Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:6823
2026-07-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11957975 \ CV EXPL 25-4591
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Regieovereenkomst planvorming en renovatie monumentaal pand. Consument heeft twee facturen niet betaald. Verzochte subsidie afgewezen. Deel gefacturereerde werkzaamheden plaatsgevonden vóór ondertekenen overeenkomst. Eisende partij heeft urenspecificaties bij facturen niet overgelegd. Schending artikel 21 Rv. De overeenkomst is tot stand gekomen onder de voorwaarde dat de subsidies verleend zouden worden. Gedaagde partij hoeft niet te betalen nu subsidies niet verleend zijn. Oneerlijk rentebeding. Vorderingen afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:PHR:2021:38 Parket bij de Hoge Raad 15-01-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2023:402 Gerechtshof Amsterdam 07-02-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.599 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11957975 \ CV EXPL 25-4591
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. L.E.I.K. Jaminon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 18- de conclusie van antwoord met productie 1- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de aanvullende producties 19 tot en met 22 van [eisende partij]
- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] heeft in 2021 een monumentaal pand staande en gelegen aan [adres] te [plaats 2] (hierna: [het pand] ) gekocht.
2.2.
[gedaagde partij] heeft op 11 oktober 2021 per e-mail een “regieovereenkomst tekenwerk” (hierna: overeenkomst) van [eisende partij] ontvangen. [gedaagde partij] heeft deze overeenkomst op 26 november 2021 ondertekend. In deze overeenkomst is opgenomen dat [eisende partij] de planvorming van de herstructurering en renovatie van [het pand] zou begeleiden. In de overeenkomst is opgenomen dat de opbouw van de kosten die aan [gedaagde partij] gefactureerd zouden worden bestaan uit: bestede uren (€ 95,00 per uur voor de architect en € 65,00 per uur voor de tekenkamer, gespecificeerd naar partij, datum en werkzaamheden), gemaakte lichtdrukkosten en porto, vergoeding voor de noodzakelijke reiskosten (€ 0,35 per kilometer) en kosten specialistische studies van derden.
2.3.
Vóór het tekenen van de overeenkomst heeft [gedaagde partij] van [persoon 1] , medewerker bij [eisende partij] , het volgende e-mailbericht ontvangen:
“Dag [gedaagde partij] , dank voor je reactie. We zullen t.z.t. zorgen dat onze werkzaamheden c.q. specificaties maximaal binnen de betreffende subsidies vallen. Geen zorgen daarover. (…)”
2.4.
Op de overeenkomst zijn de Algemene voorwaarden [eisende partij] B.V. (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. In die algemene voorwaarden is in artikel 8.2. het volgende opgenomen:
“De opdrachtgever die in verzuim is, zal vanaf dertig dagen na factuurdatum aan [eisende partij] rente verschuldigd zijn van 1% per maand.”
2.5.
[eisende partij] heeft op 17 december 2021 een factuur aan [gedaagde partij] verzonden ter hoogte van € 16.338,25. Dit bedrag bestaat uit € 1.686,25 betreffende werkzaamheden [persoon 2] , € 1.446,25 betreffende werkzaamheden [persoon 1] en € 10.172,50 betreffende werkzaamheden [persoon 3] , € 81,14 aan LDW en porto en € 116,55 aan kilometervergoeding. Dit alles te vermeerderen met de btw van 21%. De betalingstermijn betreft 30 dagen.
2.6.
[eisende partij] heeft op 23 december 2022 een factuur aan [gedaagde partij] verzonden ter hoogte van € 4.617,59. Dit bedrag bestaat uit € 1.140,00 betreffende werkzaamheden architect, € 1.300,00 betreffende werkzaamheden tekenkamer, € 48,59 aan LDW en porto, € 38,85 aan kilometervergoeding en een totaal van € 1.288,75 aan facturen derden. Dit alles te vermeerderen met de btw van 21%. De betalingstermijn betreft 30 dagen.
2.7.
[gedaagde partij] heeft de voornoemde facturen, ondanks betalingsherinneringen, niet betaald aan [eisende partij] .
2.8.
De subsidieaanvraag in het kader van de Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten voor [het pand] is afgewezen omdat het beschikbare budget daarvoor al was uitgeput.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 24.978,75 (20.955,84 aan hoofdsom en € 4.022,91 aan wettelijke rente) en de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [eisende partij] heeft op grond van de overeenkomst werkzaamheden verricht voor [gedaagde partij] . [gedaagde partij] is dan ook gehouden de naar aanleiding van die werkzaamheden gefactureerde bedragen te betalen aan [eisende partij] .
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde partij] voert aan dat de overeengekomen werkzaamheden van [eisende partij] onder subsidies gedekt zouden worden. De subsidie is niet verleend en daarom hoeft [gedaagde partij] niet te betalen aan [eisende partij] . Voorts zijn de werkzaamheden grotendeels zonder grondslag uitgevoerd aangezien deze grotendeels verricht zijn voordat de regieovereenkomst ondertekend is. [eisende partij] heeft daarnaast nagelaten om de werkzaamheden vooraf of tussentijds inzichtelijk te maken. Tot slot stelt [gedaagde partij] zich op het standpunt dat [eisende partij] haar rechten heeft verwerkt aangezien [eisende partij] anderhalf jaar lang niet gereageerd heeft op [gedaagde partij] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De hoofdsom
4.1.
Ten aanzien van de factuur van 17 december 2021 wordt als volgt overwogen. Vast staat dat [gedaagde partij] de overeenkomst op 26 november 2021 ondertekend heeft. Uit de urenspecificatie bij de voornoemde factuur (die [gedaagde partij] bij antwoord in het geding heeft gebracht) volgt dat de gefactureerde werkzaamheden van [persoon 3] en [persoon 1] , op één kostenpost na van 29 november 2021 van 4,75 uur van [persoon 1] , zijn uitgevoerd vóórdat de overeenkomst ondertekend is. [eisende partij] heeft ter mondelinge behandeling daarover toegelicht dat partijen sinds juli 2021 contact hadden en dat aanvankelijk sprake was van een mondelinge overeenkomst en dat die mondelinge afspraken zijn vastgelegd in de schriftelijke onderhavige overeenkomst, zonder evenwel concreet te benoemen welke afspraken, hoe, wanneer en waar zijn gemaakt.. [eisende partij] heeft in de dagvaarding expliciet de schriftelijke overeenkomst aan haar vordering ten grondslag gelegd en niets gesteld over eventuele mondelinge afspraken. De ondertekende overeenkomst kan geen grondslag bieden voor de gefactureerde werkzaamheden vóór 26 november 2021. Dit leidt ertoe dat de vordering tot betaling van de gefactureerde werkzaamheden vóór 26 november 2021 wordt afgewezen.
4.2.
Enkel de kostenpost ten aanzien van de werkzaamheden zoals uitgevoerd op 29 november 2021 resteert. Ingevolge artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Kernachtig weergegeven komen de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv neer op het volgende. Partijen mogen in elk geval: (i) geen feiten stellen waarvan zij weten dat die feiten niet juist zijn of niet juist kunnen zijn, (ii) geen feiten ontkennen waarvan zij weten dat die juist zijn en (iii) geen feiten achterhouden waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been wordt gezet. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van het onder (iii) genoemde nu [eisende partij] de urenspecificatie bij de factuur niet in het geding heeft gebracht, terwijl juist die urenspecificatie van belang is bij de beoordeling van de vordering. Dat wordt aan [eisende partij] toegerekend en de kostenpost met betrekking tot de werkzaamheden van [persoon 1] van 29 november 2021 wordt op grond van artikel 21 Rv afgewezen. De gefactureerde uren van [persoon 2] zijn in het geheel niet opgenomen in de urenspecificatie en de kantonrechter kan dus niet toetsen of deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden voor het ondertekenen van de overeenkomst. Daarom worden ook deze kosten afgewezen. Ook de overige gefactureerde kosten zijn op grond van het voorgaande niet toewijsbaar.
4.3.
De vordering tot betaling van de factuur van 17 december 2021 ter hoogte van € 16.338,25 wordt dan ook in zijn geheel afgewezen.
4.4.
Ten aanzien van de factuur van 23 december 2022 overweegt de kantonrechter als volgt. In het geschil is of partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] enkel hoefde te betalen aan [eisende partij] indien de subsidies verleend zouden worden. Volgens [gedaagde partij] heeft zij vanwege de bevestiging van [eisende partij] dat de werkzaamheden onder subsidie bekostigd zouden worden de regieovereenkomst ondertekend. Voor haar was dit een cruciale voorwaarde omdat zij de kosten niet zelf kon dragen. Volgens [eisende partij] heeft zij toegezegd dat zij haar best ging doen om de benodigde subsidies te regelen en te proberen zoveel mogelijk kosten onder die subsidie te laten vallen, maar was er zeker geen sprake van “no cure no pay”.
4.5.
De vraag wat voor contractuele afspraken tussen partijen zijn gemaakt dient in een geval als het onderhavige te worden beantwoord aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf. Deze zowel op de wilsvertrouwensleer als op de redelijkheid en billijkheid geënte uitlegmaatstaf is zowel contextueel als normatief van aard: doorslaggevend is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het komt dus bij uitleg van contractuele afspraken als de onderhavige niet aan op de feitelijke vraag wat ieder van de partijen met de eigen verklaringen en gedragingen (inwendig) heeft beoogd maar op de normatieve vraag hoe partijen in de gegeven (voor beide partijen kenbare) omstandigheden elkaars verklaringen over en weer in redelijkheid mochten opvatten. Uit de overgelegde stukken (zie m.n. r.o. 2.3) volgt dat partijen meerdere keren gesproken hebben over de subsidies. Daarbij heeft [eisende partij] nooit de letterlijke bewoordingen gebruikt dat [gedaagde partij] niet hoefde te betalen indien de subsidies niet verleend werden. De kantonrechter oordeelt echter dat [gedaagde partij] dat wel mocht afleiden uit de berichtgevingen van [eisende partij] . [gedaagde partij] is als consument ervan uitgegaan dat dat op die manier was afgesproken. Het ging om een omvangrijk project en volgens [eisende partij] zou zij bij een dergelijk project niet het risico nemen dat zij niet betaald zou krijgen indien de subsidies niet verleend zouden worden. Zo heeft [gedaagde partij] dat echter niet begrepen. Het is aan [eisende partij] als professionele partij om duidelijk te communiceren en de consument voldoende te informeren over de afspraken. Dat [gedaagde partij] de afspraken dusdanig heeft geïnterpreteerd dat zij niet hoefde te betalen bij afwijzing van de subsidies komt voor rekening en risico van [eisende partij] als professionele partij. Dat de tekeningen die [eisende partij] heeft opgesteld zijn gebruikt maakt dat niet anders.
4.6.
Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder de voorwaarde dat de subsidies verleend zouden worden. Nu de subsidies niet verleend zijn, is [gedaagde partij] ook niet gehouden tot betaling van de factuur ter hoogte van € 4.617,59. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
De wettelijke rente
4.7.
Nu de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, ligt de gevorderde wettelijke rente daarover vanzelfsprekend ook voor afwijzing gereed. Daarbij merkt de kantonrechter nog op dat wanneer (een deel van) de hoofdsom wel toewijsbaar zou zijn geweest, de wettelijke rente ook dan zou worden afgewezen. [gedaagde partij] handelt namelijk als consument en de kantonrechter dient daarom ambtshalve te toetsen of sprake is van oneerlijke bedingen tussen partijen. Dat [eisende partij] geen aanspraak maakt op de contractuele rente maakt dat niet anders en dat is [eisende partij] ter mondelinge behandeling ook voorgehouden. In de algemene voorwaarden is een rentebeding van 1% per maand opgenomen. Deze rente is aanzienlijk hoger dan de destijds geldende wettelijke rente. Daarom wordt de contractuele rente als onevenredig hoge schadevergoeding aangemerkt en is er sprake van een oneerlijk rentebeding. De kantonrechter vernietigt het rentebeding en [eisende partij] kan daardoor evenmin terugvallen op de wettelijke rente.
De proceskosten
4.8.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.298,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
PHR 15 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:38.
Zie bijv. ECLI:NL:GHAMS:2023:402
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11957975 \ CV EXPL 25-4591
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. L.E.I.K. Jaminon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 18- de conclusie van antwoord met productie 1- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de aanvullende producties 19 tot en met 22 van [eisende partij]
- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] heeft in 2021 een monumentaal pand staande en gelegen aan [adres] te [plaats 2] (hierna: [het pand] ) gekocht.
2.2.
[gedaagde partij] heeft op 11 oktober 2021 per e-mail een “regieovereenkomst tekenwerk” (hierna: overeenkomst) van [eisende partij] ontvangen. [gedaagde partij] heeft deze overeenkomst op 26 november 2021 ondertekend. In deze overeenkomst is opgenomen dat [eisende partij] de planvorming van de herstructurering en renovatie van [het pand] zou begeleiden. In de overeenkomst is opgenomen dat de opbouw van de kosten die aan [gedaagde partij] gefactureerd zouden worden bestaan uit: bestede uren (€ 95,00 per uur voor de architect en € 65,00 per uur voor de tekenkamer, gespecificeerd naar partij, datum en werkzaamheden), gemaakte lichtdrukkosten en porto, vergoeding voor de noodzakelijke reiskosten (€ 0,35 per kilometer) en kosten specialistische studies van derden.
2.3.
Vóór het tekenen van de overeenkomst heeft [gedaagde partij] van [persoon 1] , medewerker bij [eisende partij] , het volgende e-mailbericht ontvangen:
“Dag [gedaagde partij] , dank voor je reactie. We zullen t.z.t. zorgen dat onze werkzaamheden c.q. specificaties maximaal binnen de betreffende subsidies vallen. Geen zorgen daarover. (…)”
2.4.
Op de overeenkomst zijn de Algemene voorwaarden [eisende partij] B.V. (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. In die algemene voorwaarden is in artikel 8.2. het volgende opgenomen:
“De opdrachtgever die in verzuim is, zal vanaf dertig dagen na factuurdatum aan [eisende partij] rente verschuldigd zijn van 1% per maand.”
2.5.
[eisende partij] heeft op 17 december 2021 een factuur aan [gedaagde partij] verzonden ter hoogte van € 16.338,25. Dit bedrag bestaat uit € 1.686,25 betreffende werkzaamheden [persoon 2] , € 1.446,25 betreffende werkzaamheden [persoon 1] en € 10.172,50 betreffende werkzaamheden [persoon 3] , € 81,14 aan LDW en porto en € 116,55 aan kilometervergoeding. Dit alles te vermeerderen met de btw van 21%. De betalingstermijn betreft 30 dagen.
2.6.
[eisende partij] heeft op 23 december 2022 een factuur aan [gedaagde partij] verzonden ter hoogte van € 4.617,59. Dit bedrag bestaat uit € 1.140,00 betreffende werkzaamheden architect, € 1.300,00 betreffende werkzaamheden tekenkamer, € 48,59 aan LDW en porto, € 38,85 aan kilometervergoeding en een totaal van € 1.288,75 aan facturen derden. Dit alles te vermeerderen met de btw van 21%. De betalingstermijn betreft 30 dagen.
2.7.
[gedaagde partij] heeft de voornoemde facturen, ondanks betalingsherinneringen, niet betaald aan [eisende partij] .
2.8.
De subsidieaanvraag in het kader van de Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten voor [het pand] is afgewezen omdat het beschikbare budget daarvoor al was uitgeput.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 24.978,75 (20.955,84 aan hoofdsom en € 4.022,91 aan wettelijke rente) en de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [eisende partij] heeft op grond van de overeenkomst werkzaamheden verricht voor [gedaagde partij] . [gedaagde partij] is dan ook gehouden de naar aanleiding van die werkzaamheden gefactureerde bedragen te betalen aan [eisende partij] .
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde partij] voert aan dat de overeengekomen werkzaamheden van [eisende partij] onder subsidies gedekt zouden worden. De subsidie is niet verleend en daarom hoeft [gedaagde partij] niet te betalen aan [eisende partij] . Voorts zijn de werkzaamheden grotendeels zonder grondslag uitgevoerd aangezien deze grotendeels verricht zijn voordat de regieovereenkomst ondertekend is. [eisende partij] heeft daarnaast nagelaten om de werkzaamheden vooraf of tussentijds inzichtelijk te maken. Tot slot stelt [gedaagde partij] zich op het standpunt dat [eisende partij] haar rechten heeft verwerkt aangezien [eisende partij] anderhalf jaar lang niet gereageerd heeft op [gedaagde partij] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De hoofdsom
4.1.
Ten aanzien van de factuur van 17 december 2021 wordt als volgt overwogen. Vast staat dat [gedaagde partij] de overeenkomst op 26 november 2021 ondertekend heeft. Uit de urenspecificatie bij de voornoemde factuur (die [gedaagde partij] bij antwoord in het geding heeft gebracht) volgt dat de gefactureerde werkzaamheden van [persoon 3] en [persoon 1] , op één kostenpost na van 29 november 2021 van 4,75 uur van [persoon 1] , zijn uitgevoerd vóórdat de overeenkomst ondertekend is. [eisende partij] heeft ter mondelinge behandeling daarover toegelicht dat partijen sinds juli 2021 contact hadden en dat aanvankelijk sprake was van een mondelinge overeenkomst en dat die mondelinge afspraken zijn vastgelegd in de schriftelijke onderhavige overeenkomst, zonder evenwel concreet te benoemen welke afspraken, hoe, wanneer en waar zijn gemaakt.. [eisende partij] heeft in de dagvaarding expliciet de schriftelijke overeenkomst aan haar vordering ten grondslag gelegd en niets gesteld over eventuele mondelinge afspraken. De ondertekende overeenkomst kan geen grondslag bieden voor de gefactureerde werkzaamheden vóór 26 november 2021. Dit leidt ertoe dat de vordering tot betaling van de gefactureerde werkzaamheden vóór 26 november 2021 wordt afgewezen.
4.2.
Enkel de kostenpost ten aanzien van de werkzaamheden zoals uitgevoerd op 29 november 2021 resteert. Ingevolge artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Kernachtig weergegeven komen de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv neer op het volgende. Partijen mogen in elk geval: (i) geen feiten stellen waarvan zij weten dat die feiten niet juist zijn of niet juist kunnen zijn, (ii) geen feiten ontkennen waarvan zij weten dat die juist zijn en (iii) geen feiten achterhouden waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been wordt gezet. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van het onder (iii) genoemde nu [eisende partij] de urenspecificatie bij de factuur niet in het geding heeft gebracht, terwijl juist die urenspecificatie van belang is bij de beoordeling van de vordering. Dat wordt aan [eisende partij] toegerekend en de kostenpost met betrekking tot de werkzaamheden van [persoon 1] van 29 november 2021 wordt op grond van artikel 21 Rv afgewezen. De gefactureerde uren van [persoon 2] zijn in het geheel niet opgenomen in de urenspecificatie en de kantonrechter kan dus niet toetsen of deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden voor het ondertekenen van de overeenkomst. Daarom worden ook deze kosten afgewezen. Ook de overige gefactureerde kosten zijn op grond van het voorgaande niet toewijsbaar.
4.3.
De vordering tot betaling van de factuur van 17 december 2021 ter hoogte van € 16.338,25 wordt dan ook in zijn geheel afgewezen.
4.4.
Ten aanzien van de factuur van 23 december 2022 overweegt de kantonrechter als volgt. In het geschil is of partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] enkel hoefde te betalen aan [eisende partij] indien de subsidies verleend zouden worden. Volgens [gedaagde partij] heeft zij vanwege de bevestiging van [eisende partij] dat de werkzaamheden onder subsidie bekostigd zouden worden de regieovereenkomst ondertekend. Voor haar was dit een cruciale voorwaarde omdat zij de kosten niet zelf kon dragen. Volgens [eisende partij] heeft zij toegezegd dat zij haar best ging doen om de benodigde subsidies te regelen en te proberen zoveel mogelijk kosten onder die subsidie te laten vallen, maar was er zeker geen sprake van “no cure no pay”.
4.5.
De vraag wat voor contractuele afspraken tussen partijen zijn gemaakt dient in een geval als het onderhavige te worden beantwoord aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf. Deze zowel op de wilsvertrouwensleer als op de redelijkheid en billijkheid geënte uitlegmaatstaf is zowel contextueel als normatief van aard: doorslaggevend is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het komt dus bij uitleg van contractuele afspraken als de onderhavige niet aan op de feitelijke vraag wat ieder van de partijen met de eigen verklaringen en gedragingen (inwendig) heeft beoogd maar op de normatieve vraag hoe partijen in de gegeven (voor beide partijen kenbare) omstandigheden elkaars verklaringen over en weer in redelijkheid mochten opvatten. Uit de overgelegde stukken (zie m.n. r.o. 2.3) volgt dat partijen meerdere keren gesproken hebben over de subsidies. Daarbij heeft [eisende partij] nooit de letterlijke bewoordingen gebruikt dat [gedaagde partij] niet hoefde te betalen indien de subsidies niet verleend werden. De kantonrechter oordeelt echter dat [gedaagde partij] dat wel mocht afleiden uit de berichtgevingen van [eisende partij] . [gedaagde partij] is als consument ervan uitgegaan dat dat op die manier was afgesproken. Het ging om een omvangrijk project en volgens [eisende partij] zou zij bij een dergelijk project niet het risico nemen dat zij niet betaald zou krijgen indien de subsidies niet verleend zouden worden. Zo heeft [gedaagde partij] dat echter niet begrepen. Het is aan [eisende partij] als professionele partij om duidelijk te communiceren en de consument voldoende te informeren over de afspraken. Dat [gedaagde partij] de afspraken dusdanig heeft geïnterpreteerd dat zij niet hoefde te betalen bij afwijzing van de subsidies komt voor rekening en risico van [eisende partij] als professionele partij. Dat de tekeningen die [eisende partij] heeft opgesteld zijn gebruikt maakt dat niet anders.
4.6.
Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder de voorwaarde dat de subsidies verleend zouden worden. Nu de subsidies niet verleend zijn, is [gedaagde partij] ook niet gehouden tot betaling van de factuur ter hoogte van € 4.617,59. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
De wettelijke rente
4.7.
Nu de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, ligt de gevorderde wettelijke rente daarover vanzelfsprekend ook voor afwijzing gereed. Daarbij merkt de kantonrechter nog op dat wanneer (een deel van) de hoofdsom wel toewijsbaar zou zijn geweest, de wettelijke rente ook dan zou worden afgewezen. [gedaagde partij] handelt namelijk als consument en de kantonrechter dient daarom ambtshalve te toetsen of sprake is van oneerlijke bedingen tussen partijen. Dat [eisende partij] geen aanspraak maakt op de contractuele rente maakt dat niet anders en dat is [eisende partij] ter mondelinge behandeling ook voorgehouden. In de algemene voorwaarden is een rentebeding van 1% per maand opgenomen. Deze rente is aanzienlijk hoger dan de destijds geldende wettelijke rente. Daarom wordt de contractuele rente als onevenredig hoge schadevergoeding aangemerkt en is er sprake van een oneerlijk rentebeding. De kantonrechter vernietigt het rentebeding en [eisende partij] kan daardoor evenmin terugvallen op de wettelijke rente.
De proceskosten
4.8.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.298,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
PHR 15 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:38.
Zie bijv. ECLI:NL:GHAMS:2023:402