Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:6630

2026-07-15 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12152693 \ CV EXPL 26-1387
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-07-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12152693 \ CV EXPL 26-1387
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering inschrijving opleiding toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.626 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 12152693 \ CV EXPL 26-1387




Vonnis van 15 juli 2026




in de zaak van




STICHTING GILDE OPLEIDINGEN,
te Roermond,
eisende partij,
hierna te noemen: Gilde Opleidingen,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten


2.1.

[gedaagde] heeft zich bij Gilde Opleiding ingeschreven voor de opleiding Logistiek (logistiek medewerker) voor het jaar 2024/2025. Bij besluit van 24 september 2024 is [gedaagde] definitief geplaatst voor de opleiding.



2.2.
Bij factuur van 12 november 2024 is een bedrag van € 295,00 bij [gedaagde] in rekening gebracht. [gedaagde] heeft niet betaald.






3Het geschil


3.1.
Gilde Opleidingen vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 368,63 (€ 295,00 aan cursusgeld, € 53,54 aan buitengerechtelijke kosten en € 20,09 aan rente), vermeerderd met rente en kosten.



3.2.

[gedaagde] erkent de vordering, maar geeft aan niet eerder dan via de dagvaarding over de vordering te hebben gehoord.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






4De beoordeling


4.1.

[gedaagde] heeft op de rolzitting van 25 maart 2026 verklaard dat de vordering klopt. De gevorderde hoofdsom kan daarom worden toegewezen. [gedaagde] geeft nog aan dat hij door een incident zes à zeven maanden niets aan zijn opleiding heeft kunnen doen. Hij geeft daarbij niet aan of dit een omstandigheid is die voor rekening van Gilde Opleidingen zou moeten komen en dus consequenties zou moeten hebben voor de verschuldigdheid van de cursuskosten. De kantonrechter kan hierover ook geen informatie vinden in de overigens aangevoerde stellingen. Het feit dat [gedaagde] de lessen niet heeft gevolgd, leidt er daarom niet toe dat hij niets of minder hoeft te betalen.



4.2.

[gedaagde] geeft verder aan niet eerder dan in de dagvaarding van de vordering te hebben gehoord. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] daaraan de consequentie wil verbinden dat de kosten van de procedure ten onrechte zijn gemaakt en dus niet voor zijn rekening zouden moeten komen.



4.3.

Gilde Opleidingen heeft in haar conclusie van repliek aangegeven dat [gedaagde] meerdere malen is gevraagd om tot betaling over te gaan. Gilde Opleidingen verwijst daarbij naar de brieven en mails die aan de dagvaarding zijn gehecht. Ook stelt Gilde Opleidingen dat [gedaagde] op 3 juni 2025 telefonisch contact heeft opgenomen. Op verzoek van [gedaagde] is toen een overzicht van de vordering per e-mail toegestuurd. In haar systemen kan de gemachtigde van Gilde Opleidingen zien dat het bericht is ontvangen en geopend.

[gedaagde] heeft hier in zijn e-mail van 15 juni 2026 (conclusie van dupliek) niet meer op gereageerd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de informatie die Gilde Opleidingen op dit punt heeft verstrekt juist is. De conclusie is dat [gedaagde] wel al eerder van de vordering op de hoogte was en dat hij ook eerdere berichten heeft ontvangen. De kosten van de procedure zijn dus niet nodeloos door Gilde Opleidingen veroorzaakt.




4.4.
Gilde Opleidingen vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Gilde Opleidingen heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Gilde Opleidingen heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat Gilde Opleidingen geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 53,54 worden toegewezen.



4.5.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gilde Opleidingen worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


153,77







- griffierecht


€


139,00







- salaris gemachtigde


€


174,00


(2 punten × € 87,00)




- nakosten


€


43,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


510,27














5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Gilde Opleidingen te betalen een bedrag van € 315,09, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 295,00, met ingang van 27 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,



5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Gilde Opleidingen te betalen een bedrag van € 53,54 aan buitengerechtelijke kosten,



5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 510,27, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.