Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:8827

2026-07-08 Bestuursrecht ROE 24/1391
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-08-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 24/1391
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om nadeelcompensatie. De door eiser gestelde schade is onvoldoende aangetoond. Het beroep is ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.627 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 24/1391


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond.





Procesverloop


1. Eiser heeft het college op 20 juni 2023 om nadeelcompensatie verzocht. Het college heeft dit verzoek op 11 augustus 2023 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het afwijzen van zijn verzoek om nadeelcompensatie. Omdat het college niet tijdig op het bezwaar van eiser heeft beslist, heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen niet tijdig beslissen door het college.



1.1.
Het college heeft bij besluit van 22 februari 2024 alsnog op het bezwaar van eiser beslist en heeft het bezwaar ongegrond verklaard.



1.2.
Eiser heeft desgevraagd aangegeven het niet eens te zijn met de beslissing op bezwaar van 22 februari 2024. Zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft daarom mede betrekking op de alsnog genomen beslissing op bezwaar.



1.3.
Eiser heeft meermaals aangegeven niet gehoord te willen worden op een mondelinge behandeling. De rechtbank heeft partijen bij brief van 23 juni 2025 laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en partijen gevraagd binnen vier weken te reageren indien zij een zitting wensen. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.





Totstandkoming van het bestreden besluit


2. Eiser woont in een appartement in de woontoren plaatselijk bekend als “ [naam locatie] ” aan de [adres 1] te [woonplaats] . Eiser ervaart overlast van de bewoner van het appartement boven hem, aan de [adres 2] . Hij heeft het college diverse keren verzocht om handhavend op te treden tegen deze bewoner. Het college heeft deze verzoeken afgewezen.



2.1.
Op 14 april 2020 heeft eiser de gemeenteraad van de gemeente Roermond verzocht om het bestemmingsplan “Binnenstad Roermond”, dat op de woontoren van toepassing is, te herzien. Hij heeft daarbij verzocht om in het bestemmingsplan een toetsingskader op te nemen inzake het huisvesten van bepaalde categorieën personen die volgens eiser overlast veroorzaken. De gemeenteraad heeft dit verzoek bij raadsbesluit van 8 juli 2021 afgewezen omdat de door eiser verzochte aanpassing volgens de gemeenteraad niet ruimtelijk relevant was en daarom niet kon leiden tot herziening van het bestemmingsplan.



2.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het raadsbesluit van 8 juli 2021. Bij beslissing op bezwaar van 22 februari 2022 heeft de gemeenteraad het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) tegen de beslissing op bezwaar van de gemeenteraad. Op 19 april 2023 heeft de Afdeling dat beroep ongegrond verklaard. De Afdeling was met de gemeenteraad van oordeel dat het opnemen van voorwaarden voor bewoners van de woontoren geen ruimtelijk relevant onderscheid omvat en dat het daarom in strijd zou zijn met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening om alsnog deze voorwaarden in het bestemmingsplan op te nemen.



2.3.
Bij brief van 23 mei 2023 heeft eiser de Afdeling verzocht om haar uitspraak van 19 april 2023 te herzien. De Afdeling heeft eiser op 22 juni 2023 bericht hiertoe geen aanleiding te zien.



2.4.
Op 30 juni 2023 heeft eiser het college verzocht om nadeelcompensatie voor schade die eiser stelt te hebben geleden als gevolg van het raadbesluit van 8 juli 2021, de beslissing op bezwaar van 22 februari 2022, de Afdelingsuitspraak van 19 april 2023 en de brief van de Afdeling van 22 juni 2023 waarin eisers verzoek om herziening van de uitspraak van 19 april 2023 is afgewezen.



2.5.
Het college heeft het verzoek van eiser met het primaire besluit van 11 augustus 2023 (verzonden op 17 augustus 2023) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bij brief van 28 augustus 2023 bezwaar gemaakt. Het college heeft eiser op 14 december 2023 bericht niet op tijd op zijn bezwaar te kunnen beslissen en heeft de beslistermijn verlengd met zes weken. Op 2 februari 2024 heeft eiser het college in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar.



2.6.
Eiser heeft op 19 februari 2024 een beroepschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door het college. Het college heeft met het bestreden besluit van 22 februari 2024 (verzonden op 23 februari 2024) alsnog op het bezwaar beslist en daarbij het bezwaar ongegrond verklaard. Ten aanzien van het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar heeft het college eiser per besluit van 5 maart 2024 (verzonden op 7 maart 2024) een dwangsom van € 161,- toegekend.



2.7.
Desgevraagd heeft eiser te kennen gegeven het niet eens te zijn met het bestreden besluit en zijn beroep, dat aanvankelijk alleen gericht was tegen het niet tijdig beslissen van het college, te willen voortzetten. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Derhalve richt het beroep van eiser zich van rechtswege ook tegen het bestreden besluit.



2.8.
Eiser heeft het college verzocht om ter plaatse onderzoek te doen naar de door hem ervaren overlast. Het college heeft eiser per brief van 5 augustus 2024 laten weten hiertoe geen aanleiding te zien. Eiser heeft naar aanleiding van dit bericht op 26 augustus 2024 zijn beroepsgronden aangevuld. Op 3 september 2024 en 29 oktober 2024 heeft eiser nogmaals zijn beroepsgronden aangevuld.





Beoordeling door de rechtbank



Ten aanzien van het niet tijdig beslissen



3. Voor zover eiser zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen van het college handhaaft, overweegt de rechtbank als volgt.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat het college te laat op het bezwaar van eiser heeft beslist. Eiser heeft het college op 2 februari 2024 een ingebrekestelling gestuurd. Ingevolge artikel 4:17, derde lid van de Awb had het college daarna nog twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling om een besluit te nemen voordat een dwangsom was verschuldigd. Het college had daarom op 16 februari 2024 een beslissing op het bezwaar van eiser moeten nemen. Het bestreden besluit is vervolgens op 22 februari 2024 genomen en op 23 februari 2024 aan eiser verzonden.

5. Het college heeft, gelet op een termijnoverschrijding van zeven dagen vanaf 16 februari 2024 tot 23 februari 2024, aan eiser een dwangsom toegekend van € 23,- per dag, in totaal € 161,-, in overeenstemming met hetgeen is bepaald in artikel 4:17, tweede lid, van de Awb.

6. Gelet op het voorgaande heeft eiser de dwangsom ontvangen waar hij gelet op artikel 4:17 van de Awb recht op heeft. Inmiddels heeft het college een reële beslissing op zijn bezwaar genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarom geen afzonderlijk belang (meer) bij het beoordelen van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.



Ten aanzien van het verzoek om een onderzoek in te stellen



7. Voor zover eiser de rechtbank verzocht heeft om het college op te dragen een beslissing te nemen op zijn verzoek om een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de woontoren, overweegt de rechtbank het volgende. Het door eiser gedane verzoek kan niet als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb worden gekwalificeerd, omdat eiser het college niet verzoekt om gebruik te maken van een aan het college toegekende publiekrechtelijke bevoegdheid, maar om een onderzoek ter plaatse te doen teneinde zijn verzoek om nadeelcompensatie te beoordelen. De afwijzing door het college van dit verzoek is dan ook geen besluit. Dat betekent dat de rechtbank daarover niet kan oordelen. De rechtbank zal daarom al hetgeen eiser als beroepsgronden in onderhavige zaak heeft aangevoerd te aanzien van het door hem verzochte onderzoek buiten bespreking laten.



Ten aanzien van het verzoek om nadeelcompensatie





Toetsingskader



8. Eisers verzoek om nadeelcompensatie is op 20 juni 2023 gedaan. Op 1 januari 2024 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2021, 135) in werking getreden. In artikel IV van deze wet is overgangsrecht opgenomen. Uit dit overgangsrecht vloeit voort dat op onderhavig verzoek om nadeelcompensatie het vóór 1 januari 2024 geldende recht van toepassing is gebleven.

9. Uit eisers beroepsgronden blijkt dat het verzoek om nadeelcompensatie berust op het algemene beginsel van de gelijkheid van de openbare lasten (égalité devant les charges publiques), het zogeheten égalitébeginsel. Compensatie op grond van het égalitébeginsel is alleen mogelijk indien de benadeelde zwaarder wordt getroffen dan vergelijkbare anderen (speciale last), de schade het normaal maatschappelijk risico overstijgt (abnormale last) en er een causaal verband is tussen de beweerdelijke schadeoorzaak en de schade.



Heeft eiser recht op nadeelcompensatie?



10. In beroep stelt eiser dat hij schade heeft geleden als gevolg van de volgende (rechtmatige) besluiten:

- het volgens eiser met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen door de gemeenteraad op zijn aanvraag om herziening van het bestemmingsplan op 14 april 2020;
- het besluit van de gemeenteraad van 8 juli 2021, waarbij eisers verzoek om herziening van het bestemmingsplan van 14 april 2020 is afgewezen;
- de beslissing op bezwaar van de gemeenteraad van 17 januari 2022, waarbij het bezwaar van eiser tegen het afwijzen van zijn verzoek om herziening van het bestemmingsplan van 14 april 2020 ongegrond is verklaard.

11. Uit voornoemd toetsingskader vloeit voort dat een verzoek om nadeelcompensatie enkel kan worden toegewezen indien er op de eerste plaats sprake is van geleden schade. Eiser stelt dat zijn schade bestaat uit overlast die hij vanwege het gedrag van zijn bovenbuurman ervaart. Eiser heeft echter naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele manier aangetoond welke schade hij in dit verband heeft geleden en wat de omvang daarvan is. Het enkele standpunt dat eiser overlast ervaart van zijn bovenbuurman, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te dienen als onderbouwing dat eiser schade heeft geleden, nog daargelaten of eiser heeft aangetoond dat de door hem ervaren overlast en de daardoor door hem gesteld geleden schade het normaal maatschappelijk risico overstijgt. De door eiser aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu de door eiser gedeeltelijk geciteerde rechtsoverweging ziet op een geheel andere grondslag voor schadevergoeding dan in dit geding aan de orde is.

12. Omdat de rechtbank van oordeel is dat eiser niet heeft aangetoond dat hij schade heeft geleden, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van het causaal verband tussen de door eiser gestelde schade en de drie besluiten van de gemeenteraad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college eisers verzoek om nadeelcompensatie terecht afgewezen.



Is het bestreden besluit vanwege het ontbreken van een hoorzitting gebrekkig?



13. Eiser heeft naast het voorgaande zich op het standpunt gesteld dat het college de hoorplicht geschonden heeft. Omdat eiser geen hoorzitting heeft kunnen bijwonen en ook niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op een schriftelijk verslag van de hoorzitting, is hij van mening dat hij in zijn procespositie is benadeeld.

14. Op voorhand overweegt de rechtbank dat uit het dossier afdoende blijkt dat eiser niet wenst deel te nemen aan mondelinge behandelingen, hoorzittingen of andere gesprekken gelet op de door hem aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Hoewel eiser in het overgrote deel van zijn processtukken expliciet het verzoek doet aan de betrokken instanties om niet op een mondelinge hoorzitting te verschijnen, heeft hij dat verzoek in zijn bezwaarschrift niet vermeld. Het college heeft hem desalniettemin niet uitgenodigd voor een hoorzitting, terwijl deze hoorzitting wel heeft plaatsgevonden, op 23 januari 2024.

15. De rechtbank is van oordeel dat het college eiser ten minste op de hoogte had moeten stellen van het plaatsvinden van de hoorzitting gelet op het ontbreken van een verzoek in zijn bezwaarschrift om niet gehoord te worden. Het college heeft dit in het verweerschrift ook erkend. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met de hoorplicht tot stand gekomen.

16. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om voornoemd gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Het is volgens de rechtbank namelijk in dit specifieke geval niet aannemelijk dat eiser door schending van het recht om gehoord te worden is benadeeld. Eiser heeft immers op meerdere momenten ondubbelzinnig te kennen gegeven niet te verschijnen op mondelingen behandelingen, zo ook aan de rechtbank in verband met de behandeling van onderhavig geschil en de rechtbank is ook ambtshalve bekend met die proceshouding van eiser. Eiser heeft vervolgens in beroep voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunten schriftelijk toe te lichten, dus op de wijze zoals hij wenst. Omdat sprake is van een gebrek, moet het college wel het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.



Slotopmerking



17. De rechtbank overweegt dat het beroepschrift van eiser en de aanvullingen daarop zeer omvangrijk zijn en dat er beroepsgronden, vorderingen en verzoeken door elkaar lopen. Naar het oordeel van de rechtbank is het college uitgebreid ingegaan op hetgeen eiser heeft gesteld. Voor zover eiser vindt dat sprake is van schending van enig rechtsbeginsel anders dan hiervoor besproken, overweegt de rechtbank dat hiervan niet is gebleken.





Conclusie en gevolgen


18. Het beroep is ongegrond. Eisers verzoek om nadeelcompensatie is terecht afgewezen. Wel dient het college het door eiser betaalde griffierecht op grond van artikel 6:22 van de Awb, te vergoeden, omdat sprake is van een gebrek, dat gepasseerd is.





Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep ongegrond;


bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht (€ 187,-) aan eiser dient te vergoeden.







Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op: 8 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


ECLI:NL:RVS:2023:1546.