Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:7150

2026-07-29 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12098205 \ CV EXPL 26-784
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-07-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12098205 \ CV EXPL 26-784
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Ontbinding en ontruiming. Minderjarige.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.101 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: 12098205 \ CV EXPL 26-784




Vonnis van 29 juli 2026




in de zaak van





[verhuurder]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,



tegen





1 [huurder 1] ,

te [woonplaats 2] ,2. [huurder 2],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [huurders] ,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 mei 2026
- de akte van [verhuurder]
- de brief van mevrouw [persoon] , maatschappelijk werker bij [welzijnsorganisatie]
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 14 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[verhuurder] verhuurt met ingang van 23 mei 2024 aan [huurders] de woning aan het adres [adres] in [woonplaats 2] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 1.482,00 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.



2.2.

[huurders] hebben (een deel van) de huur niet betaald. [verhuurder] heeft [huurders] aangemaand op 12 januari 2026 om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen.





3Het geschil


3.1.

[verhuurder] vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 6.928,00 aan huurachterstand (berekend tot en met januari 2026, € 1.482,00 per maand totdat [huurders] de woning hebben ontruimd, € 872,89 aan buitengerechtelijke kosten en € 81,36 aan rente tot en met 2 februari 2026, vermeerderd met rente en de proceskosten.



3.2.

[verhuurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurders] zijn in hun verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan hun betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens [verhuurder] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.



3.3.

[huurders] hebben geen verweer gevoerd.






4De beoordeling


4.1.

[verhuurder] stelt dat de huurachterstand tot en met januari 2026 € 6.928,00 bedraagt. Uit het bijgevoegde overzicht blijkt echter dat dat niet juist is: de huurachterstand bedraagt € 5,928,00. Daarnaast is 2 keer een bedrag van € 500,00 in rekening gebracht als “penalty late payments”. [verhuurder] heeft niet onderbouwd wat de grondslag is van dit deel van zijn vordering. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen. [huurders] hebben niet weersproken dat er een huurachterstand is die tot en met januari 2026 berekend is op een bedrag van € 5.928,00. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan toewijzen.



4.2.

[huurders] zijn te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen.



4.3.

[verhuurder] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [huurders] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [verhuurder] heeft aan [huurders] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [huurders] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.



4.4.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.



4.5.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand 4 maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen. Behoudens enkele deelbetalingen hebben [huurders] na uitbrengen van de dagvaarding geen enkele maand de huur volledig en op tijd betaald. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. [huurders] hebben zelf geen (formeel) verweer gevoerd tegen de gevorderde ontbinding en ontruiming. Zij hebben alleen een e-mail gestuurd naar de rechtbank waarin staat dat zij een betalingsregeling met [verhuurder] hebben gesloten.



4.6.
In een procedure tot ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de woning wonen. Als dat zo is, dan moeten de belangen van deze kinderen in kaart worden gebracht. Bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt moeten deze belangen als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen. Dat betekent niet dat een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter partijen opgedragen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid van alternatieve huisvesting, omdat in de woning een minderjarig kind verblijft. Naar aanleiding daarvan heeft de kantonrechter een brief gekregen van de maatschappelijk werker van het “ [Team] ” van [welzijnsorganisatie] . Deze brief gaf de kantonrechter aanleiding alsnog een mondelinge behandeling te bevelen om – ondanks het uitblijven van een reactie van [huurders] – te spreken over de gevolgen van een mogelijke ontruiming voor het minderjarige kind van [huurders] . [huurders] zijn – zonder bericht van verhindering – niet op de mondelinge behandeling verschenen. [verhuurder] is wel verschenen. Hij heeft aangevoerd dat hij degene is geweest die contact heeft gelegd met de gemeente in navolging van het tussenvonnis. Hij heeft aangevoerd dat [huurders] steeds nieuwe excuses bedenken waarom ze de huur niet betalen, maar dat er nog steeds niets wordt betaald. De maat is nu vol. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende inspanningen zijn gedaan om met de belangen van de minderjarige rekening te houden.



4.7.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [huurders] zullen worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen. De dagvaarding dateert immers van 3 februari 2026, zodat [huurders] al meer dan vijf maanden gelegenheid hebben gehad om zich voor te bereiden op een mogelijke ontruiming.



4.8.

[verhuurder] wil ook dat [huurders] worden veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 1.482,00, behoudens huurverhogingen, te rekenen vanaf de maand februari 2026 tot het moment dat [huurders] het gehuurde ontruimen. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [huurders] nog in het gehuurde verblijven. Deze vordering zal worden toegewezen.



4.9.

[huurders] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


155,18







- griffierecht


€


265,00







- salaris gemachtigde


€


360,00


(1 punt × € 360,00)




- verletkosten


€


50,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


974,18












4.10.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] in [woonplaats 2] ,



5.2.
veroordeelt [huurders] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurder] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurder] ,



5.3.
veroordeelt [huurders] hoofdelijk om te betalen aan [verhuurder] :
- € 5.928,00 aan achterstallige huur tot en met januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 1.482,00 per maand, behoudens huurverhogingen, vanaf februari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,



5.4.
veroordeelt [huurders] hoofdelijk in de proceskosten van € 974,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.5.
verstaat dat de betalingen die [huurders] na het uitbrengen van de dagvaarding aan [verhuurder] hebben gedaan, op de voet van het bepaalde in artikel 6:44 BW op bovenstaande veroordelingen in mindering worden gebracht.




5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.





Artikel 6:265 BW.


HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.


HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.


Artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.