ter financiering van de aankoop van hun woning. Ook staat vast dat partijen tijdens hun relatie niets terugbetaald hebben en dat de ouders van [de vrouw] partijen niet tot terugbetaling hebben aangesproken. [de vrouw] is pas tot betaling aan haar ouders overgegaan nadat de relatie van partijen is beëindigd.
4.19.
[de man] heeft gemotiveerd aangevoerd dat partijen het bedrag van € 60.000,00 niet ten titel van lening hebben ontvangen, maar ten titel van schenking. [de man] heeft verder onbetwist aangevoerd dat partijen tijdens hun samenleving altijd voldaan hebben aan iedere financiële verplichting die zij zijn aangegaan, en dat als er daadwerkelijk sprake geweest zou zijn van een lening, zij ook aan die betalingsverplichting voldaan zouden hebben. [de vrouw] heeft haar opmerking tijdens de mondelinge behandeling dat als partijen bij elkaar gebleven waren, zij waarschijnlijk niets terugbetaald zouden hebben aan haar ouders, en “het” via de erfenis zou zijn afgewikkeld, niet nader uitgewerkt. Evenmin heeft zij gereageerd op het standpunt van [de man] dat het door partijen getekende document ‘geldleningsovereenkomst’ louter vanwege fiscale redenen is opgesteld. Tegen die achtergrond heeft [de vrouw] onvoldoende gemotiveerd gereageerd op de betwisting door [de man] van haar stelling. Als gevolg daarvan is in de rechtsrelatie tussen [de vrouw] en [de man] het bestaan van een geldlening van € 60.000,00 aan haar ouders niet komen vast te staan. Vordering VII van [de vrouw] zal daarom afgewezen worden.
Vordering VIII in conventie: de overlijdensrisicoverzekering bij de SNS Bank / Reaal
Standpunt [de vrouw]
4.20.
stelt dat er een overlijdensrisicoverzekering ( [polisnummer] ) bij SNS Bank / Reaal bestaat, die een bedrag van € 79.865,00 uitkeert bij overlijden van een van partijen. Hoewel [de vrouw] niet weet of er een afkoopwaarde is en hoeveel deze bedraagt, dient deze polis volgens haar bij helfte te worden verdeeld.
Standpunt [de man]
4.21.
Volgens [de man] gaat het om een verzekering zonder afkoopwaarde. Het polisblad heeft hij niet in het geding gebracht, omdat hij ervan uitging dat dit onderwerp tussen partijen geen punt van geschil meer was. Mocht blijken dat deze polis wel een afkoopwaarde heeft, dan heeft ieder recht op de helft van de waarde van de polis.
Oordeel rechtbank
4.22.
De rechtbank stelt vast dat geen van partijen stukken van deze verzekering in het geding heeft gebracht. Gelet daarop is het voor de rechtbank niet mogelijk om te beoordelen of de verzekering al dan niet een afkoopwaarde heeft. In zoverre is het door [de vrouw] in conventie sub VIII gevorderde dan ook niet toewijsbaar. Gelet op de standpunten van partijen zoals ter zitting naar voren gebracht, zal de rechtbank verstaan dat mocht blijken dat deze verzekering een afkoopwaarde heeft, hiervan de helft aan ieder van partijen toekomt.
Vordering IX in conventie: de inboedel / roerende zaken
Standpunt [de vrouw]
4.23.
stelt bij haar vertrek uit de woning in oktober 2021 slechts enkele persoonlijke spullen te hebben meegenomen. Tot op heden is het partijen niet gelukt de inboedel te verdelen. [de vrouw] kondigt in de dagvaarding aan een voorkeurslijst in het geding te zullen brengen. Het gaat haar met name om de waarde van duur gereedschap dat ten behoeve van de verbouwing is aangeschaft met geld van partijen. Vlak voor het uiteengaan van partijen is een hakselaar van € 5.000,00 en een zitmaaimachine van € 6.500,00 gekocht van geld van de gezamenlijke rekening. Deze spullen mag [de man] houden, maar [de vrouw] wil de helft van de waarde ervan vergoed krijgen. Voor het overige wil [de vrouw] enkel nog haar diploma’s en haar administratie ontvangen die in de woning liggen.
Standpunt [de man]
4.24.
Volgens [de man] heeft hij [de vrouw] meermaals verzocht een lijst op te stellen met zaken die zij graag wil ontvangen. Ook nu heeft [de vrouw] een dergelijke lijst niet overgelegd. [de man] is bereid om tot een verdeling te komen, maar hij wil niets verrekenen en is van mening dat de zaken dan maar moeten worden verkocht. De meeste goederen zijn gedateerd en al voor een groot gedeelte afgeschreven. De door [de vrouw] beschreven zitmaaimachine en hakselaar zijn tweedehands gekocht en de waarden ervan zijn veel te hoog ingeschat. In de garage staat een doos met spullen van [de vrouw] gereed met daarin haar diploma’s en administratie. [de man] stelt voor dat de zoon van partijen deze doos kan meenemen als hij bij [de vrouw] op bezoek gaat.
Oordeel rechtbank
4.25.
Gelet op hetgeen [de man] ter zitting heeft verklaard met betrekking tot de diploma’s en administratie van [de vrouw] , gaat de rechtbank er van uit dat die spullen door de zoon van partijen aan [de vrouw] zal worden gegeven. De rechtbank hoeft hierop dan ook niet meer te beslissen.
4.26.
Met betrekking tot de hakselaar en zitmaaimachine overweegt de rechtbank dat [de vrouw] geen enkel aanknopingspunt biedt over (i) de staat waarin deze zijn gekocht (nieuw of tweedehands), (ii) de staat waarin deze nu verkeren en/of (iii) de huidige waarde van deze spullen. De rechtbank stelt ten slotte vast dat [de vrouw] geen voorkeurslijst in het geding heeft ingebracht. De vordering sub IX in conventie, voor zover die ziet op de inboedel en roerende zaken (anders dan de auto’s), zal daarom worden afgewezen.
Vordering IX in conventie: de twee auto’s
Standpunt [de vrouw]
4.27.
heeft gesteld dat er twee auto’s (een Mercedes met kenteken [kenteken 1] en een Opel Corsa met kenteken [kenteken 2] ) zijn die voor verdeling in aanmerking komen. [de man] heeft de Mercedes destijds gekocht voor € 10.000,00 met geld van de gezamenlijke rekening van partijen na 1 oktober 2021. De Mercedes kan wat [de vrouw] betreft aan [de man] worden toebedeeld, onder betaling van € 5.000,00 aan [de vrouw] en de Opel Corsa kan aan [de vrouw] worden toebedeeld zonder dat daarvoor een waarde hoeft te worden verrekend.
Standpunt [de man]
4.28.
heeft geen bezwaar tegen toewijzing van deze vordering.
Oordeel rechtbank
4.29.
De rechtbank zal dit deel van het door [de vrouw] bij petitum sub IX gevorderde toewijzen, nu [de man] hiertegen geen verweer heeft gevoerd.
Vordering X in conventie: de bankrekening en de daaraan gekoppelde spaarrekening bij Sparkasse Aachen ( [rekeningnummer 1] )
Oordeel rechtbank
4.30.
Uit de akte en de antwoordakte van partijen na de mondelinge behandeling blijkt dat partijen het er over eens zijn dat het saldo van deze rekening per 30 januari 2026 € 76.009,00 bedraagt en dat hiervan aan [de man] toekomt € 39.017,00 en aan [de vrouw] toekomt € 36.992,00 (per 30 januari 2026). De rechtbank zal het saldo van deze rekening aan [de man] toedelen, en daarbij bepalen dat van het saldo van deze rekening per 30 januari 2026 een bedrag van € 36.992,00 toekomt aan [de vrouw] en met veroordeling van [de man] om dat bedrag aan [de vrouw] te betalen.
Vordering XI in conventie: de gemeenschappelijke rekening bij Sparkasse ( [rekeningnummer 2] )
Standpunt [de vrouw]
4.31.
stelt dat er nog een verrekening moet plaatsvinden van de mutaties van deze rekening van partijen over de periode 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022. Rekening houdend met wat ieder van partijen op deze bankrekening gestort heeft en wat ieder van partijen heeft opgenomen in die periode, is [de vrouw] van mening dat [de man] aan haar nog een bedrag moet vergoeden. In de dagvaarding berekent zij dat bedrag op € 21.024,90. In de akte na de mondelinge behandeling vermindert zij haar vordering tot € 19.550,59. Dit bedrag licht zij als volgt toe.
4.31.1.
De bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] is een betaalrekening die gekoppeld is aan de spaarrekening met nummer [rekeningnummer 3] . Deze twee rekeningen moeten als één geheel worden beschouwd. [de vrouw] heeft als productie 14 alle bankafschriften over de periode 1 oktober 2021 - 30 juni 2022 overgelegd en de bankmutaties die van belang zijn van een kleur voorzien:
oranje betreft inkomend salaris van [de man] alsmede contante opnamen van [de man] (die volgens het pasnummer van [de man] zijn gedaan, pasnummer “ [nummer 1] ”). Hij heeft € 34.081,23 ingelegd aan salaris en € 31.376,59 aan privé opnames gedaan;
geel betreft inkomend salaris van [de vrouw] alsmede alle uitgaven van [de vrouw] (die volgens het pasnummer van [de vrouw] , pasnummer “ [nummer 2] ”). Zij heeft € 37.590,83 aan salaris ingelegd en € 17.293,24 aan privé uitgaven gedaan;
paars betreft de gebruikslasten Essent/Ziggo/WML/BsgW van in totaal € 2.205,08. Die lasten moeten voldaan worden door [de man] , omdat alleen hij in de periode 1 oktober 2021 - 30 juni 2022 in de woning verbleef;
blauw betreft gezamenlijke uitgaven van partijen (hypotheek en verzekeringen), in totaal € 7.068,42. Ieder van partijen moet € 3.534,21 voor zijn rekening nemen;
groen betreft boekingen ten behoeve van spaargelden die per eind juni 2022 reeds bij helfte verdeeld zijn en die dus buiten de verdeling c.q. verrekening blijven.
Deze uitkomsten heeft [de vrouw] opgenomen in het Excel overzicht dat zij als productie 15 in het geding heeft gebracht. De conclusie is volgens haar dat [de man] € 3.034,65 te weinig heeft ingelegd en zij € 16.763,38 te veel heeft ingelegd.
4.31.2.
[de vrouw] stelt verder dat zij over de periode 1 oktober 2021 - 31 december 2022 de ziektekostenpremie voor de beide kinderen betaald heeft. Ieder van partijen moet conform afspraak de helft daarvan voldoen. De nominale zorgpremie voor ieder van de kinderen over 2021 bedroeg € 130,19 per maand en in 2022 € 139,22 per maand. De zorgpremie van de beide kinderen werd betaald vanuit haar salaris. [de vrouw] verwijst naar de loonafschriften over de periode 1 oktober 2021 - 31 december 2022, productie 16). Zij berekent haar vordering op [de man] als volgt:
2021: 2 kinderen à € 130,19 per maand x 3 maanden (okt/nov/dec 2021) = € 781,14
2022: 2 kinderen à € 139,22 per maand x 12 maanden (jan-dec 2022) = € 3.341,28
Totaal € 4.122,42
Haar vordering op [de man] bedraagt derhalve € 2.061,21, aldus [de vrouw] .
4.31.3.
[de vrouw] wijst erop dat zij de voorlopige aanslag IB 2021 ad € 1.067,00 voldaan heeft, die voor rekening van beide partijen komt (productie 17). De afspraak van partij is dat ieder de helft van de kosten zou dragen (zie ook proces-verbaal d.d. 20 januari 2025, pag. 5 een na laatste alinea). Partijen waren bovendien fiscale partners en deze schuld heeft betrekking op inkomen dat gezamenlijk werd aangewend. Haar vordering bedraagt de helft van € 1.067,00 en dat is € 533,50.
4.31.4.
Tot slot merkt [de vrouw] op dat zij de tandartskosten ad € 385,00 (productie 18) voldaan heeft ten behoeve van hun zoon. [de vrouw] vordert de helft hiervan, zijnde € 192,50.
4.31.5.
Resumerend stelt [de vrouw] dat haar vordering op [de man] in totaal bedraagt: € 16.763,38 + € 2.061,21 + € 533,50 + € 192,50 = € 19.550,59.
Standpunt [de man]
4.32.
is primair van mening dat de vorderingen van [de vrouw] moeten worden afgewezen. [de vrouw] maakt niet duidelijk op welke rechtsgrond zij haar vorderingen baseert. Partijen hebben geen samenlevingsovereenkomst opgesteld waarin afspraken staan over verrekening. De vorderingen van [de vrouw] zien op gebeurtenissen van vóór de peildatum (31 december 2022). Voorts betwist [de man] dat partijen de afspraak hadden dat ieder van hen de helft van de zorgpremie voor de volwassen kinderen zou betalen. Hij merkt verder op dat in het overzicht bij de dagvaarding een salaris van [de vrouw] vermeld staat ter grootte van € 41.468,70, terwijl in haar akte na de mondelinge behandeling een lager bedrag staat vermeld van € 37.590,83. [de man] kan dit verschil niet verklaren. [de man] wijst er op dat [de vrouw] in haar berekening de salarissen van partijen optelt en deelt. Op grond waarvan zij het recht heeft om te eisen dat hij ‘bijstort’ omdat hij een lager salaris had, ontgaat hem. Partijen hebben tijdens hun samenwoning nooit jaarlijks een afrekening gemaakt op basis van de ontvangen salarissen.
Oordeel rechtbank
4.33.
De rechtbank stelt voorop dat partijen tijdens de mondelinge behandeling verklaard hebben dat ieders inkomen op een gemeenschappelijke rekening werd gestort en dat die gebruikt werd om de kosten van de huishouding te betalen en dat partijen 50%-50% hebben bijgedragen in die kosten.
4.34.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen gedurende de jaren dat zij samen waren jaarlijks uitgerekend hebben hoeveel iedereen ingelegd heeft op deze rekening, hoeveel kosten zij van deze rekening betaald hebben en dat een van hen dan een bedrag moest vergoeden aan de andere partij omdat die partij niet exact 50% had bijgedragen. Nadat partijen uit elkaar gegaan zijn, zijn zij tot 1 juli 2022 op oude voet verder gegaan met het storten van hun inkomen op de gezamenlijke rekening en het betalen van gezamenlijke kosten. Omdat het bestaan van verrekenafspraken tussen partijen over ingelegd inkomen en gedane uitgaven niet gebleken is, ontbreekt een grondslag waarop de vordering tot verrekening van [de vrouw] over de periode oktober 2021 - juli 2022 met betrekking tot de rekening eindigend op -82 gebaseerd kan worden. Het deel van haar vordering dat strekt tot betaling van € 16.763,38 zal dan ook worden afgewezen.
4.35.
De rechtbank zal het saldo van de rekening eindigend op -82 per 1 juli 2022 aan [de man] toedelen en hem veroordelen om wegens overbedeling de helft van het saldo op die datum aan [de vrouw] te vergoeden.
4.36.
[de vrouw] vordert ook verrekening van andere kosten (ziektekosten, tandartskosten en kosten aanslag IB 2021). Hoewel [de vrouw] het niet met zoveel woorden zegt, begrijpt de rechtbank uit de inhoud van productie 15 dat die kosten volgens [de vrouw] niet betaald zijn via de gezamenlijke rekening die eindigt op [nummer 3] , maar vanaf een rekening die alleen op haar naam staat.
4.36.1.
[de vrouw] stelt dat partijen de afspraak hebben gemaakt om de ziektekosten en de tandartskosten van de volwassen kinderen te delen. Het is voor de rechtbank niet duidelijk of [de vrouw] bedoelt dat deze kosten voor de volwassen kinderen vallen onder de stilzwijgende afspraak van partijen om de huishoudelijke kosten van partijen te delen of dat zij doelt op een aparte afspraak voor zover het zorgkosten van de volwassen kinderen betreft. Nadere uitleg heeft zij niet gegeven, evenmin heeft zij toegelicht hoe partijen (en hun volwassen kinderen) dit eerdere jaren financieel geregeld hebben. Nu [de man] ontkent dat partijen de gestelde afspraak gemaakt hebben, is de rechtbank van oordeel dat de door [de vrouw] gevorderde bedragen van € 2.061,21 en € 192,50 bij gebrek aan onderbouwing moeten worden afgewezen.
4.36.2.
[de man] heeft de door [de vrouw] gevorderde verrekening van de door haar betaalde voorlopig aanslag IB 2021 van € 1.067,00 niet betwist. De rechtbank zal [de man] daarom veroordelen aan [de vrouw] de helft hiervan te betalen, zijnde € 533,50.
proceskosten
4.37.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
stelt de verdeling van de woning als volgt vast:
de woning, staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats 1] aan de [adres] , zal op kosten van partijen (ieder bij helfte) worden getaxeerd door [makelaarskantoor] op basis van de huidige onderhandse verkoopwaarde,
daarna zal, als [de man] binnen vier weken na het bekend worden van de taxatiewaarde aan [de vrouw] kenbaar maakt dat hij bereid en in staat is de woning over te nemen, de woning aan [de man] worden toegedeeld, onder de verplichting van [de man] om op het moment dat [de vrouw] haar aandeel in de woning aan [de man] levert, aan [de vrouw] te voldoen de helft van de overwaarde (dat is de getaxeerde waarde van de woning minus de hypotheekschuld op 1 juli 2022 die resteert na aftrek van het saldo van het Spaardeel op 1 juli 2022) en onder de voorwaarde dat [de vrouw] door de bank is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;
als [de man] niet binnen vier weken na het bekend worden van de taxatiewaarde van de woning aan [de vrouw] kenbaar gemaakt heeft dat hij de woning wil en kan overnemen, of als [de man] op tijd kenbaar maakt dat hij de woning niet wil of kan overnemen, zal de woning worden verkocht aan een derde.
in het geval de woning wordt verdeeld door verkoop: A: veroordeelt [de man] om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, die in ieder geval bestaat uit:
het verlenen van toegang aan de verkoopmakelaar (inclusief aan zijn kantoor verbonden medewerkers/derden) tot de woning ter voorbereiding van de verkoopwerkzaamheden, waaronder in ieder geval het maken van foto’s in en rond de woning;
het in ordentelijke staat brengen van de woning, ook ten behoeve van de fotosessie;
het afgeven van de sleutels aan de makelaar ten behoeve van bezichtigingen;
het verlaten van de woning op verzoek van de makelaar gedurende bezichtigingen ten behoeve van de verkoop;
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 5.000,00;
B: veroordeelt [de man] tot het ondertekenen van de bemiddelingsovereenkomst met de makelaar, de koopovereenkomst met de derde partij en de akte van levering van de woning bij de notaris en bepaalt dat, als [de man] aan deze veroordeling geen gevolg geeft, het vonnis van de rechtbank in de plaats gesteld wordt van de instemmende wilsverklaring van [de man] voor de bemiddelingsovereenkomst met de makelaar, de verkoopovereenkomst van de woning en de akte van levering van de woning;
5.2.
verstaat dat in de interne verhouding vanaf 1 juli 2022 tot het moment van levering en ontslag van [de vrouw] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid op [de man] de draaglast rust van de hypothecaire geldlening;
5.3.
veroordeelt [de man] om aan [de vrouw] te betalen een gebruiksvergoeding voor de periode van 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 van € 2.025,00;
5.4.
verstaat dat indien mocht blijken dat de overlijdensrisicoverzekering met [polisnummer] een afkoopwaarde heeft, de helft hiervan aan ieder van partijen toekomt;
5.5.
deelt toe aan [de man] de Mercedes ( [kenteken 1] ), met veroordeling van [de man] om aan [de vrouw] wegens overbedeling te betalen een bedrag van € 5.000,00, en deelt toe aan [de vrouw] de Opel Corsa ( [kenteken 2] ) zonder dat hiervoor een waarde hoeft te worden verrekend;
5.6.
deelt het saldo van de spaarrekening bij Sparkasse Aachen met [rekeningnummer 1] toe aan [de man] , onder bepaling dat van het saldo op 30 januari 2026 een bedrag van € 36.992,00 aan [de vrouw] toekomt en een bedrag van
€ 39.017,00 aan [de man] en met veroordeling van [de man] om € 36.992,00 aan [de vrouw] te betalen;
5.7.
deelt het saldo per 1 juli 2022 van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] bij Sparkasse Aachen toe aan [de man] , en veroordeelt hem om aan [de vrouw] te betalen wegens overbedeling de helft van het saldo per 1 juli 2022;
5.8.
veroordeelt [de man] om € 533,50 te betalen aan [de vrouw] (zijnde de helft van de voorlopige aanslag IB 2021);
5.9.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij
de eigen kosten draagt;
5.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/341362 / HA ZA 25-192
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[de vrouw]
,
te [plaats 1] , gemeente Eijsden-Margraten,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. R.P.H.W. Haas,
tegen
[de man]
,
te [plaats 1] , gemeente Eijsden-Margraten,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. M. van Riet.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 11
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 t/m 4
de conclusie van antwoord in reconventie tevens vermeerdering van eis in conventie
de akte indienen producties 12 en 13 van [de vrouw]
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 januari 2026
de akte van [de vrouw] met producties 14 t/m 19
de antwoordakte van [de man] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[de vrouw] en [de man] hebben gedurende 25 jaar als partners ongehuwd samengewoond zonder het opmaken van een samenlevingsovereenkomst. Zij hebben twee meerderjarige kinderen. Op 1 oktober 2021 is hun relatie beëindigd.
2.2.
[de vrouw] en [de man] hebben in gezamenlijk eigendom, ieder voor de helft, een woning aan de [adres] te [plaats 1] . Op de woning rust een hypotheek in verband met een geldlening die verstrekt is door de SNS Bank N.V. Per 2 juni 2025 was het openstaande bedrag van de spaarhypotheek € 79.865,35. Aan de hypotheek is een Spaardeel Rekening gekoppeld. Het saldo van die rekening per 25 juni 2025 was € 72.961,98.
2.3.
[de vrouw] heeft de woning in oktober 2021 verlaten. [de man] is daarin blijven wonen. Na haar vertrek heeft [de vrouw] tot juli 2022 € 225,00 per maand meebetaald aan de eigenaarslasten van de woning (ca. € 450,00 per maand).
2.4.
Op 26 oktober 2022 is de woning getaxeerd op een waarde van € 580.000,00.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[de vrouw] vordert in de dagvaarding en na vermeerdering van eis bij de conclusie van antwoord in reconventie tevens vermeerdering van eis in conventie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verdeling van de woning als volgt vaststelt:
- de woning, staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats 1] aan de [adres] zal worden getaxeerd door [makelaarskantoor] , dan wel door een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke deskundige, op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, mede rekening houdend met de krapte op de huizenmarkt (overbiedingen), waarna de woning aan [de man] zal worden toegescheiden, onder de verplichting van [de man] om de helft van de overwaarde (= waarde woning + Spaardeel minus restant hypotheek) aan [de vrouw] te voldoen, waarna de overwaarde tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld;
- de hypotheek die rust op de woning, zal aan [de man] worden toegescheiden, onder de verplichting van [de man] om [de vrouw] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;
II. althans bepaalt dat de gezamenlijke woning van partijen te ( [postcode] ) [plaats 1] aan de [adres] dient te worden verkocht aan een derde en dat de verkoopopbrengst na aftrek van de kosten verbonden aan de verkoop en na verrekening van de hypothecaire geldlening en het Spaardeel, tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld en dat [de man] wordt veroordeeld om volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, waarbij die medewerking zal bestaan uit:
- het verlenen van toegang tot de woning aan de verkoopmakelaar [makelaarskantoor] te [plaats 2] , diens medewerkers en ingezette derden, ter voorbereiding van de verkoopwerkzaamheden, waaronder maar niet beperkt tot het maken van foto's in en om de woning;
- het in ordentelijke staat brengen van de woning (ten behoeve van een dergelijke fotosessie);
- het afgeven van de sleutels van de woning aan de makelaar ten behoeve van bezichtigingen;
- het verlaten van de woning op verzoek van de makelaar en daarin niet terugkeren gedurende bezichtigingen ten behoeve van de verkoop;
- het ondertekenen van het (voorlopig) koopcontract en de akte van levering/overdracht bij de notaris;
- zulks op straffe van een dwangsom van ad € 500,-- per dag of dagdeel dat [de man] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,--;
III. [de vrouw] vervangende toestemming verleent c.q. dit vonnis in de plaats laat komen van de instemmende wilsverklaring van [de man] , voor hetgeen waartoe [de man] onder II., is veroordeeld, indien [de man] niet op het eerste verzoek van [de vrouw] medewerking verleent en bepaalt dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW mede in de plaats zal treden van de door de makelaar op te stellen overeenkomst van (verkoop)opdracht en de koopovereenkomst alsmede de door de notaris op te stellen akte van levering met betrekking tot de woning, voor zover het betreft het verlenen van toestemming van [de man] tot die verkoop en notariële levering;
IV. [de man] veroordeelt om inzage te verschaffen in de actuele hypotheekstand en Spaarpolis, middels overlegging van een kopie waaruit de huidige stand van de afbetalingen c.q. waarde blijkt;
V. althans een zodanige verdeling van de woning vaststelt als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
VI. [de man] veroordeelt om aan [de vrouw] te voldoen een gebruiksvergoeding:- vanaf 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022, ter grootte van € 4.425,-, - vanaf 1 juli 2022 tot de datum van verdeling van de woning van partijen, ter grootte van € 500,- per maand (dat is 2% van de helft van de overwaarde van de woning van partijen), althans een zodanige gebruiksvergoeding tot aan de datum van verdeling van de woning van partijen vast te stellen, als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
VII. bepaalt dat de schuld van partijen aan de ouders van [de vrouw] ad € 60.000,- een gezamenlijke schuld van partijen betreft en [de man] in de interne verhouding met [de vrouw] is gehouden om de helft van deze schuld te voldoen en bepaalt dat [de vrouw] een vordering op [de man] heeft zodra zij meer dan de helft van deze schuld heeft voldaan ter hoogte van dat meerdere;
VIII. [de man] veroordeelt om inzage te verschaffen in de actuele (afkoop)waarde van de overlijdensrisicoverzekering met [polisnummer] , middels overlegging van een kopie waaruit de huidige stand van deze (afkoop)waarde blijkt en te bepalen dat de polis aan [de man] wordt toegescheiden onder de verplichting van [de man] om de helft van de waarde aan [de vrouw] te voldoen;
IX. de roerende inboedelzaken verdeelt, conform een nog door [de vrouw] aan te leveren voorkeurslijst en bepaalt dat de Mercedes ( [kenteken 1] ) aan [de man] wordt toebedeeld en de Opel Corsa ( [kenteken 2] ) aan [de vrouw] wordt toebedeeld onder de verplichting van [de man] om wegens overbedeling een bedrag ad € 5.000,- aan [de vrouw] te voldoen;
X. bepaalt dat de spaargelden van partijen op de spaarrekening bij Sparkasse
Aachen met [rekeningnummer 1] , per 1 juli 2022 bij helfte zullen worden verdeeld onder verrekening van een extra bedrag ten gunste van [de vrouw] van € 8.500,- wegens overbedeling van [de man] ;
XI. bepaalt dat [de man] ten aanzien van de verrekening van de gemeenschappelijke rekening van partijen bij Sparkasse met [rekeningnummer 2] vanaf de feitelijke scheiding van partijen per 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 wegens overbedeling aan [de vrouw] dient te voldoen € 21.024,90, waarbij de rekening aan [de man] kan worden toebedeeld;
XII. althans in goede justitie een verdeling vaststelt;
XIII. [de man] te veroordeelt in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover.
3.2.
Bij akte van 18 maart 2026 heeft [de vrouw] de eis als volgt gewijzigd:
“(…) De vordering van [de vrouw] op [de man] ten aanzien van de verrekening van inkomen en uitgaven bedraagt ad € 19.550,59 en hierbij dienovereenkomstig wordt gewijzigd c.q. verminderd, zoals ook nader gespecificeerd onder productie 15 en dat de vordering van [de vrouw] ten aanzien van de spaargelden bij de Sparkasse te Aachen met [rekeningnummer 1] bedraagt ad € 36.992,- (stand eind januari 2026).”
3.3.
[de man] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[de man] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad, - de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats 1] aan de [adres]
aan [de man] toedeelt, conform de taxatiewaarde van € 580.0000,00 [de rechtbank leest en begrijpt: € 580.000,00], onder de verplichting van [de man] om de helft van de overwaarde (waarde woning minus restant hypotheek minus kosten) aan [de vrouw] te voldoen, en onder de verplichting van [de man] om [de vrouw] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld (indien nog van toepassing), - althans in goede justitie een regeling vaststelt.
3.6.
[de vrouw] voert verweer.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze gelijktijdig beoordelen.
4.2.
Partijen zijn er zelf niet in geslaagd tot een financiële afwikkeling te komen van hun voormalige samenleving. De punten waarover partijen van mening verschillen, zal de rechtbank hieronder beoordelen.
Vorderingen I, II, III, IV, V in conventie en de vordering in reconventie:
de woning, de daarop rustende hypotheek en de daaraan gekoppelde Spaardeel-rekening
Standpunt [de vrouw]
4.3.
stemt ermee in dat [de man] haar aandeel in de woning overneemt, maar dan moet wel worden uitgegaan van de actuele taxatiewaarde van de woning. Zij stelt voor om een taxatie te laten uitvoeren door [makelaarskantoor] of een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke deskundige. De taxatie uit 2022, die [de man] tot uitgangspunt wil nemen, is niet meer bruikbaar. Die taxatie is destijds verricht met als doel om alle geschilpunten in een keer minnelijk af te wikkelen, maar dat is niet gelukt. De overwaarde moet bij helfte tussen partijen worden verdeeld, aldus [de vrouw] .
Standpunt [de man]
4.4.
wil dat de woning aan hem toegedeeld wordt en dat daarbij de taxatiewaarde van de woning op 26 oktober 2022, zijnde € 580.000,00, wordt aangehouden. [de vrouw] heeft in 2022 immers zelf voorgesteld een taxatie te laten verrichten én tegen die waarde te verdelen. Partijen waren het eens over dat bedrag. Hij verwijst naar productie 5 van [de vrouw] . Het betreft een gespreksverslag dat is opgesteld in de tijd dat partijen onderhandelden over de afwikkeling van hun samenleving waarin die waarde genoemd wordt. Ook wijst hij op een ontwerpakte van verdeling van 28 maart 2023 opgesteld door [notaris] , door hem overgelegd als productie 4, waarin volgens hem dit bedrag staat. Als gevolg van andere posten (zoals de verdeling van het door [de man] opgebouwde pensioen) die [de vrouw] aankaartte en waar partijen het niet over eens werden, is de woning toen niet aan hem geleverd, aldus [de man] .
Oordeel rechtbank
Vorderingen I en V in conventie en vordering in reconventie
4.5.
Niet in geschil is dat partijen in 2022 overleg gevoerd hebben over de financiële afwikkeling van alle aspecten van hun samenwoning en dat zij daarbij zijn uitgegaan van een waarde van € 580.000,00 van de woning. Een regeling is toen niet tot stand gekomen. Niet is gebleken dat partijen destijds de afspraak gemaakt hebben dat als de onderhandelingen over een volledige regeling zouden mislukken, partijen bij een verdeling van de woning op later moment - welk moment dan ook - toch zouden uitgaan van een waarde van € 580.000,00. De rechtbank volgt het standpunt van [de man] dan ook niet. In plaats daarvan zal de rechtbank als de peildatum voor de waardering van de woning die behoort tot een eenvoudige gemeenschap op grond van de hoofdregel de datum van de verdeling (datum van dit vonnis) hanteren.
4.6.
[de man] heeft ter zitting verklaard dat hij de woning financieel kan en wil overnemen, ook als hij geen baan meer mocht hebben. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat in geval van toedeling van de woning aan [de man] deze niet plaats zal vinden op basis van de taxatiewaarde uit 2022, maar op basis van de huidige waarde. [de man] heeft zich er niet over uitgelaten of hij de woning ook wil overnemen als de woning op een hoger bedrag gewaardeerd wordt dan € 580.000,00. De rechtbank gaat er van uit dat hij de woning ook toegedeeld wil krijgen als de waarde hoger is dan € 580.000,00 als hij daartoe financieel in staat is.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat [de man] geen bezwaar geuit heeft tegen de persoon van
[makelaarskantoor] . De rechtbank zal deze makelaar benoemen, zodat deze de waarde van de woning per datum van dit vonnis kan vaststellen. Tegen die nog vast te stellen waarde zal de woning in beginsel worden toegedeeld aan [de man] , onder de voorwaarde dat [de vrouw] door de bank wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. [de man] is voor dat ontslag afhankelijk van medewerking van SNS Bank N.V. [de man] zal verder op het moment van de levering van het aandeel van [de vrouw] in de woning aan hem, de helft van de overwaarde aan [de vrouw] moeten voldoen. De overwaarde bestaat uit de waarde van de woning minus de hypotheekschuld op 1 juli 2022 die resteert na aftrek van het saldo van het Spaardeel op 1 juli 2022. Sinds 1 juli 2022 heeft immers alleen [de man] de lasten verbonden aan de woning voor zijn rekening genomen. De kosten van de makelaar en de notaris zullen partijen ieder voor de helft moeten dragen.
4.8.
Partijen spreken in hun processtukken over het “toescheiden” van de hypotheekschuld aan [de man] . De rechtbank begrijpt dat zij bedoelen dat de rechtbank in hun onderlinge verhouding de draaglast van deze schuld vaststelt. [de man] is degene die sinds juli 2022 de lasten volledig voldoet omdat alleen hij de woning bewoont. De rechtbank zal verstaan dat in de interne verhouding van partijen tot het moment van levering en ontslag van [de vrouw] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid op [de man] de draaglast rust van de hypothecaire geldlening.
Vorderingen II en III in conventie en vordering in reconventie
4.9.
Op dit moment is onbekend wat volgens [makelaarskantoor] de waarde is van de woning. Niet uitgesloten is dat de makelaar tot een andere taxatiewaarde komt dan [de man] nu in gedachten heeft. Mocht [de man] de woning uiteindelijk toch niet kunnen of willen overnemen als deze meer waard blijkt te zijn dan € 580.000,00, dan zal de woning verkocht moeten worden. De rechtbank zal [de man] vier weken na het bekend maken van de taxatiewaarde door [makelaarskantoor] de tijd geven om aan [de vrouw] kenbaar te maken of hij de woning definitief wil overnemen. Voor het geval [de man] de woning toch niet toegedeeld wil krijgen, zal de rechtbank verkoop van de woning gelasten en hem veroordelen om daaraan mee te werken op de wijze zoals in het dictum is bepaald. Indien [de man] aan die veroordeling geen gevolg geeft, zal het vonnis van de rechtbank in de plaats gesteld worden van de instemmende wilsverklaring van [de man] voor de bemiddelingsovereenkomst met de makelaar, de verkoopovereenkomst van de woning en de akte van levering van de woning.
Vordering IV in conventie
4.10.
Ter zitting heeft [de man] verklaard dat de hypotheek op dat moment (dat wil zeggen 20 januari 2026) nog € 79.865,35 bedroeg en dat het spaardeel, dat gekoppeld is aan die hypotheek, nog drie maanden loopt (dat wil zeggen tot en met april 2026), waarna de woning helemaal is afgelost. Hierop heeft [de vrouw] niet gereageerd. Gelet hierop alsook op het feit dat [de vrouw] mede-hypotheekgever is en zij zelf bij de bank uit dien hoofde informatie over het saldo van de hypothecaire geldlening kan opvragen, zal de rechtbank de door [de vrouw] bij petitum sub IV gevorderde inzage in de actuele hypotheekstand door [de man] wegens het ontbreken van belang afwijzen.
Vordering VI in conventie: de gebruiksvergoeding
Standpunt [de vrouw]
4.11.
heeft de woning in oktober 2021 verlaten en zij heeft tot juli 2022 de helft van alle eigenaarslasten voldaan, te weten 8 maanden x € 225,00 = € 1.800,00. Zij vordert op grond van art. 3:169 BW over de periode 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 een gebruiksvergoeding van 2 % van de overwaarde van de woning, die volgens haar minimaal € 590.000 / € 600.000 is. Zij becijfert haar aanspraak op € 5.900,00 per jaar oftewel € 491,67 per maand. Voor de periode 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 bedraagt de totale vergoeding dan € 4.425,00. Ook voor de periode na 1 juli 2022 zoekt zij aansluiting bij het bedrag van € 491,67 per maand.
Standpunt [de man]
4.12.
betwist deze vordering. [de man] is bereid de door [de vrouw] betaalde woonlasten over de periode 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 (9 maanden x € 225,00 = € 2.025,00) terug te betalen, maar hij wil geen € 4.425,00 betalen. Met het terugbetalen van haar deel van de eigenaarslasten over die periode, is er geen grond meer voor betaling van een gebruiksvergoeding, aldus [de man] . [de man] betaalt sinds 1 juli 2022 alle eigenaarslasten alleen. Het is dan ook niet redelijk dat hij vanaf die datum een gebruiksvergoeding zou moeten betalen. De gevorderde gebruiksvergoeding is hoger dan de maandelijkse hypotheeklast die hij betaalt. Ook dat is niet redelijk. [de man] wilde de woning al in 2022 verdelen, maar [de vrouw] kwam steeds met nieuwe discussiepunten waardoor het toen niet is gelukt. Het is niet aan hem te wijten dat verdeling van de woning zo lang duurt.
Oordeel rechtbank
4.13.
Tussen partijen is niet in geschil dat [de vrouw] in beginsel aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding over de periode 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 omdat zij in die periode voor de helft heeft bijgedragen aan de eigenaarskosten, terwijl zij in die periode niet het woongenot had van de woning. De vraag is vervolgens hoe hoog die vergoeding moet zijn. De rechtbank volgt niet de rekenwijze van [de vrouw] die uitgaat van een speculatieve woningwaarde. De rechtbank zal in goede justitie aansluiten bij het bedrag dat [de vrouw] in deze periode als mede-eigenaar heeft voldaan, te weten € 225,00 per maand. De rechtbank zal [de man] daarom veroordelen om aan [de vrouw] te betalen 9 x € 225,00 = € 2.025,00.
4.14.
De door [de vrouw] gevorderde gebruiksvergoeding vanaf 1 juli 2022 tot verdeling van de woning wijst de rechtbank af. Allereerst geldt dat zij vanaf 1 juli 2022 geen eigenaarslasten meer betaald heeft, terwijl zij de helft van die kosten uit hoofde van haar mede-eigendom wél zou moeten dragen. Daarbij komt dat partijen in 2022 de woning al hadden kunnen verdelen - de waarde toen was niet het discussiepunt - en zij de overige geschilpunten aan de rechtbank hadden kunnen voorleggen. Tegen die achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van een gebruiksvergoeding vanaf 1 juli 2022.
Vordering VII in conventie: de lening van partijen bij de ouders van [de vrouw] van
€ 60.000,00
Standpunt [de vrouw]
4.15.
Volgens [de vrouw] hebben partijen op 23 mei 2003 € 60.000,00 van haar ouders geleend om in 2003 de aankoop van de woning te kunnen financieren. Hiertoe is een schuldbekentenis opgesteld. Zij verwijst naar haar productie 2. Tijdens hun relatie hebben zij nooit afgelost op de lening van haar ouders. Partijen moeten ieder de helft van deze schuld dragen.
Standpunt [de man]
4.16.
erkent dat partijen in 2003 € 60.000,00 van de ouders van [de vrouw] hebben ontvangen. Het is nooit de bedoeling geweest dat dit bedrag aan hen zou worden terugbetaald. Dat blijkt uit het feit dat partijen nooit afgelost hebben op dit bedrag, zij nooit tot terugbetaling aangesproken zijn door de ouders van [de vrouw] en partijen in hun aangifte IB-belasting geen lening van de ouders van [de vrouw] vermeld hebben. Dat er destijds een lening op papier is gesteld, heeft een fiscale reden; het was voor zijn schoonouders uit fiscaal oogpunt handiger. [de man] stelt nog contact te hebben opgenomen met zijn voormalige schoonvader en die heeft aan hem bevestigd dat het bedrag van € 60.000,00 niet terugbetaald hoeft te worden. Het ter beschikking gestelde bedrag van € 60.000,00 betreft in feite een schenking aan partijen. Deze vordering dient dan ook te worden afgewezen, aldus [de man] .
Reactie [de vrouw]
4.17.
ontkent dat er sprake was van een schenking en dat haar vader onlangs gezegd heeft dat er niets terugbetaald hoeft te worden.
Oordeel rechtbank
4.18.
Niet in geschil is dat partijen en de ouders van [de vrouw] op 23 mei 2003 een document getekend hebben met als titel ‘geldleningsovereenkomst’ en dat partijen toen € 60.000,00 ontvangen hebben van de ouders van [de vrouw] ter financiering van de aankoop van hun woning. Ook staat vast dat partijen tijdens hun relatie niets terugbetaald hebben en dat de ouders van [de vrouw] partijen niet tot terugbetaling hebben aangesproken. [de vrouw] is pas tot betaling aan haar ouders overgegaan nadat de relatie van partijen is beëindigd.
4.19.
[de man] heeft gemotiveerd aangevoerd dat partijen het bedrag van € 60.000,00 niet ten titel van lening hebben ontvangen, maar ten titel van schenking. [de man] heeft verder onbetwist aangevoerd dat partijen tijdens hun samenleving altijd voldaan hebben aan iedere financiële verplichting die zij zijn aangegaan, en dat als er daadwerkelijk sprake geweest zou zijn van een lening, zij ook aan die betalingsverplichting voldaan zouden hebben. [de vrouw] heeft haar opmerking tijdens de mondelinge behandeling dat als partijen bij elkaar gebleven waren, zij waarschijnlijk niets terugbetaald zouden hebben aan haar ouders, en “het” via de erfenis zou zijn afgewikkeld, niet nader uitgewerkt. Evenmin heeft zij gereageerd op het standpunt van [de man] dat het door partijen getekende document ‘geldleningsovereenkomst’ louter vanwege fiscale redenen is opgesteld. Tegen die achtergrond heeft [de vrouw] onvoldoende gemotiveerd gereageerd op de betwisting door [de man] van haar stelling. Als gevolg daarvan is in de rechtsrelatie tussen [de vrouw] en [de man] het bestaan van een geldlening van € 60.000,00 aan haar ouders niet komen vast te staan. Vordering VII van [de vrouw] zal daarom afgewezen worden.
Vordering VIII in conventie: de overlijdensrisicoverzekering bij de SNS Bank / Reaal
Standpunt [de vrouw]
4.20.
stelt dat er een overlijdensrisicoverzekering ( [polisnummer] ) bij SNS Bank / Reaal bestaat, die een bedrag van € 79.865,00 uitkeert bij overlijden van een van partijen. Hoewel [de vrouw] niet weet of er een afkoopwaarde is en hoeveel deze bedraagt, dient deze polis volgens haar bij helfte te worden verdeeld.
Standpunt [de man]
4.21.
Volgens [de man] gaat het om een verzekering zonder afkoopwaarde. Het polisblad heeft hij niet in het geding gebracht, omdat hij ervan uitging dat dit onderwerp tussen partijen geen punt van geschil meer was. Mocht blijken dat deze polis wel een afkoopwaarde heeft, dan heeft ieder recht op de helft van de waarde van de polis.
Oordeel rechtbank
4.22.
De rechtbank stelt vast dat geen van partijen stukken van deze verzekering in het geding heeft gebracht. Gelet daarop is het voor de rechtbank niet mogelijk om te beoordelen of de verzekering al dan niet een afkoopwaarde heeft. In zoverre is het door [de vrouw] in conventie sub VIII gevorderde dan ook niet toewijsbaar. Gelet op de standpunten van partijen zoals ter zitting naar voren gebracht, zal de rechtbank verstaan dat mocht blijken dat deze verzekering een afkoopwaarde heeft, hiervan de helft aan ieder van partijen toekomt.
Vordering IX in conventie: de inboedel / roerende zaken
Standpunt [de vrouw]
4.23.
stelt bij haar vertrek uit de woning in oktober 2021 slechts enkele persoonlijke spullen te hebben meegenomen. Tot op heden is het partijen niet gelukt de inboedel te verdelen. [de vrouw] kondigt in de dagvaarding aan een voorkeurslijst in het geding te zullen brengen. Het gaat haar met name om de waarde van duur gereedschap dat ten behoeve van de verbouwing is aangeschaft met geld van partijen. Vlak voor het uiteengaan van partijen is een hakselaar van € 5.000,00 en een zitmaaimachine van € 6.500,00 gekocht van geld van de gezamenlijke rekening. Deze spullen mag [de man] houden, maar [de vrouw] wil de helft van de waarde ervan vergoed krijgen. Voor het overige wil [de vrouw] enkel nog haar diploma’s en haar administratie ontvangen die in de woning liggen.
Standpunt [de man]
4.24.
Volgens [de man] heeft hij [de vrouw] meermaals verzocht een lijst op te stellen met zaken die zij graag wil ontvangen. Ook nu heeft [de vrouw] een dergelijke lijst niet overgelegd. [de man] is bereid om tot een verdeling te komen, maar hij wil niets verrekenen en is van mening dat de zaken dan maar moeten worden verkocht. De meeste goederen zijn gedateerd en al voor een groot gedeelte afgeschreven. De door [de vrouw] beschreven zitmaaimachine en hakselaar zijn tweedehands gekocht en de waarden ervan zijn veel te hoog ingeschat. In de garage staat een doos met spullen van [de vrouw] gereed met daarin haar diploma’s en administratie. [de man] stelt voor dat de zoon van partijen deze doos kan meenemen als hij bij [de vrouw] op bezoek gaat.
Oordeel rechtbank
4.25.
Gelet op hetgeen [de man] ter zitting heeft verklaard met betrekking tot de diploma’s en administratie van [de vrouw] , gaat de rechtbank er van uit dat die spullen door de zoon van partijen aan [de vrouw] zal worden gegeven. De rechtbank hoeft hierop dan ook niet meer te beslissen.
4.26.
Met betrekking tot de hakselaar en zitmaaimachine overweegt de rechtbank dat [de vrouw] geen enkel aanknopingspunt biedt over (i) de staat waarin deze zijn gekocht (nieuw of tweedehands), (ii) de staat waarin deze nu verkeren en/of (iii) de huidige waarde van deze spullen. De rechtbank stelt ten slotte vast dat [de vrouw] geen voorkeurslijst in het geding heeft ingebracht. De vordering sub IX in conventie, voor zover die ziet op de inboedel en roerende zaken (anders dan de auto’s), zal daarom worden afgewezen.
Vordering IX in conventie: de twee auto’s
Standpunt [de vrouw]
4.27.
heeft gesteld dat er twee auto’s (een Mercedes met kenteken [kenteken 1] en een Opel Corsa met kenteken [kenteken 2] ) zijn die voor verdeling in aanmerking komen. [de man] heeft de Mercedes destijds gekocht voor € 10.000,00 met geld van de gezamenlijke rekening van partijen na 1 oktober 2021. De Mercedes kan wat [de vrouw] betreft aan [de man] worden toebedeeld, onder betaling van € 5.000,00 aan [de vrouw] en de Opel Corsa kan aan [de vrouw] worden toebedeeld zonder dat daarvoor een waarde hoeft te worden verrekend.
Standpunt [de man]
4.28.
heeft geen bezwaar tegen toewijzing van deze vordering.
Oordeel rechtbank
4.29.
De rechtbank zal dit deel van het door [de vrouw] bij petitum sub IX gevorderde toewijzen, nu [de man] hiertegen geen verweer heeft gevoerd.
Vordering X in conventie: de bankrekening en de daaraan gekoppelde spaarrekening bij Sparkasse Aachen ( [rekeningnummer 1] )
Oordeel rechtbank
4.30.
Uit de akte en de antwoordakte van partijen na de mondelinge behandeling blijkt dat partijen het er over eens zijn dat het saldo van deze rekening per 30 januari 2026 € 76.009,00 bedraagt en dat hiervan aan [de man] toekomt € 39.017,00 en aan [de vrouw] toekomt € 36.992,00 (per 30 januari 2026). De rechtbank zal het saldo van deze rekening aan [de man] toedelen, en daarbij bepalen dat van het saldo van deze rekening per 30 januari 2026 een bedrag van € 36.992,00 toekomt aan [de vrouw] en met veroordeling van [de man] om dat bedrag aan [de vrouw] te betalen.
Vordering XI in conventie: de gemeenschappelijke rekening bij Sparkasse ( [rekeningnummer 2] )
Standpunt [de vrouw]
4.31.
stelt dat er nog een verrekening moet plaatsvinden van de mutaties van deze rekening van partijen over de periode 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022. Rekening houdend met wat ieder van partijen op deze bankrekening gestort heeft en wat ieder van partijen heeft opgenomen in die periode, is [de vrouw] van mening dat [de man] aan haar nog een bedrag moet vergoeden. In de dagvaarding berekent zij dat bedrag op € 21.024,90. In de akte na de mondelinge behandeling vermindert zij haar vordering tot € 19.550,59. Dit bedrag licht zij als volgt toe.
4.31.1.
De bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] is een betaalrekening die gekoppeld is aan de spaarrekening met nummer [rekeningnummer 3] . Deze twee rekeningen moeten als één geheel worden beschouwd. [de vrouw] heeft als productie 14 alle bankafschriften over de periode 1 oktober 2021 - 30 juni 2022 overgelegd en de bankmutaties die van belang zijn van een kleur voorzien:
oranje betreft inkomend salaris van [de man] alsmede contante opnamen van [de man] (die volgens het pasnummer van [de man] zijn gedaan, pasnummer “ [nummer 1] ”). Hij heeft € 34.081,23 ingelegd aan salaris en € 31.376,59 aan privé opnames gedaan;
geel betreft inkomend salaris van [de vrouw] alsmede alle uitgaven van [de vrouw] (die volgens het pasnummer van [de vrouw] , pasnummer “ [nummer 2] ”). Zij heeft € 37.590,83 aan salaris ingelegd en € 17.293,24 aan privé uitgaven gedaan;
paars betreft de gebruikslasten Essent/Ziggo/WML/BsgW van in totaal € 2.205,08. Die lasten moeten voldaan worden door [de man] , omdat alleen hij in de periode 1 oktober 2021 - 30 juni 2022 in de woning verbleef;
blauw betreft gezamenlijke uitgaven van partijen (hypotheek en verzekeringen), in totaal € 7.068,42. Ieder van partijen moet € 3.534,21 voor zijn rekening nemen;
groen betreft boekingen ten behoeve van spaargelden die per eind juni 2022 reeds bij helfte verdeeld zijn en die dus buiten de verdeling c.q. verrekening blijven.
Deze uitkomsten heeft [de vrouw] opgenomen in het Excel overzicht dat zij als productie 15 in het geding heeft gebracht. De conclusie is volgens haar dat [de man] € 3.034,65 te weinig heeft ingelegd en zij € 16.763,38 te veel heeft ingelegd.
4.31.2.
[de vrouw] stelt verder dat zij over de periode 1 oktober 2021 - 31 december 2022 de ziektekostenpremie voor de beide kinderen betaald heeft. Ieder van partijen moet conform afspraak de helft daarvan voldoen. De nominale zorgpremie voor ieder van de kinderen over 2021 bedroeg € 130,19 per maand en in 2022 € 139,22 per maand. De zorgpremie van de beide kinderen werd betaald vanuit haar salaris. [de vrouw] verwijst naar de loonafschriften over de periode 1 oktober 2021 - 31 december 2022, productie 16). Zij berekent haar vordering op [de man] als volgt:
2021: 2 kinderen à € 130,19 per maand x 3 maanden (okt/nov/dec 2021) = € 781,14
2022: 2 kinderen à € 139,22 per maand x 12 maanden (jan-dec 2022) = € 3.341,28
Totaal € 4.122,42
Haar vordering op [de man] bedraagt derhalve € 2.061,21, aldus [de vrouw] .
4.31.3.
[de vrouw] wijst erop dat zij de voorlopige aanslag IB 2021 ad € 1.067,00 voldaan heeft, die voor rekening van beide partijen komt (productie 17). De afspraak van partij is dat ieder de helft van de kosten zou dragen (zie ook proces-verbaal d.d. 20 januari 2025, pag. 5 een na laatste alinea). Partijen waren bovendien fiscale partners en deze schuld heeft betrekking op inkomen dat gezamenlijk werd aangewend. Haar vordering bedraagt de helft van € 1.067,00 en dat is € 533,50.
4.31.4.
Tot slot merkt [de vrouw] op dat zij de tandartskosten ad € 385,00 (productie 18) voldaan heeft ten behoeve van hun zoon. [de vrouw] vordert de helft hiervan, zijnde € 192,50.
4.31.5.
Resumerend stelt [de vrouw] dat haar vordering op [de man] in totaal bedraagt: € 16.763,38 + € 2.061,21 + € 533,50 + € 192,50 = € 19.550,59.
Standpunt [de man]
4.32.
is primair van mening dat de vorderingen van [de vrouw] moeten worden afgewezen. [de vrouw] maakt niet duidelijk op welke rechtsgrond zij haar vorderingen baseert. Partijen hebben geen samenlevingsovereenkomst opgesteld waarin afspraken staan over verrekening. De vorderingen van [de vrouw] zien op gebeurtenissen van vóór de peildatum (31 december 2022). Voorts betwist [de man] dat partijen de afspraak hadden dat ieder van hen de helft van de zorgpremie voor de volwassen kinderen zou betalen. Hij merkt verder op dat in het overzicht bij de dagvaarding een salaris van [de vrouw] vermeld staat ter grootte van € 41.468,70, terwijl in haar akte na de mondelinge behandeling een lager bedrag staat vermeld van € 37.590,83. [de man] kan dit verschil niet verklaren. [de man] wijst er op dat [de vrouw] in haar berekening de salarissen van partijen optelt en deelt. Op grond waarvan zij het recht heeft om te eisen dat hij ‘bijstort’ omdat hij een lager salaris had, ontgaat hem. Partijen hebben tijdens hun samenwoning nooit jaarlijks een afrekening gemaakt op basis van de ontvangen salarissen.
Oordeel rechtbank
4.33.
De rechtbank stelt voorop dat partijen tijdens de mondelinge behandeling verklaard hebben dat ieders inkomen op een gemeenschappelijke rekening werd gestort en dat die gebruikt werd om de kosten van de huishouding te betalen en dat partijen 50%-50% hebben bijgedragen in die kosten.
4.34.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen gedurende de jaren dat zij samen waren jaarlijks uitgerekend hebben hoeveel iedereen ingelegd heeft op deze rekening, hoeveel kosten zij van deze rekening betaald hebben en dat een van hen dan een bedrag moest vergoeden aan de andere partij omdat die partij niet exact 50% had bijgedragen. Nadat partijen uit elkaar gegaan zijn, zijn zij tot 1 juli 2022 op oude voet verder gegaan met het storten van hun inkomen op de gezamenlijke rekening en het betalen van gezamenlijke kosten. Omdat het bestaan van verrekenafspraken tussen partijen over ingelegd inkomen en gedane uitgaven niet gebleken is, ontbreekt een grondslag waarop de vordering tot verrekening van [de vrouw] over de periode oktober 2021 - juli 2022 met betrekking tot de rekening eindigend op -82 gebaseerd kan worden. Het deel van haar vordering dat strekt tot betaling van € 16.763,38 zal dan ook worden afgewezen.
4.35.
De rechtbank zal het saldo van de rekening eindigend op -82 per 1 juli 2022 aan [de man] toedelen en hem veroordelen om wegens overbedeling de helft van het saldo op die datum aan [de vrouw] te vergoeden.
4.36.
[de vrouw] vordert ook verrekening van andere kosten (ziektekosten, tandartskosten en kosten aanslag IB 2021). Hoewel [de vrouw] het niet met zoveel woorden zegt, begrijpt de rechtbank uit de inhoud van productie 15 dat die kosten volgens [de vrouw] niet betaald zijn via de gezamenlijke rekening die eindigt op [nummer 3] , maar vanaf een rekening die alleen op haar naam staat.
4.36.1.
[de vrouw] stelt dat partijen de afspraak hebben gemaakt om de ziektekosten en de tandartskosten van de volwassen kinderen te delen. Het is voor de rechtbank niet duidelijk of [de vrouw] bedoelt dat deze kosten voor de volwassen kinderen vallen onder de stilzwijgende afspraak van partijen om de huishoudelijke kosten van partijen te delen of dat zij doelt op een aparte afspraak voor zover het zorgkosten van de volwassen kinderen betreft. Nadere uitleg heeft zij niet gegeven, evenmin heeft zij toegelicht hoe partijen (en hun volwassen kinderen) dit eerdere jaren financieel geregeld hebben. Nu [de man] ontkent dat partijen de gestelde afspraak gemaakt hebben, is de rechtbank van oordeel dat de door [de vrouw] gevorderde bedragen van € 2.061,21 en € 192,50 bij gebrek aan onderbouwing moeten worden afgewezen.
4.36.2.
[de man] heeft de door [de vrouw] gevorderde verrekening van de door haar betaalde voorlopig aanslag IB 2021 van € 1.067,00 niet betwist. De rechtbank zal [de man] daarom veroordelen aan [de vrouw] de helft hiervan te betalen, zijnde € 533,50.
proceskosten
4.37.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
stelt de verdeling van de woning als volgt vast:
de woning, staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats 1] aan de [adres] , zal op kosten van partijen (ieder bij helfte) worden getaxeerd door [makelaarskantoor] op basis van de huidige onderhandse verkoopwaarde,
daarna zal, als [de man] binnen vier weken na het bekend worden van de taxatiewaarde aan [de vrouw] kenbaar maakt dat hij bereid en in staat is de woning over te nemen, de woning aan [de man] worden toegedeeld, onder de verplichting van [de man] om op het moment dat [de vrouw] haar aandeel in de woning aan [de man] levert, aan [de vrouw] te voldoen de helft van de overwaarde (dat is de getaxeerde waarde van de woning minus de hypotheekschuld op 1 juli 2022 die resteert na aftrek van het saldo van het Spaardeel op 1 juli 2022) en onder de voorwaarde dat [de vrouw] door de bank is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;
als [de man] niet binnen vier weken na het bekend worden van de taxatiewaarde van de woning aan [de vrouw] kenbaar gemaakt heeft dat hij de woning wil en kan overnemen, of als [de man] op tijd kenbaar maakt dat hij de woning niet wil of kan overnemen, zal de woning worden verkocht aan een derde.
in het geval de woning wordt verdeeld door verkoop: A: veroordeelt [de man] om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, die in ieder geval bestaat uit:
het verlenen van toegang aan de verkoopmakelaar (inclusief aan zijn kantoor verbonden medewerkers/derden) tot de woning ter voorbereiding van de verkoopwerkzaamheden, waaronder in ieder geval het maken van foto’s in en rond de woning;
het in ordentelijke staat brengen van de woning, ook ten behoeve van de fotosessie;
het afgeven van de sleutels aan de makelaar ten behoeve van bezichtigingen;
het verlaten van de woning op verzoek van de makelaar gedurende bezichtigingen ten behoeve van de verkoop;
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 5.000,00;
B: veroordeelt [de man] tot het ondertekenen van de bemiddelingsovereenkomst met de makelaar, de koopovereenkomst met de derde partij en de akte van levering van de woning bij de notaris en bepaalt dat, als [de man] aan deze veroordeling geen gevolg geeft, het vonnis van de rechtbank in de plaats gesteld wordt van de instemmende wilsverklaring van [de man] voor de bemiddelingsovereenkomst met de makelaar, de verkoopovereenkomst van de woning en de akte van levering van de woning;
5.2.
verstaat dat in de interne verhouding vanaf 1 juli 2022 tot het moment van levering en ontslag van [de vrouw] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid op [de man] de draaglast rust van de hypothecaire geldlening;
5.3.
veroordeelt [de man] om aan [de vrouw] te betalen een gebruiksvergoeding voor de periode van 1 oktober 2021 tot 1 juli 2022 van € 2.025,00;
5.4.
verstaat dat indien mocht blijken dat de overlijdensrisicoverzekering met [polisnummer] een afkoopwaarde heeft, de helft hiervan aan ieder van partijen toekomt;
5.5.
deelt toe aan [de man] de Mercedes ( [kenteken 1] ), met veroordeling van [de man] om aan [de vrouw] wegens overbedeling te betalen een bedrag van € 5.000,00, en deelt toe aan [de vrouw] de Opel Corsa ( [kenteken 2] ) zonder dat hiervoor een waarde hoeft te worden verrekend;
5.6.
deelt het saldo van de spaarrekening bij Sparkasse Aachen met [rekeningnummer 1] toe aan [de man] , onder bepaling dat van het saldo op 30 januari 2026 een bedrag van € 36.992,00 aan [de vrouw] toekomt en een bedrag van
€ 39.017,00 aan [de man] en met veroordeling van [de man] om € 36.992,00 aan [de vrouw] te betalen;
5.7.
deelt het saldo per 1 juli 2022 van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] bij Sparkasse Aachen toe aan [de man] , en veroordeelt hem om aan [de vrouw] te betalen wegens overbedeling de helft van het saldo per 1 juli 2022;
5.8.
veroordeelt [de man] om € 533,50 te betalen aan [de vrouw] (zijnde de helft van de voorlopige aanslag IB 2021);
5.9.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij
de eigen kosten draagt;
5.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.