Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:8104
2026-08-19
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12192170 \ CV EXPL 26-1959
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Zorgverzekeringsovereenkomst. Onbetaald gelaten premies en declaraties. Algemene voorwaarden niet overlegd. Rente afgewezen.
Citeert (1)
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.616 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12192170 \ CV EXPL 26-1959
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V. BETREFFENDE BEWUZT,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen,- de conclusie van antwoord met bijlagen,- de conclusie van repliek met bijlagen,- de conclusie van dupliek met bijlagen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] heeft bij VGZ een zorgverzekering afgesloten. Op deze zorgverzekering zijn de polisvoorwaarden van VGZ van toepassing.
2.2.
[gedaagde partij] moet de premies bij vooruitbetaling voldoen en declaraties binnen veertien dagen na dagtekening van de factuur.
2.3.
[gedaagde partij] heeft verschuldigde premies en declaraties in de periode van juli 2023 tot en met januari 2025 niet betaald. Daarbij gaat het om een totaalbedrag van
€ 1.534,94.
2.4.
Ondanks meerdere sommaties door of namens VGZ heeft [gedaagde partij] de openstaande vordering niet volledig betaald. Ten tijde van de dagvaarding was er een bedrag van
€ 519,18 betaald.
3Het geschil
3.1.
VGZ vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 1.177,67, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag bestaat uit € 1.534,94 aan hoofdsom en € 161,91 aan tot 13 maart 2026 vervallen rente, verminderd met een bedrag van € 519,18 aan gedane betalingen.
3.2.
VGZ vordert nakoming door betaling van de verschuldigde premies en declaraties.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. Zij voert aan dat zij vanwege de zorg voor haar terminaal zieke vader een moeilijke periode heeft gehad. Door de combinatie van zorgen, financiële druk en een periode van werkloosheid is [gedaagde partij] het financiële overzicht kwijtgeraakt. [gedaagde partij] heeft een regeling getroffen met de deurwaarder en hiervoor al betalingen gedaan. [gedaagde partij] verzoekt de kantonrechter om de dagvaardingskosten kwijt te schelden.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde partij] grotendeels moet betalen wat VGZ vordert. Hieronder licht zij toe hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
Ambtshalve toetsing
4.2.
[gedaagde partij] is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).
Hoofdsom en rente
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde partij] de in deze procedure gevorderde achterstallige premies en declaraties aan VGZ moet betalen. [gedaagde partij] betwist dat ook niet; zij heeft uitgelegd hoe de achterstand heeft kunnen ontstaan. De door [gedaagde partij] aangevoerde persoonlijke en financiële omstandigheden, hoe vervelend ook, kunnen geen afbreuk aan haar betalingsverplichting doen. Daarom wijst de kantonrechter de vordering tot betaling van de achterstallige premies en declaraties toe.
4.4.
VGZ vordert daarnaast betaling van rente. De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over dit gevorderde onderdeel en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ, EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971). Vanaf 1 april 2025 (datum betekening) dienen bij alle dagvaardingen in consumentenzaken de voor de beoordeling relevante stukken op papier aangeleverd te worden, zo ook de algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn. Nu VGZ in deze kwestie deze niet heeft overgelegd kan er niet getoetst worden of de algemene voorwaarden een oneerlijk beding bevatten op dit onderdeel. De kantonrechter zal daarom de reeds vervallen rente en de wettelijke rente vanaf 13 maart 2026 afwijzen.
4.5.
[gedaagde partij] heeft in totaal een bedrag van € 519,18 betaald. Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente. Nu de kantonrechter oordeelt dat de rente wordt afgewezen en er geen buitengerechtelijke incassokosten zijn gevorderd, kunnen de gedane betalingen rechtstreeks in mindering worden gebracht op de hoofdsom van € 1.534,94. Dat maakt dat [gedaagde partij] nog een bedrag van € 1.015,76 aan VGZ moet betalen.
4.6.
De kantonrechter merkt daarbij op dat VGZ vanzelfsprekend na de dagvaarding gedane betalingen nog in mindering moet brengen op dit toegewezen bedrag.
[gedaagde partij] moet de proceskosten betalen
4.7.
[gedaagde partij] heeft gevraagd om de dagvaardingskosten kwijt te schelden. De kantonrechter begrijpt [gedaagde partij] zo, dat zij doelt op de proceskosten en vraagt om die voor rekening van VGZ te laten. [gedaagde partij] is echter de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, en daarom moet zij de proceskosten van VGZ betalen. Nu vaststaat dat [gedaagde partij] in de premie- en declaratiebetalingen een achterstand heeft laten ontstaan en deze ondanks aanmaningen en getroffen betalingsregelingen niet (tijdig) is ingelopen, kan niet worden gezegd dat VGZ nodeloos deze procedure is gestart. Ook hier geldt dat de door [gedaagde partij] aangevoerde persoonlijke en financiële omstandigheden, hoe vervelend ook, voor haar rekening blijven.
4.8.
De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
863,77
4.9.
De gevorderde btw over de nakosten zal, voor zover die nakosten zien op het salaris gemachtigde, worden afgewezen nu hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 1.015,76 en bepaalt dat VGZ door [gedaagde partij] na de dagvaarding betaalde bedragen hierop nog in mindering moet brengen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 863,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
Artikel 6:44 lid 1 BW.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12192170 \ CV EXPL 26-1959
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V. BETREFFENDE BEWUZT,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen,- de conclusie van antwoord met bijlagen,- de conclusie van repliek met bijlagen,- de conclusie van dupliek met bijlagen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] heeft bij VGZ een zorgverzekering afgesloten. Op deze zorgverzekering zijn de polisvoorwaarden van VGZ van toepassing.
2.2.
[gedaagde partij] moet de premies bij vooruitbetaling voldoen en declaraties binnen veertien dagen na dagtekening van de factuur.
2.3.
[gedaagde partij] heeft verschuldigde premies en declaraties in de periode van juli 2023 tot en met januari 2025 niet betaald. Daarbij gaat het om een totaalbedrag van
€ 1.534,94.
2.4.
Ondanks meerdere sommaties door of namens VGZ heeft [gedaagde partij] de openstaande vordering niet volledig betaald. Ten tijde van de dagvaarding was er een bedrag van
€ 519,18 betaald.
3Het geschil
3.1.
VGZ vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 1.177,67, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag bestaat uit € 1.534,94 aan hoofdsom en € 161,91 aan tot 13 maart 2026 vervallen rente, verminderd met een bedrag van € 519,18 aan gedane betalingen.
3.2.
VGZ vordert nakoming door betaling van de verschuldigde premies en declaraties.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. Zij voert aan dat zij vanwege de zorg voor haar terminaal zieke vader een moeilijke periode heeft gehad. Door de combinatie van zorgen, financiële druk en een periode van werkloosheid is [gedaagde partij] het financiële overzicht kwijtgeraakt. [gedaagde partij] heeft een regeling getroffen met de deurwaarder en hiervoor al betalingen gedaan. [gedaagde partij] verzoekt de kantonrechter om de dagvaardingskosten kwijt te schelden.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde partij] grotendeels moet betalen wat VGZ vordert. Hieronder licht zij toe hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
Ambtshalve toetsing
4.2.
[gedaagde partij] is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).
Hoofdsom en rente
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde partij] de in deze procedure gevorderde achterstallige premies en declaraties aan VGZ moet betalen. [gedaagde partij] betwist dat ook niet; zij heeft uitgelegd hoe de achterstand heeft kunnen ontstaan. De door [gedaagde partij] aangevoerde persoonlijke en financiële omstandigheden, hoe vervelend ook, kunnen geen afbreuk aan haar betalingsverplichting doen. Daarom wijst de kantonrechter de vordering tot betaling van de achterstallige premies en declaraties toe.
4.4.
VGZ vordert daarnaast betaling van rente. De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over dit gevorderde onderdeel en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ, EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971). Vanaf 1 april 2025 (datum betekening) dienen bij alle dagvaardingen in consumentenzaken de voor de beoordeling relevante stukken op papier aangeleverd te worden, zo ook de algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn. Nu VGZ in deze kwestie deze niet heeft overgelegd kan er niet getoetst worden of de algemene voorwaarden een oneerlijk beding bevatten op dit onderdeel. De kantonrechter zal daarom de reeds vervallen rente en de wettelijke rente vanaf 13 maart 2026 afwijzen.
4.5.
[gedaagde partij] heeft in totaal een bedrag van € 519,18 betaald. Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente. Nu de kantonrechter oordeelt dat de rente wordt afgewezen en er geen buitengerechtelijke incassokosten zijn gevorderd, kunnen de gedane betalingen rechtstreeks in mindering worden gebracht op de hoofdsom van € 1.534,94. Dat maakt dat [gedaagde partij] nog een bedrag van € 1.015,76 aan VGZ moet betalen.
4.6.
De kantonrechter merkt daarbij op dat VGZ vanzelfsprekend na de dagvaarding gedane betalingen nog in mindering moet brengen op dit toegewezen bedrag.
[gedaagde partij] moet de proceskosten betalen
4.7.
[gedaagde partij] heeft gevraagd om de dagvaardingskosten kwijt te schelden. De kantonrechter begrijpt [gedaagde partij] zo, dat zij doelt op de proceskosten en vraagt om die voor rekening van VGZ te laten. [gedaagde partij] is echter de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, en daarom moet zij de proceskosten van VGZ betalen. Nu vaststaat dat [gedaagde partij] in de premie- en declaratiebetalingen een achterstand heeft laten ontstaan en deze ondanks aanmaningen en getroffen betalingsregelingen niet (tijdig) is ingelopen, kan niet worden gezegd dat VGZ nodeloos deze procedure is gestart. Ook hier geldt dat de door [gedaagde partij] aangevoerde persoonlijke en financiële omstandigheden, hoe vervelend ook, voor haar rekening blijven.
4.8.
De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
863,77
4.9.
De gevorderde btw over de nakosten zal, voor zover die nakosten zien op het salaris gemachtigde, worden afgewezen nu hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 1.015,76 en bepaalt dat VGZ door [gedaagde partij] na de dagvaarding betaalde bedragen hierop nog in mindering moet brengen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 863,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
Artikel 6:44 lid 1 BW.