Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:6895
2026-07-15
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12138074 \ CV EXPL 26-1250
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huur woonruimte. Huurachterstand betaald voor eerste roldatum, maar rente en incassokosten niet. Rente toegewezen vanaf datum dagvaarding tot aan datum betaling huurachterstand. Incassokosten toegewezen. Gedaagde veroordeelt in de proceskosten. Deel griffierecht blijft voor rekening eiser. Liquidatietarief toegepast dat geldt voor het toe te wijzen bedrag in plaats van het bij dagvaarding gevorderde bedrag.
Citeert (1)
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.630 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12138074 \ CV EXPL 26-1250
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING MAASVALLEI MAASTRICHT,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Maasvallei,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 2 maart 2026 met producties 1 en 2;- de schriftelijke weergave van het antwoord van [gedaagde] ;
- de e-mails van [gedaagde] met bijlagen die bij de rechtbank zijn binnengekomen op 18 maart 2026 om respectievelijk 16:17 uur en 16:42 uur; - de conclusie van repliek met productie 3.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Maasvallei verhuurt aan [gedaagde] de woning gelegen aan de [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt thans € 679,61 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd voor maar uiterlijk op de eerste dag van elke maand. Op deze huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte d.d. 16 januari 2004 van Maasvallei van toepassing die zijn gedeponeerd bij de Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht onder nummer 3/2004 AL (hierna: de algemene voorwaarden).
2.2.
[gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan.
2.3.
Voor de eerste roldatum (18 maart 2026) heeft [gedaagde] de huurachterstand betaald.
3Het geschil
3.1.
Maasvallei vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maasvallei te voldoen € 840,00 aan huur, rente en incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 709,61, en in de proceskosten.
3.2.
Maasvallei legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat [gedaagde] in gebreke is gebleven om het door haar verschuldigde aan Maasvallei te voldoen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. De huurvordering is betaald en de kosten niet.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Maasvallei vordert betaling van de huurachterstand van € 709,61. Uit de dagvaarding blijkt dat het gaat om de volledige huur over november 2025 en een restant van € 30,00 van de huur over februari 2026. Deze vordering zal worden afgewezen. [gedaagde] stelt zich namelijk op het standpunt dat zij de huurachterstand heeft betaald en Maasvallei heeft dat bevestigd.
4.2.
Maasvallei vordert betaling van de buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 BW en van de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW. De kantonrechter moet, nu het een overeenkomst met een consument betreft, in beginsel ambtshalve vaststellen of afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de gebruiker, in dit geval Maasvallei, in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest en het Gupfinger-arrest.
4.3.
De huurovereenkomst bevat een incassokostenbeding in artikel 13.2 van de algemene voorwaarden. Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Het beding wijkt niet ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die zonder dat beding zou gelden. Het beding is daarom niet oneerlijk en staat niet aan toewijzing van incassokosten en wettelijke rente in de weg. Wel moet beoordeeld worden of aan het beding (en daarmee ten minste aan de eisen van de wet), is voldaan.
4.4.
Maasvallei heeft aan [gedaagde] op 17 november 2025 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Deze veertiendagenbrief is verzonden aan een adres waarvan Maasvallei redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde] daar door haar kon worden bereikt, namelijk het adres van het gehuurde. In het licht daarvan heeft [gedaagde] de ontvangst daarvan onvoldoende gemotiveerd betwist door alleen naar voren te brengen dat de dagvaarding de eerste brief is die zij van Maasvallei heeft ontvangen. Vast staat dat [gedaagde] niet binnen de in deze brief genoemde termijn de achterstand heeft betaald. Een bedrag van € 123,35 inclusief btw zal dan ook worden toegewezen aan buitengerechtelijke kosten.
4.5.
De huurovereenkomst bevat geen rentebeding. Dit betekent dat er geen beding is dat aan toewijzing van de wettelijke rente in de weg staat. [gedaagde] zal de wettelijke rente over de huurachterstand moeten betalen over de periode dat zij in verzuim heeft verkeerd. Omdat Maasvallei alleen heeft gesteld dat [gedaagde] in verzuim is, maar niet per wanneer, zal de wettelijke rente slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding (2 maart 2026). De wettelijke rente is verschuldigd tot de dag van volledige betaling. [gedaagde] heeft op 6 maart 2026 het restant van de huur van februari 2026 betaald. Ook heeft zij op die datum een volledige huurtermijn betaald zonder daarbij een verbintenis aan te wijzen. De kantonrechter rekent deze betaling conform artikel 6:43 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek toe aan november 2025.
4.6.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Een deel van het door Maasvallei betaalde griffierecht van € 350,00 blijft voor haar rekening. Dit omdat deze kosten nodeloos zijn gemaakt aangezien [gedaagde] vóór de eerste roldatum een substantieel bedrag heeft betaald waardoor de hoofdsom beneden het bedrag van € 500,00 blijft en voor een dergelijke hoofdsom een lager griffierecht wordt geheven. Voor de begroting van het salaris gemachtigde wordt aangesloten bij het tarief dat geldt voor het toe te wijzen bedrag in plaats van het bij dagvaarding gevorderde bedrag. Dit betekent dat de proceskosten van Maasvallei worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
€
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
400,27
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maasvallei te betalen een bedrag van € 123,35,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maasvallei te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 709,61, met ingang van 2 maart 2026 tot 6 maart 2026,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 400,27, te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68
HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12138074 \ CV EXPL 26-1250
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING MAASVALLEI MAASTRICHT,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Maasvallei,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 2 maart 2026 met producties 1 en 2;- de schriftelijke weergave van het antwoord van [gedaagde] ;
- de e-mails van [gedaagde] met bijlagen die bij de rechtbank zijn binnengekomen op 18 maart 2026 om respectievelijk 16:17 uur en 16:42 uur; - de conclusie van repliek met productie 3.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Maasvallei verhuurt aan [gedaagde] de woning gelegen aan de [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt thans € 679,61 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd voor maar uiterlijk op de eerste dag van elke maand. Op deze huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte d.d. 16 januari 2004 van Maasvallei van toepassing die zijn gedeponeerd bij de Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht onder nummer 3/2004 AL (hierna: de algemene voorwaarden).
2.2.
[gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan.
2.3.
Voor de eerste roldatum (18 maart 2026) heeft [gedaagde] de huurachterstand betaald.
3Het geschil
3.1.
Maasvallei vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maasvallei te voldoen € 840,00 aan huur, rente en incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 709,61, en in de proceskosten.
3.2.
Maasvallei legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat [gedaagde] in gebreke is gebleven om het door haar verschuldigde aan Maasvallei te voldoen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. De huurvordering is betaald en de kosten niet.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Maasvallei vordert betaling van de huurachterstand van € 709,61. Uit de dagvaarding blijkt dat het gaat om de volledige huur over november 2025 en een restant van € 30,00 van de huur over februari 2026. Deze vordering zal worden afgewezen. [gedaagde] stelt zich namelijk op het standpunt dat zij de huurachterstand heeft betaald en Maasvallei heeft dat bevestigd.
4.2.
Maasvallei vordert betaling van de buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 BW en van de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW. De kantonrechter moet, nu het een overeenkomst met een consument betreft, in beginsel ambtshalve vaststellen of afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de gebruiker, in dit geval Maasvallei, in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest en het Gupfinger-arrest.
4.3.
De huurovereenkomst bevat een incassokostenbeding in artikel 13.2 van de algemene voorwaarden. Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Het beding wijkt niet ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die zonder dat beding zou gelden. Het beding is daarom niet oneerlijk en staat niet aan toewijzing van incassokosten en wettelijke rente in de weg. Wel moet beoordeeld worden of aan het beding (en daarmee ten minste aan de eisen van de wet), is voldaan.
4.4.
Maasvallei heeft aan [gedaagde] op 17 november 2025 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Deze veertiendagenbrief is verzonden aan een adres waarvan Maasvallei redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde] daar door haar kon worden bereikt, namelijk het adres van het gehuurde. In het licht daarvan heeft [gedaagde] de ontvangst daarvan onvoldoende gemotiveerd betwist door alleen naar voren te brengen dat de dagvaarding de eerste brief is die zij van Maasvallei heeft ontvangen. Vast staat dat [gedaagde] niet binnen de in deze brief genoemde termijn de achterstand heeft betaald. Een bedrag van € 123,35 inclusief btw zal dan ook worden toegewezen aan buitengerechtelijke kosten.
4.5.
De huurovereenkomst bevat geen rentebeding. Dit betekent dat er geen beding is dat aan toewijzing van de wettelijke rente in de weg staat. [gedaagde] zal de wettelijke rente over de huurachterstand moeten betalen over de periode dat zij in verzuim heeft verkeerd. Omdat Maasvallei alleen heeft gesteld dat [gedaagde] in verzuim is, maar niet per wanneer, zal de wettelijke rente slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding (2 maart 2026). De wettelijke rente is verschuldigd tot de dag van volledige betaling. [gedaagde] heeft op 6 maart 2026 het restant van de huur van februari 2026 betaald. Ook heeft zij op die datum een volledige huurtermijn betaald zonder daarbij een verbintenis aan te wijzen. De kantonrechter rekent deze betaling conform artikel 6:43 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek toe aan november 2025.
4.6.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Een deel van het door Maasvallei betaalde griffierecht van € 350,00 blijft voor haar rekening. Dit omdat deze kosten nodeloos zijn gemaakt aangezien [gedaagde] vóór de eerste roldatum een substantieel bedrag heeft betaald waardoor de hoofdsom beneden het bedrag van € 500,00 blijft en voor een dergelijke hoofdsom een lager griffierecht wordt geheven. Voor de begroting van het salaris gemachtigde wordt aangesloten bij het tarief dat geldt voor het toe te wijzen bedrag in plaats van het bij dagvaarding gevorderde bedrag. Dit betekent dat de proceskosten van Maasvallei worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
€
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
400,27
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maasvallei te betalen een bedrag van € 123,35,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maasvallei te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 709,61, met ingang van 2 maart 2026 tot 6 maart 2026,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 400,27, te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68
HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971