Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:8069

2026-08-06 Bestuursrecht ROE 26/753, ROE 26/754, ROE 26/757, ROE 26/759, ROE 26/761, ROE 26/786 en ROE 26/788
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-08-06
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
ROE 26/753, ROE 26/754, ROE 26/757, ROE 26/759, ROE 26/761, ROE 26/786 en ROE 26/788
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroepen niet tijdig beslissen op herbeoordelingsverzoeken van een werkgever. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank stelt een termijn vast van 52 weken waarbinnen het Uwv alsnog moet beslissen op de herbeoordelingsverzoeken, te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitspraak. Als het Uwv deze beslistermijn ook niet haalt, moet hij eiseres een dwangsom betalen van € 100,- per dag dat hij niet alsnog heeft beslist, met een maximum van € 15.000,-.

Citeert (1)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (17.308 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummers: ROE 26/753, ROE 26/754, ROE 26/757, ROE 26/759, ROE 26/761, ROE 26/786 en ROE 26/788

uitspraak van de meervoudig kamer van 6 augustus 2026
in de zaken tussen

Stichting MeanderGroep Zuid-Limburg, eiseres,
(gemachtigde: B. van der Plas),


en




de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigden: mr. R. Spanjer, mr. M. Kooistra en mr. E. Coenen).



Samenvatting


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die eiseres heeft ingesteld, omdat het Uwv volgens haar niet op tijd heeft beslist op herbeoordelingsverzoeken inzake de arbeidsongeschiktheid van zeven ex-werkneemsters.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. De rechtbank stelt een termijn vast van 52 weken waarbinnen het Uwv alsnog moet beslissen op de herbeoordelingsverzoeken, te rekenen vanaf de datum van verzending van deze uitspraak. Als het Uwv deze beslistermijn ook niet haalt, moet hij eiseres een dwangsom betalen van € 100,- per dag dat hij niet alsnog heeft beslist, met een maximum van € 15.000,-.



1.2.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Eiseres heeft met de brief van 7 januari 2026 (ontvangen op 15 januari 2026) bij het Uwv een herbeoordelingsverzoek over de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster [naam 1] ingediend. Vervolgens heeft eiseres met de brief van 6 maart 2026 (ontvangen op 11 maart 2026) aan het Uwv medegedeeld dat hij te laat is met een beslissing op dit verzoek te nemen (de ingebrekestelling). Op 31 maart 2026 heeft eiseres het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit (beroep niet tijdig beslissen) op het herbeoordelingsverzoek ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer ROE 26/753.

3. Met de brief gedateerd 0 januari 1990 (ontvangen op 15 januari 2026) heeft eiseres bij het Uwv een herbeoordelingsverzoek over de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster [naam 2] ingediend. Vervolgens heeft eiseres het Uwv met de brief van 6 maart 2026 (ontvangen op 12 maart 2026) in gebreke gesteld. Op 31 mei 2026 heeft eiseres het onderhavige beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Dit beroep heeft het zaaknummer ROE 26/754.

4. Met de brief van 7 januari 2026 (ontvangen op 14 januari 2026) heeft eiseres bij het Uwv een herbeoordelingsverzoek over de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster [naam 3] ingediend. Vervolgens heeft eiseres het Uwv met de brief van 6 maart 2026 (ontvangen 11 maart 2026) in gebreke gesteld. Op 31 maart 2026 heeft eiseres het onderhavige beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Dit beroep heeft het zaaknummer ROE 26/757.

5. Met de brief van 7 januari 2026 (ontvangen op 15 januari 2026) heeft eiseres bij het Uwv een herbeoordelingsverzoek over de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster [naam 4] ingediend. Vervolgens heeft eiseres het Uwv met de brief van 6 maart 2026 (ontvangen op 11 maart 2026) in gebreke gesteld. Op 31 maart 2026 heeft eiseres het onderhavige beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Dit beroep heeft het zaaknummer ROE 26/759.

6. Met de brief van 7 januari 2026 (ontvangen op 15 januari 2026) heeft eiseres bij het Uwv een herbeoordelingsverzoek over de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster [naam 5] ingediend. Vervolgens heeft eiseres het Uwv met de brief van 6 maart 2026 (ontvangen op 12 maart 2026) in gebreke gesteld. Op 1 april 2026 heeft eiseres het onderhavige beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Dit beroep heeft het zaaknummer ROE 26/761.

7. Met de brief van 12 januari 2026 (ontvangen op 15 januari 2026) heeft eiseres bij het Uwv een herbeoordelingsverzoek over de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster [naam 6] ingediend. Vervolgens heeft eiseres het Uwv met de brief van 11 maart 2026 (ontvangen op 17 maart 2026) in gebreke gesteld. Op 3 april 2026 heeft eiseres het onderhavige beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Dit beroep heeft het zaaknummer ROE 26/786.

8. Met de brief van 12 januari 2026 (ontvangen op 15 januari 2026) heeft eiseres bij het Uwv een herbeoordelingsverzoek over de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster [naam 7] ingediend. Vervolgens heeft eiseres het Uwv met de brief van 11 maart 2026 (ontvangen op 16 maart 2026) in gebreke gesteld. Op 3 april 2026 heeft eiseres het onderhavige beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Dit beroep heeft het zaaknummer ROE 26/788.

9. In alle zaken heeft het Uwv in dwangsombesluiten beslist dat hij niet tijdig op de herbeoordelingsverzoeken heeft beslist en daarom de maximale bestuurlijke dwangsom verschuldigd is van € 1.442,-.

10. De rechtbank heeft met een brief van 12 juni 2026 vragen gesteld aan partijen en verzocht om een reactie voorafgaand aan de zitting. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord. Eiseres heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting nog een reactie ingediend. De rechtbank heeft in die reactie geen aanleiding gezien om het onderzoek ter heropenen en heeft eiseres schriftelijk laten weten dat de reactie niet meegenomen wordt in de beoordeling van de beroepen.

11. De beroepen van eiseres zijn op 21 juli 2026 gelijktijdig ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich, zonder kennisgeving vooraf, niet laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.




Beoordeling door de rechtbank

12. Niet ter discussie staat dat het Uwv in alle zaken de beslistermijn heeft overschreden, een geldige ingebrekestelling heeft ontvangen en dat sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken voordat eiseres de beroepen heeft ingesteld. Het Uwv heeft nu nog steeds geen besluiten genomen. Eiseres heeft daarom gelijk dat het Uwv te laat is met beslissen. De beroepen zijn daarom gegrond.

13. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt de rechtbank dat het Uwv binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden alsnog een besluit bekendmaakt als hij dat nog niet heeft gedaan. Op grond van het derde lid van dit artikel mag de rechtbank in bijzondere gevallen een andere termijn bepalen. In deze zaken staat ter discussie welke beslistermijn de rechtbank moet bepalen en welke dwangsom als bedoeld in het tweede lid, van artikel 8:55d van de Awb daarbij moet worden opgelegd.



Het standpunt van het Uwv



14. Het Uwv heeft naar voren gebracht dat geen indicatie kan worden gegeven binnen welke termijn een beslissing op de herbeoordelingsverzoeken kan worden genomen. Hiervoor zijn meerdere oorzaken. Het Uwv kan de wettelijke taak om mensen sociaal-medisch te beoordelen al langer niet meer volledig uitvoeren en dat heeft geleid tot grote achterstanden in de sociaal-medische dienstverlening. Het aantal aanvragen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) stijgt. Daartegenover staat dat er niet voldoende verzekeringsgeneeskundige capaciteit aanwezig is om alle (her)beoordelingen (tijdig) uit te voeren. Dit heeft ertoe geleid dat het Uwv de keuze heeft moeten maken dat hij vanaf 1 januari 2026 een prioritering aanbrengt in de volgorde van afhandeling van zijn taken.
15. De hoogste prioriteit geeft het Uwv aan de beoordeling van aanvragen inzake de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en Aanvragen Beoordeling Arbeidsvermogen (ABA). Verder geeft het Uwv prioriteit aan de zogenoemde WIA-eindewachttijdbeoordelingen. De gekozen prioritering heeft tot doel om cliënten die nog geen uitkering hebben zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over de vraag of recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

16. Het Uwv komt daardoor niet of nauwelijks toe aan WIA-herbeoordelingen die worden aangevraagd na het toekennen van een uitkering. Voor die herbeoordelingen is per 1 januari 2026 een proces ingericht waarbij casemanagers toetsen of sprake is van een schrijnende situatie. Daarbij maakt het Uwv geen onderscheid tussen aanvragen van werkgevers en werknemers. Herbeoordelingen die vóór 1 januari 2026 zijn aangevraagd en waar de verzekeringsgeneeskundige beoordeling al heeft plaatsgevonden, worden afgerond. Indien sprake is van een schrijnende situatie wordt gestreefd binnen de verlengde beslistermijn van 16 weken een beslissing te sturen. In andere gevallen worden herbeoordelingen op dit moment niet opgepakt. Het Uwv kan daarom (nog) geen termijn benoemen binnen welke hij over aangevraagde herbeoordelingen kan beslissen als geen sprake is van een schrijnende situatie.

17. Daar waar vóór 1 januari 2026 na het instellen van direct beroep of een uitspraak over de (verlengde) beslistermijn en rechterlijke dwangsom in veel gevallen een beoordeling van Sociaal Medische Zaken (SMZ) of een heroverweging in bezwaar met voorrang werd opgepakt, is dat vanaf genoemde datum niet meer zo. Het Uwv zal daarom, ongeacht een gegeven termijn en de daaraan verbonden dwangsom door de rechtbank, vasthouden aan de met de minister van SZW afgestemde prioritering en de daarin gemaakte keuze om geen voorrang te verlenen bij directe beroepen. Het Uwv houdt daarbij rekening met het feit dat dit direct gevolg kan hebben voor het aantal dwangsommen, maar ook voor de hoogte van de dwangsom.



Het oordeel van de rechtbank



18. De rechtbank is van oordeel dat in de onderliggende beroepen sprake is van bijzondere gevallen, die maken dat zij een langere beslistermijn stelt dan twee weken na de datum van verzending van de uitspraak. Eiseres heeft ook niet betwist dat sprake is van zo’n bijzonder geval.

19. De rechtbank heeft er vervolgens begrip voor dat het Uwv per 1 januari 2026 een volgorde aanbrengt in de behandeling van dossiers. Het Uwv heeft de belangen van zowel de werknemers als werkgevers kenbaar gewogen, ook al heeft het de belangen van eiseres als werkgever anders gewogen dan zij wenst. Dat het Uwv prioriteit geeft aan de zaken waarin het draait om de bestaanszekerheid van de werknemers en daarnaast aan schrijnende situaties, is goed te begrijpen.
20. De rechtbank vindt het bij het bepalen van de beslistermijn aan de ene kant niet zinvol om een termijn te stellen die het Uwv op voorhand niet kan halen en is daarom van oordeel dat een ruime beslistermijn aan de orde is. Het is immers ook in het belang van eiseres dat de herbeoordeling zorgvuldig gebeurt. Verder vindt de rechtbank van belang dat het Uwv in 2026 sowieso niet toekomt aan de herbeoordelingsverzoeken van eiseres, gelet op het prioriteringssysteem en de (politieke) keuze die is gemaakt om niets te doen met de herbeoordelingsverzoeken. Wat ná 2026 gaat gebeuren met de herbeoordelingsverzoeken is nog niet duidelijk. Dat het Uwv op dit moment een door de rechtbank vastgestelde beslistermijn hoe dan ook zal negeren en de daaraan verbonden dwangsommen voor lief zal nemen, is voor de rechtbank geen aanleiding om af te zien van het stellen van een beslistermijn. Dit zou onvoldoende recht doen aan de belangen van eiseres.

21. De rechtbank bepaalt daarom bij de onderliggende beroepen, die zijn ingesteld naar aanleiding van het niet tijdig beslissen op herbeoordelingsverzoeken, een nadere beslistermijn van 52 weken, te rekenen vanaf de datum van verzending van deze uitspraak.

22. De rechtbank bepaalt vervolgens dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee deze beslistermijn van 52 weken nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een ander bedrag aan mogelijk te verbeuren dwangsommen.

23. Ter zitting heeft het Uwv aan de rechtbank verzocht om aansluiting te zoeken bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2026. In deze uitspraak is de Afdeling teruggevallen op de wettelijke beslistermijn van twee weken, maar heeft de dwangsom op nihil gesteld. Omdat de situatie waarover de Afdeling heeft geoordeeld – overigens ook volgens het Uwv zelf – niet vergelijkbaar is met de situatie waarin het Uwv zich bevindt, zal de rechtbank niet meegaan in dit verzoek.




Conclusie en gevolgen
24. De beroepen zijn gegrond. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het Uwv de door eiseres betaalde griffierechten vergoeden.

25. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank beschouwt de zeven zaken als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de rechtbank namelijk gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon, van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Omdat het meer dan vier samenhangende zaken betreft, gaat de rechtbank uit van factor 1,5 voor het aantal samenhangende zaken. De rechtbank kent 1 punt toe voor het indienen van de beroepschriften. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat deze zaken van licht gewicht zijn, omdat de beroepschriften zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en de beroepen van eenvoudige aard zijn. De totale proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 700,50 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht) en een factor 1,5 voor het aantal samenhangende zaken).






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen ROE 26/753, ROE 26/754, ROE 26/757, ROE 26/759, ROE 26/761, ROE 26/786 en ROE 26/788 gegrond;


vernietigt in elke afzonderlijke zaak het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op een herbeoordelingsverzoek;


draagt het Uwv in elke afzonderlijke zaak op om binnen 52 weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het aan de orde zijnde herbeoordelingsverzoek bekend te maken;


bepaalt in elke afzonderlijke zaak dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;


bepaalt dat het Uwv in elke afzonderlijke zaak het betaalde griffierecht van € 397,- (totaal € 2.779,-) aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt het Uwv tot betaling van € 700,50 aan proceskosten aan eiseres.




Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, voorzitter, en mr. J.M.E. Derks en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026














griffier


voorzitter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 6 augustus 2026





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Gelijktijdig met de beroepen van eiseres zijn beroepen niet tijdig beslissen van andere eisende partijen behandeld. De rechtbank doet heden per eisende partij afzonderlijk uitspraak.



Het Uwv heeft daarbij verwezen naar een bijlage bij de ‘Kamerbrief over voortgang mismatch sociaal-medisch beoordelen, hersteloperatie en kwaliteitsverbeteringen UWV’ van 19 december 2025 (Kamerstukken 2025-2026, 26 448, nr. 862) van de toenmalige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Deze bijlage is getiteld ‘Sociaal-medische dienstverlening’.


In dit verband heeft het Uwv verwezen naar pagina 3 van de ‘Kamerbrief over voortgang mismatch sociaal-medisch beoordelen, hersteloperatie en kwaliteitsverbeteringen UWV’ van 23 juni 2026 (Kamerstukken 2025-2026, 26 448, nr. 897).


ECLI:NL:RVS:2026:3192.