Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:7832
2026-08-05
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/03/351528 / HA ZA 26-175
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geen opheffing van het beslag, omdat niet is gebleken dat het ingeroepen recht summierlijk ondeugdelijk is of het beslag onnodig is gelegd. Afweging wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.446 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/351528 / HA ZA 26-175
Vonnis in incident van 5 augustus 2026
in de zaak van
[persoon 1]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. J.A.N. Lap,
tegen
1 [persoon 2] ,
te [plaats 1] ,2. [persoon 3],
te [plaats 2] (Duitsland),
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [personen 2 en 3] ,
advocaat: mr. G.H.J. Spee.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord tevens (incidentele) vorderingen in reconventie met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord in het incident in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Het geschil
2.1.
Op [datum] 2025 is mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster), moeder van [personen 2 en 3] en geregistreerd partner van [persoon 1] , overleden. Tussen partijen bestaat discussie over de vraag wie als erfgenamen in haar nalatenschap optreden.
2.2.
In de hoofdzaak vordert [persoon 1] kort gezegd primair:
een verklaring voor recht dat het door erflaatster opgestelde testament geen rechtskracht heeft, de wettelijke verdeling van toepassing is en [persoon 1] daarom als enige gerechtigd is tot de nalatenschap van erflaatster;
de afgegeven verklaring van erfrecht te vernietigen en deze uit te schrijven uit de openbare registers;
[personen 2 en 3] te veroordelen tot afgifte van de nalatenschapsgoederen;
[personen 2 en 3] te veroordelen opgave te doen aan [persoon 1] van alle door hen reeds geïnde vorderingen en het geïnde bedrag aan [persoon 1] te betalen.
Subsidiair vordert [persoon 1] in de hoofdzaak om de gezamenlijke woning van hem en erflaatster aan de [adres 1] te [plaats 1] aan hem toe te delen.
2.3.
Tot zekerheid van verhaal voor zijn vorderingen heeft [persoon 1] – na daartoe verkregen verlof bij beschikking van 16 maart 2026 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg – beslag doen leggen op de tot de nalatenschap behorende woning aan de [adres 2] [plaats 3] (hierna: de woning).
2.4.
In het incident vordert [personen 2 en 3] opheffing van het conservatoir beslag op de woning. [personen 2 en 3] voert aan dat het beslag zonder recht of titel is gelegd en [persoon 1] er geen belang bij heeft dat de woning hangende de procedure leeg blijft staan. [persoon 1] voert verweer en stelt dat hij wel een recht of titel heeft bij het beslag in het geval in de hoofdzaak wordt geoordeeld dat hij erfgenaam is en de wettelijke verdeling van toepassing is.
3De beoordeling in het incident
3.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld (artikel 705 lid 2 Rv). Degene die de opheffing vordert, in dit geval [personen 2 en 3] , moet aannemelijk maken dat de door de beslaglegger, in dit geval [persoon 1] , gepretendeerde vordering summierlijk ondeugdelijk is of het beslag onnodig is. De wederzijdse belangen moeten hierbij worden afgewogen, waarbij moet worden beoordeeld of het belang van [persoon 1] bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [personen 2 en 3] bij opheffing van het beslag.
3.2.
Dat het door [persoon 1] ingeroepen recht summierlijk ondeugdelijk is, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. [personen 2 en 3] heeft daartoe immers niets gesteld. Wat betreft de vraag of het beslag onnodig is gelegd, overweegt de rechtbank als volgt. [personen 2 en 3] geeft aan de woning te willen verkopen en stelt voor om de verkoopopbrengst van de woning in een notarieel depot te storten. Het is echter [persoon 1] die – bij toewijzing van zijn vorderingen in de hoofdzaak – vrij over de woning moet kunnen beschikken. Dat recht van [persoon 1] kan niet worden gewaarborgd bij opheffing van het beslag. Van een onnodig gelegd beslag is, gelet op het voorgaande, dan ook niet gebleken.
3.3.
Verder stelt [personen 2 en 3] dat het beslag moet worden opgeheven omdat hij bij opheffing van het beslag zekerheid wil stellen door bij verkoop van de woning de koopsom in een notarieel depot te storten. [persoon 1] stelt echter niet dat hij een geldvordering op [personen 2 en 3] heeft tot zekerheid waarvan hij conservatoir beslag op de woning heeft gelegd. Hij stelt de rechthebbende van de woning te zijn, zodat art. 705 lid 2 Rv niet aan de orde is.
3.4.
Ook een afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. [personen 2 en 3] stelt dat hij belang heeft bij opheffing van het beslag omdat hij de woning wil verkopen en de woningprijzen aan het dalen zijn. Nog afgezien van het feit dat [personen 2 en 3] dat op geen enkele manier heeft onderbouwd en het ook geen feit van algemene bekendheid is, is de rechtbank van oordeel dat het belang van [persoon 1] om over de woning te kunnen beschikken indien hij erfgenaam zou blijken te zijn, zwaarder dient te wegen dan het belang van [personen 2 en 3] om de woning snel te gelde te maken.
3.5.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de incidentele vordering tot opheffing van het beslag wordt afgewezen.
3.6.
[personen 2 en 3] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
653,00
(1 punt × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
842,00
3.7.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
wijst de vordering in incident af,
4.2.
veroordeelt [persoon 2] en [persoon 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [personen 2 en 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/351528 / HA ZA 26-175
Vonnis in incident van 5 augustus 2026
in de zaak van
[persoon 1]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. J.A.N. Lap,
tegen
1 [persoon 2] ,
te [plaats 1] ,2. [persoon 3],
te [plaats 2] (Duitsland),
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [personen 2 en 3] ,
advocaat: mr. G.H.J. Spee.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord tevens (incidentele) vorderingen in reconventie met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord in het incident in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Het geschil
2.1.
Op [datum] 2025 is mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster), moeder van [personen 2 en 3] en geregistreerd partner van [persoon 1] , overleden. Tussen partijen bestaat discussie over de vraag wie als erfgenamen in haar nalatenschap optreden.
2.2.
In de hoofdzaak vordert [persoon 1] kort gezegd primair:
een verklaring voor recht dat het door erflaatster opgestelde testament geen rechtskracht heeft, de wettelijke verdeling van toepassing is en [persoon 1] daarom als enige gerechtigd is tot de nalatenschap van erflaatster;
de afgegeven verklaring van erfrecht te vernietigen en deze uit te schrijven uit de openbare registers;
[personen 2 en 3] te veroordelen tot afgifte van de nalatenschapsgoederen;
[personen 2 en 3] te veroordelen opgave te doen aan [persoon 1] van alle door hen reeds geïnde vorderingen en het geïnde bedrag aan [persoon 1] te betalen.
Subsidiair vordert [persoon 1] in de hoofdzaak om de gezamenlijke woning van hem en erflaatster aan de [adres 1] te [plaats 1] aan hem toe te delen.
2.3.
Tot zekerheid van verhaal voor zijn vorderingen heeft [persoon 1] – na daartoe verkregen verlof bij beschikking van 16 maart 2026 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg – beslag doen leggen op de tot de nalatenschap behorende woning aan de [adres 2] [plaats 3] (hierna: de woning).
2.4.
In het incident vordert [personen 2 en 3] opheffing van het conservatoir beslag op de woning. [personen 2 en 3] voert aan dat het beslag zonder recht of titel is gelegd en [persoon 1] er geen belang bij heeft dat de woning hangende de procedure leeg blijft staan. [persoon 1] voert verweer en stelt dat hij wel een recht of titel heeft bij het beslag in het geval in de hoofdzaak wordt geoordeeld dat hij erfgenaam is en de wettelijke verdeling van toepassing is.
3De beoordeling in het incident
3.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld (artikel 705 lid 2 Rv). Degene die de opheffing vordert, in dit geval [personen 2 en 3] , moet aannemelijk maken dat de door de beslaglegger, in dit geval [persoon 1] , gepretendeerde vordering summierlijk ondeugdelijk is of het beslag onnodig is. De wederzijdse belangen moeten hierbij worden afgewogen, waarbij moet worden beoordeeld of het belang van [persoon 1] bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [personen 2 en 3] bij opheffing van het beslag.
3.2.
Dat het door [persoon 1] ingeroepen recht summierlijk ondeugdelijk is, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. [personen 2 en 3] heeft daartoe immers niets gesteld. Wat betreft de vraag of het beslag onnodig is gelegd, overweegt de rechtbank als volgt. [personen 2 en 3] geeft aan de woning te willen verkopen en stelt voor om de verkoopopbrengst van de woning in een notarieel depot te storten. Het is echter [persoon 1] die – bij toewijzing van zijn vorderingen in de hoofdzaak – vrij over de woning moet kunnen beschikken. Dat recht van [persoon 1] kan niet worden gewaarborgd bij opheffing van het beslag. Van een onnodig gelegd beslag is, gelet op het voorgaande, dan ook niet gebleken.
3.3.
Verder stelt [personen 2 en 3] dat het beslag moet worden opgeheven omdat hij bij opheffing van het beslag zekerheid wil stellen door bij verkoop van de woning de koopsom in een notarieel depot te storten. [persoon 1] stelt echter niet dat hij een geldvordering op [personen 2 en 3] heeft tot zekerheid waarvan hij conservatoir beslag op de woning heeft gelegd. Hij stelt de rechthebbende van de woning te zijn, zodat art. 705 lid 2 Rv niet aan de orde is.
3.4.
Ook een afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. [personen 2 en 3] stelt dat hij belang heeft bij opheffing van het beslag omdat hij de woning wil verkopen en de woningprijzen aan het dalen zijn. Nog afgezien van het feit dat [personen 2 en 3] dat op geen enkele manier heeft onderbouwd en het ook geen feit van algemene bekendheid is, is de rechtbank van oordeel dat het belang van [persoon 1] om over de woning te kunnen beschikken indien hij erfgenaam zou blijken te zijn, zwaarder dient te wegen dan het belang van [personen 2 en 3] om de woning snel te gelde te maken.
3.5.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de incidentele vordering tot opheffing van het beslag wordt afgewezen.
3.6.
[personen 2 en 3] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
653,00
(1 punt × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
842,00
3.7.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
wijst de vordering in incident af,
4.2.
veroordeelt [persoon 2] en [persoon 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [personen 2 en 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.