Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:8098

2026-08-06 Bestuursrecht ROE 26/623
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-08-06
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
ROE 26/623
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen op een herbeoordelingsverzoek van een werkgever. Het beroep is gegrond. De rechtbank stelt een termijn vast van 52 weken waarbinnen het Uwv alsnog moet beslissen op het herbeoordelingsverzoek, te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitspraak. Als het Uwv deze beslistermijn ook niet haalt, moet hij eiseres een dwangsom betalen van € 100,- per dag dat hij niet alsnog heeft beslist, met een maximum van € 15.000,-.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.288 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 26/623

uitspraak van de meervoudig kamer van 6 augustus 2026
in de zaak tussen

Vebego Cleaning Services B.V., uit Heerlen, eiseres (gemachtigde: mr. F. Bovenberg),
en



de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigden: mr. R. Spanjer, mr. M. Kooistra en mr. E. Coenen).



Samenvatting


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het Uwv volgens haar niet op tijd heeft beslist op een herbeoordelingsverzoek inzake de arbeidsongeschiktheid van één van haar ex-werknemers.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank stelt een termijn vast van 52 weken waarbinnen het Uwv alsnog moet beslissen op het herbeoordelingsverzoek, te rekenen vanaf de datum van verzending van deze uitspraak. Als het Uwv deze beslistermijn ook niet haalt, moet hij eiseres een dwangsom betalen van€ 100,- per dag dat hij niet alsnog heeft beslist, met een maximum van € 15.000,-.



1.2.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Eiseres heeft met de brief van 25 juli 2024 (ontvangen op 26 juli 2024) bij het Uwv een herbeoordelingsverzoek over de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster [naam] ingediend. Vervolgens heeft eiseres met de brief van 4 augustus 2025 (ontvangen op 5 augustus 2025) aan het Uwv medegedeeld dat hij te laat is met een beslissing op dit verzoek te nemen (de ingebrekestelling). Op 17 maart 2026 heeft eiseres het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit (beroep niet tijdig beslissen) op het herbeoordelingsverzoek ingesteld.

3. Met een dwangsombesluit van 2 oktober 2025 heeft het Uwv beslist dat hij niet tijdig op het herbeoordelingsverzoek heeft beslist en daarom de maximale bestuurlijke dwangsom verschuldigd is van € 1.442,-.
4. De rechtbank heeft met een brief van 12 juni 2026 vragen gesteld aan partijen en verzocht om een reactie voorafgaand aan de zitting. Beide partijen hebben deze vragen beantwoord.

5. Het beroep van eiseres is op 21 juli 2026 ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens eiseres zijn ook verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.




Beoordeling door de rechtbank

6. Niet ter discussie staat dat het Uwv de beslistermijn heeft overschreden, een geldige ingebrekestelling heeft ontvangen en dat sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken voordat eiseres het beroep heeft ingesteld. Het Uwv heeft nu nog steeds geen besluit genomen. Eiseres heeft daarom gelijk dat het Uwv te laat is met beslissen. Het beroep is daarom gegrond.

7. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt de rechtbank dat het Uwv binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden alsnog een besluit bekendmaakt als hij dat nog niet heeft gedaan. Op grond van het derde lid van dit artikel mag de rechtbank in bijzondere gevallen een andere termijn bepalen. In deze zaak staat ter discussie welke beslistermijn de rechtbank moet bepalen en welke dwangsom als bedoeld in het tweede lid, van artikel 8:55d van de Awb daarbij moet worden opgelegd.



Het standpunt van het Uwv



8. Het Uwv heeft naar voren gebracht dat geen indicatie kan worden gegeven binnen welke termijn een beslissing op het herbeoordelingsverzoek kan worden genomen. Hiervoor zijn meerdere oorzaken. Het Uwv kan de wettelijke taak om mensen sociaal-medisch te beoordelen al langer niet meer volledig uitvoeren en dat heeft geleid tot grote achterstanden in de sociaal-medische dienstverlening. Het aantal aanvragen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) stijgt. Daartegenover staat dat er niet voldoende verzekeringsgeneeskundige capaciteit aanwezig is om alle (her)beoordelingen (tijdig) uit te voeren. Dit heeft ertoe geleid dat het Uwv de keuze heeft moeten maken dat hij vanaf 1 januari 2026 een prioritering aanbrengt in de volgorde van afhandeling van zijn taken.

9. De hoogste prioriteit geeft het Uwv aan de beoordeling van aanvragen inzake de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en Aanvragen Beoordeling Arbeidsvermogen (ABA). Verder geeft het Uwv prioriteit aan de zogenoemde WIA-eindewachttijdbeoordelingen. De gekozen prioritering heeft tot doel om cliënten die nog geen uitkering hebben zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over de vraag of recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

10. Het Uwv komt daardoor niet of nauwelijks toe aan WIA-herbeoordelingen die worden aangevraagd na het toekennen van een uitkering. Voor die herbeoordelingen is per 1 januari 2026 een proces ingericht waarbij casemanagers toetsen of sprake is van een schrijnende situatie. Daarbij maakt het Uwv geen onderscheid tussen aanvragen van werkgevers en werknemers. Herbeoordelingen die vóór 1 januari 2026 zijn aangevraagd en waar de verzekeringsgeneeskundige beoordeling al heeft plaatsgevonden, worden afgerond. Indien sprake is van een schrijnende situatie wordt gestreefd binnen de verlengde beslistermijn van 16 weken een beslissing te sturen. In andere gevallen worden herbeoordelingen op dit moment niet opgepakt. Het Uwv kan daarom (nog) geen termijn benoemen binnen welke hij over aangevraagde herbeoordelingen kan beslissen als geen sprake is van een schrijnende situatie.

11. Daar waar vóór 1 januari 2026 na het instellen van direct beroep of een uitspraak over de (verlengde) beslistermijn en rechterlijke dwangsom in veel gevallen een beoordeling van Sociaal Medische Zaken (SMZ) of een heroverweging in bezwaar met voorrang werd opgepakt, is dat vanaf genoemde datum niet meer zo. Het Uwv zal daarom, ongeacht een gegeven termijn en de daaraan verbonden dwangsom door de rechtbank, vasthouden aan de met de minister van SZW afgestemde prioritering en de daarin gemaakte keuze om geen voorrang te verlenen bij directe beroepen. Het Uwv houdt daarbij rekening met het feit dat dit direct gevolg kan hebben voor het aantal dwangsommen, maar ook voor de hoogte van de dwangsom.



Het standpunt van eiseres



12. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet tijdig beslissen, waarbij de wachttijden nog steeds blijven oplopen, forse gevolgen heeft voor haar. Eiseres is actief binnen de schoonmaakbranche en is bekend met een relatief hoog verzuim, waarvan ook veel verzuim uiteindelijk leidt tot de toekenning van een uitkering op grond van de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA). Dit is mede een overweging geweest om eigenrisicodrager te worden, zodat er meer eigen regie gevoerd kan worden op dit langlopende verzuim. Omdat veel werknemers die bij eiseres uitvallen laaggeschoold zijn en de Nederlandse taal vaak niet goed beheersen, komen deze in verhouding relatief snel in aanmerking voor een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) door beperkte mogelijkheden in algemeen geaccepteerde arbeid. Of zij worden juist minder dan 35% arbeidsongeschikt bevonden omdat zij vaak een lager maatmanloon hebben dan functies die door de arbeidsdeskundige geselecteerd kunnen worden in algemeen geaccepteerde arbeid. Dat is dan ook in veel gevallen het resultaat van een aanvraag herbeoordeling op grond waarvan de toerekening aan eiseres komt te vervallen.

13. Zolang de WGA-uitkering doorloopt — in afwachting van een herbeoordeling — zal eiseres echter voor de lopende WGA-uitkeringen wel reserveringen moeten aanhouden in de financiële boekhouding. Doordat de wachttijden nu alleen maar oplopen heeft dat tot gevolg dat, voor verzekerden die mogelijk al recht hebben op een IVA-uitkering of minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, nog altijd reserveringen aangehouden moeten worden. Dit drukt behoorlijk op de financiële gezondheid van de organisatie en hierdoor wordt eiseres gedwongen om de financiële regels ruimer toe te passen om faillissement in de toekomst te voorkomen. Daarbij speelt dat in de schoonmaakbranche de winstmarges klein zijn en dit soort zaken daarmee extra drukken op de gezonde financiële situatie van de organisatie.
Verder betaalt eiseres voor de dienstverlening in het kader van het WGA-casemanagement een maandelijkse vergoeding per dossier. Zolang de WGA-uitkering loopt wordt de begeleiding voor die vergoeding ingevuld. Nu de gemiddelde afhandelingstermijn tussen de anderhalf en twee jaar ligt, betekent dit dat er in veel gevallen ten onrechte kosten worden gemaakt voor dossiers die met terugwerkende kracht niet meer voor rekening van eiseres komen. Dat geld is uitgegeven en wordt niet gecompenseerd. Daarbij komen de kosten van allerhande administratieve handelingen en kosten die eiseres zich gedwongen voelt om te maken door in beroep te gaan vanwege het niet tijdig beslissen door het Uwv.

14. Daarnaast heeft eiseres een reactie gegeven op de beantwoording van het UWV van de aan hem met de hiervoor genoemde brief van de rechtbank van 12 juni 2026 gestelde vragen.

15. Dat het Uwv met de beperkte capaciteit een bepaalde prioriteit moet aanbrengen kan eiseres wel begrijpen, maar dat herbeoordelingen niet worden opgepakt betreft volgens haar tegenwettelijk beleid. De werkgever is op basis van de wettelijke bepalingen afhankelijk van het sociaal-medisch onderzoek door het Uwv voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Dat moet tot gevolg hebben dat ook met betrekking tot herbeoordelingen een bepaalde werkwijze gehanteerd zal moeten worden zodat deze ook op enige termijn afgehandeld worden. Hierbij merkt eiseres op dat de gemiddelde behandelingstermijn van de afgehandelde herbeoordelingsverzoeken anderhalf jaar is met uitschieters richting drie jaar.

16. Daarnaast weerspreekt eiseres het standpunt van het Uwv dat de dwangsomregeling voor de Wet WIA niet meer doeltreffend is en zorgt voor ondoelmatige kosten. Het doel van het instellen van een beroep niet tijdig beslissen blijft immers om het Uwv te dwingen een beslissing af te laten geven en te blijven werken aan interne processen om de lopende herbeoordelingsaanvragen op efficiënte en, zo veel als mogelijk, chronologische wijze af te handelen. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2026. De rechtbank dient in haar ogen in lijn met hetgeen wordt overwogen in bedoelde uitspraken te komen tot een redelijke beslistermijn, die niet onrealistisch kort is, maar ook niet onnodig lang. Het feit dat het Uwv berust in de financiële consequenties van een gerechtelijke dwangsom — en daarmee geen prioriteit geeft aan de betreffende herbeoordeling — weegt niet op tegen het financiële belang van eiseres bij het stellen van een redelijke afhandelingstermijn.

17. Eiseres vindt het redelijk als de rechtbank een vaste termijn hanteert van vier weken waarbinnen het Uwv alsnog een beslissing op de aanvraag herbeoordeling dient af te geven. Nu het Uwv stelt dat hij herbeoordelingen in principe niet meer oppakt, is er namelijk ook geen reden om hem een langere termijn te geven. Mocht de rechtbank een termijn van vier weken onredelijk vinden, dan verzoekt eiseres om bij het vaststellen van een andere redelijke termijn mee te wegen op welke datum de aanvraag van een herbeoordeling is ingediend.

18. Tot slot verzoekt eiseres om de dwangsom hoger vast te stellen dan de vaste lijn die gehanteerd wordt en vast te stellen op € 250,- per dag en te maximeren op € 25.000,-.



Het oordeel van de rechtbank



19. De rechtbank is van oordeel dat in het onderliggende beroep sprake is van een bijzonder geval, wat maakt dat zij een langere beslistermijn stelt dan twee weken na de datum van verzending van de uitspraak. Eiseres heeft ook niet betwist dat sprake is van zo’n bijzonder geval.

20. De rechtbank heeft er vervolgens begrip voor dat het Uwv per 1 januari 2026 een volgorde aanbrengt in de behandeling van dossiers. Het Uwv heeft de belangen van zowel de werknemers als werkgevers kenbaar gewogen, ook al heeft het de belangen van eiseres als werkgever anders gewogen dan zij wenst. Dat het Uwv prioriteit geeft aan de zaken waarin het draait om de bestaanszekerheid van de werknemers en daarnaast aan schrijnende situaties, is goed te begrijpen.

21. De rechtbank vindt het bij het bepalen van de beslistermijn aan de ene kant niet zinvol om een termijn te stellen die het Uwv op voorhand niet kan halen en is daarom van oordeel dat een ruime beslistermijn aan de orde is. Het is immers ook in het belang van eiseres dat de herbeoordeling zorgvuldig gebeurt. Verder vindt de rechtbank van belang dat het Uwv in 2026 sowieso niet toekomt aan het herbeoordelingsverzoek van eiseres, gelet op het prioriteringssysteem en de (politieke) keuze die is gemaakt om niets te doen met de herbeoordelingsverzoeken. Wat ná 2026 gaat gebeuren met de herbeoordelingsverzoeken is nog niet duidelijk. Dat het Uwv op dit moment een door de rechtbank vastgestelde beslistermijn hoe dan ook zal negeren en de daaraan verbonden dwangsommen voor lief zal nemen, is voor de rechtbank geen aanleiding om af te zien van het stellen van een beslistermijn. Dit zou onvoldoende recht doen aan de belangen van eiseres.

22. De rechtbank bepaalt daarom bij het onderliggende beroep, dat is ingesteld naar aanleiding van het niet tijdig beslissen op een herbeoordelingsverzoek, een nadere beslistermijn van 52 weken, te rekenen vanaf de datum van verzending van deze uitspraak.

23. De rechtbank bepaalt vervolgens dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee deze beslistermijn van 52 weken nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een ander bedrag aan mogelijk te verbeuren dwangsommen.

24. Ter zitting heeft het Uwv aan de rechtbank verzocht om aansluiting te zoeken bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2026. In deze uitspraak is de Afdeling teruggevallen op de wettelijke beslistermijn van twee weken, maar heeft de dwangsom op nihil gesteld. Omdat de situatie waarover de Afdeling heeft geoordeeld – overigens ook volgens het Uwv zelf – niet vergelijkbaar is met de situatie waarin het Uwv zich bevindt, zal de rechtbank niet meegaan in dit verzoek.

25. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om gehoor te geven aan het verzoek van eiseres om de dwangsom vast te stellen op € 250,- per dag en te maximeren op € 25.000,-.




Conclusie en gevolgen
26. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

27. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Naast 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting kent de rechtbank 0,5 punt toe voor het indienen van de schriftelijke reactie op de vragen van de rechtbank. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. De totale proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 1.167,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)).






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op een herbeoordelingsverzoek;


draagt het Uwv op om binnen 52 weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het herbeoordelingsverzoek bekend te maken;


bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;


bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.167,50 aan proceskosten aan eiseres.




Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, voorzitter, en mr. J.M.E. Derks en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026














griffier


voorzitter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 6 augustus 2026





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Gelijktijdig met het beroep van eiseres zijn beroepen niet tijdig beslissen van andere eisende partijen behandeld. De rechtbank doet heden per eisende partij afzonderlijk uitspraak.



Het Uwv heeft daarbij verwezen naar een bijlage bij de ‘Kamerbrief over voortgang mismatch sociaal-medisch beoordelen, hersteloperatie en kwaliteitsverbeteringen UWV’ van 19 december 2025 (Kamerstukken 2025-2026, 26 448, nr. 862) van de toenmalige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Deze bijlage is getiteld ‘Sociaal-medische dienstverlening’.


In dit verband heeft het Uwv verwezen naar pagina 3 van de ‘Kamerbrief over voortgang mismatch sociaal-medisch beoordelen, hersteloperatie en kwaliteitsverbeteringen UWV’ van 23 juni 2026 (Kamerstukken 2025-2026, 26 448, nr. 897).


Zie ECLI:NL:RBDHA:2026:11559.


ECLI:NL:RVS:2026:3192.