Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:8601

2026-08-19 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11897787 \ CV EXPL 25-4076
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11897787 \ CV EXPL 25-4076
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Tegemoetkoming kindregeling

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.185 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 11897787 \ CV EXPL 25-4076




Vonnis van 19 augustus 2026




in de zaak van





[eisende partij],

te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij]
gemachtigde: mr. M.J.W. Janssen-van Rooij,



tegen





[gedaagde partij]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij]
gemachtigde: mr. J. Jansen.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 8- de conclusie van antwoord met productie 1- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eisende partij] is de zoon van [gedaagde partij].



2.2.

[eisende partij] heeft op basis van een regeling voor kinderen van gedupeerden van de toeslagenaffaire (hierna: de Kindregeling) op 9 juni 2023 een tegemoetkoming ter hoogte van € 8.000,00 op zijn bankrekening ontvangen van de belastingdienst (hierna: de tegemoetkoming).



2.3.
Diezelfde dag heeft [gedaagde partij] de tegemoetkoming van de rekening van [eisende partij] overgemaakt naar haar eigen bankrekening. Dit heeft zij gedaan zonder toestemming van [eisende partij].



2.4.
Op 24 oktober 2024 heeft [eisende partij] aan [gedaagde partij] verzocht om het bedrag van € 8.000,00 binnen twee weken aan hem terug te storten. [gedaagde partij] heeft dit niet gedaan.



2.5.
Partijen hebben in 2025 afgesproken dat [gedaagde partij] € 8.000,00 aan [eisende partij] zou terugbetalen door het bieden van financiële steun. [gedaagde partij] heeft de schuld van [eisende partij] bij zijn zorgverzekering ter hoogte van € 562,85 afgelost. Voor het overige heeft [gedaagde partij] geen financiële steun geboden.





3Het geschil


3.1.


[eisende partij] vordert zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(1) een verklaring voor recht dat [gedaagde partij] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden;
(2) veroordeling van [gedaagde partij] tot terugbetaling van een bedrag van € 7.437,15, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2023;
(3) veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.




3.2.

[eisende partij] legt aan deze vorderingen ten grondslag dat [gedaagde partij] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de tegemoetkoming zonder toestemming van zijn bankrekening over te maken naar haar eigen bankrekening.



3.3.

[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] stelt dat het onverantwoord is om het bedrag aan [eisende partij] ter beschikking te stellen.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
De kantonrechter verklaart voor recht dat [gedaagde partij] ten opzichte van [eisende partij] onrechtmatig heeft gehandeld door de tegemoetkoming waar [eisende partij] recht op heeft, over te maken van de rekening van [eisende partij] naar haar eigen rekening en veroordeelt [gedaagde partij] om de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde partij] tot terugbetaling van de daardoor veroorzaakte schade (€ 7.437,15). De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.



Juridisch kader onrechtmatige daad





4.2.

[eisende partij] stelt dat zijn moeder onrechtmatig heeft gehandeld. De onrechtmatige daad is in artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de daaropvolgende wetsartikelen geregeld. Uit artikel 6:162 BW blijkt dat er verschillende vereisten zijn voor het ontstaan van een verbintenis tot schadevergoeding wegens een onrechtmatige daad. Zo moet sprake zijn van (i) onrechtmatigheid; (ii) toerekenbaarheid; (iii) schade; (iv) causaal verband; en (v) relativiteit.



4.3.
Uit artikel 6:162 lid 2 BW blijkt dat een onrechtmatige daad haar onrechtmatigheid kan verliezen bij een rechtvaardigingsgrond. Een rechtvaardigingsgrond kan op de wet gebaseerd zijn of uit het ongeschreven recht voortvloeien. De nadere bepaling van de inhoud van rechtvaardigingsgronden is aan wetenschap en rechtspraak overgelaten. Gelet op het uitzonderingskarakter van de rechtvaardigingsgronden moet terughoudend worden omgegaan bij de aanvaarding en invulling daarvan. Telkens moet worden bezien of de bijzondere omstandigheden van het geval daadwerkelijk rechtvaardigen dat de door de geschonden norm beschermde belangen van de benadeelde moeten wijken voor andere zwaarwegende(re) belangen.




[eisende partij] heeft schade geleden





4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisende partij] recht heeft op de tegemoetkoming op basis van de Kindregeling. Tussen partijen is ook niet in geschil dat [gedaagde partij] de tegemoetkoming van de rekening van [eisende partij] naar haar eigen rekening heeft overgemaakt zonder toestemming van [eisende partij]. Partijen erkennen de hoogte van de resterende vordering: € 7.437,15 (€8.000,00 - €562,85)



4.5.

[eisende partij] stelt dat hij schade heeft geleden doordat hij plannen had gemaakt om zijn toekomst te verbeteren en hij deze plannen niet kan uitvoeren. Omdat hij geen beschikking had over de tegemoetkoming, waarmee hij zijn schulden wilde afbetalen, hebben de schulden van [eisende partij] zich opgestapeld en heeft hij schade geleden. [gedaagde partij] voert verweer en betwist dat sprake is van een onrechtmatige daad, omdat niet aan het vereiste van ‘schade’ zou zijn voldaan. Door het bedrag naar haar eigen rekening over te maken, heeft [gedaagde partij] juist schade voorkomen, aldus [gedaagde partij], en daarom is geen sprake van schade aan de zijde van [eisende partij]. Over de andere vereisten voor een onrechtmatige daad twisten partijen niet. Dat het overboeken van het bedrag van de bankrekening van [eisende partij] naar de bankrekening van [gedaagde partij] een onrechtmatige gedraging was, staat vast.



4.6.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat sprake is van schade aan de zijde van [eisende partij]. Daarbij stelt de kantonrechter voorop dat zij geen oordeel velt over de vraag of [eisende partij] wel of niet verstandig met geld omgaat. Dat staat los van de juridische beoordeling die de kantonrechter moet maken.



4.7.
De kantonrechter oordeelt dat [eisende partij] voldoende heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden doordat hij geen beschikking had over de tegemoetkoming waarmee hij zijn schulden wilde afbetalen. Of sprake is van schade, en zo ja wat de omvang van deze schade is, wordt vastgesteld door de (hypothetische) situatie waarin [eisende partij] had verkeerd wanneer hij de tegemoetkoming had ontvangen te vergelijken met de feitelijke situatie. Dit komt (in ieder geval voor materiële schade) neer op een vermogensvergelijking. De schade bedraagt in dit geval € 7.437,15. Dit is de tegemoetkoming verminderd met de schuld van [eisende partij] die [gedaagde partij] heeft afgelost bij zijn zorgverzekering (€ 562,85). In de situatie zónder onrechtmatig handelen door [gedaagde partij], had [eisende partij] het volledige bedrag van de tegemoetkoming op zijn bankrekening gehad. Daar zou wel nog tegenover staan dat hij van dat bedrag zelf zijn schuld bij de zorgverzekering had moeten aflossen. In de huidige situatie heeft [eisende partij] geen beschikking gehad over de tegemoetkoming en is alleen de schuld bij de zorgverzekeraar afbetaald. Het verschil in vermogen van [eisende partij] in beide situaties is dus voormeld bedrag: de volledige tegemoetkoming, minus de afgeloste schuld bij de zorgverzekeraar.



4.8.
De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat voldoende vaststaat dat [eisende partij] schade heeft geleden. [gedaagde partij] heeft onrechtmatig gehandeld door de tegemoetkoming van de Kindregeling van [eisende partij] zonder zijn toestemming over te maken naar haar rekening.



Er is geen sprake van een rechtvaardigingsgrond





4.9.
De kantonrechter vat het verweer van [gedaagde partij] daarnaast op als een beroep op een rechtvaardigingsgrond waarmee de onrechtmatige daad haar onrechtmatigheid zou kunnen verliezen. Zoals uit rov. 4.3 blijkt, dient hier terughoudend mee te worden omgegaan. In dit geval is onvoldoende onderbouwd dat bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat [eisende partij] niet vrijelijk over de tegemoetkoming mag beschikken, omdat hij niet met geld zou kunnen omgaan. Daarbij stelt de kantonrechter voorop dat [eisende partij] niet onder bewind staat en dat hij bereid was om aan de zorgen van [gedaagde partij] tegemoet te komen door mee te werken aan een alternatieve manier van terugbetaling, namelijk via aflossing van zijn schulden door [gedaagde partij]. Daaraan heeft [gedaagde partij] echter uiteindelijk zelf geen uitvoering gegeven. Bovendien, als [gedaagde partij] zich zorgen maakt over de capaciteit van [eisende partij] om zijn financiën fatsoenlijk te beheren, had zij een verzoek tot onder bewindstelling van [eisende partij] kunnen indienen waarna getoetst had kunnen worden of de zorgen van [gedaagde partij] terecht zijn. Er stonden dus voldoende alternatieven ter beschikking, die [gedaagde partij] niet of onvoldoende heeft benut.



4.10.
Voorgaande leidt ertoe dat de vordering tot een verklaring voor recht en veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding worden toegewezen




Wettelijke rente





4.11.

[eisende partij] vordert wettelijke rente over de terugbetaling van de tegemoetkoming vanaf 9 juni 2023, althans een datum door de kantonrechter te bepalen. De kantonrechter wijst de wettelijke rente toe vanaf 9 juni 2023. Tussen partijen staat vast dat [eisende partij] de tegemoetkoming op 9 juni 2023 heeft ontvangen en dat [gedaagde partij] de tegemoetkoming op dezelfde datum naar haar rekening heeft overgemaakt.



Proceskosten





4.12.

[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde partij] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:









- griffierecht


€


90,00







- salaris gemachtigde


€


720,00


(2 punten × € 360,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van eventuele betekening van het vonnis)




Totaal


€


954,00













5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde partij] ten opzichte van [eisende partij] onrechtmatig heeft gehandeld door de tegemoetkoming op grond van de Kindregeling waar [eisende partij] recht op heeft, over te maken van de rekening van [eisende partij] naar haar eigen rekening en veroordeelt [gedaagde partij] de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden,



5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van € 7.437,15 aan [eisende partij], te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 juni 2023, tot de dag van de volledig betaling.



5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de hierin uitgesproken veroordelingen,



5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. Van Duin en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.




TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 616-617


Zie conclusie van A-G Drijber voor HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1950, RvdW 2020/40, onder 3.18.


T-M, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 1036 en HR 24 september 2004, nr. C03/098, NJ 2006, 201