Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:8102
2026-08-19
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12178254 \ CV EXPL 26-1691
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vordering achterstallige huur cv-ketel toegewezen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.804 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12178254 \ CV EXPL 26-1691
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
HESI B.V.,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Hesi,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord
- de akte van [gedaagde partij]- de conclusie van repliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst, waarbij Hesi een cv-ketel van het merk Hesi Comfort 3 aan [gedaagde partij] heeft verhuurd. De overeenkomst is gesloten voor de duur van 15 maanden.
2.2.
Bij het plaatsen van de cv-ketel op 20 december 2023 heeft Hesi een gaslek geconstateerd. De cv-ketel is toen niet in bedrijf gesteld. Partijen hebben toen een formulier constatering onveilige situatie ondertekend.
2.3.
Op 21 december 2023 heeft Hesi een offerte aan [gedaagde partij] gestuurd voor het vervangen van de gasleiding. Hiervan heeft [gedaagde partij] geen gebruik gemaakt. Volgens [gedaagde partij] heeft een door hem ingeschakelde derde op 9 januari 2024 een nieuwe meting uitgevoerd en is er geen gaslek geconstateerd. Deze derde heeft de cv-ketel toen in werking gesteld. Vanaf dat moment heeft [gedaagde partij] de verschuldigde huur voor de cv-ketel betaald.
2.4.
Vanaf 1 februari 2025 betaalt [gedaagde partij] echter geen huur meer. De achterstand tot en met 1 maart 2026 bedraagt € 617,53.
3Het geschil
3.1.
Hesi vordert - samengevat – :
Ontbinding van de huurovereenkomst;
veroordeling van [gedaagde partij] tot het verlenen van medewerking aan het verwijderen van het gehuurde met inbegrip van de standaard montage dan wel aan de terugname door Hesi van het ter beschikking gestelde toestel;
betaling van € 683,76, te vermeerderen met de wettelijke rente;
betaling van het maandelijks verschuldigde bedrag met ingang van 2 maart 2026, vermeerderd met de wettelijke rente,
betaling van de proceskosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Vast staat dat [gedaagde partij] de huur vanaf 1 februari 2025 niet meer betaalt. Hij voert aan dat de cv-ketel niet door Hesi in gebruik is gesteld omdat er een gaslek zou zijn, maar dat dit lek er niet was. Volgens [gedaagde partij] wilde Hesi onnodige werkzaamheden verrichten en hem op extra kosten jagen.
4.2.
De kantonrechter overweegt als volgt. Of er ten tijde van de installatie van de cv-ketel sprake was van een gaslek kan in het midden blijven.
Als [gedaagde partij] in januari 2024 al kosten heeft moeten maken (de gasdrukmeting en de ingebruikstelling van de cv-ketel door een derde) die in zijn optiek voor rekening van Hesi hadden moeten komen, dan had [gedaagde partij] dat in januari 2024 aan de orde moeten stellen. In plaats daarvan is hij de maandelijkse huur gaan betalen. Pas in februari 2025 en de daarop volgende maanden heeft hij de huur opgeschort. Door gedurende zo een lange tijd de huur gewoon te voldoen en op geen enkele wijze kenbaar te maken dat hij bepaalde kosten vergoed wilde zien, heeft hij zijn recht om daar later nog aanspraak op te maken verspeeld.
4.3.
[gedaagde partij] is bij brief van de griffier in de gelegenheid gesteld om te reageren op het schriftelijk stuk (conclusie van repliek) van Hesi. Hij heeft niet meer gereageerd en heeft zijn verweer ook niet verder toegelicht of onderbouwd. Dit wordt daarom verworpen.
4.4.
Tegen de hoogte van de gevorderde achterstand is geen verweer gevoerd, zodat deze kan worden toegewezen. Daarover is [gedaagde partij] de wettelijke rente verschuldigd, zodat ook deze nevenvordering wordt toegewezen.
4.5.
Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het niet betalen van de huur levert een tekortkoming aan de kant van [gedaagde partij] op. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst kan daarom worden toegewezen en ook de vordering tot het verlenen van medewerking aan de verwijdering van het gehuurde. [gedaagde partij] is gehouden om de huur c.q. de vergoeding te betalen tot aan de daadwerkelijke verwijdering van de cv-ketel.
4.6.
Hesi vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
Hesi heeft aan [gedaagde partij] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag van € 48,40 wordt daarom ook toegewezen.
4.7.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hesi worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
863,77
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de cv-ketel van het merk Hesi Comfort 3,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen 14 dagen na betekening en bevel van het vonnis medewerking te verlenen aan het verwijderen van het gehuurde door Hesi met inbegrip van de in de overeenkomst bedoelde standaard montage, dan wel aan de terugname door Hesi van het ter beschikking gestelde toestel,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Hesi te betalen een bedrag van € 635,36, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 617,53, met ingang van 24 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Hesi te betalen voor iedere maand, te rekenen vanaf 2 maart 2026, tot het tijdstip van de ontbinding ten titel van huur, en te rekenen vanaf dat tijdstip tot en met de maand waarin het gehuurde weer feitelijk in bezit van Hesi is ten titel van vergoeding voor het genot van het gehuurde, de huurbedragen waarop Hesi bij wederzijdse nakoming van de huurovereenkomst aanspraak gemaakt zou kunnen hebben, steeds te rekenen vanaf de vervaldag van elke termijn, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf iedere vervaldag tot aan de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Hesi te betalen een bedrag van € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.6.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 863,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
Artikel 6:265 BW
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12178254 \ CV EXPL 26-1691
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
HESI B.V.,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Hesi,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord
- de akte van [gedaagde partij]- de conclusie van repliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst, waarbij Hesi een cv-ketel van het merk Hesi Comfort 3 aan [gedaagde partij] heeft verhuurd. De overeenkomst is gesloten voor de duur van 15 maanden.
2.2.
Bij het plaatsen van de cv-ketel op 20 december 2023 heeft Hesi een gaslek geconstateerd. De cv-ketel is toen niet in bedrijf gesteld. Partijen hebben toen een formulier constatering onveilige situatie ondertekend.
2.3.
Op 21 december 2023 heeft Hesi een offerte aan [gedaagde partij] gestuurd voor het vervangen van de gasleiding. Hiervan heeft [gedaagde partij] geen gebruik gemaakt. Volgens [gedaagde partij] heeft een door hem ingeschakelde derde op 9 januari 2024 een nieuwe meting uitgevoerd en is er geen gaslek geconstateerd. Deze derde heeft de cv-ketel toen in werking gesteld. Vanaf dat moment heeft [gedaagde partij] de verschuldigde huur voor de cv-ketel betaald.
2.4.
Vanaf 1 februari 2025 betaalt [gedaagde partij] echter geen huur meer. De achterstand tot en met 1 maart 2026 bedraagt € 617,53.
3Het geschil
3.1.
Hesi vordert - samengevat – :
Ontbinding van de huurovereenkomst;
veroordeling van [gedaagde partij] tot het verlenen van medewerking aan het verwijderen van het gehuurde met inbegrip van de standaard montage dan wel aan de terugname door Hesi van het ter beschikking gestelde toestel;
betaling van € 683,76, te vermeerderen met de wettelijke rente;
betaling van het maandelijks verschuldigde bedrag met ingang van 2 maart 2026, vermeerderd met de wettelijke rente,
betaling van de proceskosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Vast staat dat [gedaagde partij] de huur vanaf 1 februari 2025 niet meer betaalt. Hij voert aan dat de cv-ketel niet door Hesi in gebruik is gesteld omdat er een gaslek zou zijn, maar dat dit lek er niet was. Volgens [gedaagde partij] wilde Hesi onnodige werkzaamheden verrichten en hem op extra kosten jagen.
4.2.
De kantonrechter overweegt als volgt. Of er ten tijde van de installatie van de cv-ketel sprake was van een gaslek kan in het midden blijven.
Als [gedaagde partij] in januari 2024 al kosten heeft moeten maken (de gasdrukmeting en de ingebruikstelling van de cv-ketel door een derde) die in zijn optiek voor rekening van Hesi hadden moeten komen, dan had [gedaagde partij] dat in januari 2024 aan de orde moeten stellen. In plaats daarvan is hij de maandelijkse huur gaan betalen. Pas in februari 2025 en de daarop volgende maanden heeft hij de huur opgeschort. Door gedurende zo een lange tijd de huur gewoon te voldoen en op geen enkele wijze kenbaar te maken dat hij bepaalde kosten vergoed wilde zien, heeft hij zijn recht om daar later nog aanspraak op te maken verspeeld.
4.3.
[gedaagde partij] is bij brief van de griffier in de gelegenheid gesteld om te reageren op het schriftelijk stuk (conclusie van repliek) van Hesi. Hij heeft niet meer gereageerd en heeft zijn verweer ook niet verder toegelicht of onderbouwd. Dit wordt daarom verworpen.
4.4.
Tegen de hoogte van de gevorderde achterstand is geen verweer gevoerd, zodat deze kan worden toegewezen. Daarover is [gedaagde partij] de wettelijke rente verschuldigd, zodat ook deze nevenvordering wordt toegewezen.
4.5.
Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het niet betalen van de huur levert een tekortkoming aan de kant van [gedaagde partij] op. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst kan daarom worden toegewezen en ook de vordering tot het verlenen van medewerking aan de verwijdering van het gehuurde. [gedaagde partij] is gehouden om de huur c.q. de vergoeding te betalen tot aan de daadwerkelijke verwijdering van de cv-ketel.
4.6.
Hesi vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
Hesi heeft aan [gedaagde partij] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag van € 48,40 wordt daarom ook toegewezen.
4.7.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hesi worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
863,77
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de cv-ketel van het merk Hesi Comfort 3,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen 14 dagen na betekening en bevel van het vonnis medewerking te verlenen aan het verwijderen van het gehuurde door Hesi met inbegrip van de in de overeenkomst bedoelde standaard montage, dan wel aan de terugname door Hesi van het ter beschikking gestelde toestel,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Hesi te betalen een bedrag van € 635,36, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 617,53, met ingang van 24 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Hesi te betalen voor iedere maand, te rekenen vanaf 2 maart 2026, tot het tijdstip van de ontbinding ten titel van huur, en te rekenen vanaf dat tijdstip tot en met de maand waarin het gehuurde weer feitelijk in bezit van Hesi is ten titel van vergoeding voor het genot van het gehuurde, de huurbedragen waarop Hesi bij wederzijdse nakoming van de huurovereenkomst aanspraak gemaakt zou kunnen hebben, steeds te rekenen vanaf de vervaldag van elke termijn, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf iedere vervaldag tot aan de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Hesi te betalen een bedrag van € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.6.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 863,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
Artikel 6:265 BW