Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:6979

2026-07-22 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/03/334093 / HA ZA 24-384
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/03/334093 / HA ZA 24-384
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

In conventie: vordering is primair gegrond op overeenkomst van geldlening. Echtheid handtekening betwist. Vonnis na deskundigenonderzoek naar de handtekening. Conclusie deskundige:'non liquet'. Primaire grondslag afgewezen. Vordering deels toegewezen op subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking. Artikel 6:212 BW. In reconventie: vorderingen afgewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.854 tekens)
RECHTBANK Limburg


Civiel recht



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: C/03/334093 / HA ZA 24-384




Vonnis van 22 juli 2026




in de zaak van




FORTA 4U PROJECTEN B.V.,
gevestigd te Venlo,
eisende partij,
hierna te noemen: Forta4U,
advocaat: mr. R.F.P.J. Coppus,



tegen





[gedaagde partij]
,
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. P.H. van der Vleuten.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 oktober 2025,
- het deskundigenrapport forensisch schriftonderzoek,
- de conclusie na deskundigenbericht van Forta4U en van [gedaagde partij] .



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De verdere beoordeling



in conventie





Vordering onder 1




2.1.
Forta4U vordert in conventie (onder 1) een bedrag van € 80.038,24 (hoofdsom: € 79.456,43 en € 581,81 contractuele rente).



De primaire grondslag: overeenkomst van geldlening (vervolg)




2.2.
De primaire grondslag van deze vordering is nakoming van een schriftelijke overeenkomst van geldlening van 5 december 2023. [gedaagde partij] betwist dat tussen partijen een (schriftelijke) overeenkomst van geldlening is gesloten en betwist de echtheid van de handtekening op de schriftelijke overeenkomst van geldlening van 5 december 2023. Bij tussenvonnis van 3 september 2025 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het aan Forta4U is om te bewijzen dat de handtekening door [gedaagde partij] is gezet. Bij tussenvonnis van 15 oktober 2025 is vervolgens in dat kader drs. [deskundige] , verbonden aan Justiniana forensisch schriftexperts, tot deskundige benoemd.



2.3.

De deskundige heeft op 3 maart 2026 aan de rechtbank gerapporteerd.
De deskundige heeft geconcludeerd dat het vergelijkingsmateriaal niet geschikt is om de vraag naar de echtheid van de handtekening te kunnen beantwoorden. Het onderzoek leidt tot de conclusie: ‘non liquet’. Hoewel de deskundige in zijn rapportage heeft gewezen op bepaalde omstandigheden die erop zouden kunnen duiden dat de geplaatste handtekening wel van [gedaagde partij] afkomstig is, zal de rechtbank in lijn met de niet mis te verstane eindconclusie van de deskundige, ervan uitgaan dat het bewijs van de echtheid van de handtekening door Forta4U niet geleverd is. Dit betekent dat de schriftelijke overeenkomst geen bewijs kan opleveren van het bestaan van de daarin opgenomen afspraken.




2.4.
Forta4U heeft de rechtbank verzocht om op grond van hetgeen de deskundige heeft opgemerkt in zijn deskundigenbericht, als voorshands bewezen te achten dat de bij de naam “ [gedaagde partij] ” geplaatste handtekening op de overeenkomst van geldlening van 5 december 2023 van [gedaagde partij] afkomstig is. De rechtbank ziet, gezien de eindconclusie van de deskundige, die juist is ingeschakeld vanwege zijn deskundigheid op het gebied onderzoek naar de echtheid van de handtekening, geen aanleiding om voorshands bewezen te achten dat de op de overeenkomst geplaatste handtekening van [gedaagde partij] afkomstig is.



2.5.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding om - zoals Forta4U bepleit - in het licht van de vrije bewijswaardering de vraag of door Forta4U bewijs is geleverd van de stelling dat partijen een overeenkomst van geldlening zijn overeengekomen met een inhoud zoals opgenomen in de schriftelijke overeenkomst van geldlening, bevestigend te beantwoorden. De gestelde overeenkomst zou weliswaar een rol kunnen spelen in het kader van de vrije bewijswaardering wanneer naar alle omstandigheden worden gekeken, waaronder de bespreking op 5 december 2023. De standpunten van partijen daaromtrent staan evenwel lijnrecht tegenover elkaar. Forta4U heeft aangeboden middels het horen van getuigen bewijs te leveren van de stelling dat [gedaagde partij] zijn handtekening op de overeenkomst heeft geplaatst dan wel van de stelling dat er een overeenkomst tot stand is gekomen overeenkomstig de tekst van de schriftelijke geldleningsovereenkomst. De rechtbank gaat aan dat aanbod voorbij. Uit de stellingen van Forta4U volgt dat volgens Forta4U, naast [gedaagde partij] , enkel de heer [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] aanwezig waren bij de bespreking op 5 december 2023 en het moment dat [gedaagde partij] zijn handtekening heeft geplaatst onder de geldleningsovereenkomst. Zij zijn de bestuurders en indirect aandeelhouders van Forta4U. Zij zijn daarmee aan te merken als een partijgetuige in de zin van artikel 164 Rv (oud), welke bepaling in dit geval van toepassing is, omdat de dagvaarding in deze zaak dateert van 16 juli 2024 en daarmee van vóór 1 januari 2025.
Art. 164 lid 1 Rv (oud) laat de partijgetuigen-verklaring als bewijsmiddel toe. Die verklaring heeft in beginsel, zoals andere getuigenverklaringen, vrije bewijskracht zodat de rechter overeenkomstig artikel 152 lid 2 Rv in beginsel vrij is in de waardering van die verklaring. Daarop brengt het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv (oud) in zoverre een beperking aan dat, met betrekking tot de feiten die dienen te worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. Dat soort aanvullende bewijzen ontbreken in dit geval.




Conclusie primaire grondslag




2.6.
Omdat niet kan worden aangenomen dat partijen een overeenkomst hebben gesloten overeenkomstig de tekst van de schriftelijke geldleningsovereenkomst van 5 december 2023, moeten de vorderingen voor zover die op de overeenkomst zijn gebaseerd (de primaire grondslag) worden afgewezen.



De subsidiaire grondslagen: ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling




2.7.
Forta4U grondt haar vorderingen subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking en op onverschuldigde betaling.



Beroep op schending van artikel 21 Rv




2.8.

[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat Forta4U een overeenkomst heeft geproduceerd met daarop een handtekening die niet door [gedaagde partij] is geplaatst. De consequentie daarvan moet volgens [gedaagde partij] zijn dat de vordering integraal wordt afgewezen, met veroordeling van Forta4U in de proceskosten.



2.9.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Ook bepaalt het artikel dat indien deze verplichting niet wordt nageleefd, de rechter daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Anders dan waarvan [gedaagde partij] lijkt uit te gaan heeft de deskundige niet geconcludeerd dat de geplaatste handtekening niet van [gedaagde partij] afkomstig is, maar geconcludeerd dat het vergelijkingsmateriaal niet geschikt is om de vraag naar de echtheid van de handtekening te beantwoorden. Hoewel de echtheid van de handtekening van [gedaagde partij] onder de overeenkomst van geldlening daarom niet is komen vast te staan, ziet de rechtbank geen aanleiding om daaraan de conclusie te verbinden dat de vorderingen van Forta4U integraal moeten worden afgewezen.



Ongerechtvaardigde verrijking




2.10.
De rechtbank komt toe aan de bespreking van de subsidiaire grondslagen en ziet daarbij aanleiding om eerst het beroep op ongerechtvaardigde verrijking te beoordelen.



2.11.
De rechtbank stelt voorop dat het op grond van de wet aan Forta4U is om te stellen (en zo nodig te bewijzen) dat:



[gedaagde partij] is verrijkt,


ten koste van Forta4U,


er een verband is tussen de verrijking en de verarming,


e verrijking ongerechtvaardigd was.



a. Verrijking



2.12.
De rechtbank stelt voorop dat het bij de vraag of sprake is van een verrijking aankomt op een vergelijking tussen de feitelijke vermogenstoestand van de aangesprokene na het plaatsvinden van de gebeurtenis(sen) waarop de vordering is gebaseerd en diens hypothetische vermogenstoestand zoals deze zou zijn geweest als die gebeurtenis(sen) niet zou(den) hebben plaatsgevonden. Daarbij moet de rechter acht slaan op alle omstandigheden van het geval.



2.13.

Forta4U heeft als productie 20 bij conclusie van antwoord in reconventie een overzicht van betalingen aan [gedaagde partij] overgelegd dat sluit op een bedrag van € 81.286,98. Forta4U heeft ook de bij de betalingen behorende bankafschrijvingen overgelegd. Forta4U heeft daarmee onderbouwd gesteld dat aan [gedaagde partij] dan wel aan schuldeisers van [gedaagde partij] een bedrag van in totaal € 81.286,98 is overgemaakt in de periode 10 september 2020 t/m 6 januari 2023 middels 35 girale betalingen op door [gedaagde partij] aangewezen bankrekeningen.
De rechtbank begrijpt de stellingen van Forta4U aldus dat [gedaagde partij] door de rechtstreeks door hem ontvangen betalingen direct is verrijkt en door de aan de schuldeisers van [gedaagde partij] verrichte betalingen indirect is verrijkt, in die zin dat daarmee de schuld die [gedaagde partij] aan die derden had, (geheel dan wel gedeeltelijk) is afbetaald. [gedaagde partij] heeft niet weersproken dat het bedrag van in totaal € 81.286,98 op zijn bankrekening dan wel middels betalingen aan derden (indirect) heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat daarmee is voldaan aan de eis dat [gedaagde partij] is verrijkt.




b. Verarming




2.14.
Uit het door Forta4U als productie 20 bij conclusie van antwoord in reconventie overgelegde overzicht volgt dat van voornoemd bedrag van € 81.286,98 een bedrag van in totaal € 45.712,91 door Forta4U is overgemaakt aan (schuldeisers van) [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft niet weersproken dat Forta4U een bedrag van € 45.712,91 aan hem dan wel schuldeisers van hem heeft voldaan. Voor dit bedrag geldt daarom dat is voldaan aan het vereiste dat [gedaagde partij] is verrijkt ten koste van Forta4U.



2.15.
Voor het overige deel van de gevorderde hoofdsom (€ 79.456,43 -/- € 45.712,91) = € 33.743,52 geldt het volgende. Uit voornoemd overzicht volgt dat het overige deel betalingen betreffen die door / namens andere vennootschappen dan Forta4U aan (schuldeisers van) [gedaagde partij] zijn voldaan. Het betreft de volgende vennootschappen: Fynix B.V., Tyruz B.V. en Forta 4U B.V. Deze vennootschappen zijn niet in deze procedure betrokken. De rechtbank is van oordeel dat voor het bedrag van € 33.743,52 daarom niet kan worden aangenomen dat Forta4U is verarmd. Omdat daarmee niet is voldaan aan één van de wettelijke vereisten die gelden voor een succesvol beroep op ongerechtvaardigde verrijking moet dit deel van de vordering, voor zover gegrond op ongerechtvaardigde verrijking, worden afgewezen.



c. Verband tussen de verrijking en de verarming




2.16.
Het derde vereiste van artikel 6:212 BW is dat moet zijn voldaan aan de eis dat de verrijking van de één ten koste gaat van de ander: er moet tussen de verrijking en de verarming een voldoende verband bestaan. Uit het voorgaande volgt dat voor het bedrag van € 45.712,92 geldt dat de verrijking van [gedaagde partij] ten koste is gegaan van Forta4U. Daarmee is voor dat bedrag sprake van voldoende verband tussen de verrijking en de verarming, zodat aan dit vereiste is voldaan.



d. Ongerechtvaardigd




2.17.
Forta4U stelt dat er geen rechtsgrond bestond voor de betaling. Forta4U heeft die stelling nader geconcretiseerd door het overleggen van alle bankoverschrijvingen, urenspecificaties en facturen. Blijkens de overzichten liggen aan de in deze procedure gevorderde bedragen géén facturen voor door [gedaagde partij] verrichte werkzaamheden ten grondslag. [gedaagde partij] betwist dit en stelt dat er wel een rechtvaardiging c.q. redelijke grond was voor de betaling van voorschotten door Forta4U aan hem. [gedaagde partij] stelt dat die betalingen betrekking hadden op een redelijke beloning voor de door hem ten behoeve van de Forta4U-groep verrichte werkzaamheden. Volgens [gedaagde partij] betaalde Forta4U hem op papier een uurtarief van tussen de € 40,- en € 60,- terwijl partijen mondeling een uurtarief van € 90,- waren overeengekomen. De door Forta4U gedane betalingen hadden op dat aanvullende bedrag aan uurtarief betrekking, aldus [gedaagde partij] . De rechtbank stelt vast dat [gedaagde partij] op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat partijen een uurtarief van € 90,- zijn overeengekomen. [gedaagde partij] heeft niet toegelicht wanneer die afspraak zou zijn gemaakt, op welke wijze, wie daarbij aanwezig was. De rechtbank concludeert dat [gedaagde partij] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij ongerechtvaardigd is verrijkt.



Conclusie ongerechtvaardigde verrijking




2.18.
De conclusie is dat voor wat betreft de bedragen die door Forta4U aan (schuldeisers van) [gedaagde partij] zijn overgemaakt ter hoogte van het bedrag van € 45.712,91 is voldaan aan de vereisten van artikel 6:212 BW.



Onverschuldigde betaling




2.19.
De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft het overige gevorderde bedrag van € 33.743,52 geldt dat dit, om redenen als hiervoor genoemd, ook niet kan worden toegewezen op basis van onverschuldigde betaling. Van onverschuldigde betaling is sprake indien de ene partij de andere partij zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven. Op grond van artikel 6:203 lid 2 BW geldt in geval van een onverschuldigd betaalde geldsom dat de vordering strekt tot teruggave van een gelijk bedrag. Omdat voornoemd bedrag door andere rechtspersonen aan [gedaagde partij] is betaald, is niet voldaan aan de eis dat het bedrag door Forta4U onverschuldigd is betaald.



Conclusie hoofdsom




2.20.
De conclusie is dat een bedrag van € 45.712,91 in hoofdsom kan worden toegewezen en dat het overige deel wordt afgewezen.



Rente




2.21.
Forta4U maakt met een beroep op de schriftelijke overeenkomst van geldlening aanspraak op contractuele rente. Gelet op de conclusie ten aanzien van de primaire grondslag van de vordering onder 1, is de contractuele rente niet toewijsbaar. De wettelijke handelsrente kan wel worden toegewezen vanaf datum dagvaarding.




Vordering onder 2





Beslagkosten




2.22.
Forta 4U vordert onder 2 om [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten verbonden aan het twee maal leggen van conservatoir beslag. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 1.286,92 voor kosten deurwaardersexploten, € 1.376,00 voor griffierecht en € 2.428,00 voor salaris advocaat (2,0 punten × € 1.290,00), totaal € 5.090,92. De wettelijke rente hierover kan zoals gevorderd worden toegewezen.



Proceskosten




2.23.

[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Forta 4U worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


112,37







- griffierecht


€


2.201,00







- salaris advocaat


€


3.225,00


(2,5 punten × € 1.290,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


5.686,37











2.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.




in reconventie





Vordering onder 1





2.25.
Onder 1 vordert [gedaagde partij] om Forta4U te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 9.498,90 vermeerderd met wettelijke handelsrente. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde bedrag bestaat uit:


een bedrag van € 3.000,- (drie maal € 1.000,-) dat volgens [gedaagde partij] ten onrechte is ingehouden op een betaling die aan [gedaagde partij] moest worden verricht vanwege verrichte werkzaamheden.


een bedrag van € 6.498,90 dat Forta4U volgens [gedaagde partij] heeft verzuimd aan hem te voldoen vanwege verrichte werkzaamheden in de periode maart en april 2024.





2.26.

De rechtbank is van oordeel dat voor zowel het onder a genoemde, als voor het onder b genoemde geldt dat, voor zover [gedaagde partij] enige vordering op dit punt toekomt, dit géén vordering betreft van [gedaagde partij] op Forta4U. Voor de inhoudingen door Tyrus B.V. geldt dat vaststaat dat niet Forta4U maar Tyrus B.V. (al dan niet ten onrechte) drie maal € 1.000,- op de factuurbetaling heeft ingehouden. Voor de werkzaamheden over de periode maart/april 2024 geldt dat beide partijen ter zitting hebben verklaard dat [gedaagde partij] de betreffende werkzaamheden heeft verricht voor Tyrus B.V. en niet voor Forta4U. Tyrus B.V. is in deze procedure geen partij. [gedaagde partij] beroept zich op artikel 6:6 BW. Toepassing van die bepaling veronderstelt dat er twee of meer schuldenaren zijn die dezelfde prestatie verschuldigd zijn. Het beroep van [gedaagde partij] op dat artikel slaagt niet, omdat [gedaagde partij] onvoldoende feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat in dit geval sprake zou zijn van twee schuldenaren die dezelfde prestatie verschuldigd zijn.

Conclusie vordering onder 1




2.27.
De conclusie is dat de vordering onder 1 moet worden afgewezen.



Vordering onder 2





2.28.
Omdat de vordering onder 1 wordt afgewezen, wordt ook de aan de vordering onder 1 gekoppelde vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.



Vordering onder 3





2.29.
Onder 3 vordert [gedaagde partij] kort samengevat om Forta4U op straffe van een dwangsom te veroordelen tot opheffing van de gelegde beslagen.



2.30.
Het eerste door Forta4U gelegde conservatoire beslag had betrekking op derdenbeslag onder drie banken. Forta4U heeft, omdat dit beslag geen doel had getroffen, vervolgens loonbeslag doen leggen.



2.31.
De vordering in conventie wordt voor een groot deel toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in dit geval geen van de in artikel 705 lid 2 Rv opgenomen opheffingsgronden voor. Dit neemt niet weg dat de rechter bij een vordering die strekt tot opheffing van gelegde beslagen desalniettemin ook een belangenafweging moet maken tussen het belang van de beslaglegger bij behoud daarvan en het belang van de beslagene bij opheffing. De rechtbank heeft oog voor het belang van [gedaagde partij] bij opheffing van de gelegde beslagen (loonbeslag) teneinde - voor zowel hemzelf als voor zijn twee kinderen - te kunnen blijven voorzien in de kosten van levensonderhoud. [gedaagde partij] wordt echter beschermd door de beslagvrije voet. Uit de overwegingen in conventie volgt bovendien dat de rechtbank van oordeel is dat Forta4U een aanzienlijke geldvordering heeft op [gedaagde partij] . Het belang van Forta4U bij het laten rusten van het beslag ter zekerheid van haar geldvordering prevaleert in dit geval boven het belang van [gedaagde partij] bij opheffing van het beslag. De vordering onder 3 wordt dan ook afgewezen.



Proceskosten




2.32.

[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Forta 4U worden begroot op:









- salaris advocaat


€


2.580,00


(2 punten × € 1.290,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.728,00














3De beslissing


De rechtbank




in conventie




3.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Forta 4U te betalen een bedrag van € 45.712,91, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,


3.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 5.090,92, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,



3.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 5.686,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



3.4.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie





3.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde partij] af,



3.7.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 2.728,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



in conventie en in reconventie





3.8.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.1 t/m 3.4, 3.7 en 3.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.





artikel 159 lid 2 Rv


van artikel 152 Rv


Artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht


HR 13 april 2001, NJ 2002, 391


artikel 6:212 BW


artikel 6:203 BW


op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv in combinatie met het bepaalde in artikel 6:212 BW


HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:322 (Glencore/NB)


van artikel 6:212 BW


als bedoeld in artikel 6:203 lid 2 BW.


als bedoeld in artikel 6:119a BW