Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:7961

2026-08-26 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12119433 \ CV EXPL 26-851
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12119433 \ CV EXPL 26-851
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimten en bedrijfswoning. Huurachterstand na dagvaarden verder opgelopen. Ontbinding en ontruiming toegewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.456 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 12119433 \ CV EXPL 26-851




Vonnis van 26 augustus 2026




in de zaak van




GCA VASTGOED II B.V.,
te Reuver,
eisende partij,
hierna te noemen: GCA,
gemachtigde: mr. E.M.A. Tromp,



tegen




SAM GROUP B.V.,
te Venlo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SAM,
gemachtigde: DAS Rechtsbijstand.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord
- de akte eiswijziging en aanvullende producties 4 t/m 7 van GCA
- de mondelinge behandeling van 21 juli 2026, ter gelegenheid waarvan SAM een publicatie van TenderNed – Rijksoverheid heeft overgelegd.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Vanaf 1 januari 2019 heeft (de rechtsvoorganger van) GCA aan SAM (voorheen Noble Enviromental Technologies Europe B.V.) verhuurd de bedrijfsruimte aan het [adres 1].



2.2.
Bij addendum van 14 april 2021 is overeengekomen dat (de rechtsvoorganger van) GCA vanaf 1 juni 2021 eveneens de hal gelegen aan [adres 2] aan SAM (voorheen Noble Enviromental Technologies Europe B.V.) verhuurt.



2.3.
Bij addendum II van 4 mei 2021 is overeengekomen dat een derde als medehuurder toetreedt tot de huurovereenkomst en dat deze huurovereenkomst op een aantal onderdelen wordt gewijzigd.



2.4.
Bij addendum III van 24 mei 2024 is overeengekomen dat GCA vanaf 1 juni 2024 ook de bedrijfswoning met een gedeelte van het bijbehorend buitenterrein gelegen aan [adres 3] aan SAM verhuurt.



2.5.
De totale huurprijs bedraagt thans € 17.236,30 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW van toepassing (hierna: de algemene bepalingen).



2.6.
SAM heeft een huurachterstand laten ontstaan. Ondanks aanmaningen en enkele aflossingen door SAM, is de huurachterstand verder opgelopen.





3Het geschil


3.1.

GCA vordert – samengevat – na wijziging van eis dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de huurovereenkomst ontbindt met betrekking tot:
a. de bedrijfsruimte aan [adres 1],
b. de delen van het pand aan [adres 2], en
c. de bedrijfswoning en het buitenterrein aan [adres 3],
II. SAM veroordeelt om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met personen en zaken te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van GCA te stellen,
III. SAM veroordeelt tot betaling van:
a. de huurachterstand, groot € 83.417,80, primair te vermeerderen met de contractuele boeterente van 1% per maand, subsidiair te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, vanaf de respectieve data van verschuldigdheid van de huurnota’s tot de dag van volledige betaling,
b. de maandelijks verschuldigde huurverplichting van € 17.236,30 per maand, met ingang van 1 juli 2026 tot de huurovereenkomst wordt ontbonden,
c. een bedrag van € 17.236,30 aan schadevergoeding per maand voor elke maand of gedeelte van een maand dat SAM in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen vanaf het moment dat de huurovereenkomst wordt ontbonden,
d. een bedrag van € 7.756,43 aan buitengerechtelijke incassokosten,
e. de proceskosten.




3.2.
GCA legt aan haar vordering ten grondslag dat SAM meermaals is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting voortvloeiende uit de huurovereenkomst. De hoogte van de huurachterstand en de structurele te late betalingen rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Gelet op het chronisch slechte betalingsgedrag van SAM kan immers niet van GCA gevergd worden dat zij nog langer aan deze huurovereenkomst met SAM gebonden is.



3.3.
SAM erkent dat sprake is van een huurachterstand, maar betwist de hoogte. Zij stelt na de eiswijziging nog betalingen te hebben verricht. Er zijn concrete toezeggingen op basis waarvan te verwachten is dat op korte termijn geld beschikbaar is om de huurachterstand te voldoen. SAM heeft een zwaarwegend belang bij continuering van de huur, omdat de kern van haar bedrijfsactiviteiten daar plaatsvindt en er allerlei omvangrijke investeringen zijn gedaan in het pand. Verplaatsing van haar bedrijfsactiviteiten en daarmee de installaties in het pand in geval van ontruiming zal leiden tot een bedrijfseinde. Indien er geoordeeld zou worden dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en het gehuurde moet worden ontruimd, verzoekt SAM om een terme de grâce. Subsidiair verzoekt SAM om een ontruimingstermijn van een jaar, omdat zij die termijn nodig acht om haar installaties deugdelijk te demonteren en verplaatsen.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



De huurachterstand




4.1.
GCA vordert een huurachterstand van € 83.417,80 tot en met juni 2026.



4.2.
SAM erkent dat er sprake is van een huurachterstand, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft zij onweersproken gesteld dat er na de eiswijziging nog een substantieel bedrag is afgelost. Tussen partijen is niet in geschil dat vervolgens de huur over de maand juli 2026 opeisbaar is geworden en dat SAM die huurtermijn nog niet heeft betaald.



4.3.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter SAM veroordelen tot betaling van de huurachterstand tot en met juni 2026, groot € 83.417,80, waarop in mindering strekt de na de eiswijziging door SAM gedane aflossingen op de huurachterstand.



4.4.
Daarnaast vordert GCA primair een contractuele boeterente van 1% per maand en subsidiair de wettelijke handelsrente over de huurachterstand.



4.5.
Aangezien SAM geen verweer heeft gevoerd tegen het primair gevorderde, zal de kantonrechter aansluiten bij het bepaalde in artikel 23.2 van de algemene bepalingen en de contractuele boeterente van 1% per maand over de huurachterstand toewijzen vanaf de respectievelijke vervaldata van de huurnota’s tot de dag van volledige betaling.



De ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde





4.6.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.



4.7.
De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. Daarnaast kan ook herhaalde, structurele te late betaling van de huur (zonder het bestaan van een betalingsachterstand) een ernstige tekortkoming opleveren die de ontbinding van de huurovereenkomst en de daarmee gepaard gaande ontruiming in beginsel rechtvaardigt.



4.8.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand € 51.708,90. Dat is een huurachterstand van drie maanden. Daarna is de huurachterstand verder opgelopen. Ook als er rekening wordt gehouden met de aflossing die SAM na de eiswijziging nog heeft gedaan, is thans sprake van een huurachterstand van ongeveer € 60.654,10, zelfs meer dan drie maanden. De huurachterstand is daarmee naar het oordeel van de kantonrechter ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden en SAM te veroordelen om het gehuurde te ontruimen. Daarbij betrekt de kantonrechter ook dat de betalingsproblemen structureel zijn c.q. dat SAM herhaaldelijk tekortschiet in de nakoming van haar betalingsverplichting.



4.9.
SAM heeft nog omstandigheden aangevoerd waarmee zij in feite een beroep doet op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW. Dat beroep faalt. De enkele stelling dat toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming tot gevolg heeft dat het bedrijf van SAM niet elders kan worden voortgezet en tot een bedrijfseinde zal leiden, is ontoereikend. Daarbij heeft de kantonrechter in overweging genomen dat SAM haar bedrijfsactiviteiten uitvoert met grote installaties, maar dat leidt er niet zonder meer toe dat zij haar bedrijfsactiviteiten niet elders kan uitvoeren. Dat blijkt in ieder geval nergens uit. Gezien het belang van GCA bij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde nu er sprake is van een aanzienlijke huurachterstand, dient de belangenafweging in het voordeel van GCA uit te vallen.



4.10.
SAM verzoekt om een termijn om de huurachterstand alsnog te kunnen te betalen, een terme de grâce zoals bedoeld in artikel 7:280 BW. Daartoe heeft SAM verklaard op de mondelinge behandeling dat de verwachting is dat zij binnen een maand een groot deel van de huurachterstand, mogelijk de gehele achterstand, kan betalen. Reden is volgens SAM dat aan haar de aanbestedingsopdracht van 2,3 miljoen is gegund terzake de koolstofcertificaten via biobased bouwmaterialen. Daarnaast is een andere financierder bereid is € 300.000,00 te investeren onder de voorwaarde dat aan die financierder een opstalrecht op de perslijn wordt verleend, waarvoor instemming van de GCA als verhuurder nodig is.



4.11.
De kantonrechter stelt voorop dat een terme de grâce zoals bedoeld in artikel 7:280 BW enkel mogelijk is bij verhuur van woonruimte. SAM heeft onvoldoende duidelijk gemaakt op basis waarvan hier desondanks toch zo’n termijn kan worden toegekend. Hooguit zou aan SAM tegemoet kunnen worden gekomen door de einduitspraak aan te houden of door een ontbinding en ontruiming voorwaardelijk uit te spreken. Gebaseerd op de stellingen van SAM is de kantonrechter niet overtuigd dat SAM binnen een maand de (gehele) huurachterstand kan betalen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft SAM toegelicht dat de CO2-besparing over een bepaalde periode pas achteraf zal worden uitbetaald nadat bekend is wat de omvang van die besparing was. Niet aannemelijk is dat (binnen enkele weken) een aanzienlijk voorschot zal worden uitgekeerd, althans dat heeft SAM onvoldoende onderbouwd. Aangezien aan de mogelijke investering van € 300.000,00 door een financierder ook allerlei substantiële voorwaarden zijn verbonden, blijft het uiterst onzeker dat SAM in staat zal zijn de (gehele) huurachterstand op korte termijn te voldoen. Daar komt nog bij dat het inlopen op de huurachterstand onverlet laat dat SAM de huur in het verleden structureel te laat heeft betaald en dat dat op zichzelf genomen al voldoende grond is om de huurovereenkomst te ontbinden. Een terme de grâce of daarmee gelijk te stellen oplossing ligt daarom niet in de rede.



4.12.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal daarom op grond van het voorgaande worden toegewezen.



4.13.
SAM verzoekt om een ontruimingstermijn van een jaar. Hoewel de kantonrechter met SAM van oordeel is dat het demonteren en verplaatsen van de aanwezige installaties voldoende deugdelijk dient te gebeuren om deze te kunnen hergebruiken, is een termijn van een jaar naar het oordeel van de kantonrechter, bij gebrek aan onderbouwing, buitensporig lang. De kantonrechter zal SAM daarom veroordelen om het gehuurde te ontruimen op een termijn van een maand na betekening van het vonnis.



4.14.
GCA vordert ook veroordeling van SAM tot betaling van een maandelijks bedrag van € 17.236,30, te rekenen vanaf de maand juli 2026 tot het moment dat het gehuurde is ontruimd. Tot aan de dag van ontbinding van de huurovereenkomst is dit de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat SAM nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal ook worden toegewezen.



Buitengerechtelijke incassokosten





4.15.
GCA vordert een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 28.1 van de algemene bepalingen van € 7.756,43.



4.16.
SAM verzoekt tot matiging tot het bedrag dat conform de wettelijke staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is, omdat zij meent dat het beding in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.



4.17.
De kantonrechter stelt voorop dat het hier om twee zakelijke partijen gaat die bij de totstandkoming van de huurovereenkomst (en addenda) betrokken waren. Er is daarom geen reden om het beding in de algemene voorwaarden te toetsen aan consumentenbeschermende bepalingen. Dat GCA een omvangrijke huurachterstand met rente vordert, maakt niet dat het incassobeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De hoogte van de vordering vloeit voort uit het structureel te laat betalen van de huur door SAM. Uit de door GCA overgelegde stukken blijkt bovendien dat er veelvuldig is aangemaand. Er is daarom geen reden de contractueel overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. De kantonrechter zal de vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten zoals gevorderd toewijzen.




Proceskosten





4.18.
SAM is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GCA worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


128,65







- griffierecht


€


1.504,00







- salaris gemachtigde


€


1.732,00


(2 punten × € 866,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


3.508,65













5De beslissing


De kantonrechter



5.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot:
a. de bedrijfsruimte aan [adres 1],
b. de delen van het pand aan [adres 2], en
c. de bedrijfswoning en het buitenterrein aan [adres 3],
allen gelegen te [plaats],




5.2.
veroordeelt SAM om binnen een maand na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van GCA zijn, en de sleutels af te geven aan GCA,



5.3.
veroordeelt SAM om te betalen aan GCA:
- € 83.417,80 aan achterstallige huur tot en met juni 2026, waarop in mindering strekt de na de eiswijziging door SAM gedane aflossingen op de huurachterstand, te vermeerderen met de contractuele boeterente van 1% over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de respectievelijke vervaldata van die huurtermijnen tot aan de dag van volledige betaling,
- € 17.236,30 per maand vanaf juli 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
- € 7.756,43 aan buitengerechtelijke incassokosten,



5.4.
veroordeelt SAM in de proceskosten van € 3.508,65, te betalen binnen veertien dagen en te vermeerderen met de kosten van betekening als SAM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.





















Artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).


HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.


Rechtbank Noord-Holland 7 september 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:8016 r.o. 5.4.