Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:7409

2026-07-23 Bestuursrecht; Omgevingsrecht ROE 23/1890 en ROE 23/1907
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-07-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 23/1890 en ROE 23/1907
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (binnenplanse afwijking) voor de nevenactiviteiten zorgboerderij en educatieruimte. De rechtbank vindt dat verweerder mocht uitgaan van het verkeersrapport. De rechtbank oordeelt dat verweerder de omvang van de vergunde nevenactiviteiten niet kenbaar heeft getoetst aan de omvang van de hoofdactiviteit. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Geen reden voor de rechtbank tot in stand lating van de rechtsgevolgen of zelf in de zaak voorzien. Vergoeding van griffierecht en proceskosten. Voorts toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.503 tekens)
ReCHTBANK limburg


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummers: ROE 23 / 1890 en 23 / 1907


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaken tussen


[eiseres] , te [woonplaats 1] , eiseres
(gemachtigde: G.T. van de Weerdt),


[eiser] , te [woonplaats 2] , eiser
(gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn),


gezamenlijk te noemen: eisers



en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder.


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [vestigingsplaats]
(gemachtigde: mr. J. van Groningen).





Procesverloop


Bij besluit van 24 januari 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde-partij] , verder vergunninghoudster, een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van gronden en opstallen voor niet- of semi-agrarische nevenactiviteiten aan de [adres] in [vestigingsplaats] .



Bij besluit van 4 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroepen ingesteld.



Verweerder heeft verweerschriften ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Eiseres is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot en bijgestaan door haar gemachtigde. Voor eiser is zijn schoonzoon [naam schoonzoon] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Jonkers. Voor vergunninghoudster was

[naam] aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde.








Overwegingen



Vooraf



1. Op 1 december 2022 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor het, naast de agrarische activiteiten (houden van dieren en overige agrarische activiteiten), opstarten van nevenactiviteiten in de vorm van een zorgboerderij, boerderijwinkel en educatieruimte. Daarbij heeft vergunninghoudster een motivering van de aanvraag van Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. van 1 december 2022 en een verkeersonderzoek van Royal HaskoningDHV van 12 oktober 2022 overgelegd.
Bij het primaire besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Verweerder heeft toepassing gegeven aan de zogeheten binnenplanse vrijstelling voor het toestaan van nevenactiviteiten en geoordeeld dat de aanvraag valt binnen het bereik van de daarvoor geldende bestemmingsplanbepalingen. In het verkeersonderzoek is een aantal aanbevelingen gedaan die als (vier) voorschriften aan de vergunning zijn verbonden.

2. In bezwaar tegen het primaire besluit hebben eisers aangevoerd dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de aangevraagde activiteiten via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid te vergunnen omdat de zorgboerderij, de boerderijwinkel en de educatieruimte, bij gebreke van een hoofdactiviteit, geen nevenactiviteiten zijn. Verder is aangevoerd dat de motivering van de omgevingsvergunning, het verkeersonderzoek en de vergunningtekening onjuist en onduidelijk zijn. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.



Overgangsrecht



3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de aanverwante wetgeving nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. Verweerder heeft daarom op de aanvraag van vergunninghouder met oud recht beslist en de rechtbank beoordeelt het bestreden besluit met oud recht, de Wabo.



Beroepen



4. In de beroepen is aangevoerd dat er op de locatie sinds 2014 geen dieren meer worden gehouden, dat er geen sprake is van een hoofdactiviteit, en dat er daarom ook geen sprake kan zijn van nevenactiviteiten. Artikel 1.119 van de geldende bestemmingsplanregels definieert nevenactiviteiten immers als een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel of bouwvlak. Volgens eisers kan niet worden vastgesteld of de als nevenactiviteit gepresenteerde activiteiten in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt zijn aan een niet reële hoofdactiviteit.

Met betrekking tot het verkeersonderzoek zijn vraagtekens gesteld bij de door de vergunninghoudster aangeleverde cijfers van verkeersgeneratie voor de verschillende nevenactiviteiten en de omvang daarvan, en hebben eisers betoogd dat de gebruikte verkeerstelling niet representatief was, omdat die in coronatijd is gedaan en de (voormalige) hoofdactiviteit al was gestaakt. Opgemerkt wordt ook dat is uitgegaan van een bedrijfssituatie (een nieuwe stadsboerderij) die nog niet is vergund en dus ook nog niet vaststaat. Eisers zijn van mening dat het verkeersonderzoek niet ten grondslag kon worden gelegd aan de verleende omgevingsvergunning en dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat verkeer geen knelpunt vormt.
Verder is aangevoerd dat het in het verkeersrapport berekende aantal van 28 parkeerplaatsen onvoldoende is om de beoogde ontwikkeling te voorzien van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Ten aanzien van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften is aangevoerd dat niet duidelijk is wanneer de boerderijwinkel geopend mag zijn en dat niet begrensd is of de educatieruimte ook ’s avonds mag worden geopend waarbij verkeersbewegingen dan extra hinderlijk zijn en het verkeersonderzoek daarmee geen rekening houdt.
Met betrekking tot de situatietekening is aangevoerd dat de maten ontbreken waardoor deze onduidelijk is, dat niet is na te gaan of eventuele verbouwingen vergunningvrij zijn en dat onduidelijk is bij welke activiteiten welke ruimtes horen.



4.1.

In het (eerste) verweerschrift herhaalt verweerder zijn standpunt dat uit de definitie van nevenactiviteit uit het bestemmingsplan volgt dat het gaat om een ingevolge het bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie en dat er niet daadwerkelijk een intensieve veehouderij hoeft te worden geëxploiteerd om de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is verleend als nevenactiviteit aan te merken. Met betrekking tot het verkeersonderzoek stelt verweerder zich op het standpunt dat het rapport geen tegenstrijdigheden bevat en voldoende begrijpelijk is, aan de vergunning ten grondslag mocht worden gelegd en er terecht vanuit is gegaan dat verkeer geen knelpunt vormt voor verlening van de vergunning.
Verder geeft verweerder aan dat vergunninghoudster 28 parkeerplaatsen wil aanleggen en dat het aan de bezoekers is om, als dat onvoldoende is, te parkeren op de openbare wegen en parkeerplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende regels.
Met betrekking tot de openingstijden van de boerderijwinkel, waarop de Winkeltijdenwet van toepassing is, stelt verweerder zich op het standpunt dat die begrensd worden door het voorschrift dat de winkel niet geopend mag zijn als er een workshop plaats vindt. Voor zover is opgenomen dat het personeel gestimuleerd moet worden om zoveel mogelijk op de fiets te komen, is dit een doelvoorschrift. Dat geldt ook voor het voorschrift dat vrachtverkeer verspreid moet worden over de dag. Dat betekent dat vergunninghoudster zelf kan invullen hoe daaraan wordt voldaan.
Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat de overgelegde tekening inzichtelijk maakt hoe het terrein zal worden ingedeeld. Er is geen sprake van verbouwingen en de verleende vergunning ziet alleen op afwijking van de regels van het bestemmingsplan.




4.2.

Van de zijde van vergunninghoudster is gereageerd op de beroepsgronden en is aangegeven dat op het betreffende perceel 8.000 legkippen, 8.000 opfokkippen, 24.000 vleeskuikens, 10 vleesvarkens en 15 vleesrunderen worden gehouden, waarvoor een zogeheten omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) is aangevraagd, zodat evident sprake is van een hoofdfunctie (intensieve veehouderij). Gelet op de omvang van de hoofdfunctie en de geringe omvang van de nevenfunctie is sprake van een bestemmingsplan-conforme situatie.
Naar aanleiding van de beroepsgronden tegen het verkeersonderzoek wordt gesteld dat eisers geen contra-expertise hebben overgelegd en dat het uitgebrachte rapport is gebaseerd op reële aannames en een juiste inschatting. Verder is vergunninghoudster van mening dat er geen aanleiding is nadere of verdergaande voorschriften aan de vergunning te verbinden; de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden beperken de hinder in voldoende mate. Bovendien gelden er geluidgrenswaarden. Het terrein van vergunninghoudster is zeer ruim van omvang en alle voertuigen kunnen op eigen terrein worden geparkeerd.




4.3.
Als aanvullende beroepsgronden is door eiseres aangevoerd dat de door vergunninghoudster beschreven hoofdfunctie niet aantoonbaar rendabel is en niet als een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden gezien. Nu de omvang van de nevenfunctie niet gering is, is dan ook geen sprake van een bestemmingsplanconforme situatie. Voor zover in het verkeersonderzoek is uitgegaan van ongeveer vijf openingsuren van de boerderijwinkel, is niet duidelijk op welke dagen de winkel geopend is, terwijl uit de website van de winkel blijkt dat de winkel dagelijks van 8.00 tot 20.00 uur geopend is. Dat betekent dat geen sprake is van een nevenactiviteit en dat het verkeersonderzoek ten onrechte uitgaat van beperktere openingstijden. Verder is aangevoerd dat het verkeersrapport is gebaseerd op niet actuele en niet realistische aannames en op cijfers die voor milieubeoordeling maar niet voor verkeer gelden.



4.4.

In het aanvullend verweerschrift heeft verweerder de stelling dat er, om nevenactiviteiten te vergunnen, niet daadwerkelijk een intensieve veehouderij hoeft te worden geëxploiteerd, genuanceerd. Omdat het vloeroppervlak voor de nevenfuncties beperkt is, is sprake van ondergeschikte nevenactiviteiten. Verder is het houden van vee en het telen van gewassen de belangrijkste inkomensbron en het meest arbeidsintensief. Voor zover er geen hoofdfunctie aanwezig zou zijn en wel een nevenactiviteit, is er volgens verweerder een grondslag voor handhaving. Na het nemen van het bestreden besluit is er een OBM verleend die inmiddels onherroepelijk is geworden voor de door de vergunninghoudster beschreven hoofdactiviteit.
Volgens verweerder is in het verkeersonderzoek de eindsituatie onderzocht, waarbij is uitgegaan van een intensieve veehouderij conform de OBM in combinatie met de ter discussie staande nevenactiviteiten. Daarbij is ervan uitgegaan dat de boerderijwinkel slechts een dagdeel is geopend, maar dat uitgangspunt blijkt achterhaald, nu er is gekozen voor automaten zonder personeel en openingstijden van 8 tot 20u. De halvering van het aantal verkeersbewegingen in het rapport is dus onjuist. Volgens verweerder is dit echter geen aanleiding de verleende vergunning te vernietigen, omdat in het Mobiliteitsplan Weert 2030 de [straatnaam] is aangemerkt als ‘erftoegangsweg A’ buiten de bebouwde kom, die een maximaal wenselijke verkeersintensiteit heeft van 2.500 tot 3.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etm). De nieuwe verkeersgeneratie die het gevolg is van het initiatief leidt tot een totaal van 213 mvt/etm en dit blijft ruimschoots onder de maximaal wenselijke verkeersintensiteit. Voorts is verweerder van mening dat in de parkeerbehoefte kan worden voorzien op het eigen terrein van vergunninghoudster en dat de bereidheid bestaat daarvoor een aanvullend voorschrift aan de vergunning te verbinden.




4.5.
Ter zitting heeft eiser de beroepsgrond over de rechtmatigheid van het vergunnen van nevenactiviteiten wegens het ontbreken van een hoofdactiviteit laten vallen. Na enkele meer inleidende overwegingen (onder 5 t/m 5.6) zal de rechtbank daarom eerst de door eisers gezamenlijk ingebrachte grond over het aan de vergunningverlening ten grondslag liggende verkeersrapport bespreken (onder 6 t/m 6.3). Verder hebben eisers op zitting de beroepsgrond over het parkeren en heeft verweerder het beroep op het voormelde Mobiliteitsplan laten vallen. Ter zitting is verder van de zijde van vergunninghoudster aangegeven dat de winkel inmiddels van 8 tot 22u is geopend en dat er 24 cliënten gebruik maken van de zorgboerderij gedurende dagdelen op woensdag, donderdag en vrijdag.



Omvang van het geding




5. Aan de orde is een ongegrondverklaring van bezwaren tegen een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wabo voor het (binnenplans) afwijken van de geldende bestemmingsplanbepaling(en).




Belanghebbendheid





5.1.
De rechtbank merkt eisers aan als belanghebbenden bij de verleende omgevingsvergunning op grond van de gevolgen daarvan voor de toename van het verkeer dat, mede in aanmerking genomen de aard van de smalle toegangsweg, langs hun woningen rijdt naar en van het bedrijfsperceel van vergunninghoudster.



Detailhandel





5.2.

De aanvraag ziet op een zorgboerderij, een boerderijwinkel en een educatieruimte. Uit het bestemmingsplan Buitengebied 2011 blijkt, uit artikel 4.5, Specifieke gebruiksregels, onder artikel 4.5.1, aanhef en sub c, dat onder strijdig gebruik valt:

voor detailhandel, behoudens:


detailhandel als ondergeschikte activiteit van op het eigen bedrijf of in de directe omgeving geproduceerde agrarische producten, alsmede van op het eigen bedrijf of in de directe omgeving op andere agrarische bedrijven bewerkte eigen agrarische producten, met dien verstande dat de verkoopruimte binnen de bestaande agrarische bebouwing is gelegen en de maximale maat van het verkoopvloeroppervlak niet meer bedraagt dan 100 m².





5.3.
Dat betekent volgens de rechtbank dat, indien en voor zover de detailhandel als ondergeschikte activiteit als bedoeld in deze bepaling kan worden aangemerkt, hiervoor geen omgevingsvergunning is benodigd. De verleende omgevingsvergunning ziet volgens verweerder niet op de boerderijwinkel omdat deze detailhandel, volgens de gegevens in de aanvraag (half dagdeel geopend gedurende 4 à 5 dagen per week, een oppervlak van maximaal 100 m² binnen de bestaande agrarische bebouwing en verkoop van eigen (bewerkte) producten alsmede van agrarische (bewerkte) producten van andere agrarische bedrijven in de directe omgeving), kan worden aangemerkt als een ondergeschikte activiteit. Of er nog steeds sprake is van een ondergeschikte activiteit, waarvoor geen omgevingsvergunningplicht geldt, is een vraag die niet hier maar in het kader van een eventueel verzoek om handhaving aan de orde kan komen.



Zorgboerderij en educatieruimte





5.4.
De verleende omgevingsvergunning ziet dus op de nevenactiviteiten zorgboerderij en educatieruimte. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied 2011 (eerste herziening) bepaalt in artikel 4.5.1 dat onder gebruiken en/of laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan ten minste wordt verstaan het gebruik van gronden en opstallen voor niet- of semi-agrarische nevenactiviteiten. Op grond van artikel 4.6.5, aanhef en sub d, en e, kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.5.1 ten behoeve van (d) expositie, educatie- en culturele doeleinden alsmede natuur- en landschapsbeheer, en ten behoeve van (e) een zorgboerderij, zoals dagopvang van gehandicapten en kinderopvang, gerelateerd aan de agrarische bedrijfsvoering, voor zover voor de nevenactiviteiten educatieruimte, detailhandel en zorgboerderij het vloeroppervlak is beperkt tot 350 m². In artikel 1.119 is bepaald dat een nevenactiviteit een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit is die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel of bouwvlak (…).



5.5.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In dat kader is een verkeersrapport uitgebracht dat deel uit maakt van het primaire besluit. Eisers vrezen voor de verkeersveiligheid op de smalle (doorgaande) toegangsweg. Omdat de boerderijwinkel in de vorm en omvang zoals bij de aanvraag vermeld niet onder de vergunningplicht valt, en al rechtstreeks op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, is de verkeersgeneratie als gevolg daarvan voor het onderzoek naar een goede ruimtelijke ordening niet relevant.



5.6.
Zoals onder 5.5. vermeld mag verweerder slechts van het bestemmingsplan afwijken als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder komt, bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en hij moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.



Beoordeling verkeersrapport




6. Voor het verkeersrapport is uitgegaan van de verkeersgeneratie zoals die is ingeschat door vergunninghoudster. Eerst uit het aanvullend verweerschrift is gebleken dat daarbij de eindsituatie is beoordeeld zoals die is vergund met de OBM voor het houden van 8.000 legkippen, 8.000 opfokkippen, 24.000 vleeskuikens, 10 vleesvarkens en 15 vleesrunderen, met een zorgboerderij, een boerderijwinkel en een educatieruimte als nevenactiviteiten. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 november 2025 volgt dat de OBM is verleend op 23 december 2023, dus na de data van het primaire en het bestreden besluit. Het (vracht)verkeer dat het bedrijf nadert en verlaat en samenhangt met de hoofdactiviteit op het betreffende perceel is bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening ten aanzien van de vergunde nevenactiviteiten niet (rechtstreeks) relevant.




6.1.
Voor de zorgboerderij is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 15 auto’s op werkdagen en zaterdagen en 5 auto’s op zondagen, en voor workshops (educatieruimte) van 20 auto’s. De rechtbank stelt vast dat niet duidelijk is in welke omvang de nevenactiviteiten zijn vergund, maar dat deze in elk geval moeten voldoen aan de criteria die gelden voor nevenactiviteiten en dus in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt moeten zijn aan de hoofdactiviteit op het perceel (artikel 1.119 van het bestemmingsplan). Indien en voor zover daarvan geen sprake (meer) is, kan handhaving worden gevraagd.



6.2.
Op basis van de gedingstukken en hetgeen ter zitting is besproken kan worden vastgesteld dat de verkeerstoename door deze twee nevenactiviteiten beperkt van omvang is, terwijl hiervoor ook geldt dat het niet gaat om toename van vrachtverkeer en zeker niet van grote-vrachtwagenbewegingen. Ter zitting is door eisers benadrukt dat het hen gaat om toename van verkeer bij en naast bewegingen van grote vrachtwagens. Daardoor ontstaan (erkende) knelpunten op de smalle toegangsweg die ook in de besluitvorming aan de orde zijn geweest en die hebben geleid tot voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden. Voorschrift 1 luidt dat op momenten dat er een workshop is, de boerderijwinkel niet mag zijn geopend, en voorschrift 4 dat het vrachtverkeer moet worden gespreid over de dag (zodat passeren niet nodig is) en alleen mag plaatsvinden buiten tijden dat de winkel open is. In zoverre is er dus rekening gehouden met de samenloop van verkeer als gevolg van de nevenactiviteiten en als gevolg van een eventuele hoofdactiviteit.



6.3.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen eisers hebben gesteld over het verkeersrapport dat ten grondslag is gelegd aan de vergunningverlening, niet tot de conclusie leidt dat verweerder een onjuist en onvolledig beeld heeft gehad van de ruimtelijke aspecten die een rol spelen bij de vergunningverlening voor de twee nevenactiviteiten en met name de verkeersveiligheid. De verkeersgeneratie is beperkt van omvang en de samenloop met vrachtverkeer is door de voorschriften die aan de vergunning zijn verleend ook beperkt. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van strijd met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening in de zin van verkeersveiligheid of van onevenredigheid. De hierop gerichte beroepsgronden slagen niet.



Beoordeling vergunningverlening voor nevenactiviteiten




7. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat theoretisch een nevenfunctie kan worden vergund als er op het moment van beslissen feitelijk (nog) geen hoofdactiviteit wordt uitgeoefend en dat het uitvoeren van een nevenfunctie zonder daadwerkelijke hoofdactiviteit een kwestie van handhaving is.




7.1.
In de onderhavige zaak dient echter te worden vastgesteld dat de omvang van de vergunde nevenactiviteiten niet kenbaar is getoetst aan de (omvang van de) hoofdactiviteit voor zover het gaat om de ondergeschiktheid van de nevenactiviteiten in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht, zoals voorgeschreven in artikel 1.119 van het geldende bestemmingsplan. Dat is een zorgvuldigheids-/motiveringsgebrek. In zoverre slaagt de beroepsgrond van eiseres.



7.2.
Het bestreden besluit komt op dit punt voor vernietiging in aanmerking. Het is aan verweerder om hierover opnieuw te besluiten in het licht van alle feiten en omstandigheden. Het feit dat er na het besteden besluit een OBM is verleend is op zichzelf onvoldoende voor de rechtbank om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.



Beoordeling beroepsgrond over de situatietekening



8. De rechtbank is van oordeel dat de situatietekening inzichtelijk maakt waar welke nevenactiviteit zal worden uitgevoerd en voldoende is voor het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan die niet ook ziet op (interne) verbouwingen. De grond slaagt niet.




Overschrijding van de redelijke termijn



9. Eiseres heeft bij aanvullend beroepschrift van 3 november 2025 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het beslissen op het bezwaar en beroep.



9.1.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen echter aanleiding geven een langere of kortere behandelingsduur te rechtvaardigen. Is de redelijke termijn als geheel overschreden, dan is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan dat de termijn is overschreden.



9.2.
De redelijke termijn van twee jaar vangt aan op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. In dit geval is het bezwaarschrift ingediend op 22 februari 2023. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op 6 juli 2023, dus binnen een half jaar nadat het bezwaarschrift is ingediend.



9.3.

De uitspraak van de rechtbank op het beroep van eiseres is gedateerd op
23 juli 2026 en dat betekent dat de procedure bij de rechtbank na afloop van de redelijke termijn (22 februari 2025) een jaar en afgerond vijf maanden te lang heeft geduurd. Deze overschrijding van de redelijke termijn moet volledig aan de rechtbank (Staat der Nederlanden) worden toegerekend. Uitgaande van de overschrijding van de redelijke termijn van één jaar en vijf maanden en het forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan dat de redelijke termijn is overschreden, zal de rechtbank de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van 3 x € 500,- (€ 1.500,-).






Conclusie en gevolgen


10. Het beroep in de zaak 23 / 1970 is ongegrond.



10.1.
Het beroep in de zaak 23 / 1890 is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij niet is vastgesteld of en in hoeverre de aangevraagde nevenactiviteiten voldoen aan de criteria van artikel 1.119 van het geldende bestemmingsplan. Die toets dient verweerder alsnog uit te voeren (zie onder 7 t/m 7.2) in een nieuw te nemen besluit op het bezwaar van eiseres.



10.2.
Omdat de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.



10.3.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).


10.4.

De rechtbank veroordeelt verder de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de door eiseres in verband met het verzoek om vergoeding van immateriële schade gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van
€ 934,- en een wegingsfactor 0,5). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.




Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep in de zaak 23 / 1907 ongegrond:


verklaart het beroep in de zaak 23 / 1890 gegrond;


vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de ondergeschiktheid van de nevenactiviteiten niet is getoetst;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiseres te


vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 1.868,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan
eiseres een schadevergoeding van € 1.500,- te betalen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de
proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van
J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.










griffier rechter






Afschrift verzonden aan partijen op: 23 juli 2026






Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.


ECLI:NL:RVS:2025:5752.