Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:8309
2026-08-11
Strafrecht
03.167546.25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Schietpartij in Bocholtz. Veroordeling voor doodslag en poging tot doodslag (eendaadse samenloop). Gevangenisstraf van 11 jaren. Verwerping beroep op noodweer.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (36.658 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03/167546-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 11 augustus 2026
in de strafzaak tegen
[Verdachte] ,
geboren op [geboorte datum] 2004 te Heerlen,
nu gedetineerd in P.I. Zuid Oost, locatie Roermond.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.M.H. Zuketto en mr. L.M.A. van der Linden, advocaten in Maastricht.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 28 juli 2026. De verdachte en zijn raadslieden zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te weten zijn partner [nabestaande 1] , zijn kinderen en zijn broer [nabestaande 2] , hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. [nabestaande 1] en [nabestaande 2] zijn met hun advocaten mr. M.C.W. Houtepen en mr. C.C. Haanappel ter terechtzitting verschenen en over hun vorderingen gehoord. Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft zich eveneens als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens [slachtoffer 2] is zijn advocaat mr. A.F.G. Pennino ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 29 mei 2025 in [plaats delict] :
Feit 1:
[slachtoffer 1] , al dan niet met voorbedachte raad, van het leven heeft beroofd;
Feit 2: heeft geprobeerd [slachtoffer 2] , al dan niet met voorbedachte raad, van het leven te beroven;
Feit 3: een (illegaal omgebouwd) alarmpistool en kogelpatronen voorhanden heeft gehad.
3De beoordeling van het bewijs
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
Feiten 1 en 2 kunnen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, in die zin dat de verdachte zich onder feit 1 schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer 1] en onder feit 2 aan de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] . Niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat hij daarvan bij beide feiten partieel dient te worden vrijgesproken. Het onder feit 3 tenlastegelegde kan eveneens wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Dat de verdachte bij de feiten 1 en 2 met voorbedachte raad heeft gehandeld, kan niet bewezen worden verklaard, zodat de verdachte daarvan partieel moet worden vrijgesproken. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Feiten 1 en 2
Partiële vrijspraken
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat bij beide feiten niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte zal hiervan bij beide feiten partieel worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht de doodslag op [slachtoffer 1] en de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen. Omdat de verdachte hierover een bekennende verklaring heeft afgelegd en namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) met een opgave van de bewijs-middelen:
de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2026;
het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 30 mei 2025;
- het schouwverslag van [arts] van 30 mei 2025;
- het definitief deskundigenrapport forensische pathologie van Eurofins TMFI van 3 juni 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 30 mei 2025;
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [plaats delict] ) van verbalisant [verbalisant 4] van 26 juli 2025;
- het NFI-rapport van ing. [naam 1] van 14 augustus 2025;
- het NFI-rapport van [naam 2] van 13 augustus 2025.
Overwegingen ten aanzien van feiten 1 en 2
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met een vuurwapen gericht heeft geschoten in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Daarmee heeft de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hij een van hen dodelijk zou raken. De uiterlijke verschijningsvorm van deze gedraging is voorts zozeer gericht op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dat het niet anders kan dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. In het geval van [slachtoffer 1] is het gevolg ook daadwerkelijk ingetreden: hij werd door de kogel uit het vuurwapen waarmee de verdachte heeft geschoten dodelijk geraakt. Ten aanzien van [slachtoffer 2] is het bij een poging gebleven.
Feit 3
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een vuurwapen en kogelpatronen voorhanden heeft gehad. Omdat de verdachte hierover een bekennende verklaring heeft afgelegd en namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359 lid 3 Sv met een opgave van de bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2026;
het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 30 mei 2025;
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [plaats delict] ) van verbalisant [verbalisant 4] van 26 juli 2025;
- het proces-verbaal wapenbeschrijving van verbalisant [verbalisant 5] van 30 september 2025.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1: op 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld) opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op [slachtoffer 1] te schieten;
feit 2:
op 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld) ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven,
met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3:
op 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld) een wapen van categorie III, onder 1, en munitie van categorie III, te weten een vuurwapen (illegaal omgebouwd alarmpistool) van het merk Zoraki, M906, en kogelpatronen in het kaliber 7.65 millimeter Browning, voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
4.1
Het standpunt van de verdediging
De verdachte dient ten aanzien van de feiten 1 en 2 te worden ontslagen van alle rechts-vervolging, nu hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Er was immers sprake van een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [vriend verdachte] . [slachtoffer 2] richtte vrijwel ononderbroken een vuurwapen op [vriend verdachte] , die bovendien fysiek werd aangevallen door [slachtoffer 1] . Het lossen van één schot met het vuurwapen in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] was geboden en noodzakelijk ter verdediging van [vriend verdachte] . Er is geen sprake van culpa in causa.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
Er was geen sprake van een noodweersituatie, nu de verdachte heeft verklaard dat hij zonder te kijken in het wilde weg heeft geschoten. Daaruit volgt dat hij niet handelde met het doel om een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding te stoppen. Er was bovendien sprake van culpa in causa, omdat de verdachte zich met een vuurwapen had bewapend. Daarnaast waren juist de gedragingen van [vriend verdachte] - en niet die van [slachtoffer 2] - aanvallend van aard. Subsidiair was het handelen van de verdachte niet geboden en noodzakelijk ter verdediging van [vriend verdachte] . De verdachte komt daarom geen geslaagd beroep op noodweer toe.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de camerabeelden, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Op 29 mei 2025, rond 22.36 uur, loopt [slachtoffer 2] alleen - zonder [slachtoffer 1] - naar de voordeur van de woning van [vriend verdachte] om de motorclubhesjes van de verdachte en [vriend verdachte] op te halen. [slachtoffer 2] belt aan, klopt op de deur en stapt afwachtend naar achteren. Hierbij is het vuurwapen - waarvan later is gebleken dat [slachtoffer 2] dat toen al bij zich droeg - niet zichtbaar.
Tussenconclusie 1: van [slachtoffer 2] ging op dat moment geen dreiging uit, laat staan dat zijn gedragingen als aanvallend kunnen worden aangemerkt.
[vriend verdachte] pakt, nadat er op zijn deur is geklopt, in de woning een krikstok en loopt daarmee vervolgens naar buiten. Hij loopt met die staaf in zijn rechterhand en met ferme pas op [slachtoffer 2] af. In reactie daarop deinst [slachtoffer 2] terug en trekt hij zijn wapen. Hij richt het wapen op [vriend verdachte] , loopt verder achteruit en blijft het wapen op [vriend verdachte] gericht houden, een en ander terwijl [vriend verdachte] met de staaf met ferme pas dreigend op [slachtoffer 2] blijft aflopen. Kort daarna komt [slachtoffer 1] ten tonele. Hij maakt een slaande beweging richting [vriend verdachte] , waarna [vriend verdachte] met de staaf richting [slachtoffer 1] slaat. Vervolgens (circa 25 seconden nadat [slachtoffer 2] aan de deur van de woning van [vriend verdachte] heeft geklopt) schiet de verdachte vanuit die woning in de richting van [slachtoffer 2] . Een fractie van een seconde later schiet [slachtoffer 2] in de richting van [vriend verdachte] . [slachtoffer 1] wordt door het schot van de verdachte dodelijk geraakt.
De rechtbank overweegt op dit punt dat niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer 2] dan wel [slachtoffer 1] op enig moment heeft geroepen ‘ik schiet je neer’ of ‘schiet hem neer’ of woorden van gelijke aard of strekking. Daartoe overweegt zij als volgt.
De verdachte verklaart in zijn derde verhoor dat hij [slachtoffer 2] meermaals naar [vriend verdachte] hoorde roepen ‘ik schiet je kapot, ik schiet je dood’. Ter terechtzitting van 26 november 2025 herhaalt de verdachte dat hij hoorde ‘ik schiet je kapot’ (cursief rechtbank), hetgeen in de context niet anders kan worden begrepen dan dat de man met het vuurwapen ( [slachtoffer 2] ) dit geroepen zou hebben. Ter terechtzitting van 28 juli 2026 verklaart de verdachte wederom dat [slachtoffer 2] verschillende keren riep ‘ik schiet je neer’. Ook verklaart hij op die zitting dat het kan zijn dat geroepen werd ‘schiet hem’ (cursief rechtbank).
De rechtbank constateert vervolgens dat [slachtoffer 2] ontkent dat hij tegen [vriend verdachte] heeft gezegd dat hij hem zou schieten. Dan resteren de verklaringen van [vriend verdachte] . Deze zegt in een gesprek met de politie, kort na het incident, niets over het gebruikt zijn van dergelijke woorden. Ook in zijn aangifte van 30 mei 2025 verklaart [vriend verdachte] daarover niet. Sterker: hij verklaart dan expliciet dat [slachtoffer 2] niets tegen hem heeft gezegd. Pas op 17 juni 2025 verklaart [vriend verdachte] dat [slachtoffer 1] , toen hij achter het busje vandaan kwam, gezegd heeft ‘schiet, schiet’. Daarvóór hoorde hij alleen ‘eeij, eeij’. Ten overstaan van de rechter-commissaris verklaart [vriend verdachte] , op de vraag of [slachtoffer 2] iets tegen hem heeft geroepen, dat hij, toen hij naar buiten liep, niet in de gaten had wie er riep; het was een van beiden. Hij kan zich niet meer herinneren of [slachtoffer 2] naar hem geroepen heeft dat hij hem dood wilde schieten.
Kortom: waar de verdachte vrij consequent verklaart dat [slachtoffer 2] heeft geroepen ‘ik schiet je’, verklaart [vriend verdachte] aanvankelijk niets over bedreigende woorden in zijn richting, terwijl het toch bepaald voor de hand had gelegen dat hij dergelijke woorden wel had benoemd indien zij zouden zijn geuit. En de dag na het incident verklaart hij dat [slachtoffer 2] niets tegen hem heeft gezegd. Tegen deze achtergrond is het scenario dat [slachtoffer 2] heeft geroepen dat hij [vriend verdachte] zou schieten niet aannemelijk geworden. Dat [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] zou hebben aangespoord om te schieten, verklaart enkel [vriend verdachte] , en wel pas in een laat stadium, zodat de rechtbank ook hier onvoldoende aanknopingspunten aanwezig acht om aannemelijk te achten dat [slachtoffer 1] deze woorden heeft gebruikt.
Tussenconclusie 2: het is naar het oordeel van de rechtbank [vriend verdachte] geweest die met zijn gedragingen - te weten het met een krikstok in zijn rechterhand en met ferme pas dreigend op [slachtoffer 2] (blijven) aflopen – een voor [slachtoffer 2] dreigende situatie heeft doen ontstaan. Temeer nu [vriend verdachte] in zijn aangifte van 30 mei 2025 verklaart dat hij op [slachtoffer 2] bleef aflopen en er toen nog niet werd geschoten. De gedragingen van [vriend verdachte] waren aanvallend van aard en vormden de aanzet voor de escalatie van het geweld die daarop is gevolgd; van een handelen ter verdediging tegen (dreigend) geweld van de zijde van [slachtoffer 2] – die, zoals hiervoor overwogen, zelf geen aanvallend gedrag vertoonde - was geen sprake. Het vervolgens trekken van het vuurwapen door [slachtoffer 2] , het richten van dat vuurwapen door [slachtoffer 2] op [vriend verdachte] , en het maken van een slaande beweging door [slachtoffer 1] naar [vriend verdachte] , waren naar het oordeel van de rechtbank verdedigende reacties op de wederrechtelijke gedragingen van [vriend verdachte] richting [slachtoffer 2] . Deze reacties zijn bovendien binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit gebleven.
Eindconclusie: nu de gedragingen van [vriend verdachte] in de kern als aanvallend moeten worden aangemerkt, en de daarop volgende reacties van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] als verdedigend van aard, bestond er voor [vriend verdachte] geen noodweersituatie. Daarom komt ook de verdachte - die stelt dat hij heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van [vriend verdachte] - geen geslaagd beroep op noodweer toe. De rechtbank verwerpt het beroep.
De feiten zijn strafbaar nu ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1: doodslag, in eendaadse samenloop met feit 2: poging tot doodslag;
feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De straf
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 13 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit in geval van strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft bewust met een vuurwapen, dat hij niet voorhanden mocht hebben, gericht geschoten in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] kwam met de schrik vrij, maar [slachtoffer 1] werd dodelijk geraakt. Kort tevoren waren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ter plaatse gekomen omdat zij de motorclubhesjes van de verdachte en zijn vriend, [vriend verdachte] , kwamen ophalen. Wat er ook van de aanleiding zij, de verdachte heeft met zijn handelen het conflict doen escaleren en [slachtoffer 1] het meest fundamentele recht waarover een mens beschikt ontnomen: het recht op leven. De nabestaanden van [slachtoffer 1] is hierdoor onherstelbaar leed aangedaan, zoals ook ter terechtzitting tijdens de uitoefening van het spreekrecht namens hen is gebleken.
Feiten als deze worden binnen de samenleving als bijzonder schokkend ervaren en wakkeren gevoelens van angst en onveiligheid aan. Vooral nu dit schietincident in het openbaar heeft plaatsgevonden, op straat in een woonwijk en dichtbij horecazaken. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Gelet op de ernst van de feiten en de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd, acht de rechtbank enkel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, en wel voor de duur van 11 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Bijzondere factoren die tot matiging van de straf zouden moeten leiden, ziet de rechtbank niet.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
7De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
De partner van het overleden slachtoffer, de benadeelde partij [nabestaande 1] , bijgestaan door mr. M.C.W. Houtepen, vordert – na mondelinge vermindering van eis ter terechtzitting – mede als vertegenwoordiger van de kinderen van het slachtoffer een schadevergoeding van € 153.991,33. De vordering is opgebouwd uit de volgende schadeposten:
kosten ambulancevervoer: € 1.114,33;
uitvaartkosten: € 2.877,00;
affectieschade: € 100.000,00;
schokschade: € 40.000,00;
toekomstige schade: € 10.000,00.
De broer van het overleden slachtoffer, de benadeelde partij [nabestaande 2] , bijgestaan door mr. C.C. Haanappel, vordert een schadevergoeding van € 17.567,60, bestaande uit de volgende schadeposten:
kosten ter vaststelling van de schade: € 67,60;
affectieschade: € 17.500,00.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] , bijgestaan door mr. A.F.G. Pennino, vordert een schadevergoeding van € 20.000,00, bestaande uit de volgende schadeposten:
smartengeld: € 7.500,00;
schokschade: € 12.500,00.
De benadeelde partijen hebben elk verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot:
gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [nabestaande 1] , te weten € 1.114,33 aan kosten voor ambulancevervoer, € 2.877,00 aan uitvaartkosten, € 100.000,00 aan affectieschade en € 15.000,00 aan schokschade. De benadeelde moet ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade niet-ontvankelijk worden verklaard,
gehele toewijzing van de vordering van [nabestaande 2] en
gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [slachtoffer 2] , te weten € 5.000,00 aan smartengeld en € 7.500,00 aan schokschade,
met telkens vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedings- maatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
Primair dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vordering, gelet op het verzoek om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Subsidiair dienen alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen, omdat:
de vordering van [nabestaande 1] onvoldoende is onderbouwd en de behandeling bovendien een te grote belasting voor het strafgeding oplevert;
de vordering van [nabestaande 2] een te grote belasting van het strafgeding oplevert en
de vordering van [slachtoffer 2] onvoldoende is onderbouwd en er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [slachtoffer 2] , zodat, voor zover al schade is ontstaan, deze volledig aan zijn eigen handelen is te wijten.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Onevenredige belasting?
De vorderingen van de benadeelde partijen [nabestaande 1] en [nabestaande 2] zijn in grote lijnen voldoende onderbouwd en voorzien van een overzichtelijke weergave van de schadeposten. Het behandelen van die vorderingen levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook – op een hierna te bespreken uitzondering na - geen onevenredige belasting van het strafgeding op.
[nabestaande 1] en kinderen
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit onder 1 rechtstreekse schade is toegebracht. De gevorderde ambulancekosten en uitvaartkosten zijn voldoende onderbouwd en de rechtbank wijst die kosten, te weten € 1.114,33 en € 2.877,00, dan ook volledig toe.
Affectieschade is immateriële schade die iemand lijdt door het verdriet dat ontstaat door, onder meer, het overlijden van een naaste. Affectieschade vindt zijn grondslag in artikel 6:108 lid 3 BW. In artikel 6:108 lid 4 BW staat een opsomming van de personen die in aanmerking komen voor vergoeding van affectieschade bij overlijden, waarbij een door de wetgever vastgesteld forfaitair bedrag kan worden toegekend. Hierbij worden onder andere de levensgezel en minderjarige kinderen genoemd. Zij zijn secundair slachtoffer van degene die verantwoordelijk is voor de dood van hun naaste. [nabestaande 1] en de vier kinderen van [slachtoffer 1] hebben ieder op grond hiervan recht op € 20.000,00, het door de wetgever vastgestelde bedrag in het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank wijst het bedrag van in totaal € 100.000,00 aan affectieschade dan ook toe.
Door [nabestaande 1] is verder schokschade gevorderd. Schokschade is ook een vorm van immateriële schade en daarvan is sprake als bij een secundair slachtoffer een hevige emotionele schok is teweeggebracht door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, waaruit vervolgens geestelijk letsel (in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld) voortvloeit. De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van een dergelijk ziektebeeld bij de benadeelde op dit moment onvoldoende is onderbouwd, nu op basis van de onderbouwing ‘enkel’ kan worden vastgesteld dat sprake is van trauma gerelateerde klachten. Verder onderzoek naar de juistheid en omvang van deze schade is noodzakelijk, ook omdat uit de onderbouwing blijkt dat de benadeelde al vóór het bewezenverklaarde feit onder behandeling was bij Mondriaan. Een dergelijk onderzoek zou wél een onevenredige belasting van het strafproces betekenen, zodat de benadeelde in deze post niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Het bedrag aan toekomstige schade is niet onderbouwd en gevorderd in verband met een eventueel hoger beroep en de rechtbank zal de benadeelde ook in deze post niet-ontvankelijk verklaren.
Samenvattend: de rechtbank acht de gevorderde schade toewijsbaar tot een bedrag van € 103,991,33, bestaande uit € 3.991,33 aan materiële schade en € 100.000,00 aan immateriële schade (affectieschade).
[nabestaande 2]
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit onder 1 rechtstreekse materiële schade is toegebracht. De gevorderde kosten ter vaststelling van de schade zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging ook niet weersproken. De rechtbank wijst dit bedrag, € 67,60, volledig toe.
Anders is dat ten aanzien van de gevorderde affectieschade. De wetgever heeft er niet voor gekozen een recht op affectieschade in het leven te roepen voor broers en zussen van een overledene. Wél kent artikel 6:108 lid 4, onder g BW een zogenoemde hardheidsclausule. Deze houdt voor broers en zussen in concreto in dat voor hen slechts in bijzondere gevallen ruimte is voor vergoeding van affectieschade. Er moet ten tijde van het incident sprake zijn van een hechte affectieve relatie, die een in het algemeen gebruikelijk hechte relatie van broers en zussen overstijgt. Zonder af te doen aan de waardevolle band die de benadeelde met zijn broer had, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat ten tijde van het incident sprake was van een dergelijke hechte affectieve relatie. De benadeelde heeft weliswaar in zijn jeugd samengewoond met zijn broer, maar dat was intussen langer geleden en niet het geval tijdens het incident. Ook de overige aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen het beroep op de wettelijke hardheidsclausule niet. Dat de wet in de toekomst op dit punt mogelijk gewijzigd wordt, maakt dit nu niet anders. De benadeelde partij wordt in deze post niet-ontvankelijk verklaard.
[slachtoffer 2]
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de benadeelde ook een aandeel had in (de escalatie van) het geweld, waardoor sprake is van ‘eigen schuld’. De beoordeling van de mate waarin de aan beiden (verdachte en benadeelde) toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen en de vraag of de billijkheid een andere verdeling van de schade eist, vergen in dit geval een uitvoerig partijdebat en mogelijke nadere bewijslevering. Daarvoor is in het strafgeding geen plaats. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregelen
De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank ziet verder aanleiding om telkens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8Het beslag
Gebleken is dat munitie en wapens in beslag zijn genomen. Deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.
9De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 11 jaren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen (t.a.v. feit 1)
[nabestaande 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [nabestaande 1] , van een bedrag van € 103.991,33, bestaande uit € 3.991,33 aan materiële schade en € 100.000,00 euro aan immateriële schade (affectieschade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (de schokschade à € 40.000,000 en de toekomstige schade à € 10.000,00) niet-ontvankelijk is;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 1] van een bedrag van € 103.991,33, bestaande uit € 3.991,33 aan materiële schade en € 100.000,00 aan immateriële schade (affectieschade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 364 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
[nabestaande 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [nabestaande 2] , van een bedrag van € 67,60 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (de affectieschade à € 17.500,00) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 2] van een bedrag van € 67,60 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
[slachtoffer 2]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schade-vergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslag
- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:
1 STK Munitie (G1809387);
1 STK Munitie (G1809388);
1 STK Wapen (G1809390);
1 STK Wapen (G1809471);
1 STK Munitie (G1809473);
1 STK Wapen (G1809476);
1 STK Munitie (G1809477);
1 STK Munitie (G1809478);
1 STK Munitie (G1809816).
Dit vonnis is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. K. Bruns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Micheels, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 augustus 2026.
Buiten staat
Mr. Quaedvlieg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld)
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te schieten;
feit 2
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld)
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade (een) ander(en), te weten [slachtoffer 2] , van het leven te beroven,
met een vuurwapen gericht op die [slachtoffer 2] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld) een wapen van categorie II, onder 1, te weten een (illegaal omgebouwd) alarmpistool, van het merk Zoraki, M906-P, zijnde een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LB2R025034-134, gesloten op 20 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 988.
Pagina’s 170 t/m 179.
Pagina’s 695 t/m 697.
Pagina 746.
Pagina 158.
Pagina’s 674 en 677.
Pagina 840.
Pagina 862.
Pagina 158.
Pagina’s 674 en 677.
Pagina’s 876 en 877.
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03/167546-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 11 augustus 2026
in de strafzaak tegen
[Verdachte] ,
geboren op [geboorte datum] 2004 te Heerlen,
nu gedetineerd in P.I. Zuid Oost, locatie Roermond.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.M.H. Zuketto en mr. L.M.A. van der Linden, advocaten in Maastricht.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 28 juli 2026. De verdachte en zijn raadslieden zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te weten zijn partner [nabestaande 1] , zijn kinderen en zijn broer [nabestaande 2] , hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. [nabestaande 1] en [nabestaande 2] zijn met hun advocaten mr. M.C.W. Houtepen en mr. C.C. Haanappel ter terechtzitting verschenen en over hun vorderingen gehoord. Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft zich eveneens als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens [slachtoffer 2] is zijn advocaat mr. A.F.G. Pennino ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 29 mei 2025 in [plaats delict] :
Feit 1:
[slachtoffer 1] , al dan niet met voorbedachte raad, van het leven heeft beroofd;
Feit 2: heeft geprobeerd [slachtoffer 2] , al dan niet met voorbedachte raad, van het leven te beroven;
Feit 3: een (illegaal omgebouwd) alarmpistool en kogelpatronen voorhanden heeft gehad.
3De beoordeling van het bewijs
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
Feiten 1 en 2 kunnen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, in die zin dat de verdachte zich onder feit 1 schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer 1] en onder feit 2 aan de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] . Niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat hij daarvan bij beide feiten partieel dient te worden vrijgesproken. Het onder feit 3 tenlastegelegde kan eveneens wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Dat de verdachte bij de feiten 1 en 2 met voorbedachte raad heeft gehandeld, kan niet bewezen worden verklaard, zodat de verdachte daarvan partieel moet worden vrijgesproken. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Feiten 1 en 2
Partiële vrijspraken
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat bij beide feiten niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte zal hiervan bij beide feiten partieel worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht de doodslag op [slachtoffer 1] en de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen. Omdat de verdachte hierover een bekennende verklaring heeft afgelegd en namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) met een opgave van de bewijs-middelen:
de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2026;
het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 30 mei 2025;
- het schouwverslag van [arts] van 30 mei 2025;
- het definitief deskundigenrapport forensische pathologie van Eurofins TMFI van 3 juni 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 30 mei 2025;
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [plaats delict] ) van verbalisant [verbalisant 4] van 26 juli 2025;
- het NFI-rapport van ing. [naam 1] van 14 augustus 2025;
- het NFI-rapport van [naam 2] van 13 augustus 2025.
Overwegingen ten aanzien van feiten 1 en 2
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met een vuurwapen gericht heeft geschoten in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Daarmee heeft de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hij een van hen dodelijk zou raken. De uiterlijke verschijningsvorm van deze gedraging is voorts zozeer gericht op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dat het niet anders kan dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. In het geval van [slachtoffer 1] is het gevolg ook daadwerkelijk ingetreden: hij werd door de kogel uit het vuurwapen waarmee de verdachte heeft geschoten dodelijk geraakt. Ten aanzien van [slachtoffer 2] is het bij een poging gebleven.
Feit 3
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een vuurwapen en kogelpatronen voorhanden heeft gehad. Omdat de verdachte hierover een bekennende verklaring heeft afgelegd en namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359 lid 3 Sv met een opgave van de bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2026;
het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 30 mei 2025;
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [plaats delict] ) van verbalisant [verbalisant 4] van 26 juli 2025;
- het proces-verbaal wapenbeschrijving van verbalisant [verbalisant 5] van 30 september 2025.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1: op 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld) opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op [slachtoffer 1] te schieten;
feit 2:
op 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld) ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven,
met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3:
op 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld) een wapen van categorie III, onder 1, en munitie van categorie III, te weten een vuurwapen (illegaal omgebouwd alarmpistool) van het merk Zoraki, M906, en kogelpatronen in het kaliber 7.65 millimeter Browning, voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
4.1
Het standpunt van de verdediging
De verdachte dient ten aanzien van de feiten 1 en 2 te worden ontslagen van alle rechts-vervolging, nu hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Er was immers sprake van een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [vriend verdachte] . [slachtoffer 2] richtte vrijwel ononderbroken een vuurwapen op [vriend verdachte] , die bovendien fysiek werd aangevallen door [slachtoffer 1] . Het lossen van één schot met het vuurwapen in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] was geboden en noodzakelijk ter verdediging van [vriend verdachte] . Er is geen sprake van culpa in causa.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
Er was geen sprake van een noodweersituatie, nu de verdachte heeft verklaard dat hij zonder te kijken in het wilde weg heeft geschoten. Daaruit volgt dat hij niet handelde met het doel om een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding te stoppen. Er was bovendien sprake van culpa in causa, omdat de verdachte zich met een vuurwapen had bewapend. Daarnaast waren juist de gedragingen van [vriend verdachte] - en niet die van [slachtoffer 2] - aanvallend van aard. Subsidiair was het handelen van de verdachte niet geboden en noodzakelijk ter verdediging van [vriend verdachte] . De verdachte komt daarom geen geslaagd beroep op noodweer toe.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de camerabeelden, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Op 29 mei 2025, rond 22.36 uur, loopt [slachtoffer 2] alleen - zonder [slachtoffer 1] - naar de voordeur van de woning van [vriend verdachte] om de motorclubhesjes van de verdachte en [vriend verdachte] op te halen. [slachtoffer 2] belt aan, klopt op de deur en stapt afwachtend naar achteren. Hierbij is het vuurwapen - waarvan later is gebleken dat [slachtoffer 2] dat toen al bij zich droeg - niet zichtbaar.
Tussenconclusie 1: van [slachtoffer 2] ging op dat moment geen dreiging uit, laat staan dat zijn gedragingen als aanvallend kunnen worden aangemerkt.
[vriend verdachte] pakt, nadat er op zijn deur is geklopt, in de woning een krikstok en loopt daarmee vervolgens naar buiten. Hij loopt met die staaf in zijn rechterhand en met ferme pas op [slachtoffer 2] af. In reactie daarop deinst [slachtoffer 2] terug en trekt hij zijn wapen. Hij richt het wapen op [vriend verdachte] , loopt verder achteruit en blijft het wapen op [vriend verdachte] gericht houden, een en ander terwijl [vriend verdachte] met de staaf met ferme pas dreigend op [slachtoffer 2] blijft aflopen. Kort daarna komt [slachtoffer 1] ten tonele. Hij maakt een slaande beweging richting [vriend verdachte] , waarna [vriend verdachte] met de staaf richting [slachtoffer 1] slaat. Vervolgens (circa 25 seconden nadat [slachtoffer 2] aan de deur van de woning van [vriend verdachte] heeft geklopt) schiet de verdachte vanuit die woning in de richting van [slachtoffer 2] . Een fractie van een seconde later schiet [slachtoffer 2] in de richting van [vriend verdachte] . [slachtoffer 1] wordt door het schot van de verdachte dodelijk geraakt.
De rechtbank overweegt op dit punt dat niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer 2] dan wel [slachtoffer 1] op enig moment heeft geroepen ‘ik schiet je neer’ of ‘schiet hem neer’ of woorden van gelijke aard of strekking. Daartoe overweegt zij als volgt.
De verdachte verklaart in zijn derde verhoor dat hij [slachtoffer 2] meermaals naar [vriend verdachte] hoorde roepen ‘ik schiet je kapot, ik schiet je dood’. Ter terechtzitting van 26 november 2025 herhaalt de verdachte dat hij hoorde ‘ik schiet je kapot’ (cursief rechtbank), hetgeen in de context niet anders kan worden begrepen dan dat de man met het vuurwapen ( [slachtoffer 2] ) dit geroepen zou hebben. Ter terechtzitting van 28 juli 2026 verklaart de verdachte wederom dat [slachtoffer 2] verschillende keren riep ‘ik schiet je neer’. Ook verklaart hij op die zitting dat het kan zijn dat geroepen werd ‘schiet hem’ (cursief rechtbank).
De rechtbank constateert vervolgens dat [slachtoffer 2] ontkent dat hij tegen [vriend verdachte] heeft gezegd dat hij hem zou schieten. Dan resteren de verklaringen van [vriend verdachte] . Deze zegt in een gesprek met de politie, kort na het incident, niets over het gebruikt zijn van dergelijke woorden. Ook in zijn aangifte van 30 mei 2025 verklaart [vriend verdachte] daarover niet. Sterker: hij verklaart dan expliciet dat [slachtoffer 2] niets tegen hem heeft gezegd. Pas op 17 juni 2025 verklaart [vriend verdachte] dat [slachtoffer 1] , toen hij achter het busje vandaan kwam, gezegd heeft ‘schiet, schiet’. Daarvóór hoorde hij alleen ‘eeij, eeij’. Ten overstaan van de rechter-commissaris verklaart [vriend verdachte] , op de vraag of [slachtoffer 2] iets tegen hem heeft geroepen, dat hij, toen hij naar buiten liep, niet in de gaten had wie er riep; het was een van beiden. Hij kan zich niet meer herinneren of [slachtoffer 2] naar hem geroepen heeft dat hij hem dood wilde schieten.
Kortom: waar de verdachte vrij consequent verklaart dat [slachtoffer 2] heeft geroepen ‘ik schiet je’, verklaart [vriend verdachte] aanvankelijk niets over bedreigende woorden in zijn richting, terwijl het toch bepaald voor de hand had gelegen dat hij dergelijke woorden wel had benoemd indien zij zouden zijn geuit. En de dag na het incident verklaart hij dat [slachtoffer 2] niets tegen hem heeft gezegd. Tegen deze achtergrond is het scenario dat [slachtoffer 2] heeft geroepen dat hij [vriend verdachte] zou schieten niet aannemelijk geworden. Dat [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] zou hebben aangespoord om te schieten, verklaart enkel [vriend verdachte] , en wel pas in een laat stadium, zodat de rechtbank ook hier onvoldoende aanknopingspunten aanwezig acht om aannemelijk te achten dat [slachtoffer 1] deze woorden heeft gebruikt.
Tussenconclusie 2: het is naar het oordeel van de rechtbank [vriend verdachte] geweest die met zijn gedragingen - te weten het met een krikstok in zijn rechterhand en met ferme pas dreigend op [slachtoffer 2] (blijven) aflopen – een voor [slachtoffer 2] dreigende situatie heeft doen ontstaan. Temeer nu [vriend verdachte] in zijn aangifte van 30 mei 2025 verklaart dat hij op [slachtoffer 2] bleef aflopen en er toen nog niet werd geschoten. De gedragingen van [vriend verdachte] waren aanvallend van aard en vormden de aanzet voor de escalatie van het geweld die daarop is gevolgd; van een handelen ter verdediging tegen (dreigend) geweld van de zijde van [slachtoffer 2] – die, zoals hiervoor overwogen, zelf geen aanvallend gedrag vertoonde - was geen sprake. Het vervolgens trekken van het vuurwapen door [slachtoffer 2] , het richten van dat vuurwapen door [slachtoffer 2] op [vriend verdachte] , en het maken van een slaande beweging door [slachtoffer 1] naar [vriend verdachte] , waren naar het oordeel van de rechtbank verdedigende reacties op de wederrechtelijke gedragingen van [vriend verdachte] richting [slachtoffer 2] . Deze reacties zijn bovendien binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit gebleven.
Eindconclusie: nu de gedragingen van [vriend verdachte] in de kern als aanvallend moeten worden aangemerkt, en de daarop volgende reacties van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] als verdedigend van aard, bestond er voor [vriend verdachte] geen noodweersituatie. Daarom komt ook de verdachte - die stelt dat hij heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van [vriend verdachte] - geen geslaagd beroep op noodweer toe. De rechtbank verwerpt het beroep.
De feiten zijn strafbaar nu ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1: doodslag, in eendaadse samenloop met feit 2: poging tot doodslag;
feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De straf
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 13 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit in geval van strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft bewust met een vuurwapen, dat hij niet voorhanden mocht hebben, gericht geschoten in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] kwam met de schrik vrij, maar [slachtoffer 1] werd dodelijk geraakt. Kort tevoren waren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ter plaatse gekomen omdat zij de motorclubhesjes van de verdachte en zijn vriend, [vriend verdachte] , kwamen ophalen. Wat er ook van de aanleiding zij, de verdachte heeft met zijn handelen het conflict doen escaleren en [slachtoffer 1] het meest fundamentele recht waarover een mens beschikt ontnomen: het recht op leven. De nabestaanden van [slachtoffer 1] is hierdoor onherstelbaar leed aangedaan, zoals ook ter terechtzitting tijdens de uitoefening van het spreekrecht namens hen is gebleken.
Feiten als deze worden binnen de samenleving als bijzonder schokkend ervaren en wakkeren gevoelens van angst en onveiligheid aan. Vooral nu dit schietincident in het openbaar heeft plaatsgevonden, op straat in een woonwijk en dichtbij horecazaken. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Gelet op de ernst van de feiten en de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd, acht de rechtbank enkel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, en wel voor de duur van 11 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Bijzondere factoren die tot matiging van de straf zouden moeten leiden, ziet de rechtbank niet.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
7De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
De partner van het overleden slachtoffer, de benadeelde partij [nabestaande 1] , bijgestaan door mr. M.C.W. Houtepen, vordert – na mondelinge vermindering van eis ter terechtzitting – mede als vertegenwoordiger van de kinderen van het slachtoffer een schadevergoeding van € 153.991,33. De vordering is opgebouwd uit de volgende schadeposten:
kosten ambulancevervoer: € 1.114,33;
uitvaartkosten: € 2.877,00;
affectieschade: € 100.000,00;
schokschade: € 40.000,00;
toekomstige schade: € 10.000,00.
De broer van het overleden slachtoffer, de benadeelde partij [nabestaande 2] , bijgestaan door mr. C.C. Haanappel, vordert een schadevergoeding van € 17.567,60, bestaande uit de volgende schadeposten:
kosten ter vaststelling van de schade: € 67,60;
affectieschade: € 17.500,00.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] , bijgestaan door mr. A.F.G. Pennino, vordert een schadevergoeding van € 20.000,00, bestaande uit de volgende schadeposten:
smartengeld: € 7.500,00;
schokschade: € 12.500,00.
De benadeelde partijen hebben elk verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot:
gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [nabestaande 1] , te weten € 1.114,33 aan kosten voor ambulancevervoer, € 2.877,00 aan uitvaartkosten, € 100.000,00 aan affectieschade en € 15.000,00 aan schokschade. De benadeelde moet ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade niet-ontvankelijk worden verklaard,
gehele toewijzing van de vordering van [nabestaande 2] en
gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [slachtoffer 2] , te weten € 5.000,00 aan smartengeld en € 7.500,00 aan schokschade,
met telkens vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedings- maatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
Primair dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vordering, gelet op het verzoek om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Subsidiair dienen alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen, omdat:
de vordering van [nabestaande 1] onvoldoende is onderbouwd en de behandeling bovendien een te grote belasting voor het strafgeding oplevert;
de vordering van [nabestaande 2] een te grote belasting van het strafgeding oplevert en
de vordering van [slachtoffer 2] onvoldoende is onderbouwd en er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [slachtoffer 2] , zodat, voor zover al schade is ontstaan, deze volledig aan zijn eigen handelen is te wijten.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Onevenredige belasting?
De vorderingen van de benadeelde partijen [nabestaande 1] en [nabestaande 2] zijn in grote lijnen voldoende onderbouwd en voorzien van een overzichtelijke weergave van de schadeposten. Het behandelen van die vorderingen levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook – op een hierna te bespreken uitzondering na - geen onevenredige belasting van het strafgeding op.
[nabestaande 1] en kinderen
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit onder 1 rechtstreekse schade is toegebracht. De gevorderde ambulancekosten en uitvaartkosten zijn voldoende onderbouwd en de rechtbank wijst die kosten, te weten € 1.114,33 en € 2.877,00, dan ook volledig toe.
Affectieschade is immateriële schade die iemand lijdt door het verdriet dat ontstaat door, onder meer, het overlijden van een naaste. Affectieschade vindt zijn grondslag in artikel 6:108 lid 3 BW. In artikel 6:108 lid 4 BW staat een opsomming van de personen die in aanmerking komen voor vergoeding van affectieschade bij overlijden, waarbij een door de wetgever vastgesteld forfaitair bedrag kan worden toegekend. Hierbij worden onder andere de levensgezel en minderjarige kinderen genoemd. Zij zijn secundair slachtoffer van degene die verantwoordelijk is voor de dood van hun naaste. [nabestaande 1] en de vier kinderen van [slachtoffer 1] hebben ieder op grond hiervan recht op € 20.000,00, het door de wetgever vastgestelde bedrag in het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank wijst het bedrag van in totaal € 100.000,00 aan affectieschade dan ook toe.
Door [nabestaande 1] is verder schokschade gevorderd. Schokschade is ook een vorm van immateriële schade en daarvan is sprake als bij een secundair slachtoffer een hevige emotionele schok is teweeggebracht door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, waaruit vervolgens geestelijk letsel (in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld) voortvloeit. De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van een dergelijk ziektebeeld bij de benadeelde op dit moment onvoldoende is onderbouwd, nu op basis van de onderbouwing ‘enkel’ kan worden vastgesteld dat sprake is van trauma gerelateerde klachten. Verder onderzoek naar de juistheid en omvang van deze schade is noodzakelijk, ook omdat uit de onderbouwing blijkt dat de benadeelde al vóór het bewezenverklaarde feit onder behandeling was bij Mondriaan. Een dergelijk onderzoek zou wél een onevenredige belasting van het strafproces betekenen, zodat de benadeelde in deze post niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Het bedrag aan toekomstige schade is niet onderbouwd en gevorderd in verband met een eventueel hoger beroep en de rechtbank zal de benadeelde ook in deze post niet-ontvankelijk verklaren.
Samenvattend: de rechtbank acht de gevorderde schade toewijsbaar tot een bedrag van € 103,991,33, bestaande uit € 3.991,33 aan materiële schade en € 100.000,00 aan immateriële schade (affectieschade).
[nabestaande 2]
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit onder 1 rechtstreekse materiële schade is toegebracht. De gevorderde kosten ter vaststelling van de schade zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging ook niet weersproken. De rechtbank wijst dit bedrag, € 67,60, volledig toe.
Anders is dat ten aanzien van de gevorderde affectieschade. De wetgever heeft er niet voor gekozen een recht op affectieschade in het leven te roepen voor broers en zussen van een overledene. Wél kent artikel 6:108 lid 4, onder g BW een zogenoemde hardheidsclausule. Deze houdt voor broers en zussen in concreto in dat voor hen slechts in bijzondere gevallen ruimte is voor vergoeding van affectieschade. Er moet ten tijde van het incident sprake zijn van een hechte affectieve relatie, die een in het algemeen gebruikelijk hechte relatie van broers en zussen overstijgt. Zonder af te doen aan de waardevolle band die de benadeelde met zijn broer had, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat ten tijde van het incident sprake was van een dergelijke hechte affectieve relatie. De benadeelde heeft weliswaar in zijn jeugd samengewoond met zijn broer, maar dat was intussen langer geleden en niet het geval tijdens het incident. Ook de overige aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen het beroep op de wettelijke hardheidsclausule niet. Dat de wet in de toekomst op dit punt mogelijk gewijzigd wordt, maakt dit nu niet anders. De benadeelde partij wordt in deze post niet-ontvankelijk verklaard.
[slachtoffer 2]
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de benadeelde ook een aandeel had in (de escalatie van) het geweld, waardoor sprake is van ‘eigen schuld’. De beoordeling van de mate waarin de aan beiden (verdachte en benadeelde) toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen en de vraag of de billijkheid een andere verdeling van de schade eist, vergen in dit geval een uitvoerig partijdebat en mogelijke nadere bewijslevering. Daarvoor is in het strafgeding geen plaats. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregelen
De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank ziet verder aanleiding om telkens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8Het beslag
Gebleken is dat munitie en wapens in beslag zijn genomen. Deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.
9De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 11 jaren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen (t.a.v. feit 1)
[nabestaande 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [nabestaande 1] , van een bedrag van € 103.991,33, bestaande uit € 3.991,33 aan materiële schade en € 100.000,00 euro aan immateriële schade (affectieschade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (de schokschade à € 40.000,000 en de toekomstige schade à € 10.000,00) niet-ontvankelijk is;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 1] van een bedrag van € 103.991,33, bestaande uit € 3.991,33 aan materiële schade en € 100.000,00 aan immateriële schade (affectieschade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 364 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
[nabestaande 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [nabestaande 2] , van een bedrag van € 67,60 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (de affectieschade à € 17.500,00) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 2] van een bedrag van € 67,60 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
[slachtoffer 2]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schade-vergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslag
- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:
1 STK Munitie (G1809387);
1 STK Munitie (G1809388);
1 STK Wapen (G1809390);
1 STK Wapen (G1809471);
1 STK Munitie (G1809473);
1 STK Wapen (G1809476);
1 STK Munitie (G1809477);
1 STK Munitie (G1809478);
1 STK Munitie (G1809816).
Dit vonnis is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. K. Bruns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Micheels, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 augustus 2026.
Buiten staat
Mr. Quaedvlieg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld)
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te schieten;
feit 2
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld)
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade (een) ander(en), te weten [slachtoffer 2] , van het leven te beroven,
met een vuurwapen gericht op die [slachtoffer 2] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te [plaats delict] (in de gemeente Simpelveld) een wapen van categorie II, onder 1, te weten een (illegaal omgebouwd) alarmpistool, van het merk Zoraki, M906-P, zijnde een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LB2R025034-134, gesloten op 20 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 988.
Pagina’s 170 t/m 179.
Pagina’s 695 t/m 697.
Pagina 746.
Pagina 158.
Pagina’s 674 en 677.
Pagina 840.
Pagina 862.
Pagina 158.
Pagina’s 674 en 677.
Pagina’s 876 en 877.