Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:6700
2026-07-01
Civiel recht
C/03/352032 / FA RK 26-1002
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
voorlopige voorziening zorgregeling. raadsonderzoek gelast in bodemzaak ontbinding geregistreerd partnerschap
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.038 tekens)
Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/352032 / FA RK 26-1002
Beschikking van 1 juli 2026 betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[de man]
,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. R.J.T. Leijzer;
tegen:
[de vrouw]
,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. B. du Fossé,
hierna ook te noemen partijen.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bij de rechtbank is een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap aanhangig met zaaknummer C/03/347938 / FA RK 25-2693.
1.2.
Uit het geregistreerd partnerschap is geboren het nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] .
[minderjarige] is woonachtig bij de vrouw.
1.3.
De man heeft gevraagd voor de duur van het geding een beslissing te geven over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, verder ook te noemen: een zorgregeling.
1.4.
Op 17 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.
Bij deze behandeling zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
2Het verzoek
2.1.
De man heeft verzocht, bij beschikking voor de duur van het geding en uitvoerbaar bij voorraad:
a. Een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen
inhoudende:
- [minderjarige] zal eenmaal per veertien dagen bij de man verblijven van vrijdag 12.00 uur
tot zondag 18.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] zal brengen en ophalen;
- [minderjarige] zal iedere week op de dinsdag bij de man verblijven van 14.00 uur tot 18.00
uur.
2.2.
Ter onderbouwing heeft de man het volgende aangevoerd. Partijen kunnen geen overeenstemming bereiken over een zorgregeling voor [minderjarige] . Zij zijn al geruime tijd in overleg met elkaar, maar partijen liggen mijlenver uiteen. Gelet op de spanningen tussen partijen acht de man het noodzakelijk dat de rechtbank op korte termijn bovengenoemde voorlopige voorziening zal treffen. De vrouw is van mening dat de man slechts beperkt belastbaar is in verband met niet aangeboren hersenletsel (NAH). De man betwist niet dat er sprake is geweest van hersenletsel, maar dit levert geen enkele belemmering op om de zorg voor [minderjarige] te dragen. De man heeft na de geboorte van [minderjarige] , toen partijen nog bij elkaar woonden, hoofdzakelijk de zorg voor [minderjarige] gedragen. De vrouw was daartoe niet in staat. Het letsel van de man was in ieder geval geen belemmering voor partijen om voor
kinderen te kiezen. De man heeft aan het wantrouwen van de vrouw jegens hem willen werken en heeft een tijdje ingestemd met de door de vrouw voorgestelde zorgregeling. De man mag [minderjarige] twee keer drie uurtjes per week zien, bij de vrouw thuis. De man reist dan ongeveer 330 kilometer om [minderjarige] twee uurtjes te mogen zien. De man is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij een band kan opbouwen met haar vader. De vrouw is van mening dat zij alleen mag beslissen over de (on)geschiktheid van de man in zijn rol als vader. De vrouw ontvangt zelf een WIA-uitkering, is arbeidsongeschikt, en is na de geboorte van [minderjarige] een tijdje amper in staat geweest voor haar te zorgen. De vrouw is van mening dat de man overbelast zou worden, maar anderzijds wel van mening dat de man dusdanig veel kan werken, dat hij, naast kinderalimentatie, ook partneralimentatie zou moeten voldoen. Kennelijk acht de vrouw de man daartoe dan wel weer in staat. Voorts wenst de vrouw niet dat de man autorijdt met [minderjarige] . De man is nimmer ongeschikt verklaard of anderszins een rijverbod opgelegd. De vrouw eist echter dat de man een rijgeschiktheidstest zal doen. Het is onduidelijk waarop de vrouw dit baseert. Tijdens de relatie heeft de man ook altijd autogereden, óók met de vrouw en [minderjarige] .
2.3.
Ter zitting heeft de man nog verder aangevuld dat hij ondanks zijn NAH altijd in staat is geweest om voor [minderjarige] te zorgen. Het doet de man pijn dat de vrouw zich nu zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige] , terwijl dit niet zo was toen ze nog samen waren. De man twijfelt er niet aan dat hij voldoende functioneert om veilig deel te nemen aan het verkeer, maar hij is voor de geruststelling van de vrouw toch de procedure bij het CBR gestart. De huisarts ziet geen belemmeringen en er is geen andere arts geweest die hem heeft gezegd dat hij niet meer zou kunnen of mogen rijden. Op dit moment werkt hij drie dagen in de week, op de dagen dat hij geen contactmoment heeft met [minderjarige] . Hij heeft meer reistijd dan dat hij tijd doorbrengt met [minderjarige] . De huidige regeling kan daarom niet blijven voortduren. Hij voelt zich bovendien gecontroleerd en beperkt doordat het contact alleen bij de vrouw thuis mag plaatsvinden. Er worden allemaal regels aan hem opgelegd door de vrouw en hij voelt zich machteloos. De man woont op dit moment in een zelfstandig appartement van zijn vader. Daar kan hij [minderjarige] ontvangen. Dichterbij [minderjarige] gaan wonen zou het makkelijker maken, maar dat is voor nu geen realistische optie. Door de financiële afwikkeling van de scheiding zijn de financiën beperkt. Ook heeft de vrouw aangegeven te willen verhuizen, dus hij weet ook niet goed waar zij uiteindelijk gaat wonen. De man wil graag een band met [minderjarige] kunnen opbouwen, maar op deze manier lukt dat niet goed.
3Het verweer tevens zelfstandig verzoek
3.1.
De vrouw heeft, bij wege van verweer, verzocht om de verzoeken van de man af te wijzen en, bij wege van zelfstandig verzoek, voor de duur van de scheidingsprocedure bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
de minderjarige [minderjarige] aan de vrouw toe te vertrouwen;
een voorlopige contactregeling tussen de man en de minderjarige [minderjarige] vast te stellen van 2x 3 uurtjes per week bij de vrouw thuis althans een zodanig contact-regeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.
3.2.
Ter onderbouwing heeft de vrouw het volgende aangevoerd. De vrouw begrijpt niet dat de man meent dat de regeling die hij voorstelt in het belang van [minderjarige] is en dat hij tot indiening van dit verzoek is overgegaan. Partijen konden tot voor kort goed overleggen over [minderjarige] in die zin wat voor de man in verband met zijn beperkte belastbaarheid wel of niet haalbaar was in zijn contacten met [minderjarige] . De man heeft door een ongeval in 2020 hersenletsel opgelopen. Hij heeft meerdere onafhankelijke medische en neuropsychologische onderzoeken ondergaan, waaruit blijkt dat hij blijvende cognitieve en emotionele beperkingen heeft. De man is overspannen en dit uit zich, in ieder geval tijdens de relatie, in depressieve klachten, verwaarlozing, suïcidale gedachten en emotie-regulatieproblemen, waaronder agressie en woede-uitbarstingen. De man gebruikte in die periode (en nu - voor zover de vrouw weet nog steeds) zware antidepressiva en had daarnaast antipsychotica medicatie voorgeschreven gekregen. Bij niet aangeboren hersenletsel bestaat er een meldplicht om zich te melden bij het CBR voor het beoordelen van rijvaardigheid. De man heeft dit (nog steeds) niet gedaan. Dit is tijdens de relatie van partijen altijd een groot discussiepunt geweest. Na de verkoop van de echtelijke woning en de verhuizing van de man naar zijn vader in [plaats 3] heeft de man aangegeven dat hij de contactmomenten van twee keer drie uurtjes per week wilde terugbrengen naar twee keer twee uurtjes per week. Dit omdat de reisduur tussen [plaats 3] en [plaats 2] ongeveer twee uur bedraagt en hij dan eerst nog een half uurtje in de auto moet slapen om te recupereren alvorens [minderjarige] te kunnen zien. Drie uurtjes omgang met [minderjarige] in combinatie met een reisduur (heen en weer) van ongeveer vier uur was voor de man te vermoeiend. Daarnaast heeft de vrouw de man de afgelopen maanden meermalen aangeboden om [minderjarige] extra te zien op feestdagen of op zijn verjaardag. De man maakte daar geen gebruik van en gaf daarbij aan dat die extra contacten te belastend voor hem waren. De zorgregeling die de man nu verzoekt gaat ook aanzienlijk verder dan de zorg die hij feitelijk heeft uitgeoefend. De man heeft in de praktijk nooit zelfstandig gedurende een volledig dagdeel voor [minderjarige] gezorgd en evenmin ooit zelfstandig een overnachting met haar gehad. De huidige contactregeling is momenteel het maximaal haalbare. [minderjarige] is na een bezoek van de man vaak uitgeput en uit haar doen. Zij lijkt bij haar vader geen rust te ervaren en veiligheid te missen. De vrouw ziet ook dat het met de man niet goed gaat. Bij aankomst is hij vaak al overprikkeld en bij zijn vertrek ziet hij lijkbleek. Het zou erg helpend zijn als de man dichter bij de vrouw en [minderjarige] komt wonen. De vrouw mist daarnaast ook de betrokkenheid van de man bij [minderjarige] . Zelden informeert hij bij de vrouw over hoe het met [minderjarige] gaat tijdens ziekte of hoe het met haar gaat als de omgang niet goed is verlopen. Ook uitnodigingen om mee te gaan naar het consultatiebureau of huisarts of anderszins worden door hem stelselmatig afgeslagen.
3.3.
Ter zitting heeft de vrouw nog het volgende aangevuld. De man bagatelliseert de beperkingen die zijn NAH opleveren. Voordat de procedure werd gestart was de man eerlijk naar de vrouw toe over zijn (on)mogelijkheden en grenzen. In het kader van de procedure geeft de man nu aan dat hij volledig functioneert en het NAH geen belemmering vormt voor het zorgdragen over [minderjarige] . De veiligheid van [minderjarige] moet echter voorop blijven staan. Los van de zorgen over de rijgeschiktheid van de man, maakt de vrouw zich ook zorgen over de emotieregulatie problematiek waar de man [minderjarige] mee belast tijdens de contactmomenten. Het gedrag van de man is onvoorspelbaar en dit kan zich uiten in verbale agressie. De migraine van de vrouw is onder controle met medicatie en zij is in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] volledig te dragen zonder ondersteuning van haar ouders. Zij kan echter niet langer dan 45 minuten achter elkaar autorijden, want dit triggert de migraine. Het zou voor iedereen makkelijker zijn als de man dichterbij zou komen wonen. De huizenmarkt is lastig, maar gelet op zijn inkomen en het huis op Bonaire dat verkocht kan worden, zou hij dit moeten kunnen realiseren. De vrouw woont op dit moment bij haar ouders, maar is ook op zoek naar een woning voor zichzelf en [minderjarige] . Bij haar ouders thuis heeft de man genoeg ruimte om de contactmomenten met [minderjarige] in te vullen. De vrouw en haar ouders zorgen dan dat zij zich afzonderen en zij zoeken de man ook niet op. Het contact tussen [minderjarige] en de man verliep in het begin moeizaam, maar hier ziet de vrouw de laatste tijd wel vooruitgang in. De hechtingsband tussen de man en [minderjarige] is echter nog groeiende. Het lukt de man niet goed om de emoties van [minderjarige] te reguleren als zij moe is of de man overbelast is. Dan komt de man hulp vragen aan de vrouw of haar ouders. De vrouw gunt de man dat hij een vaderrol voor [minderjarige] kan innemen, maar het belang van [minderjarige] moet daarbij wel centraal staan. De vrouw wil meedenken aan oplossingen. Bij het inzetten van het netwerk moet rekening gehouden worden dat [minderjarige] geen hechtingsband heeft met de ouders van de man. De vrouw vraagt zich bij het gelasten van een raadsonderzoek af wat de Raad precies gaat onderzoeken en of zij genoeg expertise hebben op het gebied van NAH en de impact daarvan op kinderen.
4De vaststellingen en overwegingen
4.1.
Op grond van de artikelen 821 en 828 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan in zaken van ontbinding van het geregistreerd partnerschap ieder van de geregistreerd partners verzoeken om voorlopige voorzieningen te treffen, zoals bedoeld in artikel 822 Rv.
4.2.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van de verzoeken voorop dat voorlopige voorzieningen zijn bedoeld als ordemaatregel voor de duur van de procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap en volstaat daarom met een korte motivering.
De toevertrouwing
4.3.
De vrouw heeft bij zelfstandig verzoek verzocht om voorlopige toevertrouwing van [minderjarige] aan haar. De man voert geen verweer hiertegen. De rechtbank zal dan ook dit zelfstandig verzoek van de vrouw toewijzen, nu ook niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet. [minderjarige] verblijft sinds het uit elkaar gaan van de ouders bij de vrouw, die sindsdien ook het grootste deel van de verzorging draagt. Het uitgangspunt bij de toevertrouwing is om het kind niet te confronteren met meer veranderingen dan nodig is.
Raadsonderzoek in bodemprocedure
4.4.
de rechtbank stelt vast dat bij de man sprake is van complexe medische problematiek in de vorm van niet aangeboren hersenletsel. De man geeft hierover ter zitting aan minimale last van te ervaren en dat dit geen belemmering zou opleveren om voor [minderjarige] te zorgen. De vrouw, die haar eigen medische problematiek heeft in de vorm van migraine, uit zorgen over de belastbaarheid van de man. De rechtbank kan op dit moment onvoldoende overzien wat de medische problematiek van beide ouders betekent voor [minderjarige] . Daarbij komt ook nog kijken dat de man op dit moment op enige afstand woont van [minderjarige] en er zorgen zijn over de rijgeschiktheid van de man, wat de situatie nog ingewikkelder maakt. [minderjarige] is door haar jonge leeftijd volledig afhankelijk van haar opvoeders voor haar verzorging en veiligheid, wat maakt dat er zorgvuldige afweging moet worden gemaakt in wat zij nodig heeft.
4.5.
De rechtbank acht het daarom van belang dat er eerst nader onderzoek wordt verricht naar de behoeften van [minderjarige] en de mogelijkheden in het contact met haar vader. Gelet daarop acht de rechtbank een raadsonderzoek in de bodemprocedure aangewezen om zich nader te laten informeren over de situaties van partijen en [minderjarige] en een onderzoek te laten uitvoeren naar de belangen van [minderjarige] aangaande de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Een onderzoek door de Raad zal tijd vergen en om te voorkomen dat er tijd verloren zal gaan zal de rechtbank daarom nu alvast, vooruitlopend en ten behoeve van de bodemprocedure, de Raad verzoeken om onderzoek te verrichten en een rapport uit te brengen.
4.6.
Het rapport van de Raad moet worden ingediend in de bodemprocedure met zaaknummer C/03/347938 / FA RK 25-2693.
De verdeling van de zorg- en de opvoedingstaken
4.7.
De rechtbank ziet in de huidige situatie geen mogelijkheid om vooruitlopend op het onderzoek van de Raad een voorlopige zorgregeling vast te leggen in de vorm zoals deze verzocht is door de man, waardoor dit verzoek zal worden afgewezen. De rechtbank zal wel het zelfstandig verzoek van de vrouw gedeeltelijk toewijzen door een contactregeling vast te stellen van twee maal drie uur per week. De rechtbank zal echter, anders dan de vrouw heeft verzocht, niet bepalen dat het contact steeds bij haar thuis dient plaats te vinden. De rechtbank legt hierna uit waarom.
4.8.
Er is op dit moment sprake van een onderling afgesproken regeling waarbij de man twee keer per week drie uren contact heeft met [minderjarige] bij de vrouw thuis. Die contact-momenten vinden steeds bij de vrouw thuis plaats vanwege de zorgen van de vrouw over de belastbaarheid en de rijgeschiktheid van de man. De vrouw wil om veiligheidsoverwegingen niet dat [minderjarige] bij de man in de auto zit, waardoor de man [minderjarige] niet ergens mee naar toe kan nemen. Hij kan te voet met haar op pad gaan in de omgeving van de woning. De beleving van partijen over hoe de huidige regeling verloopt verschilt enorm van elkaar. De man vindt de contactmomenten in het huis van zijn schoonouders (waar de vrouw op dit moment inwoont) zeer belastend, waarbij hij zich bekeken en gecontroleerd voelt. Op loopafstand van de woning is niet veel te doen voor kinderen en wandelen is alleen mogelijk als het weer dit toelaat. De vrouw geeft aan dat de man alle ruimte heeft met [minderjarige] zowel binnenshuis als buiten in de tuin, en dat zij en haar ouders zich afzonderen als de man er is. Ook heeft zij naar eigen zeggen meermaals aangeboden om [minderjarige] te brengen naar de kinderboerderij of een restaurant, zodat de man daar tijd met haar kan doorbrengen. De rechtbank ziet op dit moment onvoldoende aanleiding waarom de contactmomenten enkel bij de vrouw thuis zouden kunnen plaatsvinden en zal dit daarom ook niet als zodanig vastleggen. De rechtbank gaat ervanuit dat de man, in het belang van [minderjarige] , eerlijk is en blijft over de grenzen van zijn belastbaarheid tijdens en rondom de contactmomenten met [minderjarige] . De veiligheid van [minderjarige] is (ook) zijn verantwoordelijkheid.
4.9.
Zoals eerder overwogen onder 4.4. is er naar het oordeel van de voorzieningen-rechter sprake van een gecompliceerde situatie die nader onderzocht moet worden. In afwachting van dit onderzoek verwacht de rechtbank een bepaalde mate van flexibiliteit en creativiteit van beide ouders. De ouders hebben nu eenmaal, wetende van hun beperkte belastbaarheid, bewust gekozen voor een kind. Het is de verantwoordelijkheid van de ouders samen om ervoor te zorgen dat [minderjarige] zo min mogelijk last ervaart van de ontstane situatie. De reisafstand en de onduidelijkheid over de rijgeschiktheid van de man zijn nu eenmaal factoren waar de ouders het, in ieder geval voorlopig, mee zullen moeten doen. Partijen zitten nog midden in de afwikkeling van het geregistreerd partnerschap, waardoor de woonsituaties van beide partijen wellicht niet zijn zoals ze deze zelf zouden willen zien. Verder is de man nog bezig met het CBR om zijn rijgeschiktheid te onderzoeken, maar het is niet duidelijk hoelang dit proces zal duren. Zolang er geen uitsluitsel is over de rijgeschiktheid van de man, acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] dat zij in de auto zit als de man rijdt. Dat gezegd hebbende is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij (binnen haar mogelijkheden van haar medische problematiek) de man hierin zoveel mogelijk tegemoetkomt. Dit kan bijvoorbeeld door [minderjarige] op en neer te rijden naar een neutrale plek zoals een kinderboerderij, speeltuin of restaurant. Dit heeft de vrouw al eerder aangeboden, dus de rechtbank gaat ervanuit dat dit aanbod nog steeds staat. Ook moet er gedacht worden aan de inzet van het netwerk van beide ouders. De rechtbank vraagt partijen verder om in onderling overleg zoveel mogelijk te kijken naar wat wel mogelijk is. Hierbij kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan extra contactmomenten op feestdagen en/of verjaardagen.
4.10.
Aangezien de omstandigheden van partijen zulks vergen, treft de rechtbank voor de duur van het geding de hierna te melden voorlopige voorzieningen.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
5.2.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure (bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/03/347938 FA RK 25-2693) een onderzoek in te stellen aangaande de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hierover te rapporteren en te adviseren, welk rapport dient te worden ingebracht in de genoemde bodemprocedure, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
5.3.
bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt:
- [minderjarige] heeft twee keer in de week drie uur een contactmoment met de man;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. Van Binnebeke, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Bouvrie, griffier, op 1 juli 2026.
Tegen deze uitspraak staat voor partijen geen hogere voorziening open.
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/352032 / FA RK 26-1002
Beschikking van 1 juli 2026 betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[de man]
,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. R.J.T. Leijzer;
tegen:
[de vrouw]
,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. B. du Fossé,
hierna ook te noemen partijen.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bij de rechtbank is een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap aanhangig met zaaknummer C/03/347938 / FA RK 25-2693.
1.2.
Uit het geregistreerd partnerschap is geboren het nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] .
[minderjarige] is woonachtig bij de vrouw.
1.3.
De man heeft gevraagd voor de duur van het geding een beslissing te geven over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, verder ook te noemen: een zorgregeling.
1.4.
Op 17 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.
Bij deze behandeling zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
2Het verzoek
2.1.
De man heeft verzocht, bij beschikking voor de duur van het geding en uitvoerbaar bij voorraad:
a. Een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen
inhoudende:
- [minderjarige] zal eenmaal per veertien dagen bij de man verblijven van vrijdag 12.00 uur
tot zondag 18.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] zal brengen en ophalen;
- [minderjarige] zal iedere week op de dinsdag bij de man verblijven van 14.00 uur tot 18.00
uur.
2.2.
Ter onderbouwing heeft de man het volgende aangevoerd. Partijen kunnen geen overeenstemming bereiken over een zorgregeling voor [minderjarige] . Zij zijn al geruime tijd in overleg met elkaar, maar partijen liggen mijlenver uiteen. Gelet op de spanningen tussen partijen acht de man het noodzakelijk dat de rechtbank op korte termijn bovengenoemde voorlopige voorziening zal treffen. De vrouw is van mening dat de man slechts beperkt belastbaar is in verband met niet aangeboren hersenletsel (NAH). De man betwist niet dat er sprake is geweest van hersenletsel, maar dit levert geen enkele belemmering op om de zorg voor [minderjarige] te dragen. De man heeft na de geboorte van [minderjarige] , toen partijen nog bij elkaar woonden, hoofdzakelijk de zorg voor [minderjarige] gedragen. De vrouw was daartoe niet in staat. Het letsel van de man was in ieder geval geen belemmering voor partijen om voor
kinderen te kiezen. De man heeft aan het wantrouwen van de vrouw jegens hem willen werken en heeft een tijdje ingestemd met de door de vrouw voorgestelde zorgregeling. De man mag [minderjarige] twee keer drie uurtjes per week zien, bij de vrouw thuis. De man reist dan ongeveer 330 kilometer om [minderjarige] twee uurtjes te mogen zien. De man is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij een band kan opbouwen met haar vader. De vrouw is van mening dat zij alleen mag beslissen over de (on)geschiktheid van de man in zijn rol als vader. De vrouw ontvangt zelf een WIA-uitkering, is arbeidsongeschikt, en is na de geboorte van [minderjarige] een tijdje amper in staat geweest voor haar te zorgen. De vrouw is van mening dat de man overbelast zou worden, maar anderzijds wel van mening dat de man dusdanig veel kan werken, dat hij, naast kinderalimentatie, ook partneralimentatie zou moeten voldoen. Kennelijk acht de vrouw de man daartoe dan wel weer in staat. Voorts wenst de vrouw niet dat de man autorijdt met [minderjarige] . De man is nimmer ongeschikt verklaard of anderszins een rijverbod opgelegd. De vrouw eist echter dat de man een rijgeschiktheidstest zal doen. Het is onduidelijk waarop de vrouw dit baseert. Tijdens de relatie heeft de man ook altijd autogereden, óók met de vrouw en [minderjarige] .
2.3.
Ter zitting heeft de man nog verder aangevuld dat hij ondanks zijn NAH altijd in staat is geweest om voor [minderjarige] te zorgen. Het doet de man pijn dat de vrouw zich nu zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige] , terwijl dit niet zo was toen ze nog samen waren. De man twijfelt er niet aan dat hij voldoende functioneert om veilig deel te nemen aan het verkeer, maar hij is voor de geruststelling van de vrouw toch de procedure bij het CBR gestart. De huisarts ziet geen belemmeringen en er is geen andere arts geweest die hem heeft gezegd dat hij niet meer zou kunnen of mogen rijden. Op dit moment werkt hij drie dagen in de week, op de dagen dat hij geen contactmoment heeft met [minderjarige] . Hij heeft meer reistijd dan dat hij tijd doorbrengt met [minderjarige] . De huidige regeling kan daarom niet blijven voortduren. Hij voelt zich bovendien gecontroleerd en beperkt doordat het contact alleen bij de vrouw thuis mag plaatsvinden. Er worden allemaal regels aan hem opgelegd door de vrouw en hij voelt zich machteloos. De man woont op dit moment in een zelfstandig appartement van zijn vader. Daar kan hij [minderjarige] ontvangen. Dichterbij [minderjarige] gaan wonen zou het makkelijker maken, maar dat is voor nu geen realistische optie. Door de financiële afwikkeling van de scheiding zijn de financiën beperkt. Ook heeft de vrouw aangegeven te willen verhuizen, dus hij weet ook niet goed waar zij uiteindelijk gaat wonen. De man wil graag een band met [minderjarige] kunnen opbouwen, maar op deze manier lukt dat niet goed.
3Het verweer tevens zelfstandig verzoek
3.1.
De vrouw heeft, bij wege van verweer, verzocht om de verzoeken van de man af te wijzen en, bij wege van zelfstandig verzoek, voor de duur van de scheidingsprocedure bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
de minderjarige [minderjarige] aan de vrouw toe te vertrouwen;
een voorlopige contactregeling tussen de man en de minderjarige [minderjarige] vast te stellen van 2x 3 uurtjes per week bij de vrouw thuis althans een zodanig contact-regeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.
3.2.
Ter onderbouwing heeft de vrouw het volgende aangevoerd. De vrouw begrijpt niet dat de man meent dat de regeling die hij voorstelt in het belang van [minderjarige] is en dat hij tot indiening van dit verzoek is overgegaan. Partijen konden tot voor kort goed overleggen over [minderjarige] in die zin wat voor de man in verband met zijn beperkte belastbaarheid wel of niet haalbaar was in zijn contacten met [minderjarige] . De man heeft door een ongeval in 2020 hersenletsel opgelopen. Hij heeft meerdere onafhankelijke medische en neuropsychologische onderzoeken ondergaan, waaruit blijkt dat hij blijvende cognitieve en emotionele beperkingen heeft. De man is overspannen en dit uit zich, in ieder geval tijdens de relatie, in depressieve klachten, verwaarlozing, suïcidale gedachten en emotie-regulatieproblemen, waaronder agressie en woede-uitbarstingen. De man gebruikte in die periode (en nu - voor zover de vrouw weet nog steeds) zware antidepressiva en had daarnaast antipsychotica medicatie voorgeschreven gekregen. Bij niet aangeboren hersenletsel bestaat er een meldplicht om zich te melden bij het CBR voor het beoordelen van rijvaardigheid. De man heeft dit (nog steeds) niet gedaan. Dit is tijdens de relatie van partijen altijd een groot discussiepunt geweest. Na de verkoop van de echtelijke woning en de verhuizing van de man naar zijn vader in [plaats 3] heeft de man aangegeven dat hij de contactmomenten van twee keer drie uurtjes per week wilde terugbrengen naar twee keer twee uurtjes per week. Dit omdat de reisduur tussen [plaats 3] en [plaats 2] ongeveer twee uur bedraagt en hij dan eerst nog een half uurtje in de auto moet slapen om te recupereren alvorens [minderjarige] te kunnen zien. Drie uurtjes omgang met [minderjarige] in combinatie met een reisduur (heen en weer) van ongeveer vier uur was voor de man te vermoeiend. Daarnaast heeft de vrouw de man de afgelopen maanden meermalen aangeboden om [minderjarige] extra te zien op feestdagen of op zijn verjaardag. De man maakte daar geen gebruik van en gaf daarbij aan dat die extra contacten te belastend voor hem waren. De zorgregeling die de man nu verzoekt gaat ook aanzienlijk verder dan de zorg die hij feitelijk heeft uitgeoefend. De man heeft in de praktijk nooit zelfstandig gedurende een volledig dagdeel voor [minderjarige] gezorgd en evenmin ooit zelfstandig een overnachting met haar gehad. De huidige contactregeling is momenteel het maximaal haalbare. [minderjarige] is na een bezoek van de man vaak uitgeput en uit haar doen. Zij lijkt bij haar vader geen rust te ervaren en veiligheid te missen. De vrouw ziet ook dat het met de man niet goed gaat. Bij aankomst is hij vaak al overprikkeld en bij zijn vertrek ziet hij lijkbleek. Het zou erg helpend zijn als de man dichter bij de vrouw en [minderjarige] komt wonen. De vrouw mist daarnaast ook de betrokkenheid van de man bij [minderjarige] . Zelden informeert hij bij de vrouw over hoe het met [minderjarige] gaat tijdens ziekte of hoe het met haar gaat als de omgang niet goed is verlopen. Ook uitnodigingen om mee te gaan naar het consultatiebureau of huisarts of anderszins worden door hem stelselmatig afgeslagen.
3.3.
Ter zitting heeft de vrouw nog het volgende aangevuld. De man bagatelliseert de beperkingen die zijn NAH opleveren. Voordat de procedure werd gestart was de man eerlijk naar de vrouw toe over zijn (on)mogelijkheden en grenzen. In het kader van de procedure geeft de man nu aan dat hij volledig functioneert en het NAH geen belemmering vormt voor het zorgdragen over [minderjarige] . De veiligheid van [minderjarige] moet echter voorop blijven staan. Los van de zorgen over de rijgeschiktheid van de man, maakt de vrouw zich ook zorgen over de emotieregulatie problematiek waar de man [minderjarige] mee belast tijdens de contactmomenten. Het gedrag van de man is onvoorspelbaar en dit kan zich uiten in verbale agressie. De migraine van de vrouw is onder controle met medicatie en zij is in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] volledig te dragen zonder ondersteuning van haar ouders. Zij kan echter niet langer dan 45 minuten achter elkaar autorijden, want dit triggert de migraine. Het zou voor iedereen makkelijker zijn als de man dichterbij zou komen wonen. De huizenmarkt is lastig, maar gelet op zijn inkomen en het huis op Bonaire dat verkocht kan worden, zou hij dit moeten kunnen realiseren. De vrouw woont op dit moment bij haar ouders, maar is ook op zoek naar een woning voor zichzelf en [minderjarige] . Bij haar ouders thuis heeft de man genoeg ruimte om de contactmomenten met [minderjarige] in te vullen. De vrouw en haar ouders zorgen dan dat zij zich afzonderen en zij zoeken de man ook niet op. Het contact tussen [minderjarige] en de man verliep in het begin moeizaam, maar hier ziet de vrouw de laatste tijd wel vooruitgang in. De hechtingsband tussen de man en [minderjarige] is echter nog groeiende. Het lukt de man niet goed om de emoties van [minderjarige] te reguleren als zij moe is of de man overbelast is. Dan komt de man hulp vragen aan de vrouw of haar ouders. De vrouw gunt de man dat hij een vaderrol voor [minderjarige] kan innemen, maar het belang van [minderjarige] moet daarbij wel centraal staan. De vrouw wil meedenken aan oplossingen. Bij het inzetten van het netwerk moet rekening gehouden worden dat [minderjarige] geen hechtingsband heeft met de ouders van de man. De vrouw vraagt zich bij het gelasten van een raadsonderzoek af wat de Raad precies gaat onderzoeken en of zij genoeg expertise hebben op het gebied van NAH en de impact daarvan op kinderen.
4De vaststellingen en overwegingen
4.1.
Op grond van de artikelen 821 en 828 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan in zaken van ontbinding van het geregistreerd partnerschap ieder van de geregistreerd partners verzoeken om voorlopige voorzieningen te treffen, zoals bedoeld in artikel 822 Rv.
4.2.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van de verzoeken voorop dat voorlopige voorzieningen zijn bedoeld als ordemaatregel voor de duur van de procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap en volstaat daarom met een korte motivering.
De toevertrouwing
4.3.
De vrouw heeft bij zelfstandig verzoek verzocht om voorlopige toevertrouwing van [minderjarige] aan haar. De man voert geen verweer hiertegen. De rechtbank zal dan ook dit zelfstandig verzoek van de vrouw toewijzen, nu ook niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet. [minderjarige] verblijft sinds het uit elkaar gaan van de ouders bij de vrouw, die sindsdien ook het grootste deel van de verzorging draagt. Het uitgangspunt bij de toevertrouwing is om het kind niet te confronteren met meer veranderingen dan nodig is.
Raadsonderzoek in bodemprocedure
4.4.
de rechtbank stelt vast dat bij de man sprake is van complexe medische problematiek in de vorm van niet aangeboren hersenletsel. De man geeft hierover ter zitting aan minimale last van te ervaren en dat dit geen belemmering zou opleveren om voor [minderjarige] te zorgen. De vrouw, die haar eigen medische problematiek heeft in de vorm van migraine, uit zorgen over de belastbaarheid van de man. De rechtbank kan op dit moment onvoldoende overzien wat de medische problematiek van beide ouders betekent voor [minderjarige] . Daarbij komt ook nog kijken dat de man op dit moment op enige afstand woont van [minderjarige] en er zorgen zijn over de rijgeschiktheid van de man, wat de situatie nog ingewikkelder maakt. [minderjarige] is door haar jonge leeftijd volledig afhankelijk van haar opvoeders voor haar verzorging en veiligheid, wat maakt dat er zorgvuldige afweging moet worden gemaakt in wat zij nodig heeft.
4.5.
De rechtbank acht het daarom van belang dat er eerst nader onderzoek wordt verricht naar de behoeften van [minderjarige] en de mogelijkheden in het contact met haar vader. Gelet daarop acht de rechtbank een raadsonderzoek in de bodemprocedure aangewezen om zich nader te laten informeren over de situaties van partijen en [minderjarige] en een onderzoek te laten uitvoeren naar de belangen van [minderjarige] aangaande de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Een onderzoek door de Raad zal tijd vergen en om te voorkomen dat er tijd verloren zal gaan zal de rechtbank daarom nu alvast, vooruitlopend en ten behoeve van de bodemprocedure, de Raad verzoeken om onderzoek te verrichten en een rapport uit te brengen.
4.6.
Het rapport van de Raad moet worden ingediend in de bodemprocedure met zaaknummer C/03/347938 / FA RK 25-2693.
De verdeling van de zorg- en de opvoedingstaken
4.7.
De rechtbank ziet in de huidige situatie geen mogelijkheid om vooruitlopend op het onderzoek van de Raad een voorlopige zorgregeling vast te leggen in de vorm zoals deze verzocht is door de man, waardoor dit verzoek zal worden afgewezen. De rechtbank zal wel het zelfstandig verzoek van de vrouw gedeeltelijk toewijzen door een contactregeling vast te stellen van twee maal drie uur per week. De rechtbank zal echter, anders dan de vrouw heeft verzocht, niet bepalen dat het contact steeds bij haar thuis dient plaats te vinden. De rechtbank legt hierna uit waarom.
4.8.
Er is op dit moment sprake van een onderling afgesproken regeling waarbij de man twee keer per week drie uren contact heeft met [minderjarige] bij de vrouw thuis. Die contact-momenten vinden steeds bij de vrouw thuis plaats vanwege de zorgen van de vrouw over de belastbaarheid en de rijgeschiktheid van de man. De vrouw wil om veiligheidsoverwegingen niet dat [minderjarige] bij de man in de auto zit, waardoor de man [minderjarige] niet ergens mee naar toe kan nemen. Hij kan te voet met haar op pad gaan in de omgeving van de woning. De beleving van partijen over hoe de huidige regeling verloopt verschilt enorm van elkaar. De man vindt de contactmomenten in het huis van zijn schoonouders (waar de vrouw op dit moment inwoont) zeer belastend, waarbij hij zich bekeken en gecontroleerd voelt. Op loopafstand van de woning is niet veel te doen voor kinderen en wandelen is alleen mogelijk als het weer dit toelaat. De vrouw geeft aan dat de man alle ruimte heeft met [minderjarige] zowel binnenshuis als buiten in de tuin, en dat zij en haar ouders zich afzonderen als de man er is. Ook heeft zij naar eigen zeggen meermaals aangeboden om [minderjarige] te brengen naar de kinderboerderij of een restaurant, zodat de man daar tijd met haar kan doorbrengen. De rechtbank ziet op dit moment onvoldoende aanleiding waarom de contactmomenten enkel bij de vrouw thuis zouden kunnen plaatsvinden en zal dit daarom ook niet als zodanig vastleggen. De rechtbank gaat ervanuit dat de man, in het belang van [minderjarige] , eerlijk is en blijft over de grenzen van zijn belastbaarheid tijdens en rondom de contactmomenten met [minderjarige] . De veiligheid van [minderjarige] is (ook) zijn verantwoordelijkheid.
4.9.
Zoals eerder overwogen onder 4.4. is er naar het oordeel van de voorzieningen-rechter sprake van een gecompliceerde situatie die nader onderzocht moet worden. In afwachting van dit onderzoek verwacht de rechtbank een bepaalde mate van flexibiliteit en creativiteit van beide ouders. De ouders hebben nu eenmaal, wetende van hun beperkte belastbaarheid, bewust gekozen voor een kind. Het is de verantwoordelijkheid van de ouders samen om ervoor te zorgen dat [minderjarige] zo min mogelijk last ervaart van de ontstane situatie. De reisafstand en de onduidelijkheid over de rijgeschiktheid van de man zijn nu eenmaal factoren waar de ouders het, in ieder geval voorlopig, mee zullen moeten doen. Partijen zitten nog midden in de afwikkeling van het geregistreerd partnerschap, waardoor de woonsituaties van beide partijen wellicht niet zijn zoals ze deze zelf zouden willen zien. Verder is de man nog bezig met het CBR om zijn rijgeschiktheid te onderzoeken, maar het is niet duidelijk hoelang dit proces zal duren. Zolang er geen uitsluitsel is over de rijgeschiktheid van de man, acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] dat zij in de auto zit als de man rijdt. Dat gezegd hebbende is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij (binnen haar mogelijkheden van haar medische problematiek) de man hierin zoveel mogelijk tegemoetkomt. Dit kan bijvoorbeeld door [minderjarige] op en neer te rijden naar een neutrale plek zoals een kinderboerderij, speeltuin of restaurant. Dit heeft de vrouw al eerder aangeboden, dus de rechtbank gaat ervanuit dat dit aanbod nog steeds staat. Ook moet er gedacht worden aan de inzet van het netwerk van beide ouders. De rechtbank vraagt partijen verder om in onderling overleg zoveel mogelijk te kijken naar wat wel mogelijk is. Hierbij kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan extra contactmomenten op feestdagen en/of verjaardagen.
4.10.
Aangezien de omstandigheden van partijen zulks vergen, treft de rechtbank voor de duur van het geding de hierna te melden voorlopige voorzieningen.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
5.2.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure (bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/03/347938 FA RK 25-2693) een onderzoek in te stellen aangaande de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hierover te rapporteren en te adviseren, welk rapport dient te worden ingebracht in de genoemde bodemprocedure, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
5.3.
bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt:
- [minderjarige] heeft twee keer in de week drie uur een contactmoment met de man;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. Van Binnebeke, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Bouvrie, griffier, op 1 juli 2026.
Tegen deze uitspraak staat voor partijen geen hogere voorziening open.