Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:7241
2026-07-20
Bestuursrecht
ROE 26/1459
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Woningsluiting. Bijna twintig kilo gedroogde hennep aangetroffen in de woning. Sluiting is geschikt, noodzakelijk en evenwichtig.
Citeert (9)
- ECLI:NL:RVS:2019:2912 Raad van State 28-08-2019
- ECLI:NL:RVS:2022:1911 Raad van State 06-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2025:2922 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2023:1698 Raad van State 02-05-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1142 Raad van State 22-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2025:2922 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2922 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2023:823 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2022:285 Raad van State 02-02-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.609 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1459
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. S.P.C. Broekmans),
en
de Burgemeester van de gemeente Venlo
(gemachtigde: mr. C. Michiels).
Samenvatting
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoekster voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Verzoekster is het hier niet mee eens. Om de sluiting van de woning te voorkomen heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Omdat de burgemeester niet bereid was om te wachten met de uitvoering van het bestreden besluit tot de voorzieningenrechter uitspraak had gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening, heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 22 juni 2026 een ordemaatregel getroffen. De voorzieningenrechter zal thans beoordelen of de schorsing van het bestreden besluit al dan niet moet worden opgeheven. Hierbij beoordeelt de voorzieningenrechter of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen schorsing van het bestreden besluit op. Wel heeft de voorzieningenrechter enige twijfel over de duur van de sluiting, maar dit kan in de bezwaarprocedure opnieuw worden beoordeeld. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 11 juni 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoekster op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor de duur van zes maanden met ingang van 23 juni 2026.
1.1.
Verzoekster heeft tegen de sluiting van de woning bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft op 22 juni 2026 – naar aanleiding van het verzoek van verzoekster – een ordemaatregel getroffen. Die ordemaatregel houdt in dat het bestreden besluit is geschorst.
1.3.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester. Tevens was aanwezig [naam 2] , schoondochter. Zij tolkte in de Turkse taal voor verzoekster.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster is voor de helft eigenaresse en bewoonster van de woning in Venlo. Haar twee zonen zijn ieder voor een kwart eigenaar van de andere helft. Haar zoon [naam 3] staat volgens de Basisregistratie personen (Brp) ook op dit adres ingeschreven, maar woont er niet volgens verzoekster.
3. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 12 mei 2026 blijkt het volgende.
3.1.
De politie heeft op 11 mei 2026 een anonieme melding ontvangen dat in de woning van verzoekster kilo’s hennep worden gedroogd. De wiet zou liggen in de slaapkamer en is van de twintigjarige zoon [naam 4] die elders woont. De politie heeft de woning op 11 mei 2026 betreden en op de eerste verdieping in de woning eenentwintig zakken met gedroogde hennep, indicatief getest op cannabis, aangetroffen. Het gaat om een totaalgewicht van 19,6 kilo (bruto). Ook werd in die slaapkamer een droogtent aangetroffen. Verder trof de politie op de zolder van de woning diverse gebruikte droognetten aan.
4. De burgemeester heeft op 20 mei 2026 het voornemen tot sluiting van de woning voor de duur van zes maanden toegezonden en verzoekster in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoekster heeft daarvan gebruik gemaakt. Vervolgens is het thans bestreden besluit genomen door de burgemeester.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5. De door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is, waardoor verzoekster niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen sprake of is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5.1.
De voorzieningenrechter vindt het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval voldoende spoedeisend, omdat zij niet in haar woning kan wonen als die wordt gesloten.
Wat is het toetsingskader?
6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Als verzoekster het niet eens is met de beslissing op het bezwaar (die door de burgemeester nu nog moet worden genomen), kan verzoekster daartegen op dat moment beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank mag in die (bodem)procedure dus anders oordelen over de zaak dan de voorzieningenrechter nu.
7. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen softdrugs (zoals henneptoppen) en harddrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Venlo tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidsregels ter voorkoming en bestrijding van drugsoverlast, -handel en -productie (het beleid).
7.1.
In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning. Uit het beleid volgt dat bij een constatering van een handelshoeveelheid softdrugs in een woning, de burgemeester de woning sluit voor een periode van 12 maanden.
7.2.
Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 28 augustus 2019, 6 juli 2022 en 16 juli 2025.
Was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?
8. Verzoekster voert aan dat de burgemeester niet bevoegd is om haar woning te sluiten.
9. Deze grond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat 19,6 kilo (bruto) gedroogde hennep in de woning is aangetroffen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan vijf gram softdrugs of vijf (hennep)planten (het criterium van het Openbaar Ministerie voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. De aangetroffen hoeveelheid in de woning van verzoekster overschrijdt dit ruimschoots, zodat de burgemeester uit mocht gaan van een handelshoeveelheid. Het is dan aan verzoekster om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Indien dat niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester bevoegd de woning te sluiten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster daarin niet is geslaagd. De voorzieningenrechter stelt vast dat het voor de bevoegdheid tot sluiting niet van belang is of het verzoekster zelf is geweest die de softdrugs vanuit de woning heeft verkocht. De bevoegdheid tot sluiting betreft een pandgerichte maatregel die los staat van de persoon van de bewoner. Verzoekster wist of kon als eigenaar en bewoonster van het betrokken adres weten wat er in haar woning aanwezig was. De verder niet onderbouwde of geconcretiseerde verklaring van de zoon dat verzoekster niets wist van de softdrugs en de softdrugs er maar korte tijd heeft gelegen is onvoldoende om niet uit te gaan van handel. De burgemeester was dan ook bevoegd de woning te sluiten.
Is sluiting van de woning geschikt en noodzakelijk?
10. Als de burgemeester bevoegd is om een woning te sluiten, is de volgende vraag of de sluiting gelet op het tijdsverloop geschikt is en zo ja, of er een noodzaak bestaat om een woning te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in haar beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt.
11. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden.
12. Verzoekster voert aan dat sluiting van de woning niet geschikt en noodzakelijk is. Op 11 mei 2026 heeft de burgemeester in de woning een hoeveelheid softdrugs aangetroffen. Op 11 juni 2026 heeft de burgemeester besloten de woning te sluiten. Verzoekster was niet op de hoogte van de softdrugs in de woning. De drugs is door haar zoon [naam 4] in de woning gelegd toen verzoekster aan het werk was en heeft er maar korte tijd gelegen. De softdrugs is aangetroffen op de eerste verdieping in een afgesloten slaapkamer. Verzoekster heeft dat niet opgemerkt, omdat zij beneden op de bank sliep. De onrechtmatige situatie is ook al geruime tijd beëindigd, doordat de softdrugs uit de woning zijn verwijderd. Bovendien verblijft verzoekster op dit moment alleen met haar (recentelijk) uit Turkije overgekomen hoogbejaarde moeder in de woning. Haar zoon is niet meer welkom. Er is ook niet gebleken van feitelijke handel of loop naar de woning. Daarbij is de woning niet gelegen in voor drugscriminaliteit ‘kwetsbare’ wijk. De burgemeester had kunnen volstaan met het geven van een waarschuwing. De overtreding is feitelijk beëindigd. Eventuele negatieve effecten op de openbare orde en het woon- en leefklimaat zijn daarmee reeds weggenomen. Niet gezegd kan worden dat sluiting van de woning nog een geschikt (en noodzakelijk) middel is om de beoogde doelen, te weten het herstellen van de openbare orde en het voorkomen van herhaling, te bereiken.
13. Deze gronden slagen niet. Daarbij is het volgende van belang.
13.1.
Voor zover de geschiktheid in geding is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en het nemen van het bestreden besluit niet zodanig is, dat sluiting geen geschikt middel meer is.
13.2.
De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester de noodzaak tot sluiting voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Op 11 mei 2026 is een grote hoeveelheid softdrugs in de woning is aangetroffen. Aangenomen kan dus worden dat de woning van verzoekster een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook al is niet gebleken van een loop naar de woning, van feitelijke handel of overlastmeldingen die zien op handel. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat als uitgangspunt geldt dat als in een pand een handelshoeveelheid drugs (van meer dan vijf hennepplanten) wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat dat pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Woningsluiting is dan in beginsel een geschikt en noodzakelijk middel om de woning aan het drugscircuit te onttrekken.
13.3.
Dat de softdrugs niet meer in de woning zijn en sindsdien niet is gebleken van een nieuwe overtreding of soortgelijke situatie, maakt het voorgaande niet anders. Dit is namelijk niet het enige doel van een sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De doelen (waaronder bijvoorbeeld het voorkomen van herhaling en het tenietdoen van de gevolgen van de overtreding) kunnen met het sluiten van de woning nog steeds worden bereikt. De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel dat sprake was van een ernstige situatie. Het gaat immers om een ruim meer dan de toegestane hoeveelheid softdrugs. Naast de handelshoeveelheid aangetroffen softdrugs zijn in de woning ook droognetten en een droogtent aangetroffen die verband houden met drugshandel. Bovendien zijn er meerdere meldingen uit 2022 en 2025 over drugs(kweek) op het adres van verzoekster en heeft verzoekster een antecedent uit 2019 met betrekking tot het vervaardigen van softdrugs. Daarbij is gebleken dat de woning van zoon [naam 4] in 2025 is gesloten en nu nog steeds gesloten is. Ten aanzien van de woning van de andere zoon heeft de burgemeester ook een last onder bestuursdwang opgelegd, maar hierover loopt nog een spoedprocedure bij de Afdeling. Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat de woning een rol speelt binnen het criminele (drugs)circuit. De burgemeester heeft bovendien ook belang mogen toekennen aan het feit dat de woning – een rijtjeshuis – midden in een woonwijk in Venlo is gelegen en Venlo als grensgemeente kampt met omvangrijke drugsproblematiek. Sluiting van de woning is voor betrokken drugscriminelen en buurtbewoners een signaal is dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit.
13.4.
Gelet op de ernst van de overtreding, de grote hoeveelheid aangetroffen gedroogde hennep en de droognetten, kan de voorzieningenrechter de burgemeester erin volgen dat in dit geval een andere (minder zware) maatregel minder geschikt was om de doelen die zijn gediend met sluiting te bereiken. Er is ook geen sprake van een zodanig tijdsverloop waardoor de sluiting niet meer noodzakelijk is. De burgemeester heeft de sluiting van de woning dan ook een geschikt en noodzakelijk middel mogen achten om de geconstateerde overtreding te beëindigen en de daarmee samenhangende negatieve gevolgen voor de openbare orde en veiligheid te herstellen en herhaling te voorkomen.
Is sluiting van de woning evenwichtig?
14. Als de sluiting van de woning noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenwichtig moet zijn. De ratio van de evenwichtigheid is niet het volledig tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig zware gevolgen in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Een besluit met harde of ingrijpende gevolgen is daarom niet per definitie een onevenwichtig besluit. Het gaat erom of de maatregel voldoende is afgestemd op de concrete situatie. In dit verband kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting.
- Verwijtbaarheid
15. Verzoekster stelt dat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Verzoekster was niet op de hoogte van de aanwezigheid van de softdrugs in de (afgesloten) slaapkamer op de eerste verdieping. Verzoekster heeft verklaard dat zij overdag werkt en dat zij feitelijk beneden leeft. Volgens verzoekster heeft de softdrugs maar korte tijd in de woning gelegen.
16. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
16.1.
Persoonlijke verwijtbaarheid is niet vereist voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Dat neemt niet weg dat de vraag of verzoekster een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, wel aan de orde kan komen in het kader van de beoordeling van de evenwichtigheid van de sluiting. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan onder omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kan maken.
16.2.
Zodanige bijzondere omstandigheden zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de orde. Verzoekster is verantwoordelijk voor wat er in haar woning is gebeurd, waar zij zelf woont. De softdrugs bevond zich op de eerste verdieping van de woning. Verzoekster slaapt naar eigen zeggen beneden op de bank. Ook als dat wordt aangenomen, dan zal zij nog steeds regelmatig gebruik moeten maken van de eerste verdieping, aangezien de badkamer en haar kleding daar zijn. Daardoor kan ook niet worden aangenomen dat zij niet heeft gemerkt dat de slaapkamerdeur afgesloten was. De melding en het binnentreden heeft op dezelfde dag plaatsgevonden. De voorzieningenrechter weet niet hoe lang de drugs er lag. Mogelijk was dit maar kort, zoals verzoekster stelt. Maar de voorzieningenrechter heeft geen controleerbare aanwijzingen dat de drugs er pas sinds kort lag. Ook als dat wél het geval was, dus dat de drugs er maar heel kortdurend heeft gelegen, dan nog is geen sprake van een situatie dat alle verwijtbaarheid ontbreekt bij verzoekster. Zij was op de hoogte van het verleden van haar twee zonen, waardoor extra voorzichtigheid gewenst was. Tijdens de zitting legde verzoekster uit dat zij haar zoon [naam 4] de sleutel van de woning had gegeven zodat hij zijn hond kon verzorgen – die bij haar in de woning verbleef sinds de woning van haar zoon was gesloten – wanneer zij aan het werk was. Wetende dat de woning van haar zoon [naam 4] was gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, had verzoekster extra oplettend moeten zijn. Dat verzoekster de sleutel aan haar zoon heeft gegeven komt voor rekening en risico van verzoekster.
- Gevolgen
17. Verzoekster voert aan dat, wanneer de woning wordt gesloten, dat zal dat leiden tot dakloosheid van verzoekster. Op 18 juni 2026 komt bovendien haar hoogbejaarde, zieke moeder naar Nederland, die bij haar verblijft. Verzoekster heeft een beperkt sociaal netwerk en familie die in het buitenland woont. Verzoekster heeft geen alternatieve woonruimte kunnen vinden. Ook heeft ze onvoldoende financiële middelen om een alternatieve woonruimte (en daarmee dubbele lasten) te bekostigen.
18. Deze gronden slagen niet. Daarbij is het volgende van belang.
18.1.
Van bijzondere omstandigheden die maken dat het verlaten van de woning voor verzoekster onevenredig uitpakt, is de voorzieningenrecht niet gebleken. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de woning een eigendomswoning betreft en verzoekster na de sluitingsduur terug kan naar haar woning. Inherent aan een sluiting van een woning is dat een bewoner de woning tijdelijk moet verlaten of dat de eigenaar tijdelijk niet de beschikking heeft over de woning. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarbij gaat het niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. De voorzieningenrechter is niet gebleken van een dergelijke bijzondere binding. Dat de moeder van verzoekster bij haar verblijft en zij haar – gelet op haar gezondheidssituatie – moet verzorgen, levert ook geen specifieke binding met de woning op. De moeder van verzoekster staat niet staat ingeschreven in de Brp bij verzoekster. Verzoekster heeft niet met stukken onderbouwd en zo concreet gemaakt dat verzoekster haar moeder niet in Turkije kon verzorgen of waarom familie aldaar de zorg voor haar moeder niet langer op zich kon nemen. De ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de moeder zich permanent wil vestigen in Nederland, zodat verzoekster voor haar kan zorgen, is ook niet onderbouwd met stukken van bijvoorbeeld de IND.
18.2.
Verzoekster heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet aannemelijk gemaakt dat zij nergens terecht kan wanneer de woning wordt gesloten. Niet is gebleken dat verzoekster zelf heeft geprobeerd om vervangende woonruimte te vinden en dat zij daarin niet is geslaagd. Verzoekster stelt een beperkt sociaal netwerk te hebben en familie in het buitenland maar heeft dit standpunt onvoldoende onderbouwd. De enkele verklaring van een bevriende buurtgenoot, [naam 5] , is daartoe onvoldoende. In het verweerschrift heeft de burgemeester gewezen op het feit dat in de omgeving van Venlo voldoende geschikte kamers beschikbaar zijn, onderbouwd met informatie van huurzone.nl/trovit.nl. Het is bovendien niet gebleken dat verzoekster is gebonden aan Venlo, zodat de burgemeester er terecht op heeft gewezen dat verzoekster ook (bijvoorbeeld) over de grens voor woonruimte kan kijken, waar de prijzen lager zijn. Verder heeft de burgemeester gewezen op Airbnb of een vakantiepark. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster mogelijk bij haar schoondochter kan verblijven, zolang haar woning nog niet is gesloten. Dat de schoondochter daar woont met een tweejarig kind betekent niet dat verzoekster daar niet zou kunnen wonen. Dit geldt temeer nu de zoon van verzoekster de woning heeft verlaten,
18.3.
Verder heeft verzoekster niet aangetoond dat zij – gelet op haar financiën – niet in staat is om vervangende woonruimte te vinden en dubbele lasten te betalen. Verzoekster heeft deze stelling niet geconcretiseerd en niet met bewijsmiddelen onderbouwd. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij € 1.300,- van de Sociale verzekeringsbank ontvangt. Daarbij ontvangt verzoekster salaris van CSU en mogelijk nog toeslagen. Verder heeft verzoekster niet onderbouwd wat haar vaste lasten zijn. Ter zitting heeft verzoekster enkel verklaard € 264,- per maand kwijt te zijn aan de hypotheek. Verzoekster heeft ook dit niet geconcretiseerd en onderbouwd met bewijsstukken. Verder is onduidelijk gebleven of verzoekster beschikt over vermogen.
18.4.
Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de nadelige gevolgen van de sluiting niet opwegen tegen de omstandigheden die het nodig maken om de woning te sluiten. Van een onevenwichtigheid is geen sprake. De burgemeester heeft een groter belang mogen hechten aan het algemeen belang van handhaving en de noodzaak om de woning te onttrekken aan het drugscircuit, dan aan het belang van verzoekster bij het volstaan met een waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom. Het sluiten van een woning is een herstelmaatregel met het doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. Dit doel kan niet worden bereikt door het geven van een waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom.
19. De voorzieningenrechter heeft wel enige twijfel over de duur van de sluiting. De burgemeester heeft ter zitting toegelicht per geval een afweging te maken of aanleiding bestaat om de sluitingsduur van twaalf maanden, zoals opgenomen in het beleid, te verkorten. Een sluiting voor de duur van zes maanden is een sluiting voor een aanzienlijke periode. In bezwaar zal de burgemeester dit nader moeten motiveren. Maar hierin bestaat geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen. De verwachting is namelijk dat de bezwaarprocedure binnen enkele weken zal zijn afgerond.
Conclusie en gevolgen
20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Naar verwachting zal in bezwaar de sluiting van de woning in stand blijven, zodat de voorzieningenrechter de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorziening opheft. Dit betekent dat de burgemeester kan overgaan tot sluiting van de woning van verzoekster.
21. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter
heft de getroffen ordemaatregel op;
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
De griffier is verhinderd
Deze uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 juli 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1911.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Zie (onder meer) overweging 4.1 van de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698.
Zie overweging 5.1 van de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1142.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:823.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Zie artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1459
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. S.P.C. Broekmans),
en
de Burgemeester van de gemeente Venlo
(gemachtigde: mr. C. Michiels).
Samenvatting
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoekster voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Verzoekster is het hier niet mee eens. Om de sluiting van de woning te voorkomen heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Omdat de burgemeester niet bereid was om te wachten met de uitvoering van het bestreden besluit tot de voorzieningenrechter uitspraak had gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening, heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 22 juni 2026 een ordemaatregel getroffen. De voorzieningenrechter zal thans beoordelen of de schorsing van het bestreden besluit al dan niet moet worden opgeheven. Hierbij beoordeelt de voorzieningenrechter of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen schorsing van het bestreden besluit op. Wel heeft de voorzieningenrechter enige twijfel over de duur van de sluiting, maar dit kan in de bezwaarprocedure opnieuw worden beoordeeld. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 11 juni 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoekster op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor de duur van zes maanden met ingang van 23 juni 2026.
1.1.
Verzoekster heeft tegen de sluiting van de woning bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft op 22 juni 2026 – naar aanleiding van het verzoek van verzoekster – een ordemaatregel getroffen. Die ordemaatregel houdt in dat het bestreden besluit is geschorst.
1.3.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester. Tevens was aanwezig [naam 2] , schoondochter. Zij tolkte in de Turkse taal voor verzoekster.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster is voor de helft eigenaresse en bewoonster van de woning in Venlo. Haar twee zonen zijn ieder voor een kwart eigenaar van de andere helft. Haar zoon [naam 3] staat volgens de Basisregistratie personen (Brp) ook op dit adres ingeschreven, maar woont er niet volgens verzoekster.
3. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 12 mei 2026 blijkt het volgende.
3.1.
De politie heeft op 11 mei 2026 een anonieme melding ontvangen dat in de woning van verzoekster kilo’s hennep worden gedroogd. De wiet zou liggen in de slaapkamer en is van de twintigjarige zoon [naam 4] die elders woont. De politie heeft de woning op 11 mei 2026 betreden en op de eerste verdieping in de woning eenentwintig zakken met gedroogde hennep, indicatief getest op cannabis, aangetroffen. Het gaat om een totaalgewicht van 19,6 kilo (bruto). Ook werd in die slaapkamer een droogtent aangetroffen. Verder trof de politie op de zolder van de woning diverse gebruikte droognetten aan.
4. De burgemeester heeft op 20 mei 2026 het voornemen tot sluiting van de woning voor de duur van zes maanden toegezonden en verzoekster in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoekster heeft daarvan gebruik gemaakt. Vervolgens is het thans bestreden besluit genomen door de burgemeester.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5. De door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is, waardoor verzoekster niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen sprake of is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5.1.
De voorzieningenrechter vindt het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval voldoende spoedeisend, omdat zij niet in haar woning kan wonen als die wordt gesloten.
Wat is het toetsingskader?
6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Als verzoekster het niet eens is met de beslissing op het bezwaar (die door de burgemeester nu nog moet worden genomen), kan verzoekster daartegen op dat moment beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank mag in die (bodem)procedure dus anders oordelen over de zaak dan de voorzieningenrechter nu.
7. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen softdrugs (zoals henneptoppen) en harddrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Venlo tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidsregels ter voorkoming en bestrijding van drugsoverlast, -handel en -productie (het beleid).
7.1.
In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning. Uit het beleid volgt dat bij een constatering van een handelshoeveelheid softdrugs in een woning, de burgemeester de woning sluit voor een periode van 12 maanden.
7.2.
Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 28 augustus 2019, 6 juli 2022 en 16 juli 2025.
Was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?
8. Verzoekster voert aan dat de burgemeester niet bevoegd is om haar woning te sluiten.
9. Deze grond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat 19,6 kilo (bruto) gedroogde hennep in de woning is aangetroffen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan vijf gram softdrugs of vijf (hennep)planten (het criterium van het Openbaar Ministerie voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. De aangetroffen hoeveelheid in de woning van verzoekster overschrijdt dit ruimschoots, zodat de burgemeester uit mocht gaan van een handelshoeveelheid. Het is dan aan verzoekster om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Indien dat niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester bevoegd de woning te sluiten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster daarin niet is geslaagd. De voorzieningenrechter stelt vast dat het voor de bevoegdheid tot sluiting niet van belang is of het verzoekster zelf is geweest die de softdrugs vanuit de woning heeft verkocht. De bevoegdheid tot sluiting betreft een pandgerichte maatregel die los staat van de persoon van de bewoner. Verzoekster wist of kon als eigenaar en bewoonster van het betrokken adres weten wat er in haar woning aanwezig was. De verder niet onderbouwde of geconcretiseerde verklaring van de zoon dat verzoekster niets wist van de softdrugs en de softdrugs er maar korte tijd heeft gelegen is onvoldoende om niet uit te gaan van handel. De burgemeester was dan ook bevoegd de woning te sluiten.
Is sluiting van de woning geschikt en noodzakelijk?
10. Als de burgemeester bevoegd is om een woning te sluiten, is de volgende vraag of de sluiting gelet op het tijdsverloop geschikt is en zo ja, of er een noodzaak bestaat om een woning te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in haar beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt.
11. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden.
12. Verzoekster voert aan dat sluiting van de woning niet geschikt en noodzakelijk is. Op 11 mei 2026 heeft de burgemeester in de woning een hoeveelheid softdrugs aangetroffen. Op 11 juni 2026 heeft de burgemeester besloten de woning te sluiten. Verzoekster was niet op de hoogte van de softdrugs in de woning. De drugs is door haar zoon [naam 4] in de woning gelegd toen verzoekster aan het werk was en heeft er maar korte tijd gelegen. De softdrugs is aangetroffen op de eerste verdieping in een afgesloten slaapkamer. Verzoekster heeft dat niet opgemerkt, omdat zij beneden op de bank sliep. De onrechtmatige situatie is ook al geruime tijd beëindigd, doordat de softdrugs uit de woning zijn verwijderd. Bovendien verblijft verzoekster op dit moment alleen met haar (recentelijk) uit Turkije overgekomen hoogbejaarde moeder in de woning. Haar zoon is niet meer welkom. Er is ook niet gebleken van feitelijke handel of loop naar de woning. Daarbij is de woning niet gelegen in voor drugscriminaliteit ‘kwetsbare’ wijk. De burgemeester had kunnen volstaan met het geven van een waarschuwing. De overtreding is feitelijk beëindigd. Eventuele negatieve effecten op de openbare orde en het woon- en leefklimaat zijn daarmee reeds weggenomen. Niet gezegd kan worden dat sluiting van de woning nog een geschikt (en noodzakelijk) middel is om de beoogde doelen, te weten het herstellen van de openbare orde en het voorkomen van herhaling, te bereiken.
13. Deze gronden slagen niet. Daarbij is het volgende van belang.
13.1.
Voor zover de geschiktheid in geding is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en het nemen van het bestreden besluit niet zodanig is, dat sluiting geen geschikt middel meer is.
13.2.
De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester de noodzaak tot sluiting voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Op 11 mei 2026 is een grote hoeveelheid softdrugs in de woning is aangetroffen. Aangenomen kan dus worden dat de woning van verzoekster een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook al is niet gebleken van een loop naar de woning, van feitelijke handel of overlastmeldingen die zien op handel. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat als uitgangspunt geldt dat als in een pand een handelshoeveelheid drugs (van meer dan vijf hennepplanten) wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat dat pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Woningsluiting is dan in beginsel een geschikt en noodzakelijk middel om de woning aan het drugscircuit te onttrekken.
13.3.
Dat de softdrugs niet meer in de woning zijn en sindsdien niet is gebleken van een nieuwe overtreding of soortgelijke situatie, maakt het voorgaande niet anders. Dit is namelijk niet het enige doel van een sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De doelen (waaronder bijvoorbeeld het voorkomen van herhaling en het tenietdoen van de gevolgen van de overtreding) kunnen met het sluiten van de woning nog steeds worden bereikt. De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel dat sprake was van een ernstige situatie. Het gaat immers om een ruim meer dan de toegestane hoeveelheid softdrugs. Naast de handelshoeveelheid aangetroffen softdrugs zijn in de woning ook droognetten en een droogtent aangetroffen die verband houden met drugshandel. Bovendien zijn er meerdere meldingen uit 2022 en 2025 over drugs(kweek) op het adres van verzoekster en heeft verzoekster een antecedent uit 2019 met betrekking tot het vervaardigen van softdrugs. Daarbij is gebleken dat de woning van zoon [naam 4] in 2025 is gesloten en nu nog steeds gesloten is. Ten aanzien van de woning van de andere zoon heeft de burgemeester ook een last onder bestuursdwang opgelegd, maar hierover loopt nog een spoedprocedure bij de Afdeling. Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat de woning een rol speelt binnen het criminele (drugs)circuit. De burgemeester heeft bovendien ook belang mogen toekennen aan het feit dat de woning – een rijtjeshuis – midden in een woonwijk in Venlo is gelegen en Venlo als grensgemeente kampt met omvangrijke drugsproblematiek. Sluiting van de woning is voor betrokken drugscriminelen en buurtbewoners een signaal is dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit.
13.4.
Gelet op de ernst van de overtreding, de grote hoeveelheid aangetroffen gedroogde hennep en de droognetten, kan de voorzieningenrechter de burgemeester erin volgen dat in dit geval een andere (minder zware) maatregel minder geschikt was om de doelen die zijn gediend met sluiting te bereiken. Er is ook geen sprake van een zodanig tijdsverloop waardoor de sluiting niet meer noodzakelijk is. De burgemeester heeft de sluiting van de woning dan ook een geschikt en noodzakelijk middel mogen achten om de geconstateerde overtreding te beëindigen en de daarmee samenhangende negatieve gevolgen voor de openbare orde en veiligheid te herstellen en herhaling te voorkomen.
Is sluiting van de woning evenwichtig?
14. Als de sluiting van de woning noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenwichtig moet zijn. De ratio van de evenwichtigheid is niet het volledig tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig zware gevolgen in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Een besluit met harde of ingrijpende gevolgen is daarom niet per definitie een onevenwichtig besluit. Het gaat erom of de maatregel voldoende is afgestemd op de concrete situatie. In dit verband kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting.
- Verwijtbaarheid
15. Verzoekster stelt dat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Verzoekster was niet op de hoogte van de aanwezigheid van de softdrugs in de (afgesloten) slaapkamer op de eerste verdieping. Verzoekster heeft verklaard dat zij overdag werkt en dat zij feitelijk beneden leeft. Volgens verzoekster heeft de softdrugs maar korte tijd in de woning gelegen.
16. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
16.1.
Persoonlijke verwijtbaarheid is niet vereist voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Dat neemt niet weg dat de vraag of verzoekster een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, wel aan de orde kan komen in het kader van de beoordeling van de evenwichtigheid van de sluiting. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan onder omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kan maken.
16.2.
Zodanige bijzondere omstandigheden zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de orde. Verzoekster is verantwoordelijk voor wat er in haar woning is gebeurd, waar zij zelf woont. De softdrugs bevond zich op de eerste verdieping van de woning. Verzoekster slaapt naar eigen zeggen beneden op de bank. Ook als dat wordt aangenomen, dan zal zij nog steeds regelmatig gebruik moeten maken van de eerste verdieping, aangezien de badkamer en haar kleding daar zijn. Daardoor kan ook niet worden aangenomen dat zij niet heeft gemerkt dat de slaapkamerdeur afgesloten was. De melding en het binnentreden heeft op dezelfde dag plaatsgevonden. De voorzieningenrechter weet niet hoe lang de drugs er lag. Mogelijk was dit maar kort, zoals verzoekster stelt. Maar de voorzieningenrechter heeft geen controleerbare aanwijzingen dat de drugs er pas sinds kort lag. Ook als dat wél het geval was, dus dat de drugs er maar heel kortdurend heeft gelegen, dan nog is geen sprake van een situatie dat alle verwijtbaarheid ontbreekt bij verzoekster. Zij was op de hoogte van het verleden van haar twee zonen, waardoor extra voorzichtigheid gewenst was. Tijdens de zitting legde verzoekster uit dat zij haar zoon [naam 4] de sleutel van de woning had gegeven zodat hij zijn hond kon verzorgen – die bij haar in de woning verbleef sinds de woning van haar zoon was gesloten – wanneer zij aan het werk was. Wetende dat de woning van haar zoon [naam 4] was gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, had verzoekster extra oplettend moeten zijn. Dat verzoekster de sleutel aan haar zoon heeft gegeven komt voor rekening en risico van verzoekster.
- Gevolgen
17. Verzoekster voert aan dat, wanneer de woning wordt gesloten, dat zal dat leiden tot dakloosheid van verzoekster. Op 18 juni 2026 komt bovendien haar hoogbejaarde, zieke moeder naar Nederland, die bij haar verblijft. Verzoekster heeft een beperkt sociaal netwerk en familie die in het buitenland woont. Verzoekster heeft geen alternatieve woonruimte kunnen vinden. Ook heeft ze onvoldoende financiële middelen om een alternatieve woonruimte (en daarmee dubbele lasten) te bekostigen.
18. Deze gronden slagen niet. Daarbij is het volgende van belang.
18.1.
Van bijzondere omstandigheden die maken dat het verlaten van de woning voor verzoekster onevenredig uitpakt, is de voorzieningenrecht niet gebleken. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de woning een eigendomswoning betreft en verzoekster na de sluitingsduur terug kan naar haar woning. Inherent aan een sluiting van een woning is dat een bewoner de woning tijdelijk moet verlaten of dat de eigenaar tijdelijk niet de beschikking heeft over de woning. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarbij gaat het niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. De voorzieningenrechter is niet gebleken van een dergelijke bijzondere binding. Dat de moeder van verzoekster bij haar verblijft en zij haar – gelet op haar gezondheidssituatie – moet verzorgen, levert ook geen specifieke binding met de woning op. De moeder van verzoekster staat niet staat ingeschreven in de Brp bij verzoekster. Verzoekster heeft niet met stukken onderbouwd en zo concreet gemaakt dat verzoekster haar moeder niet in Turkije kon verzorgen of waarom familie aldaar de zorg voor haar moeder niet langer op zich kon nemen. De ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de moeder zich permanent wil vestigen in Nederland, zodat verzoekster voor haar kan zorgen, is ook niet onderbouwd met stukken van bijvoorbeeld de IND.
18.2.
Verzoekster heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet aannemelijk gemaakt dat zij nergens terecht kan wanneer de woning wordt gesloten. Niet is gebleken dat verzoekster zelf heeft geprobeerd om vervangende woonruimte te vinden en dat zij daarin niet is geslaagd. Verzoekster stelt een beperkt sociaal netwerk te hebben en familie in het buitenland maar heeft dit standpunt onvoldoende onderbouwd. De enkele verklaring van een bevriende buurtgenoot, [naam 5] , is daartoe onvoldoende. In het verweerschrift heeft de burgemeester gewezen op het feit dat in de omgeving van Venlo voldoende geschikte kamers beschikbaar zijn, onderbouwd met informatie van huurzone.nl/trovit.nl. Het is bovendien niet gebleken dat verzoekster is gebonden aan Venlo, zodat de burgemeester er terecht op heeft gewezen dat verzoekster ook (bijvoorbeeld) over de grens voor woonruimte kan kijken, waar de prijzen lager zijn. Verder heeft de burgemeester gewezen op Airbnb of een vakantiepark. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster mogelijk bij haar schoondochter kan verblijven, zolang haar woning nog niet is gesloten. Dat de schoondochter daar woont met een tweejarig kind betekent niet dat verzoekster daar niet zou kunnen wonen. Dit geldt temeer nu de zoon van verzoekster de woning heeft verlaten,
18.3.
Verder heeft verzoekster niet aangetoond dat zij – gelet op haar financiën – niet in staat is om vervangende woonruimte te vinden en dubbele lasten te betalen. Verzoekster heeft deze stelling niet geconcretiseerd en niet met bewijsmiddelen onderbouwd. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij € 1.300,- van de Sociale verzekeringsbank ontvangt. Daarbij ontvangt verzoekster salaris van CSU en mogelijk nog toeslagen. Verder heeft verzoekster niet onderbouwd wat haar vaste lasten zijn. Ter zitting heeft verzoekster enkel verklaard € 264,- per maand kwijt te zijn aan de hypotheek. Verzoekster heeft ook dit niet geconcretiseerd en onderbouwd met bewijsstukken. Verder is onduidelijk gebleven of verzoekster beschikt over vermogen.
18.4.
Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de nadelige gevolgen van de sluiting niet opwegen tegen de omstandigheden die het nodig maken om de woning te sluiten. Van een onevenwichtigheid is geen sprake. De burgemeester heeft een groter belang mogen hechten aan het algemeen belang van handhaving en de noodzaak om de woning te onttrekken aan het drugscircuit, dan aan het belang van verzoekster bij het volstaan met een waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom. Het sluiten van een woning is een herstelmaatregel met het doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. Dit doel kan niet worden bereikt door het geven van een waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom.
19. De voorzieningenrechter heeft wel enige twijfel over de duur van de sluiting. De burgemeester heeft ter zitting toegelicht per geval een afweging te maken of aanleiding bestaat om de sluitingsduur van twaalf maanden, zoals opgenomen in het beleid, te verkorten. Een sluiting voor de duur van zes maanden is een sluiting voor een aanzienlijke periode. In bezwaar zal de burgemeester dit nader moeten motiveren. Maar hierin bestaat geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen. De verwachting is namelijk dat de bezwaarprocedure binnen enkele weken zal zijn afgerond.
Conclusie en gevolgen
20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Naar verwachting zal in bezwaar de sluiting van de woning in stand blijven, zodat de voorzieningenrechter de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorziening opheft. Dit betekent dat de burgemeester kan overgaan tot sluiting van de woning van verzoekster.
21. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter
heft de getroffen ordemaatregel op;
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
De griffier is verhinderd
Deze uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 juli 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1911.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Zie (onder meer) overweging 4.1 van de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698.
Zie overweging 5.1 van de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1142.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:823.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Zie artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.