Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:8849

2026-08-21 Bestuursrecht ROE 26/1616
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-08-21
Publicatiedatum
2026-08-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
ROE 26/1616
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Sluiting woningen op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Samenhangend geheel woningen met loods op hetzelfde perceel waarin een professioneel drugslab is gevonden; de loods is namelijk voor de elektriciteits- en watervoorziening afhankelijk van de hoofdwoning. Sluiting is een geschikt middel; de noodzaak is er gelet de omvang en de recidive. Er is geen onevenwichtigheid: financiële gevolgen zijn niet gesteld, terugkeer naar de eigen woningen kan na drie maanden sluiting en geen binding met de woningen op grond van medische omstandigheden. Vovo afgewezen.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.563 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 26/1616


uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2026 in de zaak tussen

[naam] en [naam] , uit Maastricht, verzoeksters
(gemachtigde: mr. L.I.M. Entjes),


en


De Burgemeester van de gemeente Maastricht, de burgemeester
(gemachtigden: mr. R.G.A. Stassen en B.J.M. Kockelkorn).


Samenvatting


1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de twee woningen van verzoeksters te sluiten voor de duur van drie maanden en de op hetzelfde perceel gelegen loods voor een periode van twaalf maanden. Verzoeksters zijn het met de sluitingen van de woning niet mee. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeksters.



1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Dat betekent dat verzoeksters geen gelijk krijgen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 30 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet besloten de woningen en de loods van verzoeksters te sluiten voor de duur van drie respectievelijk twaalf maanden.



2.1.
Verzoeksters hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



2.2.
De burgemeester heeft de rechtbank laten weten dat hij wacht met sluiten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.



2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster [naam] , de gemachtigde van verzoeksters en de gemachtigden van de burgemeester.




Totstandkoming van het bestreden besluit


3. Verzoekster [naam] is eigenaar van de twee woningen en de loods. Verzoekster [naam] en verzoekster [naam] zijn moeder en dochter en elk van hen heeft haar hoofdverblijf in één van de woningen. De loods is sinds 1 april 2025 verhuurd.



3.1.
De burgemeester heeft een bestuurlijke rapportage van 15 april 2026 van de politie ontvangen. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat op 25 februari 2026 door medewerkers van de politie in de loods en de daarnaast gelegen woningen een onderzoek is verricht. De aanleiding voor de doorzoeking waren meerdere TCI (team criminele inlichtingen) processen-verbaal. In de loods is een (werkende) illegale chemische fabriek (oftewel een drugslab) aangetroffen. Daarbij zijn in de loods stoffen en goederen gevonden, die volgens de politie worden gebruikt bij de productie van verdovende middelen. In ruimte C (voorraad) van de loods werd onder meer een blauw klemdekselvat van 220 liter aangetroffen, gevuld met 100 liter basische vloeistof met onderin netto 24,5 kilo heldere kristallen (metamfetamine HCL), en bovenin 44,4 kilo verzadigde oplossing, de metamfetamine, beter bekend als crystal meth. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt verder dat in de twee woningen geen overtredingen van de Opiumwet zijn geconstateerd.



3.2.
Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester verzoeksters laten weten voornemens te zijn de woningen en de loods te sluiten voor de duur van twaalf maanden. Verzoeksters hebben een zienwijze ingediend tegen dit voornemen. Hierna heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen.




Beoordeling door de voorzieningenrechter


4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in deze procedure uitsluitend gaat om de sluiting van de woningen. Verzoeksters verzetten zich niet tegen de sluiting van de loods.



Spoedeisend belang


5. De door verzoeksters gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeksters niet kunnen wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter vindt het belang van verzoeksters bij het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval voldoende spoedeisend, omdat zij niet in hun woningen kunnen wonen als die worden gesloten voor drie maanden.



Toetsingskader


6. In artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is bepaald dat de burgemeester bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien – voor zover hier van belang – in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I van deze wet (harddrugs) wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Metamfetamine is vermeld op lijst I van de Opiumwet. Verder is op grond van artikel 13b, aanhef en onder b, van de Opiumwet de burgemeester (kort gezegd) bevoegd om een woning, lokaal of bijbehorend erf te sluiten als er strafbare voorbereidingshandelingen voor drugscriminaliteit worden aangetroffen, zoals specifieke materialen, chemicaliën of gereedschappen.



6.1.
De burgemeester beschikt over beleidsruimte om de woningen al dan niet gesloten te verklaren.



6.2.
De burgemeester heeft op 5 juli 2019 het ‘Damoclesbeleid Lokalen en Woningen 2019 Artikel 13b Opiumwet’ (hierna: het Damoclesbeleid) vastgesteld. Op grond van artikel 5 van het Damoclesbeleid wordt bij een eerste situatie van verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van softdrugs en/of harddrugs of bij voorbereidingshandelingen de woning (zonder voorafgaande waarschuwing) gesloten voor de duur van drie maanden.



6.3.
Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 28 augustus 2019, 6 juli 2022 en 16 juli 2025. Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.



Bevoegdheid

7. Verzoeksters hebben in bezwaar aangevoerd dat in de woningen geen overtredingen van de Opiumwet zijn geconstateerd in tegenstelling tot de loods waar een drugslab is aangetroffen. De enkele omstandigheid dat de woningen en de loods zijn gelegen op hetzelfde omheinde perceel, zoals de burgemeester stelt, is volgens verzoeksters onvoldoende om het als één geheel te beschouwen. Verzoeksters verwijzen in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025. Zij menen dat de loods een zelfstandige eenheid is met een apart adres, die niet door hen wordt gebruikt maar wordt verhuurd aan een derde partij. De loods heeft een eigen aparte ingang en is niet via de woningen te bereiken. Het is volgens verzoeksters dan ook geen bouwkundig geheel met de woningen. Bij een eerdere overtreding van de Opiumwet in de loods zijn de woningen niet gesloten. Kennelijk werd de loods toen ook niet als één geheel met de woningen beschouwd, aldus verzoeksters. Verzoeksters stellen zich dus op het standpunt dat er geen bevoegdheid bestaat voor de burgemeester om de woningen te sluiten.




7.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of de woningen en de loods een samenhangend geheel vormen, als gevolg waarvan de burgemeester bevoegd is alle panden te sluiten. Van belang is dan ook of er een zodanige relatie bestaat tussen de onderscheiden (delen van) bouwwerken dat die als één geheel moeten worden beschouwd. Als een dergelijke samenhang bestaat, dan strekt de bevoegdheid tot sluiting zich uit tot dat geheel, ongeacht of in de onderscheiden onderdelen al dan niet handelsvoorraden drugs zijn aangetroffen. De voorzieningenrechter verwijst in dat kader naar vaste rechtspraak van de Afdeling.



7.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat in de woningen geen zaken zijn aangetroffen die direct in verband kunnen worden gebracht met het drugslab in de loods. Zoals hiervoor al is vermeld, zijn de woningen en de loods gelegen op één omheind perceel. Bovendien zijn zowel de woningen als de loods uitsluitend bereikbaar via een gezamenlijke inrit en hetzelfde toegangshek. Gelet hierop kunnen de woningen en de loods niet als volledig van elkaar gescheiden worden beschouwd, ook al beschikken zij ieder over een eigen huisnummer. De voorzieningenrechter volgt verzoeksters niet in hun betoog dat de woningen en de loods niet als een samenhangend geheel kunnen worden aangemerkt. De burgemeester heeft doorslaggevend gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de loods niet beschikt over een zelfstandige elektriciteits- en watervoorziening, maar voor deze voorzieningen afhankelijk is van de hoofdwoning aan de voorzijde van het perceel. De omstandigheid dat de loods niet beschikt over een eigen water- en elektriciteitsvoorziening en het drugslab daardoor niet zonder de woning kan functioneren, maakt dat – anders dan verzoeksters stellen – sprake is van een functionele samenhang tussen de woning en de loods. Dat in de zomer van 2024 een hennepplantage is aangetroffen in de loods en destijds de loods door de burgemeester is gesloten, maar de woningen niet, doet aan het voorgaande niets af. De door verzoeksters aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025 geeft de voorzieningenrechter ook geen aanleiding tot een ander oordeel, nu die uitspraak betrekking heeft op een andere feitelijke situatie. Waar in die zaak bij de Afdeling geen functionele relatie bestond tussen de schuur en de woning, is deze situatie anders, omdat de water- en elektriciteitsvoorzieningen van de hoofdwoning ten dienste staan van de loods en daarmee van het drugslab.



7.3.
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat in de loods kilo’s aan metamfetamine zijn aangetroffen, die de grens van de gebruikershoeveelheid van 0,5 gram ruimschoots overschrijdt. Gelet alleen al op deze handelshoeveelheid harddrugs was de burgemeester in beginsel bevoegd over te gaan tot sluiting van zowel de loods alsook de woningen.



Geschiktheid

8. Verzoeksters stellen dat door het tijdsverloop tussen het aantreffen van de drugs in de loods en de in het bestreden besluit genoemde sluitingsdatum een dusdanig lange tijd is verstreken dat dit afbreuk doet aan de door de burgemeester gestelde noodzaak tot sluiting om de openbare orde te herstellen. In de tussenliggende periode is volgens verzoeksters de onrechtmatige situatie al hersteld. Beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling is naar de mening van verzoeksters niet meer aan de orde, althans niet meer in die mate dat de woningen moeten worden gesloten. Omdat de situatie al is hersteld, is de sluiting van de woningen geen geschikt middel om de doelen van het Damoclesbeleid te bereiken, aldus verzoeksters.




8.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het onderzoek in de loods en de woningen door de politie heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026 en dat de bestuurlijke rapportage van de politie van 15 april 2026 dateert. Vervolgens heeft de burgemeester op 7 mei 2026 een voornemen tot sluiting gestuurd en zijn verzoeksters in de gelegenheid gesteld tot uiterlijk 20 mei 2026 zienwijze in te dienen. Daarna zijn op 15 juni 2026 en 22 juni 2026 nog uitvragen gedaan aan WML respectievelijk Enexis. Hierna heeft de burgemeester het bestreden besluit op 30 juni 2026 genomen, waarin de sluitingsdatum op 8 juli 2026 is bepaald.



8.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester, ondanks dat sprake is van een tijdsverloop van ruim vier maanden, nog steeds tot sluiting mocht overgaan. Het tijdsverloop is in dit geval niet onredelijk lang. De voorzieningenrechter heeft gezien dat de politie weliswaar enige tijd heeft gewacht met het opstellen en toezenden van de bestuurlijke rapportage aan de burgemeester, maar de burgemeester heeft daarna voldoende voortvarend gehandeld. Ook na een tijdsverloop van ruim vier maanden is sluiting van de woningen nog steeds geschikt te achten, omdat zo een signaal aan (drugs)criminelen en omwonenden wordt afgegeven dat er geen drugs meer worden verhandeld in de panden of daartoe aanwezig zijn en dat de burgemeester optreedt in dit soort gevallen, zeker nu het hier gaat om een recidivegeval.



Noodzaak

9. Als de burgemeester bevoegd is om een pand te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook met dat minder ingrijpende middel had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.




9.1.
Verzoeksters hebben aangevoerd dat er geen noodzaak is tot sluiting van de woningen. Een minder vergaand middel dan het sluiten van de woningen is volgens verzoeksters op zijn plaats. Verzoeksters menen dat de burgemeester had kunnen volstaan met het sluiten van de loods. Verder betwisten verzoeksters de meldingen van de TCI. Deze meldingen zijn niet overgelegd door de burgemeester en kunnen naar de mening van verzoeksters dus niet worden meegewogen in de besluitvorming. Verzoeksters hebben verder aangevoerd dat in de woningen geen drugs zijn aangetroffen, zodat deze woningen ook geen rol vervullen binnen de keten van drugshandel. Tot slot hebben verzoeksters betoogd dat de gestelde verstoring van de openbare orde niet heeft plaatsgevonden vanuit de woningen. Verzoeksters zijn van mening dat sluiting van de woningen, gelet op hun ligging aan de rand van een woonwijk, op een relatief afgelegen locatie en naast een bedrijfspand, een beperkte signaalfunctie heeft. De door de burgemeester aan de sluiting toegekende signaalfunctie moet dan ook worden genuanceerd.



9.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom de sluiting van de woningen (en ook de loods) noodzakelijk is. Dat in de loods een hoeveelheid harddrugs is aangetroffen die de gebruikershoeveelheid van 0,5 gram ruimschoots overschrijdt, heeft de burgemeester zwaar mogen laten wegen. In samenhang met de aanwezigheid van diverse drugsgerelateerde voorwerpen, chemische stoffen en de professionele uitrusting van het drugslab, mocht de burgemeester aannemen dat sprake was van bedrijfsmatige productie van harddrugs. De burgemeester heeft terecht gesteld dat het perceel van verzoeksters en de zich daarop bevindende panden, waaronder de woningen, een rol vervullen binnen de keten van drugshandel. Dit omdat – zoals hiervoor reeds is overwogen onder rechtsoverweging 7.2 – de woningen en de loods als één samenhangend geheel moeten worden beschouwd. Dat in de woningen, in tegenstelling tot de loods, geen drugs zijn aangetroffen, doet – gelet op de onderlinge samenhang tussen de panden – geen afbreuk aan de conclusie dat de woningen en de loods gezamenlijk een functie vervullen binnen de keten van drugshandel. Ook volgt de voorzieningenrechter het standpunt van de burgemeester dat de aanwezigheid van een (werkend) drugslab zeer gevaarlijk is voor de samenleving en de direct omwonenden, omdat de gebruikte chemicaliën overwegend giftig, corrosief, explosief en zeer brandbaar zijn. Afvalstoffen die vrijkomen tijdens het productieproces brengen aanzienlijke risico’s met zich mee voor de leefomgeving. Daarnaast heeft de burgemeester terecht opgemerkt in het bestreden besluit dat de aanwezigheid van grote hoeveelheden verdovende middelen op een perceel kan leiden tot ripdeals en represailles vanuit het criminele circuit. Niet alleen verzoeksters zelf maar ook hun buren kunnen ongewild betrokken raken bij de gevolgen van dergelijke gevaarlijke situaties. De burgemeester heeft verder terecht betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de woningen gelegen zijn in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, althans een gedeelte van Maastricht-West. Dat de woningen, zoals verzoeksters stellen, relatief afgelegen liggen aan de rand van de woonwijk naast een bedrijfspand, doet aan de relevantie van de signaalfunctie niet af. De burgemeester geeft met de sluiting van de woningen nog altijd duidelijk een signaal af dat tegen ernstige overtredingen van de Opiumwet wordt opgetreden en dat dit niet wordt getolereerd. De voorzieningenrechter acht verder het ontbreken van de TCI-meldingen niet van doorslaggevend belang. Deze meldingen vormden slechts de aanleiding voor het politieonderzoek. De sluiting van de woningen is niet gebaseerd op de inhoud van de TCI-meldingen, maar op de tijdens het politieonderzoek aangetroffen hoeveelheden metamfetamine en een functionerend drugslab.



9.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester, gelet op de ernst en omvang van de overtreding, sluiting van de woningen (en de loods) noodzakelijk mogen achten, en heeft hij niet met een minder ingrijpende maatregel hoeven te volstaan.



Evenwichtigheid

10. Naast de noodzaak voor de sluiting, moet ook worden nagegaan of de sluiting evenwichtig is. Daarbij zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate waarin de drugshandel de bewoner kon worden verweten. De burgemeester moet de nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner(s) van de woning afwegen tegen de doelen die hij met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. De voorzieningenrechter zal daarom bij de beoordeling van het besluit tot sluiting ook de gevolgen daarvan betrekken.




10.1.
Verzoeksters hebben aangevoerd dat zij niets te maken hadden met wat in de loods is aangetroffen. De aanname van de burgemeester dat verzoeksters van het drugslab hebben moeten geweten, is volgens verzoeksters niet correct en niet onderbouwd. Zo stellen verzoeksters dat zij nooit iets hebben geroken. Ook hebben zij geen zicht vanuit hun woonkamer op de oprit of op de loods. Verzoeksters geven aan dat zij ook niet worden vervolgd voor de betreffende overtreding van de Opiumwet. Zij zijn dus geen verdachten en bestrijden enige (juridische) verwijtbaarheid. Verzoeksters menen dat zij hun best hebben gedaan om hun verantwoordelijkheid ten opzichte van de loods op een zo goed mogelijke manier uit te voeren. Zij verwijzen naar het huurcontract, waarin verschillende bepalingen zijn opgenomen ter voorkoming van misbruik van het gehuurde. Verder zijn er volgens verzoeksters inspecties uitgevoerd, waarbij geen overtreding van de Opiumwet is aangetroffen. Verzoeksters geven aan dat het onbekend is hoe lang de goederen al aanwezig waren in de loods. Dat er te weinig toezicht zou zijn geweest, kan volgens verzoeksters niet enkel gebaseerd worden op het aantreffen van de goederen, aldus verzoeksters. Verder is aangevoerd dat verzoekster [naam] bijna 80 jaar en hartpatiënt is en hiervoor medicatie gebruikt. Verder is zij slecht ter been en kortademig, waardoor zij geen trappen of lange afstanden kan lopen. Het is volgens verzoeksters dan ook niet gemakkelijk om vervangende woonruimte te vinden en die hebben zij tot nu toe ook nog niet gevonden.



10.2.

Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn pand. De burgemeester heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat in het geval van verzoeksters sprake was van enige mate van verwijtbaarheid. In dat verband heeft de burgemeester er terecht op gewezen dat van degene die een pand verhuurt wordt verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. Verhuurders moeten concreet toezicht houden op het gebruik van een pand dat zij verhuren. Het is niet genoeg als zij het pand alleen maar bezoeken. Zij moeten ook controles uitvoeren die zijn gericht op het gebruik van het pand. Dit geldt temeer nu de loods eerder gesloten is geweest vanwege de aanwezigheid van een hennepplantage en de huur van de loods van € 1.800,- per maand in contanten werd voldaan. Op de zitting heeft verzoekster [naam] verklaard dat zij iedere zes weken een controle in de loods uitvoerde; de laatste controle heeft medio januari 2026 plaatsgevonden. Tijdens deze controles heeft zij naar eigen zeggen nooit iets bijzonders waargenomen of geroken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster [naam] onvoldoende onderbouwd dat zij deze controles op het gebruik van het pand voldoende heeft uitgevoerd. De enkele stelling is hiertoe onvoldoende. Omdat verzoekster [naam] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er
toereikende controles zijn uitgevoerd op het gebruik van het pand, volgt de voorzieningenrechter verzoekster niet in haar standpunt, dat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt.




10.3.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel – anders dan verzoeksters – dat de sluiting van de woningen niet onevenwichtig is. De voorzieningenrechter begrijpt dat de sluiting voor verzoeksters nadelige gevolgen heeft, waaronder het moeten vinden van tijdelijke huisvesting voor de duur van drie maanden. Door verzoeksters is niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat het vinden van een tijdelijke woning voor drie maanden onmogelijk is. Evenmin is gesteld dat de sluiting van de woningen gedurende drie maanden voor hen leidt tot onevenredige financiële gevolgen. Verzoeksters hebben geen inzicht gegeven in hun financiële draagkracht en evenmin aangevoerd dat zij niet over de middelen beschikken om gedurende de sluitingsperiode tijdelijke huisvesting te bekostigen. Daarbij weegt mee dat verzoekster [naam] inkomsten uit arbeid heeft en verzoekster [naam] een AOW-uitkering ontvangt. Bovendien kunnen verzoeksters na afloop van de sluitingsperiode terugkeren naar hun eigen woning. Niet is gebleken dat de woningsluiting voor hen leidt tot een blijvend verlies van hun woonruimte. Verder is niet gebleken van een bijzondere binding met de woningen. De medische klachten van verzoekster [naam] is daarvoor onvoldoende. De genoemde mantelzorg tussen verzoeksters onderling (moeder en dochter) heeft geen direct verband met deze woningen.



10.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht de burgemeester meer gewicht toekennen aan het belang dat met de sluiting van de woningen is gediend dan aan de belangen van verzoeksters. De door verzoeksters aangevoerde omstandigheden geven geen aanleiding om de sluiting voor de duur van drie maanden als onevenredig te beschouwen.




Conclusie en gevolgen


11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woningen van verzoeksters mogen worden gesloten voor de duur van drie maanden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.






Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
















de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen


de voorzieningenrechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 21 augustus 2026




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:RVS:2019:2912.


ECLI:NL:RVS:2022:1911.


ECLI:NL:RVS:2025:2922.


ECLI:NL:RVS:2025:211.


Zie noot 4 en de uitspraak van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3947.


Zie noot 4.


Zie noot 3 (r.o. 10.1).


Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912 (r.o. 4.2.1).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1143 (r.o. 6.5).