Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:8656

2026-09-02 Civiel recht; Arbeidsrecht 12091829 CV EXPL 26-720
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12091829 CV EXPL 26-720
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1467; AR-Updates.nl 2026-1467

Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Werknemer toegelaten tot WSNP. Loonvordering raakt boedel, werknemer niet zelfstandig bevoegd om te procederen, is voorbehouden aan bewindvoerder. Werknemer niet-ontvankelijk in zijn vorderingen. Verrekening niet mogelijk (art. 307 Fw). Vakantiebijslag en vergoeding opgebouwde niet genoten vakantiedagen (deels) toegewezen. Overwerkvergoeding afgewezen. Vordering tot schadevergoeding (in reconventie) valt niet onder bereik WSNP en kan tegen werknemer worden ingesteld en wordt toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.969 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: 12091829 \ CV EXPL 26-720




Vonnis van 2 september 2026




in de zaak van





1 [werknemer] ,

te [plaats 1] ,2. [bewindvoerder] IN DE HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER IN DE WETTELIJKE SCHULDSANERING EX TITEL III FW TEN AANZIEN VAN EISER SUB 1,
te [plaats 2] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [werknemer] en [bewindvoerder] q.q.,
gemachtigde: mr. D.M. Gijzen,



tegen





[werkgever] B.V.,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. E.V.C. Savelkoul.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 10- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de door [werkgever] ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte aanvullende productie 11
- de mondelinge behandeling van 10 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[werknemer] , geboren op [datum] 1997, is op 5 april 2023 bij [werkgever] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 5 april 2025) in de functie van chef-kok, tegen een loon van laatstelijk € 4.157,63 bruto exclusief emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst zijn de huisregels van [werkgever] en de Horeca-Cao van toepassing.



2.2.
In de huisregels staat voor zover relevant:



“Overuren




Overuren worden uitsluitend in opdracht van en na voorafgaande goedkeuring van de werkgever of leidinggevende gemaakt. Overuren die met inachtneming van dit reglement door werknemer zijn gemaakt, mogen door de medewerker aan de administratie worden doorgegeven. De betreffende overuren worden vervolgens na controle door de werkgever van een akkoord voorzien en betaalbaar gesteld. Overuren die op onregelmatige wijze tot stand zijn gekomen worden niet uitbetaald en worden ook niet in tijd gecompenseerd.”




2.3.
In de Horeca-Cao staat voor zover relevant:


“3.13 Overwerk

1. Het kan voorkomen dat je op verzoek van je werkgever werkzaamheden hebt verricht waardoor je in de referteperiode meer uren werkt dan de normale arbeidstijd, de arbeidstijd bij aanwezigheidsdiensten of een langere afgesproken arbeidstijd.

2. De uren waarmee de normale arbeidstijd, de arbeidstijd bij aanwezigheidsdiensten of een langere afgesproken werktijd wordt overschreden, is overwerk. (…)



3.14

Overwerkcompensatie
Voor vastgestelde overwerkuren geldt als compensatie:
A. Tijd voor tijd: voor elk overwerkuur één uur doorbetaald vrije tijd.
B. Als tijd voor tijd binnen 3 maanden na vaststelling van overwerk niet mogelijk is, moet je werkgever de overwerkuren uiterlijk in de maand na afloop van deze periode uitbetalen tegen 100% van het uurloon voor elk overwerkuur dat je gemaakt hebt.
C. Indien je dienstverband voortijdig eindigt en overwerkuren niet meer gecompenseerd kunnen worden in tijd voor tijd worden overwerkuren uitbetaald. (…)”




2.4.
Bij vonnis van deze rechtbank van 24 september 2024 is ten aanzien van [werknemer] de schuldsanering op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (hierna te noemen: WSNP) uitgesproken, met benoeming van [bewindvoerder] tot bewindvoerder. Uit het Centraal Insolventieregister blijkt dat de WSNP nog loopt.


2.5.
De rechter-commissaris heeft ingestemd met het opstarten van onderhavige procedure. De kantonrechter begrijpt dit aldus dat de rechter-commissaris de bewindvoerder machtiging heeft gegeven om in rechte op te treden, zoals bedoeld in artikel 316 lid 2 van de Faillissementswet (hierna: Fw).



2.6.

[werknemer] heeft zich op 1 maart 2025 bij [werkgever] ziekgemeld.



2.7.
Op 5 april 2025 is de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de duur van twee jaren van rechtswege geëindigd.





3Het geschil



in conventie




3.1.

[werknemer] en [bewindvoerder] q.q. vorderen veroordeling van [werkgever] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van:
- € 9.838,23 bruto, bestaande uit € 3.224,81 bruto aan vakantiebijslag, € 3.108,78 bruto aan opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen inclusief 8% vakantiebijslag en € 3.504,64 aan overuren inclusief 8% vakantiebijslag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2025, althans de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,
- € 4.919,11 aan wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2025, althans de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,
- € 1.048,96 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2025, althans de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,
- de proceskosten.


3.2.

[werkgever] voert verweer.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



in reconventie





3.4.

[werkgever] vordert veroordeling van [werknemer] en [bewindvoerder] q.q. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 1.631,13 aan restant schade (na verrekening van de schade van € 4.855,94 met vakantiebijslag van € 3.224,81), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede betaling van de proceskosten en nakosten in conventie en in reconventie, vermeerderd met de wettelijke rente.



3.5.

[werknemer] en [bewindvoerder] q.q. voeren verweer.



3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



in conventie





Procespartij [werknemer]




4.1.
Artikel 316 Fw bepaalt dat de bewindvoerder belast is met het beheer en de vereffening van de boedel. Het beheer van de boedel door de bewindvoerder behelst tevens het beheer van de rechtsvorderingen die met de boedel samenhangen. Dat leidt tot de hoofdregel dat alle rechtsvorderingen die betrekking hebben op rechten of verplichtingen uit de boedel, door of tegen de bewindvoerder worden ingesteld (art. 25 lid 1 Fw) of voortgezet (art. 27 en 28 Fw). Deze regelingen zijn volgens artikel 313 Fw van overeenkomstige toepassing in de WSNP. De bewindvoerder heeft in elke stand van de procedure de bevoegdheid om het proces over te nemen van de schuldenaar (art. 27 lid 3 Fw). In deze hoofdregel ligt de uitzondering besloten dat procedures die de boedel niet raken, wel door of tegen de schuldenaar zelf mogen worden ingesteld of voortgezet.



4.2.
Onderhavige procedure (loon) raakt de boedel, zodat [werknemer] niet zelfstandig bevoegd is om te procederen. Dit is voorbehouden aan de bewindvoerder. [werknemer] zal dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn vorderingen.



Vakantiebijslag





4.3.

[werkgever] heeft bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie erkend dat zij bij de eindafrekening niet is overgegaan tot uitbetaling van de vakantiebijslag. Nu [werkgever] de gevorderde vakantiebijslag niet heeft betwist, is deze toewijsbaar. [werkgever] beroept zich echter op verrekening van de vakantiebijslag met de door haar geleden - en in reconventie gevorderde - schade. Ingevolge artikel 307 Fw kunnen vorderingen en schulden alleen worden verrekend als beide zijn ontstaan vóór de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De beweerdelijke schade die [werkgever] stelt te hebben geleden dateert van 1 maart 2025, derhalve na de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verrekening is dan ook niet mogelijk. Het beroep op verrekening slaagt aldus niet.



Opgebouwde maar niet genoten verlofuren (compensatie in geld als loonvorm)





4.4.

[bewindvoerder] q.q. stelt dat [werknemer] recht heeft op 38 wettelijke uren over 2025 en 76 bovenwettelijke uren over 2024 en 2025, derhalve in totaal 114 uren.



4.5.
De werkgever is in het licht van artikel 7:641 lid 2 BW verplicht de administratie van de genoten en openstaande vakantiedagen bij te houden en de werknemer desgewenst inzage in deze administratie (zo nodig bewijs) te verschaffen (HR 21 juni 1991, NJ 1991, 743).



4.6.
Ten aanzien van een beweerd tegoed aan vakantiedagen liggen de stelplicht en de bewijslast bij de werknemer, maar bij betwisting van het door de werknemer gestelde tegoed zal de werkgever in beginsel zijn betwisting mede moeten motiveren aan de hand van uit de administratie blijkende gegevens, die dan ook door de werkgever in het geding gebracht moeten worden (HR 12 september 2003, NJ 2003, 604).



4.7.

[werkgever] heeft bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie een overzicht van de verlofuren in het geding gebracht. Als toelichting daarop heeft zij gesteld dat [werknemer] meer verlofuren heeft genoten dan waarop hij aanspraak heeft. Er is sprake van een negatief verlofsaldo van 28,5 uren. In dit saldo is niet de periode van het al dan niet onwettig verzuim, waarover partijen discussiëren, opgenomen.



4.8.
Naar aanleiding van het door [werkgever] overgelegde verlofoverzicht merkt [bewindvoerder] q.q. op dat 19 uren in mindering dienen te worden gebracht op de bij dagvaarding gestelde verlofuren. Verder voert [bewindvoerder] q.q. aan dat er in de zomer en met kerst sprake was van bedrijfssluitingen zodat daarvoor geen verlofdagen opgenomen hoeven te worden.



4.9.
De kantonrechter stelt voorop dat afspraken over een bedrijfssluiting en de verplichting om daarvoor verlof op te nemen vooraf in de arbeidsovereenkomst, cao of het huisreglement moeten zijn vastgelegd. Anders dan [werkgever] stelt, ziet de kantonrechter niet dat een algehele vakantiesluiting is opgenomen in de huisregels. Nu niet is gebleken dat partijen daarover afspraken hebben gemaakt, mag [werkgever] tijdens bedrijfssluitingen de werknemer niet verplichten om vakantiedagen op te nemen. [werkgever] heeft niet weersproken dat er in de zomer en met kerst sprake was van bedrijfssluitingen, zodat in totaal 161,50 uren (114 uren in de zomer en 47,5 uren (4 x 9,5 uren) met kerst) onterecht aan verlof zijn afgeschreven. Het vorenstaande in samenhang bezien met het gestelde ter zitting dat 19 uren in mindering dienen te strekken op het bij dagvaarding gestelde verlofsaldo betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.590,65 bruto (114 uren – 19 uren x € 25,25 = € 2.398,75, vermeerderd met 8% vakantietoeslag = € 2.590,65).



Overuren





4.10.

[bewindvoerder] q.q. stelt - met verwijzing naar overzichten van [werkgever] - dat [werknemer] in de periode april 2024 tot en met december 2024 134,37 overuren heeft gemaakt en dat dit neerkomt op een bedrag van € 3.504,64 inclusief 8% vakantiebijslag.



4.11.

[werkgever] heeft aangevoerd dat de als productie 4 bij dagvaarding in het geding gebrachte overzichten de ingeroosterde uren zijn en niet de daadwerkelijk door [werknemer] gewerkte uren. De daadwerkelijk gemaakte uren van medewerkers met een vaste arbeidsomvang, waaronder [werknemer] , worden niet geregistreerd. Zij worden geacht de werkzaamheden binnen de overeengekomen arbeidsomvang uit te voeren. Voor [werknemer] was het mogelijk om zijn werkzaamheden binnen de overeengekomen arbeidsomvang te verrichten. [werkgever] heeft gedurende het dienstverband ook nimmer het signaal van [werknemer] ontvangen dat hij genoodzaakt zou zijn om overuren te maken. Verder voert [werkgever] aan dat zij nimmer toestemming aan [werknemer] heeft verleend voor het maken van overuren, [werknemer] ook nimmer om toestemming heeft verzocht en ook nimmer overuren aan de administratie heeft doorgegeven.



4.12.
Voor de beantwoording van de vraag of [werknemer] aanspraak kan maken op een vergoeding voor de door hem gestelde overuren is het volgende van belang. Zoals blijkt uit de arbeidsovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde huisregels en Cao hebben partijen afspraken gemaakt over (de vergoeding van) overwerk. De huisregels en Cao bevatten een definitie van overwerk en bepalingen ten aanzien van de wijze waarop overwerk vergoed kan worden en de hoogte van die vergoeding (hiervoor onder randnummers 2.2. en 2.3. weergegeven).



4.13.
Volgens de tussen partijen overeengekomen definitie is sprake van overwerk als een werknemer in opdracht van de werkgever buiten de normale arbeidstijd werk verricht. Dit vereiste van een tot overwerk strekkende opdracht van de werkgever (dat overigens los staat van de vraag of daadwerkelijk overuren gemaakt zijn en wat de hoogte van een eventueel toe te kennen vergoeding zou zijn), sluit aan bij de voorwaarden die de Hoge Raad stelt aan toekenning van een overwerkvergoeding in de situatie waarin werkgever en werknemer geen afspraken over die vergoeding hebben gemaakt. Ook in die situatie moet ten minste komen vast te staan dat de werkgever het overwerk aan de werknemer heeft opgedragen of dat uit de specifieke omstandigheden blijkt dat zij daarmee heeft ingestemd.



4.14.
Dat [werknemer] heeft overgewerkt in opdracht van of in ieder geval met (stilzwijgende) instemming van [werkgever] in de door hem gestelde mate is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan. [bewindvoerder] q.q. heeft gelet op het verweer van [werkgever] , dat zij overigens niet althans onvoldoende heeft weersproken, onvoldoende gesteld.



4.15.

Het vorenstaande betekent dat [werknemer] geen aanspraak kan maken op een overwerkvergoeding, als door hem voorgestaan, zodat zijn vordering van € 3.504,64
bruto zal worden afgewezen.




Wettelijke verhoging





4.16.
Nu betaling van de vakantiebijslag en de vergoeding over de opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen niet tijdig heeft plaatsgevonden, maakt [bewindvoerder] q.q. op goede gronden aanspraak op vergoeding van de wettelijke verhoging. De gevorderde wettelijke verhoging zal tot het maximum worden toegewezen omdat geen gronden zijn aangevoerd die tot matiging nopen.



Wettelijke rente





4.17.
De door het enkele betalingsverzuim verschuldigde wettelijke rente ligt eveneens voor toewijzing gereed.



Buitengerechtelijke kosten





4.18.


[bewindvoerder] q.q. maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter stelt vast dat [bewindvoerder] q.q. voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Nu een deel van de hoofdsom wordt afgewezen, zal de buitengerechtelijke kosten worden toegewezen tot het wettelijke tarief berekend over de toe te wijzen hoofdsom van € 5.815,46, te weten een bedrag van
€ 805,59 inclusief btw.




Proceskosten





4.19.

[werkgever] wordt (grotendeels) in het ongelijk gesteld en wordt daarom verwezen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [bewindvoerder] q.q. worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


156,23







- griffierecht


€


93,00







- salaris gemachtigde


€


720,00


(2 punten × € 360,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.113,23











in reconventie





Schade





4.20.

[werkgever] stelt dat [werknemer] op 1 maart 2025 wegens ziekmelding niet op de werkvloer is verschenen en de bedieningsmedewerkers opdracht heeft gegeven om voor die avond alle gasten af te zeggen, het ingeroosterde personeel af te bellen en het reserveringssysteem op slot te zetten. Daarmee heeft [werknemer] in strijd gehandeld met het beleid dat bij [werkgever] geldt dat reserveringen alleen mogen worden geannuleerd nadat [werkgever] , oftewel de heer [persoon], hiervoor toestemming heeft verleend. Door dit onrechtmatig handelen van [werknemer] heeft [werkgever] schade geleden, bestaande uit omzetderving, personeelskosten en inkoopkosten. [werkgever] begroot haar schade op € 4.855,94 en verwijst daarvoor naar de door haar opgemaakte berekening.



4.21.

[werkgever] stelt dat na verrekening met de door haar aan [werknemer] verschuldigde vakantiebijslag nog een bedrag van € 1.631,13 aan schade resteert, welk bedrag zij in reconventie vordert.



4.22.
Deze schadevergoeding betreft een nieuwe schuld die is ontstaan na toepassing van de WSNP, zodat deze vordering niet onder het bereik van de WSNP valt. [werkgever] kan deze vordering dan ook rechtstreeks tegen [werknemer] instellen. De vordering gericht tegen [bewindvoerder] q.q. is niet-ontvankelijk.



4.23.
Tegenover de stelling van [werkgever] , die is onderbouwd met stukken, waaronder een verklaring van een medewerker en een uitdraai van het reserveringssysteem van de betreffende dag heeft [werknemer] volstaan met een blote ontkenning. Dit is in dit geval een onvoldoende gemotiveerde betwisting, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. Dit betekent dat [werknemer] de door [werkgever] gestelde schade dient te vergoeden. Zoals hiervoor onder r.o. 4.3. is overwogen slaagt het beroep op verrekening niet. De gevorderde schadevergoeding zal worden toegewezen.




Proceskosten





4.24.

[werknemer] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom verwezen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [werkgever] worden begroot op:









- salaris gemachtigde


€


576,00


(2 punten × € 288,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


720,00
























4.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.


5. De beslissing



De kantonrechter




in conventie





5.1.
verklaart [werknemer] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,



5.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [bewindvoerder] q.q. te betalen:
- € 5.815,46, bestaande uit € 3.224,81 bruto aan vakantiebijslag en € 2.590,65 bruto aan vergoeding opgebouwde doch niet genoten verlofdagen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 5 april 2025 tot de dag van volledige betaling,
- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over € 5.815,46, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2025 tot de dag van volledige betaling,
- € 805,59 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2025 tot de dag van volledige betaling,



5.3.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.113,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



in reconventie





5.4.
verklaart [werkgever] niet-ontvankelijk in haar vordering jegens [bewindvoerder] q.q.,



5.5.
veroordeelt [werknemer] om aan [werkgever] te betalen € 4.855,94 aan schadevergoeding,



5.6.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.7.
veroordeelt [werknemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



in conventie en in reconventie





5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.




















































Productie 2 dagvaarding en productie 2 conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie


Artikel 9.2 van de arbeidsovereenkomst, de huisregels zijn overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie


Artikel 9.1 van de arbeidsovereenkomst, de cao is overgelegd als productie 7 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie


Productie 1 dagvaarding


Productie 1 dagvaarding


Productie 6 conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie


Productie 4 dagvaarding


Productie 10 conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie


Productie 11, aanvullend ten behoeve van de mondelinge behandeling door [werkgever] in het geding gebracht


Productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie