Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:6672
Inhoudsindicatie
Beroep tegen een omgevingsvergunning voor het realiseren van een appartementencomplex op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo. Verweerder is hiervoor twee keer binnenplans afgeweken van het bestemmingsplan namelijk in verband met de bouwhoogte (bestemming wonen) en bouwen (ter plaatse van de vrijewaringszone-molenbiotoop). Volgens de rechtbank handelen eisers in strijd met de goede procesorde door twee weken voor de zitting nog een (technisch) rapport in te dienen. Van de door eisers gestelde schijn van vooringenomenheid / belangenverstrengeling door verweerder is volgens de rechtbank geen sprake. Voor het afwijken van de bouwhoogte volgt de rechtbank verweerder dat de warmtepompunits op het dak van het bouwplan ondergeschikte bouwonderdelen zijn en dus bij de berekening van de bouwhoogte terecht buiten beschouwing zijn gelaten. De rechtbank volgt eisers dus niet in hun beroepsgrond dat hier de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. De uov is ook niet aan de orde volgens de rechtbank ten aanzien van het afwijken van het bestemmingsplan in verband met de molenbiotoop. Verweerder heeft daarbij de juiste formule in het bestemmingsplan toegepast en heeft zich daarbij mogen baseren op een deskundigenrapport (windvangonderzoek / referentiesituatie). Van strijd met de goede ruimtelijke ordening is geen sprake en van onevenredige aantasting van de windvang van de molen van eisers ook niet. De beroepsgrond over het niet verlenen van een aanlegvergunning (inrichtingsplan) slaagt niet. Dat is wel het geval voor de beroepsgrond over het niet vergoeden van de proceskosten in bezwaar omdat het primaire besluit herroepen had moeten worden. Daarom is het beroep gegrond en volgt er een vergoeding van proceskosten / griffierecht. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wijst de rechtbank toe.
Citeert (15)
- ECLI:NL:RVS:2024:1614 Raad van State 17-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2026:1922 Raad van State 08-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2021:2484 Raad van State 10-11-2021
- ECLI:NL:RVS:2016:2054 Raad van State 20-07-2016
- ECLI:NL:RVS:2018:2702 Raad van State 15-08-2018
- ECLI:NL:RVS:2022:1015 Raad van State 06-04-2022
- ECLI:NL:RVS:2025:3708 Raad van State 06-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2021:633 Raad van State 24-03-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2021:7291 Rechtbank Amsterdam 14-12-2021
- ECLI:NL:RVS:2022:1090 Raad van State 13-04-2022
- ECLI:NL:RVS:2020:941 Raad van State 01-04-2020
- ECLI:NL:RVS:2022:3223 Raad van State 09-11-2022
- ECLI:NL:RVS:2020:451 Raad van State 12-02-2020
- ECLI:NL:RVS:2024:4909 Raad van State 18-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2026:2880 Raad van State 20-05-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (76.309 tekens)
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23 / 1590
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. R.J.J.M.M. Metsemakers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Chahl).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Bouwbedrijven Jongen B.V., vergunninghouder
(gemachtigde: mr. J.L. Stoop)
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een appartementencomplex en parkeervoorziening aan de [adres 1] tot en met [adres 2] in [plaats 1] .
Eisers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 1 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers deels gegrond verklaard en het primaire besluit met aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 10 februari 2026 hebben eisers een aanvullende reactie op het verweerschrift ingediend alsmede een technische notitie van 9 februari 2026 door EAGM B.V. Eisers hebben ook een verzoek gedaan om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Op 13 februari 2026 hebben verweerder en vergunninghouder een nadere reactie ingediend. Eisers hebben daarop op 13 februari 2026 gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Eisers zijn verschenen met hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [gemachtigde 1] van [naam B.V.] (hierna: [naam B.V.] ). Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouder waren ook aanwezig [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] .
Totstandkoming van het bestreden besluit
Inleiding
1. Vergunninghouder heeft op 30 juni 2021 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een appartementencomplex en parkeervoorziening aan de [adres 1] tot en met [adres 2] in [plaats 1] (hierna ook: het bouwplan). De aanvraag ziet op de activiteit ‘bouwen’, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verweerder heeft de aanvraag mede aangemerkt als aanvraag voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aangevraagde vergunning voor beide activiteiten verleend. Voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ is verweerder afgeweken van het vigerende bestemmingsplan ‘Woongebieden 2019’, door de raad vastgesteld op 11 maart 2020, (hierna: het bestemmingsplan) en de daarin opgenomen bouwregels die gelden voor de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’ vanwege de ligging van de [naam molen] Molen aan de [adres 3] in [plaats 2] . Het gaat daarbij specifiek om het voorschrift uit artikel 36.9.2 van het bestemmingsplan, waarin is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’ niet mag worden gebouwd voor zover de windvang van de molen daardoor niet in onevenredige mate wordt aangetast en waarbij het uitgangspunt geldt dat de optimale windvang tot maximaal 5% mag worden beperkt. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat de hoogte van het voorliggende bouwplan hieraan niet voldoet vanwege de bouwhoogte van 13,2 meter, die maakt dat de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwhoogte van maximaal 7,24 boven maaiveld voor de molenbiotoop (berekend met de biotoopformule van de bijlage bij het bestemmingsplan) met 5,96 meter wordt overschreden.
3. Voor de voornoemde afwijking van het bestemmingsplan heeft verweerder gebruik gemaakt van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen in artikel 36.9.3 van de planregels. Daarin is - voor zover van belang - opgenomen dat verweerder met een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 36.9.2. voor het oprichten van bebouwing tot een grotere bouwhoogte dan bepaald in dat artikel, mits vooraf de vereniging De Hollandse Molen, Molenstichting Limburg, Molenstichting Weerterland of diens opvolger om advies is gevraagd. Verweerder heeft de adviezen opgevraagd en heeft daarbij, ondanks negatieve adviezen van de Vereniging De Hollandse Molen en de Molenstichting Weerterland, besloten om met toepassing van deze binnenplanse bevoegdheid van de in het bestemmingsplan opgenomen bouwhoogte voor de molenbiotoop af te wijken. Verweerder heeft de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wabo in combinatie met artikel 36.9.3 van het bestemmingsplan (binnenplanse afwijking).
Het bestreden besluit
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
4.1.
Verweerder heeft onder meer de motivering gewijzigd en aangevuld ten aanzien van de afwijking van de planregels over de maximaal toegestane bouwhoogte binnen de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’. Hij heeft in dat kader opdracht aan [naam B.V.] verstrekt voor het uitvoeren van een windvanganalyse in de vorm van een windtunnelonderzoek en heeft advies opgevraagd aan de Vereniging De Hollandsche Molen, Molenstichting Limburg en Molenstichting Weerterland. Verweerder heeft vervolgens aanvullend beoordeeld in hoeverre op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wabo (binnenplans) van de maximale bouwhoogte van 7,24 meter kan worden afgeweken die uit de planregels volgt voor de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’. Met het windtunnelonderzoek van [naam B.V.] is, op basis van metingen en jaargemiddelde windsnelheden, onderzoek gedaan naar de invloed van de realisatie van de nieuwbouwplannen, waaronder het onderhavige bouwplan, op de windvang van de molen. Op grond van dit onderzoek en het daarover opgemaakte rapport van 16 september 2022, zoals aangepast in februari 2023, (hierna: het rapport van [naam B.V.] ) heeft verweerder geconcludeerd dat de windvang van de molen door het bouwplan niet in onevenredige mate wordt aangetast en dat het bouwplan binnen de marge van 5% blijft die geldt voor de bouwregels binnen de molenbiotoop op grond van (artikel 36.9.2 van) het bestemmingsplan. Verweerder heeft zich daarom bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de afwijking van de maximaal toegestane bouwhoogte, wat betreft de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
4.2.
Verder heeft verweerder de bouwhoogte van het bouwplan bij het bestreden besluit aanvullend getoetst aan de planregels die gelden voor de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte binnen de bestemming ‘Wonen’. Verweerder heeft geconstateerd dat het bouwplan in strijd is met artikel 21.2.2., onder f, van het bestemmingsplan, vanwege de bouwhoogte van 13,2 meter en de maximaal toegestane bouw- en goothoogte van 12 meter. Hij daarbij de 17 buitenunits voor de warmtepomp niet meegerekend omdat hij zich bij het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat deze moeten worden aangemerkt als ondergeschikte bouwonderdelen als bedoeld in artikel 2.2. van het bestemmingsplan. Op grond daarvan heeft verweerder zich bij het bestreden besluit aanvullend op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 37.1 van de planregels van de maximale toegestane bouw- en goothoogte van 12 meter kan worden afgeweken omdat de overschrijding niet meer dan 10% bedraagt. Volgens hem wordt door deze afwijking geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 37.4 van de planregels en is het bouwplan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ bij het bestreden besluit verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wabo in combinatie met artikel 37.1 van het bestemmingsplan (binnenplanse afwijking).
Situatie
5. Eisers zijn eigenaren van de voormelde [naam molen] Molen (hierna: de molen). De molen is op ca. 167 meter afstand gelegen van het onderhavige bouwplan (Appartementen [naam 1] ). Op ca. 200 meter van de molen en links naast het onderhavige bouwplan ligt ook het reeds vergunde project voor het bouwen van de Woningen [naam 2] . Met de bouw van dit project is gestart na vaststelling van het bestemmingsplan. Verder is tussen de molen en beide bouwlocaties bebouwing gelegen en is voor de onderhavige zaak van belang dat sprake is van een overheersende windrichting zuid/zuidwest, dus in de richting van de molen vanuit het bouwplan. Voor de feitelijke situatie verwijst de rechtbank naar onderstaande overzichtsfoto, zoals opgenomen op pagina 4 van het rapport van [naam B.V.] .
Beoordeling door de rechtbank
Standpunt eisers
6. Eisers voeren in beroep onder meer aan dat door de handelwijze van verweerder sprake is van schijn van vooringenomenheid en schijn van belangenverstrengeling, waardoor het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 2.4 en 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook stellen eisers dat sprake is van een onjuiste beoordeling en grondslag voor de afwijking van de bouwhoogte voor de bestemming ‘wonen’ en dat verweerder niet van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, waardoor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (hierna: UOV) van toepassing was. Verder voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege de gebiedsaanduiding ‘molenbiotoop’ en dat het belang van behoud en bescherming van de molen onvoldoende bij de beoordeling is betrokken. De afweging van verweerder is volgens eisers in strijd is met het ruimtelijk beleid over bescherming van de molen, waaronder het molenconvenant en de structuurvisie. Eisers bestrijden in dat kader ook het rapport van [naam B.V.] dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt en stellen dat de windvang voor de molen door het bouwplan in onevenredige mate wordt aangetast. Daardoor is niet voldaan aan de bouwregels van het bestemmingsplan die gelden voor de molenbiotoop. Het rapport van [naam B.V.] is daarnaast volgens eisers gebrekkig, omdat sprake is van een onvolledige en onjuiste interpretatie van de optimale windvang en omdat de uitgangspunten over de gehanteerde referentiesituatie onjuist zijn. Eisers hebben daartoe op 10 februari 2026 de ‘Technische notitie windvang [naam molen] ’ van EAGM B.V. van 9 februari 2026 (hierna: de contra-expertise) aan de rechtbank gezonden. Eisers vinden daarom dat verweerder ook niet van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor de molenbiotoop gebruik heeft kunnen maken en dat ook hiervoor de UOV van toepassing was. Voorts stellen eisers dat een aanlegvergunning voor het inrichtingsplan ontbreekt en dat verweerder heeft nagelaten een compensatieplan vast te stellen vanwege de vermindering van de windvang voor de molen als gevolg van het bouwplan. Tot slot stellen eisers dat verweerder ten onrechte geen vergoeding van de proceskosten heeft toegekend in bezwaar en vragen zij een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt verweerder
6.1.
Verweerder is in het verweerschrift bij het standpunt gebleven dat verweerder ten aanzien van de bouwhoogte gebruik heeft kunnen van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden voor de bestemming ‘wonen’ en de gebiedsaanduiding ‘molenbiotoop’ en dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In de nadere reactie van 13 februari 2026 geeft verweerder nog aan dat er wat de referentiesituatie betreft wordt aangesloten bij de feitelijke situatie zoals die was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan (23 juli 2020) en dat die ongewijzigd is ten opzichte van de feitelijke situatie direct voorafgaand aan het vergunnen van het bouwplan. Voorts is in verband met de toepassing van de artikelen 36.9.2 en 39.9.3 van het bestemmingsplan ten aanzien van de windreductie van 5% de formule gehanteerd, zoals opgenomen in de bijlage ‘Molenbiotoop’ bij het bestemmingsplan.
Standpunt vergunninghouder
6.2.
Vergunninghouder heeft gereageerd op het standpunt van eisers en in zijn reactie van 13 februari 2026 geeft hij onder andere aan dat het overleggen van de contra-expertise in strijd is met de goede procesorde.
Omvang geschil
7. In geschil is met name of de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ vanwege de bouwhoogte in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank moet beoordelen of verweerder met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het gaat daarbij enerzijds om de binnenplanse afwijking van de maximum bouw- en goothoogte van
12 meter voor de bestemming ‘Wonen’ en anderzijds om de afwijking die ziet op de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’. Eisers vinden dat verweerder niet van deze binnenplanse afwijkingsbevoegdheden gebruik heeft mogen maken, omdat daarvoor de UOV moest worden toegepast.
7.1.
Voordat de rechtbank hier inhoudelijk op ingaat (onder 11 t/m 12.11), wordt na het toetsingskader (onder 8 t/m 8.2) eerst geoordeeld over de goede procesorde in verband met de door eisers overgelegde contra-expertise (onder 9 t/m 9.2) en de door eisers aangevoerde schijn van vooringenomenheid en belangenverstrengeling (onder 10 t/m 10.3). Daarna worden de overige beroepsgronden behandeld: over het ontbreken van een aanlegvergunning voor het inrichtingsplan (onder 13 en 13.1), het niet overgaan tot compensatie (onder 14 en 14.1), de proceskostenvergoeding in bezwaar (onder 15 t/m 15.2) en het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn (onder 16 t/m 16.5). Voor de conclusie en gevolgen verwijst de rechtbank naar 17 t/m 17 .2.
Toetsingskader
8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat voor die datum de aanvraag voor de onderhavige omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met aanverwante wetgeving nog van toepassing. Dat volgt uit artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
8.1.
Voor de beoordeling acht de rechtbank de regels (wetgeving en bestemmingsplan) van belang, zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
8.2.
Verweerder mag slechts van het bestemmingsplan afwijken als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het bestuursorgaan komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Goede procesorde: de contra-expertise
9. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep, gaat de rechtbank in op de door eisers op 10 februari 2026 overgelegde contra-expertise. Vergunninghouder heeft zich op het standpunt gesteld dat het indienen van de contra-expertise vanwege de korte tijd voor de zitting, waardoor er geen diepgaande zinvolle reactie ter zitting kan plaatsvinden, en het eerdere tijdsverloop in strijd is met de goede procesorde. Verweerder heeft hierover ter zitting ook naar voren gebracht dat het door het late tijdstip van indiening niet mogelijk was om voorafgaand aan de zitting goed te reageren op de (technische aspecten van de) contra-expertise.
9.1.
Op grond van artikel 8:58 van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Het indienen van stukken voor het begin van die tiendagentermijn kan echter ook in strijd zijn met de goede procesorde. Dat is het geval als die stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd.
9.2.
Eisers hebben vijftien dagen voor de zitting een rapport ingebracht met nieuwe technische punten over het uitgevoerde windtunnelonderzoek van [naam B.V.] , die zij in beroep niet eerder hebben aangevoerd. Het betreft onder andere de gehanteerde jaargemiddelde windsnelheden voor alle windrichtingen en het wegmiddelen van effecten (zie 4.2 t/m 7 van de contra-expertise). De rechtbank ziet, zoals ter zitting besproken, aanleiding om de contra-expertise wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten, voor zover het gaat om deze nieuwe technische punten. Gelet op de specifieke deskundigheid die nodig is om hier adequaat op te reageren, acht de rechtbank de termijn van vijftien dagen voor de zitting onredelijk kort voor het inbrengen van deze nieuwe technische punten. Voorts is niet gebleken dat eisers deze technische punten niet veel eerder naar voren hebben kunnen brengen. De rechtbank verwijst in dit verband naar vergelijkbare zaken in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), die hier naar het oordeel van de rechtbank onverkort van toepassing is. De rechtbank zal in deze uitspraak daarom alleen ingaan op de door eisers ingebrachte contra-expertise (zie 4.1 van de contra-expertise), voor zover die gaat over het reeds in beroep aangevoerde standpunt over de referentiesituatie in relatie tot de inwerkingtreding van het bestemmingsplan / de ten tijde van het windtunnelonderzoek van [naam B.V.] al dan niet aanwezige bebouwing ter plaatse.
Schijn van vooringenomenheid / belangenverstrengeling
10. Eisers stellen zich op het standpunt dat in de voorfase van het bouwplan sprake is geweest van schijn van vooringenomenheid bij verweerder. De schijn van vooringenomenheid blijkt volgens eisers uit de voorgeschiedenis die heeft geleid tot het primaire besluit en de feitelijke gang van zaken rondom het bestreden besluit. Volgens eisers blijkt daaruit namelijk dat het college er alles aan gelegen is om het bouwplan te realiseren ondanks - door eisers gestelde - onzorgvuldigheden in de besluitvorming. Eisers wijzen daarbij onder meer op de procesrechtelijke houding van verweerder inzake de weigering van informatieverzoeken en op het feit dat verweerder een termijn van acht maanden nodig heeft gehad voor het opstellen van een windvanganalyse en voorafgaand aan het primaire besluit eisers twee weken heeft gegeven om een advies uit te brengen over het bestreden bouwplan. Ook wijzen eisers op eerdere verzoeken om intrekking van omgevingsvergunningen uit 2003 voor kantoorgebouwen. Verweerder heeft die intrekking in eerste instantie geweigerd en later, na het rapport van [naam B.V.] , alsnog ingewilligd omdat intrekking van die omgevingsvergunningen volgens eisers gunstiger is gebleken voor verweerder bij de berekening van de verminderde windvang voor de molen. Verder voeren eisers aan dat sprake is van schijn van belangenverstrengeling en het bestreden besluit in strijd is met artikel 3.2 van de Awb, omdat geen sprake is van een onafhankelijk en objectief onderzoek. Volgens eisers blijkt dat uit het feit dat [naam B.V.] reeds voorafgaand aan het bestreden besluit advies heeft uitgebracht aan Jongen Projectontwikkeling over de invloed van het bouwplan voor de Stadsbruglocatie (zie foto onder 5) op de windvang voor de molen en dat dezelfde adviseur vervolgens in opdracht van verweerder een windvanganalyse onderzoek heeft uitgevoerd in het kader van het onderhavige bouwplan. Eisers verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2021.
10.1.
Verweerder is in het verweerschrift bij het standpunt gebleven dat met het onderzoek van [naam B.V.] sprake is van een onafhankelijk, deskundig en zorgvuldig windtunnelonderzoek, dat hij aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verder stelt verweerder dat geen sprake is van schijn van belangenverstrengeling, omdat [naam B.V.] een integer adviesbureau is met specifieke deskundigheid en door de betreffende deskundige een objectief onderzoek heeft plaatsgevonden.
10.2.
Het verbod van vooringenomenheid is neergelegd in artikel 2:4 van de Awb. De rechtbank stelt voorop dat de strekking van dit verbod niet is om een bestuursorgaan ervan te weerhouden vanuit bepaalde beleidskeuzes te werken. Het gaat erom dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. De overheid is dus gehouden de nodige objectiviteit te betrachten en mag zich niet laten leiden door vooringenomenheid. Eisers hebben enkel aangevoerd dat verweerder er alles aan gelegen is om het bouwplan te vergunnen zonder dat zij daarbij feiten of omstandigheden hebben aangevoerd waaruit blijkt dat sprake zou zijn geweest van oneigenlijke beïnvloeding van de besluitvormingsprocedure of vooringenomenheid ten aanzien van het bestreden besluit. Het enkele feit dat eisers het niet eens zijn met de gang van zaken rondom de informatieverzoeken en de gehanteerde termijnen voorafgaand aan het primaire besluit, maakt volgens de rechtbank niet dat verweerder zich bij het bestreden besluit zou hebben laten leiden door vooringenomenheid. Ook de enkele omstandigheid dat eisers het onbegrijpelijk vinden dat de verleende omgevingsvergunningen voor de kantoorgebouwen nabij de molen, ondanks de eerdere weigering die in te trekken, alsnog zijn ingetrokken, maakt dat niet dat sprake is van vooringenomenheid. Mocht een dergelijk verband tussen de afweging om (uiteindelijk) tot intrekking van die omgevingsvergunningen over te gaan en de omgevingsvergunning voor het onderhavige bouwplan al bestaan, hetgeen eisers niet hebben onderbouwd, dan betekent dat naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder in het kader van dit bouwplan de betrokken belangen oneigenlijk zou hebben behartigd. Van beïnvloeding door persoonlijke belangen of voorkeuren is niet gebleken. Bovendien hadden eisers tegen de intrekking van de vergunningen, als zij het daarmee oneens waren, rechtsmiddelen kunnen aanwenden. De rechtbank ziet evenmin grond om aan te nemen dat eisers door die intrekking zijn benadeeld. Die heeft namelijk juist tot gevolg dat deze dichter bij de molen gelegen bouwplannen niet meer gerealiseerd kunnen worden. Die omstandigheid komt op zichzelf de windvang van de molen, waar het eisers om te doen is, ten goede. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10.3.
De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3.2 van de Awb vanwege de schijn van belangenverstrengeling. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, dient het bestuursorgaan ingevolge artikel 3:2 van Awb de relevante feiten vast te stellen en de nodige kennis te vergaren over de af te wegen belangen. Daartoe hoeft het echter niet zelf het benodigde onderzoek te doen, maar kan het bestuursorgaan gebruik maken van onderzoek door derden, mits het zich ervan vergewist dat het uitgevoerde onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt dat verweerder dat heeft gedaan en ziet geen grond om te concluderen dat vanwege het door [naam B.V.] uitgevoerde windtunnelonderzoek ten aanzien van het bouwplan sprake is van schijn van belangen-verstrengeling. Niet is gebleken dat het eerdere onderzoek van [naam B.V.] van 21 januari 2022, waarnaar eisers verwijzen, direct verband houdt met het bestreden besluit en het rapport van [naam B.V.] dat daaraan ten grondslag ligt. Beide onderzoeken zijn namelijk weliswaar door [naam B.V.] , maar door andere deskundigen en in het kader van een andere onderzoeksvraag uitgevoerd. Het eerdere onderzoek van [naam B.V.] ziet immers niet op de invloed van het onderhavige bouwplan op de windvang voor de molen, maar gaat specifiek en uitsluitend over de invloed van de (naastgelegen) ontwikkeling Stadsbruglocatie op de windvang van de molen. Dit onderzoek is niet in opdracht van verweerder uitgevoerd maar in opdracht van Jongen Projectontwikkeling in het kader van een ander specifiek bouwplan. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling waarnaar eisers verwijzen, staat het in dit geval dus niet vast dat eenzelfde medewerker of deskundige betrokken is geweest bij een eerder uitgevoerd onderzoek dat verband heeft gehouden met (de voorbereiding van) het bestreden besluit. Uit de enkele omstandigheid dat [naam B.V.] eerder advies heeft uitgebracht aan de initiatiefnemer over de windvang van de molen in het kader van het specifieke bouwplan voor de Stadsbruglocatie, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld bij de beoordeling van het onderhavige bouwplan of dat het windtunnelonderzoek en het rapport van [naam B.V.] in dat verband niet onafhankelijk of objectief zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10.4.
Onder 12.5 t/m 12.10 beoordeelt de rechtbank inhoudelijk of verweerder het rapport van [naam B.V.] aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen.
Afwijking bouwhoogte bestemming ‘Wonen’
11. Eisers voeren aan dat de afwijkende bouwhoogte binnen de bestemming ‘Wonen’ bij het bestreden besluit ten onrechte is vergund op grond van de in (artikel 37.1, onder a, van) de planregels neergelegde afwijkingsbevoegdheid (binnenplanse afwijking). De feitelijke bouwhoogte is volgens eisers hoger dan 13.2 meter vanwege de buitenunits voor de warmtepomp, die 60 centimeter boven de dakrand uitsteken. Volgens eisers heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat de buitenunits voor de warmtepomp zijn aan te merken als een ondergeschikt bouwonderdeel als bedoeld in artikel 2.2 van de planregels, die op grond daarvan niet hoeven te worden meegerekend voor het bepalen van de bouwhoogte. Eisers wijzen er daarbij op dat volgens vaste jurisprudentie dergelijke warmtepompunits worden aangemerkt als vergunningplichtige bouwwerken en dat deze niet in het kader van de toets aan artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo buiten beschouwing worden gelaten als deze zich hoger dan 1 meter boven de grond bevinden. Ook vinden eisers dat de buitenunits naar aard en omvang ruimtelijke effecten hebben en dat deze niet als een met een schoorsteen of antenne gelijk te stellen bouwonderdeel zijn aan te merken als bedoeld in artikel 2.2. van het bestemmingsplan. Eisers wijzen daarbij ook op regels over de akoestische grenswaarden uit het Bouwbesluit die gelden voor warmtepompunits. Verweerder heeft de buitenunits volgens eisers daarom ten onrechte niet meegerekend en had volgens eisers moeten uitgaan van een bouwhoogte van 13,8 meter. Verweerder had om die reden volgens eisers voor deze afwijking de UOV, althans een buitenplanse afwijkingsprocedure, moeten volgen. Eisers vinden in dat verband ook dat de warmtepompunits onderdeel zijn van het hoofdgebouw en niet kunnen worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk, waardoor verweerder volgens hen evenmin gebruik kon maken van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4 onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) (de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid op grond van de zogenoemde kruimelgevallenregeling) maar het plan alleen kon worden vergund met de UOV. Het bestreden besluit is om die reden volgens eisers in strijd met artikel 3.2 van de Awb, artikel 7.12 van de Awb en artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo genomen.
11.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit de ter zitting bekeken en besproken bouwtekeningen is gebleken dat de warmtepompunits 60 centimeter boven de dakrand uitsteken. Partijen zijn het er hierdoor ook over eens dat de feitelijke bouwhoogte, zonder warmtepompunits, 13,2 meter bedraagt. De rechtbank ziet geen grond om niet uit te gaan van 60 centimeter boven de dakrand en daarmee van een (minimale) bouwhoogte van 13,8 meter als de warmtepompunits worden meegerekend. Het geschil over de warmtepompunits spitst zich toe op de vraag of verweerder de bouwhoogte van het bouwplan op de juiste wijze heeft vastgesteld door de warmtepompunits bij de berekening van de bouwhoogte buiten beschouwing te laten op grond van artikel 2.2 van het bestemmingsplan. Daarin is bepaald dat de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten wordt vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Partijen verschillen van mening over de vraag of van een dergelijke uitzondering sprake is en of de warmtepompunits als ondergeschikte bouwonderdelen kunnen worden aangemerkt.
11.2.
De rechtbank volgt verweerder en is van oordeel dat de warmtepompunits kunnen worden aangemerkt als ondergeschikte bouwonderdelen, zodat verweerder deze bij het bepalen van de (overschrijding van de) bouwhoogte terecht buiten beschouwing heeft gelaten. Verweerder heeft daarbij verwezen naar rechtspraak van de Afdeling, waaruit (naar analogie) geconcludeerd kan worden dat een unit voor een airco of warmtepomp naar aard als een met een schoorsteen of antenne gelijk te stellen bouwonderdeel kan worden gezien, waardoor deze aangemerkt kan worden als onderschikt bouwonderdeel als bedoeld in (een gelijkluidende bepaling van) het bestemmingsplan. Dat het in dit geval om 17 units gaat, doet daar niet aan af. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in artikel 2.2 van de planregels geen maximale omvang of hoeveelheid van ondergeschikte bouwdelen is opgenomen. Eisers hebben ook geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou volgen dat de betreffende warmtepompunits in dit geval vanwege de omvang of hoeveelheid daarvan, niet als ondergeschikte bouwonderdelen zouden kunnen worden aangemerkt. Gelet juist op de beperkte omvang / hoogte van de warmtepompunits in verhouding gezien tot de omvang / hoogte van het bouwplan als geheel en met name het totale dakoppervlak (zoals ter zitting op basis van de bouwtekeningen bekeken en besproken), is de rechtbank van oordeel dat deze units ondergeschikte onderdelen zijn / verweerder deze als zodanig heeft kunnen aanmerken. In de verwijzing door eisers naar de rechtspraak ziet de rechtbank geen grond om tot een ander oordeel te komen. In die rechtspraak wordt namelijk geen oordeel gegeven over de vraag of en in welke gevallen een warmtepompunit al dan niet kan worden aangemerkt als ondergeschikt bouwonderdeel als bedoeld in het bestemmingsplan, maar alleen over de vraag of warmtepompunits kunnen worden aangemerkt als vergunningplichtige bouwwerken en of vanwege geluidhinder daarvan sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. De stelling van eisers dat de warmtepompunits onderdeel zijn van het hoofdgebouw en vergunningplichtig zijn voor de activiteit ‘bouwen’, mede vanwege de ruimtelijke effecten daarvan en regels die gelden uit het Bouwbesluit over de akoestische grenswaarden, maakt niet dat verweerder niet binnenplans heeft kunnen afwijken van het bestemmingsplan. De activiteit ‘bouwen’ is immers niet in geschil en is door verweerder eveneens vergund met een specifiek voorschrift voor het voorkomen van geluidhinder door de warmtepompen. De regels uit het Bouwbesluit en de door eisers aangehaalde vergunningplicht voor ‘bouwen’ houden bovendien geen direct verband met de vraag of verweerder de warmtepompunits had moeten betrekken bij de vaststelling van de (overschrijding van de) bouwhoogte voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ vanwege de kwalificatie als ondergeschikt bouwonderdeel als bedoeld in het bestemmingsplan. Eisers hebben verder ook geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waarmee zij hebben aangevoerd of onderbouwd dat het bouwplan vanwege de warmtepompunits in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank ziet daarin dan ook geen grond om te concluderen dat verweerder vanwege de warmtepompunits niet binnenplans heeft kunnen afwijken van de maximale bouwhoogte ten aanzien van de bestemming wonen in het bestemmingsplan. Daarom was ook geen UOV nodig. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Afwijking bouwhoogte in verband met de molenbiotoop: onevenredige aantasting van de windvang van de molen?
12. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor de bouwhoogte die geldt voor de molenbiotoop op grond van de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’ in het bestemmingsplan.
Volgens eisers was hiervoor de UOV van toepassing, nu zij bestrijden dat voldaan wordt aan de bouwregels van het bestemmingsplan. Ten eerste vinden eisers dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste interpretatie van het begrip ‘optimale windvang’ als bedoeld in het bestemmingsplan. Eisers bestrijden voorts het rapport van [naam B.V.] dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt en stellen dat de windvang voor de molen door het bouwplan in onevenredige mate wordt aangetast. Verder voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het belang van de aanduiding, die volgens hen blijkens de bedoeling van de planwetgever is gericht op instandhouding en bescherming van de monumentale molens als onderdeel van het cultureel erfgoed van de gemeente, heeft verweerder onvoldoende in de besluitvorming betrokken. Eisers wijzen in dat verband ook naar het ruimtelijk beleid, waaronder het Molenconvenant tussen de gemeente en de Molenstichting Limburg en de Molenstichting Weerterland van 12 december 2008 (hierna: het molenconvenant), de Structuurvisie Weert 2025 (hierna: de structuurvisie) en de Visie Centrum Noord, waarin regels zijn neergelegd ter bescherming, behoud en verbetering van de molenbiotopen. Omdat het vergunde bouwplan de bouwhoogte binnen de geldende ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’ overschrijdt, is het plan volgens eisers op dit punt in strijd met het ruimtelijke beleid en daarmee met een goede ruimtelijke ordening.
12.1.
Alvorens over te gaan tot de beoordeling van de onder 12 vermelde beroepsgronden over de onevenredigheid en de strijd met de goede ruimtelijke ordening (zie onder 12.11), beoordeelt de rechtbank eerst de beroepsgronden van eisers over de optimale windvang (onder 12.2 t/m 12.4), het rapport van [naam B.V.] op basis van het uitgevoerde windtunnelonderzoek en de door eisers ingebrachte contra-expertise (12.5 t/m 12.7) en of verweerder dat in verband met de gehanteerde referentiesituatie aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen (12.8 t/m 12.10)
De optimale windvang
12.2.
Ten aanzien van de interpretatie van de optimale windvang stellen eisers dat die onvolledig en onjuist is geweest, omdat verweerder daarbij volgens hen ten onrechte niet is uitgegaan van de letterlijke uitleg van de planregels, specifiek de term ‘optimale windvang’. Verweerder stelt dat die tot maximaal 5 % mag worden beperkt op grond van het bestemmingsplan, terwijl eisers vinden dat verweerder uit moet gaan van de letterlijke term ‘optimale windvang’ in die zin, dat de optimale situatie is dat de windvang van de molen op geen enkele wijze wordt beperkt.
12.3.
Verweerder verwijst voor de invulling van de beoordeling van de ‘optimale windvang’ naar de formule in de bijlage bij het bestemmingsplan behorend bij de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’. Daarmee worden volgens verweerder weliswaar geen directe bouwhoogtes aan de term ‘optimale windvang’ gekoppeld, zoals eisers lijken te veronderstellen, maar worden wel bouwhoogtes gegeven die gelden binnen de molenbiotoop. De toepassing van die formule resulteert voor het onderhavige bouwplan in een maximale bouwhoogte van 7,24 meter. Daaraan heeft verweerder het bouwplan getoetst, waarbij verweerder voor de feitelijke bouwhoogte van 13,2 meter heeft afgeweken van de bouwregels voor de molenbiotoop op de grond dat de windvang voor de molen niet in onevenredige mate wordt aangetast / de vermindering van de optimale windvang voor de molen binnen de marge blijft van 5 %.
12.4.
De rechtbank ziet in deze uitleg van het begrip ‘optimale windvang’ door verweerder geen reden om te concluderen dat verweerder daarvan niet mocht uitgaan of dat die beoordeling onjuist is. De rechtbank stelt daarbij voorop dat verweerder gehouden was om het bouwplan te beoordelen op basis van het vigerende bestemmingsplan. Dat is het bestemmingsplan zoals dat geldt op het moment van de aanvraag en dus ook aan de planologische bouwmogelijkheden en bouwhoogtes die op dat moment gelden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de ‘optimale windvang’ terecht beoordeeld of de windvang voor de molen niet in onevenredige mate wordt aangetast, zoals dat volgt uit (artikel 36.9.2 van) het bestemmingsplan, en heeft daarbij terecht aansluiting gezocht bij het uitgangspunt uit het bestemmingsplan dat de optimale windvang tot maximaal 5% mag worden beperkt. Verweerder heeft de desbetreffende formule op de juiste wijze toegepast door uit te gaan van de maximale bouwhoogtes die gelden binnen de molenbiotoop op grond van de daarbij behorende bijlage bij het bestemmingsplan. Nu op grond van de geldende formule de maximale bouwhoogte uitkomt op 7,24 meter en in dit geval sprake is van een maximale bouwhoogte van
13,2 meter, heeft verweerder terecht beoordeeld of door die afwijkende bouwhoogte de windvang voor de molen in onevenredige mate wordt aangetast. Verweerder heeft daarbij in dat verband dan ook terecht beoordeeld of de beperking van de windvang beperkt blijft tot de marge van 5% die volgt uit het bestemmingsplan. Verweerder heeft er bovendien terecht op gewezen dat de belangen bij instandhouding en bescherming van de monumentale molen als onderdeel van het cultureel erfgoed van de gemeente, waarnaar eisers verwijzen, planologisch zijn beschermd en verdisconteerd door de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’ en de daarbij behorende planregels. Verweerder heeft die belangen dus reeds meegewogen door het bouwplan te toetsen aan de regeling voor de molenbiotoop uit het bestemmingsplan. De rechtbank volgt eisers daarom niet in hun standpunt dat verweerder de ‘optimale windvang’ onjuist heeft beoordeeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het rapport van [naam B.V.] en de ingebrachte contra-expertise
12.5.
Eisers voeren aan dat het rapport van [naam B.V.] gebrekkig is, omdat de uitgangspunten over de gehanteerde referentie / nulsituatie volgens hen onjuist zijn. Eisers hebben daartoe in beroep de contra-expertise overgelegd.
12.6.
De rechtbank stelt vast dat het voor eisers specifiek gaat om de windvanganalyse die verweerder bij het bestreden besluit door [naam B.V.] heeft laten uitvoeren in de vorm van een windtunnelonderzoek. Uit het rapport van [naam B.V.] blijkt - kort gezegd - onder meer dat uit de meetresultaten kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van de jaargemiddelde windsnelheid door realisatie van het bouwplan geen sprake is van een afname van wind voor de molen op ashoogte ten opzichte van de feitelijke situatie, waardoor de windsnelheids-reductie binnen de marge blijft van 5% (zie pagina’s 28, t5.1, en 29 van dit rapport).
12.7.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder heeft mogen aannemen dat door de opsteller van het rapport van [naam B.V.] , ir. [gemachtigde 1] , adequaat onderzoek is gedaan naar de invloed van de ontwikkelingsplannen / het bouwplan op de windvang van de molen. Het procesdossier en de beroepsgronden van eisers geven, mede gelet op het voorgaande onder 10.2 en 10.3, geen aanwijzingen voor het gerechtvaardigde vermoeden dat de betreffende onderzoeker niet ter zake kundig en / of wel vooringenomen is, en evenmin voor de veronderstelling dat het onderzoek op een ondeugdelijke wijze is verricht.
De gehanteerde referentiesituatie / nulsituatie
12.8.
Ten aanzien van de gehanteerde nulsituatie stellen eisers dat het rapport van [naam B.V.] onjuistheden en tegenstrijdigheden bevat. Verweerder heeft daarvoor de situatie in aanmerking genomen zoals deze was op de datum van inwerkingtreding van de betreffende planregel uit het bestemmingsplan, maar eisers vinden dat bij de beoordeling van de beperking van de windvang moest worden uitgegaan van de oude situatie na vaststelling van de molenbiotoop zonder daarbij de bebouwing te betrekken die daarna vergund en gerealiseerd is. Eisers wijzen er in dat verband op dat, na vaststelling van het bestemmings-plan, meer woningen zijn gerealiseerd, zoals het vergunde project voor de Woningen [naam 2] . Door die nieuwe vergunde en gerealiseerde bebouwing mee te nemen valt de beperking van de windvang voor de molen volgens eisers ten onrechte lager uit. Volgens eisers is daarom niet de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan bepalend, maar de vaststelling van het molenconvenant en het eerder geldende bestemmingsplan Weert Noord en Graswinkel 2010. Eisers wijzen er daarbij op dat het vigerende bestemmingsplan een consolidering betreft van het beschermingsregime en de feitelijke nulsituatie die reeds in 2008 en 2010 is vastgelegd. Eisers bestrijden in dat kader ook de conclusie die volgt uit het rapport van [naam B.V.] , namelijk dat de vermindering van de optimale windvang voor de molen binnen de marge blijft van 5 % die volgt uit het bestemmingsplan.
12.9.
Zoals reeds overwogen (onder 12.4) was verweerder gehouden om het bouwplan te beoordelen op basis van het bestemmingsplan, geldend op het moment van de aanvraag. De rechtbank ziet in hetgeen eisers aanvoeren geen aanleiding om te concluderen dat verweerder voor de beoordeling van de invloed van het bouwplan op de windvang van de molen een vergelijking had moeten maken met de situatie ten tijde van de vaststelling van het eerder geldende bestemmingsplan uit 2010 of het molenconvenant uit 2008 of nog verder in het verleden. Nu de belangen van de molen reeds planologisch zijn beschermd en verdisconteerd door de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’, heeft verweerder het vigerende bestemmingsplan terecht als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van het bouwplan.
12.10.
De rechtbank is verder gebleken dat in het rapport van [naam B.V.] , voor de beoordeling van de invloed van het bouwplan op de windvang van de molen, een vergelijking is gemaakt tussen de feitelijke situatie ten tijde van het primaire besluit / het uitgevoerde onderzoek en de beoogde toekomstige situatie na realisatie van het bouwplan. Uit het uitgevoerde onderzoek en de behandeling ter zitting is de rechtbank gebleken dat [naam B.V.] bij de vaststelling van de beoogde toekomstige situatie ook reeds vergunde en in uitvoering zijnde projecten heeft betrokken. Zo zijn bij het onderzoek naar de windvang van de molen de (in aanbouw zijnde) Woningen [naam 2] , waarnaar eisers verwijzen, betrokken. Deze woningen liggen vanuit de molen gezien naast het onderhavige bouwplan en waren ten tijde van het onderzoek van [naam B.V.] reeds vergund en in aanbouw. Daargelaten of het onlogisch is die toekomstige bebouwing bij het onderzoek te betrekken - het onderzoek ziet immers op de (feitelijke) invloed van de toekomstige situatie op de windvang van de molen - is de rechtbank uit hetgeen eisers hebben aangevoerd niet gebleken dat het onderzoek om die reden onjuist of onvolledig zou zijn geweest / het rapport van [naam B.V.] niet aan het bestreden besluit ten grondslag kon worden gelegd. Eisers hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het niet meenemen van de vergunde Woningen [naam 2] , tot een andere uitkomst van het onderzoek zou hebben geleid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het rapport van [naam B.V.] , gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat bij de beoordeling van de optimale windvang voor de molen de bestaande feitelijke situatie is afgezet tegen de beoogde feitelijke situatie met realisatie van het bouwplan en dat de windvang na realisatie van het bouwplan (nagenoeg) gelijk blijft ten opzichte van de feitelijk bestaande situatie. Nu daaruit geconcludeerd kan worden dat het onderhavige bouwplan niet (of nauwelijks) van invloed is op de windvang van de molen ten opzichte van de feitelijk bestaande situatie, ziet de rechtbank niet in waarom de Woningen [naam 2] althans die welke daarvan het dichtst bij de molen gelegen zijn (en daardoor het meest relevant zijn) en qua bouwhoogte lager zijn, namelijk lager dan
7,24 meter, dan het onderhavige dichter bij gelegen bouwplan van 13,2 meter, wel van (enige) invloed zouden zijn op de windvang van de molen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat er tussen de molen en het onderhavige bouwplan, dus op kortere afstand van de molen, eveneens gebouwen zijn gelegen die hoger zijn, zoals ook blijkt op de foto van de situatie onder 5. Die nemen veel meer wind weg. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat van de intrekking van eerder, niet uitgevoerde vergunningen (zie onder 10.2) een grotere positieve impact wordt verwacht, nu de locatie waarop de ingetrokken vergunningen betrekking hebben veel dichter bij de molen is gelegen dan de Woningen [naam 2] en het onderhavige bouwplan voor de Appartementen [naam 1] . Ook is gebleken dat er al een of meer bomen zijn gekapt in de overheersende windrichting. Voor zover daarom al sprake zou zijn van (enige) invloed op de uitkomsten van het onderzoek door het meenemen van de Woningen [naam 2] acht de rechtbank het aannemelijk dat die zeer gering is en wordt gecompenseerd door andere aspecten. Nu er niet is gebleken van andere feitelijke omstandigheden sinds de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, ziet de rechtbank hierin daarom geen grond om aan te nemen dat verweerder van (wezenlijk) onjuiste uitgangspunten is uitgegaan, zoals door eisers gesteld, of verweerder niet van de in het rapport van [naam B.V.] gehanteerde nulsituatie en de in dat verband gedane berekening mocht uitgaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De gebruikmaking van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid: goede ruimtelijke ordening / (on) evenredigheid / belangenafweging
12.11.
De rechtbank gaat er, gelet op het voorgaande, van uit dat het rapport van [naam B.V.] qua wijze van totstandkoming en inhoud geen (wezenlijke) gebreken vertoont en dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de windvang voor de molen na realisatie van het bouwplan (nagenoeg) gelijk blijft ten opzichte van de feitelijk bestaande situatie ten tijde van de inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan. Verweerder heeft in die zin terecht geconcludeerd dat de windvang voor de molen als gevolg van het bouwplan (veel) minder dan 5% is en niet in onevenredige mate wordt aangetast. Daarom mocht verweerder dus afwijken van de maximale bouwhoogte op grond van het bestemmingsplan. Het belang bij instandhouding en bescherming van de monumentale molens als onderdeel van het cultureel erfgoed van de gemeente, zoals door eisers gesteld, is daarbij betrokken (zoals reeds overwogen onder 12.4). De verwijzing van eisers naar het beleid, de structuurvisie of het molenconvenant maakt dat niet anders, nu het beschermingsregime voor de molenbiotoop is verankerd in het bestemmingsplan met de betreffende gebiedsaanduiding. Voor zover eisers stellen dat die planologische bescherming onvoldoende is en het beleid of eerdere afspraken uit het molenconvenant daarin niet of in onvoldoende mate zijn verankerd, is dat een grond die zich richt tegen het bestemmingsplan en maakt dat niet dat de toetsing door verweerder in het kader van de onderhavige omgevingsvergunning onjuist of onvolledig zou zijn. Bovendien is in het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag gelegde onderzoek uitdrukkelijk ingegaan op de vraag of de afwijking van de maximaal toegestane bouwhoogte vanwege de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’ en de daarmee gepaard gaande belangen, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft verweerder ook de uitgebrachte (soms tegengestelde) adviezen van de molenstichtingen betrokken. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat verweerder de door eisers genoemde belangen onvoldoende of op onjuiste wijze bij het bestreden besluit heeft betrokken. Verweerder heeft het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en heeft op grond van die motivering gebruik mogen maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. De rechtbank ziet hierin dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de UOV had moeten toepassen. Eisers hebben daarnaast ook geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat de gevolgen van het bestreden besluit voor hen zodanig onevenredig zouden zijn, dat verweerder de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen (zie ook onder 14.1). Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreken aanlegvergunning inrichtingsplan?
13. Eisers vinden dat verweerder met het vergunde bouwplan ook een inrichtingsplan heeft vergund dat voorziet in het planten van nieuwe bomen, dat niet voldoet aan de aanlegvergunningplicht die het bestemmingsplan (in artikel 36.9.4) stelt. De percelen ( [nummer 1] en [nummer 2] ) waarop de verleende omgevingsvergunning ziet, maken volgens eisers onderdeel uit van het inrichtingsplan dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan de aanlegvergunningplicht uit het bestemmingsplan.
13.1.
Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het planten van bomen geen deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning, nu de (aanvraag voor de) verleende vergunning (alleen ziet) op het bouwen van een appartementencomplex met een parkeervoorziening en niet op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Verweerder wijst er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat, voor zover het aanplanten van bomen op de betreffende percelen een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, die activiteit niet met de verleende omgevingsvergunning is vergund en daardoor geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Ook is de rechtbank niet gebleken dat verweerder de aanvraag, vanwege samenhang met de vergunde activiteiten, had moeten aanmerken als een aanvraag voor de activiteit aanleggen waarop verweerder diende te beslissen. Als eisers van mening zijn dat een aanlegvergunning ontbreekt voor niet vergunde activiteiten, dan kunnen zij dat in het kader van handhaving bij verweerder aan de orde stellen. Dat maakt dus niet dat het bestreden besluit om die reden onrechtmatig zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreken compensatie voor vermindering windvang
14. Eisers vinden dat verweerder de vermindering van de windvang die met het bouwplan gepaard gaat had moeten compenseren door het vaststellen van een compensatieplan. Eisers stellen dat de vergunning weliswaar binnenplans kan worden verleend als de vermindering van de optimale windvang beperkt blijft tot 5%, maar dat dat niet maakt dat verweerder de compensatie van het nadeel in de vorm van de verminderde optimale windvang niet bij de beoordeling hoefde te betrekken. Eisers wijzen er daarbij op dat het beleid juist uitgaat van een verbetering van de molenbiotopen. Ook wijzen eisers op het eerdere collegevoorstel van 20 januari 2022 waarin het opstellen van een compensatieplan in overleg met de convenantpartners werd overwogen door het college, terwijl dit nooit is doorgevoerd en ook nooit overleg met eisers over compensatie heeft plaatsgevonden.
14.1.
Verweerder heeft zich volgens de rechtbank gemotiveerd op het standpunt gesteld dat met het collegebesluit van 25 januari 2022 naar aanleiding van voormeld voorstel niet is besloten tot het vaststellen van een compensatieplan, maar dat daarbij enkel is besloten om over te gaan tot het uitvoeren van een windvanganalyse. Verweerder heeft daarover toegelicht dat die windvanganalyse ziet op de effecten van meerdere ontwikkelingen, waaronder het onderhavige bouwplan, op de windvang van de molen en dat vervolgens aan de hand van dat onderzoek al dan niet een plan kon worden gemaakt dat ziet op het compenseren van eventuele afname van de windvang als gevolg van die ontwikkelingen. Daaruit volgt dus niet, zoals eisers stellen, dat is besloten om een compensatieplan op te stellen. Verweerder stelt zich juist, onder verwijzing naar de uitgevoerde windvanganalyse, op het standpunt dat de vaststelling van een dergelijk plan niet noodzakelijk is gebleken. Verweerder heeft zich, gelet op het voorgaande onder 12.5 t/m 12.11, op basis van de uitgevoerde windvanganalyse van [naam B.V.] voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de windvang voor de molen niet in onevenredige mate wordt aangetast. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich, onder verwijzing naar het rapport van [naam B.V.] , ook op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van een zodanige vermindering van de optimale windvang, dat het treffen van compenserende maatregelen noodzakelijk is. Dat eisers het daarmee oneens zijn en zij het in het belang van de verbetering van de molenbiotoop wenselijk vinden dat compenserende maatregelen worden getroffen, maakt niet dat verweerder de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
15. Eisers vinden dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend. Volgens eisers is het primaire besluit op meerdere onderdelen herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Dit is volgens eisers onder meer gelegen in het feit dat er in het bestreden besluit nieuwe afwijkingen van het vigerende bestemmingsplan zijn verleend die niet eerder aan de orde waren in het primaire besluit. Daarmee is niet alleen de motivering van het primaire besluit gewijzigd maar wordt ten aanzien van nieuwe Wabo-activiteiten alsnog een vergunning verleend. Eisers wijzen daarbij specifiek op de nieuwe binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor de bouwhoogte binnen de bestemming ‘Wonen’ die bij het bestreden besluit is toegepast. Nu daarom volgens eisers sprake is van een herroeping van het primaire besluit, had verweerder het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar moeten toewijzen.
15.1.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:11 Awb op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt en dat het bestuursorgaan het bestreden besluit herroept voor zover die heroverweging daartoe aanleiding geeft. Uit artikel 7:15, tweede lid, van de Awb volgt dat de kosten, die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat van herroeping als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb alleen sprake is als een ontvankelijk bezwaar leidt tot intrekking van het primaire besluit of wijziging daarvan wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg.
15.2.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijziging in het rechtsgevolg van het besluit waartegen het bezwaarschift was gericht, nu verweerder met het bestreden besluit een nieuwe afwijking van het bestemmingsplan heeft vergund. Verweerder heeft namelijk de verleende omgevingsvergunning bij het bestreden besluit onder aanpassing van de motivering in stand gelaten en heeft daarbij een nieuwe afwijking voor de bouwhoogte binnen de bestemming ‘Wonen’ vergund die bij het primaire besluit niet was vergund. In zoverre is sprake van een wijziging in het rechtsgevolg van de verleende omgevingsvergunning. Verweerder heeft ook ter zitting erkend dat door de toevoeging van deze niet eerder vergunde afwijking van het bestemmingplan voor de bouwhoogte binnen de bestemming ‘Wonen’ sprake is van een verandering in het rechtsgevolg. In zoverre was daarom bij het bestreden besluit een herroeping vereist van het primaire besluit. Verweerder heeft daarom ten onrechte geen aanleiding gezien om de proceskosten voor de bezwaarfase aan eisers te vergoeden. Deze beroepsgrond slaagt. Het beroep is om die reden gegrond.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn:
16. Gezien het (gemotiveerde) verzoek van eisers daartoe dient de rechtbank tot slot te beoordelen of de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden en of een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend.
16.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
16.2.
De redelijke termijn vangt aan op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift van eisers tegen het primaire besluit. Die datum is in dit geval 15 maart 2022. In deze procedure is tot het moment van deze uitspraak sprake van een langere termijn dan de hiervoor genoemde twee jaar, namelijk vier jaar en (afgerond) vier maanden. Daarom dient per instantie te worden bezien of er sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Van het totale tijdsverloop van vier jaar en vier maanden, heeft de bezwaarfase een jaar en drie maanden geduurd. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf het moment van ontvangst van het beroepschrift op 12 juli 2023, drie jaar geduurd. Omdat van dit tijdsverloop de behandeling van het bezwaarschrift door verweerder langer dan zes maanden heeft geduurd en de behandeling van het beroep langer dan anderhalf jaar, heeft de overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden in zowel de bezwaarfase als de fase bij de bestuursrechter.
16.3.
Bij de vaststelling van de termijnoverschrijding in de bezwaarfase is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval een deel van de tijd die gemoeid is geweest met het in bezwaar uitgevoerde onderzoek van [naam B.V.] buiten beschouwing moet worden gelaten. Verweerder heeft er immers ter zitting onweersproken op gewezen dat de bezwaarfase langer heeft geduurd doordat in het belang van partijen minnelijk overleg heeft plaatsgevonden en onderzoek is uitgevoerd door [naam B.V.] . De tijd die met het minnelijk overleg en (een deel van) het onderzoek van [naam B.V.] gemoeid is geweest, bedroeg (in elk geval) ongeveer vijf maanden en over die tijd is de bezwaarprocedure aangehouden waarbij meerdere malen een nieuwe hoorzitting is gepland en uitgesteld. Van de totale duur van de bezwaarfase van een jaar en drie maanden kan daarom volgens de rechtbank vijf maanden niet aan verweerder worden toegerekend. De rechtbank acht het niet redelijk om meer dan vijf maanden of de hele duur van het onderzoek van [naam B.V.] bij de vaststelling van de termijnoverschrijding buiten beschouwing te laten. De rechtbank gaat daarom uit van een totale duur van de bezwaarfase van tien maanden, waardoor de termijnoverschrijding voor de bezwaarfase vier maanden bedraagt.
16.4.
Ten aanzien van de vaststelling van de termijnoverschrijding in de beroepsfase overweegt de rechtbank dat de beroepsfase, gerekend vanaf het moment van ontvangst van het beroepschrift op 12 juli 2023, drie jaar heeft geduurd. De termijnoverschrijding voor de beroepsfase bedraagt daarmee een jaar en zes maanden.
16.5.
De totale overschrijding van de redelijke termijn bedraagt, gelet op het voorgaande, een jaar en tien maanden (22 maanden). Uitgaande van deze overschrijding hebben eisers gezamenlijk recht op (naar boven afgerond) € 2.000,- aan schadevergoeding. Verweerder heeft de redelijke termijn van een half jaar voor de bezwaarfase overschreden met vier maanden (zie 16.3) en de rechtbank de termijn voor de beroepsfase van anderhalf jaar met een jaar en zes maanden (18 maanden) (zie 16.4). Dit betekent dat 4/22e deel moet worden toegerekend aan verweerder en 18/22e deel aan de rechtbank. Verweerder zal daarom tot betaling van € 364,- (4/22e deel van € 2.000,-) worden veroordeeld en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 1.636,- (18/22e deel van € 2.000,-).
Conclusie en gevolgen
17 . Het beroep is vanwege het ontbreken van een proceskostenvergoeding in bezwaar gegrond. Het beroep is voor het overige ongegrond.
17.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 184,- vergoeden. Voorts veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eisers voor de bezwaarfase en het beroep. De proceskosten in bezwaar bedragen in dit geval € 1.132,- en de proceskosten in beroep € 1.868,-, zodat verweerder het totaal van € 3.000,- aan proceskosten aan eisers moet vergoeden. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de door eisers genoemde kosten voor de contra-expertise nu het beroep van eisers op dat punt niet slaagt.
17.2.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe. Verder ziet de rechtbank aanleiding om de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) en verweerder ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van eisers in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 0,5), zodat ieder wordt veroordeeld tot betaling van € 233,50 aan eisers.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep, voor zover dat ziet op de proceskostenvergoeding in bezwaar, gegrond en voor het overige ongegrond;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eisers te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers voor de bezwaarfase en het beroep ter hoogte van (in totaal) € 3.000,-;
wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
veroordeelt verweerder tot betaling van schadevergoeding aan eisers van € 364,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van schadevergoeding aan eisers van € 1.636,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van de proceskosten aan eisers in verband met het ingediende verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 233,50;
veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten aan eisers in verband met het ingediende verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 233,50.
De uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van
J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
rechter
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid onder a en c
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk.
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken om strijd met een bestemmingsplan (….).
Artikel 2.10, tweede lid
In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
Artikel 3.10, eerste lid, onder a
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;
Bestemmingsplan Woongebieden 2019
Artikel 1.84 begripsbepaling molenbiotoop
De gehele omgeving van een molen, voor zover van invloed op het functioneren van de molen als maalwerktuig én als monument, waarbij naast windvang ook gelet moet worden op de belevingswaarde van de molen.
Artikel 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk
Op grond van artikel 2.2. van het bestemmingsplan wordt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Het begrip ‘ondergeschikte bouwonderdelen’ is in het bestemmingsplan niet nader gedefinieerd.
Artikel 21 Wonen
Artikel 21.2.2. onder f
Ten aanzien van de maatvoering van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: De goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag respectievelijk maximaal 6,00 m en 9.00 m bedragen, tenzij: ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' een afwijkende goot- en bouwhoogte is aangegeven of maximaal de bestaande goot- en bouwhoogte op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan indien deze hoger is;
Artikel 36.9 vrijwaringszone – molenbiotoop
Artikel 36.9.1
Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn de gronden mede bedoeld als molenbiotoop.
Artikel 36.9.2
Ongeacht wat in de regels voor de op deze gronden rustende bestemming is bepaald, mag er ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' niet worden gebouwd voorzover de windvang van de molen daardoor in onevenredige mate wordt aangetast. Uitgangspunt hierbij is dat de optimale windvang tot maximaal 5% mag worden beperkt. Voor de bepaling van de hierbij toegestane bouwhoogten worden de formules, alsmede de afwijkingen, zoals opgenomen in de bijlage 'Molenbiotoop' bij de regels zijn gehanteerd.
Artikel 36.9.3
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 36.9.2 voor het oprichten van bebouwing dan wel het planten van hoog opgaand groen/hoge bomen tot een grotere (bouw)hoogte dan bepaald in dat artikel, mits vooraf de vereniging De Hollandse Molen, Molenstichting Limburg, Molenstichting Weerterland of diens opvolger om advies is gevraagd.
Artikel 37 Algemene afwijkingsregels
Artikel 37.1 onder a
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de desbetreffende regels van het plan voor:
het afwijken van de voorgeschreven maten ten aanzien van dakhellingen, inhoudsbepalingen, goothoogten, bebouwingshoogten, bouwperceelsgrensafstanden, bouwvlakken, bebouwde oppervlakten en hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met ten hoogste 10%;
Artikel 37.4
De in voorgaande leden genoemde afwijkingen mogen slechts worden verleend indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
De rechtbank leest met partijen deze bepaling zo, dat niet mag worden gebouwd als sprake is van een onevenredige aantasting van de windvang voor de molen.
Rapportnummer [nummer 3] .
De activiteit ‘bouwen’ op zichzelf is hier niet in geschil.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 15 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1614 (onder 4.2 en 4.3) en van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1922 (onder 6.1 en 6.2)
ECLI:NL:RVS:2021:2484.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2054, 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2702, en 6 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1015.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3708.
Uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:633 en uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 14 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7291.
Eisers verwijzen daarvoor eveneens naar de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2021 (zie voetnoot 8).
Uitspraak van de Afdeling van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1090.
Zie onder 2 en 6.1.
Zie ook onder 2. Overigens is ter zitting (met partijen) vastgesteld dat deze op basis van de biotoopformule berekende hoogte juist is bepaald.
Zie met name onder 9.2.
Als de feitelijke situatie vergeleken wordt met de ontwikkeling van het bouwplan én de Stadsbruglocatie dan is er blijkens de desbetreffende pagina’s sprake van een afname van de gemiddelde windsnelheid op ashoogte van 0,05 m/s.
Zie voetnoot 11.
Zie de foto van de situatie onder 5.
Zie voetnoot 14.
Zie onder 12.4.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:941.
Zie onder 4.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3223.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:451.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909.
1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde van € 666,- per punt en een wegingsfactor 1 op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van
€ 934,- per punt en een wegingsfactor 1 op grond van het Bpb.
1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 0,5 op grond van het Bpb, zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2880.