Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:6480

2026-06-26 Bestuursrecht ROE 23/1091, ROE 23/1090, ROE 23/995
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-06-26
Publicatiedatum
2026-07-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
ROE 23/1091, ROE 23/1090, ROE 23/995
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen verleende watervergunning voor het dempen van de ‘Venrayse Endepoel’, het aanleggen van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ en het onttrekken van water uit het ‘Afleidingskanaal’ en een beroep tegen het leggerbesluit. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om de beroepen tegen het leggerbesluit te behandelen. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat de beroepen, voor zover die gaan over het onttrekken van water, gegrond zijn omdat verweerder niet bevoegd was tot het verlenen van een watervergunning voor het onttrekken van water. Voor het onttrekken van water was namelijk geen watervergunning nodig en kon worden volstaan met een melding. De rechtbank vernietigt voorschrift 5 zoals dat is opgenomen in de watervergunning omdat dit voorschrift ziet op het onttrekken van water. De verleende watervergunning blijft voor het overige in stand, namelijk voor het dempen van de ‘Venrayse Endepoel’ en het aanleggen van de watergang ‘Verlegde Venrayse Endepoel’. De rechtbank kent een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn toe.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (55.195 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummers: ROE 23/995, ROE 23/1090 en ROE 23/1091


uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaken tussen




1. [eisers]beiden uit [woonplaats 1] , eisers in de zaken ROE 23/1090 en ROE 23/1091,

hierna samen te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. F. Khalil),



2. [eiser]uit [woonplaats 2] , eiser in de zaak ROE 23/995,

hierna te noemen: eiser,
(gemachtigde: mr. B.M.C.F. de Groen),



en




het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Sanders).



Als derde-partij heeft aan de zaken deelgenomen: [vergunninghoudster], uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster),
(gemachtigden: ing. L.J.H. Peeters en mr. J.G. de Wit).



I. Inleiding en leeswijzer


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers en eiser tegen de door verweerder aan de vergunninghoudster verleende watervergunning voor het dempen van de ‘Venrayse Endepoel’, het aanleggen van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ en het onttrekken van water uit het ‘Afleidingskanaal’. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers en eiser tegen het leggerbesluit. Eisers en eiser zijn het niet eens met de beide besluiten en voeren hiertoe een aantal beroepsgronden aan.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is om de beroepen tegen het leggerbesluit te behandelen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende watervergunning. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen, voor zover dit gaat over het onttrekken van water, gegrond zijn omdat verweerder niet bevoegd was tot het verlenen van een watervergunning voor het onttrekken van water. Voor het onttrekken van water was namelijk geen watervergunning nodig en kon volstaan worden met een melding. De verleende watervergunning blijft voor het overige in stand, namelijk voor het dempen van de ‘Venrayse Endepoel’ en het aanleggen van de watergang ‘Verlegde Venrayse Endepoel’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.

Deze uitspraak is als volgt opgebouwd.
Onder (II) is het procesverloop opgenomen. Daarna gaat de rechtbank in op de besluitvorming (III) en worden onder (IV) twee formele aspecten besproken: het overgangsrecht onder de Omgevingswet en de bevoegdheid van de rechtbank met betrekking tot het bestreden besluit II (leggerbesluit).
De rechtbank gaat daarna verder in op de het bestreden besluit I (watervergunning). Daarbij wordt eerst ingegaan op de omvang van het geding (V) en de bevoegdheid van verweerder tot het verlenen van de watervergunning voor het onttrekken van het water (VI). Vervolgens beoordeelt de rechtbank de beroepsgronden tegen de watervergunning waarbij eerst de beroepsgronden van eisers (VII) en daarna de beroepsgronden van eiser worden besproken (VIII).
Verder wordt de overschrijding van de redelijke termijn besproken (IX). Tot slot komt de rechtbank tot haar conclusie (X) waarbij de proceskosten, het griffierrecht, de gevorderde deskundigenkosten, reis- en verblijfkosten en verletkosten aan de orde komen.
Helemaal aan het einde staat de volledige beslissing van de rechtbank.





Procesverloop



Bij besluit van 30 maart 2023 (het bestreden besluit I) heeft verweerder een watervergunning verleend aan de vergunninghoudster voor het dempen van de watergang ‘Venrayse Endepoel’, het aanleggen van de watergang ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ en het onttrekken van water uit het ‘Afleidingskanaal’.



Bij besluit van 30 maart 2023 (het bestreden besluit II) heeft verweerder besloten tot het wijzigen van de legger inzake het verwijderen van de ‘Venrayse Endepoel’ en het aanleggen van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’.



Eisers hebben tegen de bestreden besluiten I en II afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep van eisers voor zover gericht tegen het bestreden besluit I is geregistreerd onder het zaaknummer ROE 23/1091. Het beroep van eisers voor zover gericht tegen het bestreden besluit II is geregistreerd onder het zaaknummer ROE 23/1090.



Eiser heeft ook beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II. Het beroep van eiser is geregistreerd onder het zaaknummer ROE 23/995.



Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.



Eisers en eiser hebben ter onderbouwing van hun beroepen een geohydrologische analyse laten opstellen door CRUX Engineering B.V. Verweerder heeft op deze geohydrologische analyse gereageerd met een contra-expertise opgesteld door H2Opinion genaamd ‘Reactie op rapport [nummer] van CRUX Engineering B.V. in kader van beroep [eisers en eiser] ’. CRUX Engineering B.V. heeft vervolgens weer een reactie ingediend op het rapport van H2Opinion van verweerder.



De rechtbank heeft de beroepen van eisers en eiser op 19 december 2024 gevoegd ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers met hun gemachtigde, eiser met zijn gemachtigde, [naam 1] in de hoedanigheid van deskundige van eisers en eiser, de gemachtigde van verweerder, [naam 2] in de hoedanigheid van deskundige van verweerder, [naam 3] en [naam 4] beiden vertegenwoordiger van de vergunninghoudster en de gemachtigden van de vergunninghoudster.



III. De besluitvorming


2. Naar aanleiding van het realiseren van peilgestuurde drainagesystemen heeft vergunninghoudster op 26 november 2021 een aanvraag voor een legaliserende watervergunning ingediend bij verweerder. De aanvraag is ingediend voor het dempen van de ‘Venrayse Endepoel’ en het aanleggen van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’. Daarnaast heeft vergunninghoudster op 26 november 2021 een melding ingediend bij verweerder ten behoeve van het onttrekken van water uit het ‘Afleidingskanaal’. Bij e-mail van
6 december 2021 heeft verweerder de ontvangst van de aanvraag bevestigd en aan vergunninghoudster laten weten dat het besluit op de aanvraag zal worden voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.



2.1.

Bij het ontwerpbesluit van 7 juli 2022 heeft verweerder kenbaar gemaakt voornemens te zijn aan vergunninghoudster een watervergunning te verlenen. De watervergunning zal worden verleend voor het dempen van de ‘Venrayse Endepoel’, het aanleggen van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ en het onttrekken van water uit het ‘Afleidingskanaal’. Verweerder heeft het belang van vergunninghoudster bij het verkrijgen van een watervergunning afgewogen tegen de waterhuishoudkundige belangen die door de Keur en het waterschap Limburg worden beschermd. Uit de voorgaande belangenafweging is volgens verweerder gebleken dat bij verlening van de watervergunning, met inachtneming van de aan het besluit verbonden voorschriften, de zorg voor de waterhuishouding en het oppervlaktewater wordt gewaarborgd. Aangezien met de in de vergunning opgenomen voorschriften is gewaarborgd dat de te bereiken doelstellingen zoals bedoeld in
artikel 2.1 van de Waterwet in voldoende mate worden beschermd, bestaan er volgens verweerder geen bezwaren tegen het verlenen van de gevraagde watervergunning. Omdat de werkzaamheden waarvoor verweerder voornemens is een watervergunning te verlenen gevolgen hebben voor de legger, is het wenselijk deze aan te passen. Gelet hierop heeft verweerder op 7 juli 2022 ook een ontwerpbesluit genomen strekkende tot het wijzigen van de legger. Verweerder heeft de beide ontwerpbesluiten gepubliceerd in het Waterschapsblad en deze hebben, samen met de overige van belang zijnde stukken, ter inzage gelegen voor een periode van zes weken, te weten vanaf 14 juli 2022 tot en met
24 augustus 2022. Eisers en eiser hebben op 10 augustus 2022 en 22 augustus 2022 zienswijzen ingediend tegen de beide ontwerpbesluiten.




2.2.
Bij het bestreden besluit I en het bestreden besluit II is verweerder, ondanks de door eisers en eiser ingediende zienswijzen tegen de ontwerpbesluiten, bij zijn voornemen gebleven en is de watervergunning verleend, respectievelijk de legger gewijzigd. Verweerder heeft de bestreden besluiten I en II gepubliceerd in het Waterschapsblad en deze hebben, samen met de bijbehorende stukken, vanaf 7 april 2023 tot en met 18 mei 2023 ter inzage gelegen.

3. Eisers en eiser zijn het niet eens met het bestreden besluit I en het bestreden besluit II en hebben hiertegen beroep ingesteld.
4. De rechtbank zal hierna ingaan op wat zij in beroep hebben aangevoerd. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepen van eisers en eiser kan toekomen, dient de rechtbank ambtshalve te onderzoeken of formele aspecten aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden in de weg staan.


IV. Formele aspecten met betrekking tot de beroepen



Het overgangsrecht van de Omgevingswet




5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de Waterwet (watervergunning) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.



5.1.

De aanvraag voor de watervergunning is in dit geval ingediend op
26 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet en de onderliggende regelgeving, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.




De bevoegdheid van de rechtbank



6. Voordat de rechtbank de beroepen van eisers en eiser inhoudelijk kan behandelen, moet de rechtbank ambtshalve nagaan of zij bevoegd is om daarover een oordeel te geven. Dat moet zij nagaan ongeacht wat eisers en eiser daarover hebben aangevoerd. Zonder bevoegdheid, mag de rechtbank namelijk geen inhoudelijk oordeel geven over de beroepen.

7. Als het gaat om de beroepen tegen de watervergunning, acht de rechtbank zichzelf bevoegd om hiervan kennis te nemen.

8. Als het gaat om de beroepen tegen het leggerbesluit, is de rechtbank echter van oordeel dat zij onbevoegd is om daarvan kennis te nemen. Zij zal zich in die beroepen dan ook onbevoegd verklaren. De overwegingen die tot dit oordeel leiden, luiden als volgt.



8.1.
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt in artikel 8:5, eerste lid, en Bijlage 2 - samengevat weergegeven - dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld tegen een legger die op grond van de Waterwet (artikel 5.1) is vastgesteld, tenzij de ligging van een waterbergingsgebied of beschermingszone als bedoeld in de Waterwet wordt vastgesteld of gewijzigd. Het is in deze zaak de vraag of sprake is van het wijzigen van een beschermingszone als bedoeld in Bijlage 2 bij de Awb en (dus) of de rechtbank bevoegd is een oordeel te geven over het leggerbesluit.



8.2.
De rechtbank stelt vast dat met het bestreden besluit I een watervergunning is verleend voor het dempen van een oppervlaktewaterlichaam, het aanleggen van een oppervlaktewaterlichaam en het onttrekken van water. De rechtbank stelt daarnaast vast dat met het bestreden besluit II de legger is gewijzigd ten gevolge van die verleende watervergunning. De rechtbank stelt ook vast dat met het bestreden besluit II geen beschermingszone in de zin van de Waterwet is gewijzigd. Er is immers ook geen watervergunning verleend voor het wijzigen van een beschermingszone. Hierdoor is er geen sprake van de uitzondering als bedoeld in Bijlage 2 bij de Awb. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank zich onbevoegd voor wat betreft de beroepen van eisers en eiser tegen het leggerbesluit.


V. De omvang van het geding (ROE 23/1091 en ROE 23/995 (gedeeltelijk))


9. De rechtbank start de inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen de watervergunning met het vaststellen van de omvang van het geding. De rechtbank stelt daarbij voorop dat in de beroepsprocedure de omvang van het geding in de eerste plaats begrensd wordt door het besluit waartegen het beroep is ingesteld. De bestuursrechter kan bij de beoordeling van dat besluit niet treden buiten de reikwijdte en de strekking die het besluit heeft of, gelet op de daarop toepasselijke wettelijke bepalingen, had behoren te hebben. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel alleen mag oordelen over het bestreden besluit of gedeelten daarvan.Daarnaast wordt de omvang van het geding bepaald door de tegen het bestreden besluit aangevoerde beroepsgronden.



9.1.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit I ziet op het verlenen van een watervergunning voor het dempen van een oppervlaktewaterlichaam, het verleggen van een oppervlaktewaterlichaam en het onttrekken van water.



9.2.
Het bestreden besluit I ziet dus niet op het projectplan Loobeek, de peilgestuurde drainage systemen, de ontgravingen waarvoor de vergunninghoudster een last onder dwangsom opgelegd heeft gekregen en schade aan perceel en woning. Ook stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit I niet ziet op het aanleggen van de duiker/overkluizing, nu dat niet expliciet is aangevraagd en niet expliciet in het dictum van het bestreden besluit I is vermeld. Voor zover eisers en eiser over de genoemde onderwerpen beroepsgronden naar voren hebben gebracht, zal de rechtbank hier niet op ingaan. Het voorgaande maakt namelijk geen onderdeel uit van het bestreden besluit I en dus ook niet van de omvang van het geding.

10. De rechtbank gaat hierna verder met het beoordelen van de beroepsgronden die, gelet op de omvang van het geding, resteren. De rechtbank zal starten met de aangevoerde grond die ziet op het ontbreken van de bevoegdheid van verweerder om een watervergunning te verlenen voor het onttrekken van water uit het nabijgelegen ‘Afleidingskanaal’. Omdat het gaat om de bevoegdheid van verweerder om het bestreden besluit I te nemen, moet de rechtbank bovendien, nog los van de daarover door eisers aangevoerde beroepsgrond, ook ambtshalve beoordelen of verweerder bevoegd is.


VI. De bevoegdheid van verweerder tot het verlenen van de watervergunning voor het onttrekken van het water (ROE 23/1091 en ROE 23/995)


11. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is tot het verlenen van de watervergunning voor het onttrekken van het water uit het ‘Afleidingskanaal’. Eisers wijzen in dit kader erop dat de aanvraag voor de watervergunning ziet op het dempen van de ‘Venrayse Endepoel’ en het aanleggen van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’. De aanvraag ziet dus niet op het onttrekken van het water. Hiervoor heeft de vergunninghoudster namelijk een (aparte) melding ingediend. Omdat verweerder wel een vergunning heeft verleend voor het onttrekken van het water, terwijl dit niet is aangevraagd door de vergunninghoudster, heeft verweerder volgens eisers de aanvraag ten onrechte verlaten en is hij niet bevoegd tot het verlenen van de watervergunning voor het onttrekken van het water.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij wel bevoegd is tot het verlenen van de watervergunning voor het onttrekken van het water. Verweerder erkent dat de vergunninghoudster inderdaad voor het onttrekken van het water een (aparte) melding heeft ingediend. Gelet op de inhoud van die melding heeft verweerder deze echter aangemerkt als een aanvraag voor een vergunning. Verweerder heeft hierbij gewezen op artikel 3.3 van de Keur, artikel 1.2 van de uitvoeringsregels behorende bij de Keur en het daarin opgenomen stroomschema genaamd “Stroomschema onttrekken uit een oppervlaktewater” (hierna: het stroomschema). Volgens verweerder staat het oppervlaktewater waaruit het water wordt onttrokken niet op de kaart “oppervlaktewater onttrekkingen 2” waardoor er op grond van het stroomschema, ongeacht de hoeveelheid water die wordt onttrokken, sprake is van een vergunningplichtige activiteit. Verweerder stelt gelet op het voorgaande wel bevoegd te zijn tot het verlenen van de vergunning voor het onttrekken van het water en heeft de vergunning verleend.

13. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat voor het onttrekken van het water geen vergunningsplicht geldt. Hierdoor is verweerder niet bevoegd tot het verlenen van een watervergunning voor deze activiteit en tot het verbinden van voorschriften aan deze vergunning voor zover die zien op het onttrekken van water. De beroepsgrond van eisers slaagt daarom en heeft bovendien tot gevolg dat de rechtbank niet toekomt aan overige beroepsgronden van eisers en eiser voor zover die zien op het onttrekken van het water. De rechtbank heeft ter onderbouwing van haar oordeel het volgende overwogen.



13.1.
Voor de vraag of verweerder bevoegd is tot het verlenen van de watervergunning voor het onttrekken van het water is in deze zaak bepalend of deze activiteit vergunningplichtig of meldingsplichtig is. Als deze activiteit meldingsplichtig is, dan is verweerder niet bevoegd tot het verlenen van een watervergunning. Als deze activiteit vergunningplichtig is, dan heeft verweerder die bevoegdheid wel. De rechtbank heeft daarom beoordeeld of het onttrekken van het water in dit geval vergunningplichtig of meldingsplichtig is en daarvoor het volgende relevant geacht.



13.2.

In artikel 3.3 van de Keur is het volgende bepaald:
Voor handelingen waarvoor volgens door het dagelijks bestuur vastgestelde uitvoeringsregels bij deze keur een vergunningplicht geldt, is het alleen toegestaan deze handelingen te verrichten of te laten verrichten indien het dagelijks bestuur daarvoor vooraf een vergunning heeft verleend. Bij het uitvoeren van de handeling moet initiatiefnemer en/of de gebruiker van de vergunning tevens de zorgplichten uit artikel 3.1 in acht nemen.



13.3.
Om te bepalen of het onttrekken van het water vergunningplichtig of meldingsplichtig is, moet op grond van de uitvoeringsregel 1.2 behorende bij de Keur het stroomschema worden doorlopen.


13.3.1.

Vraag 1 in het stroomschema luidt als volgt:

Staat het oppervlaktewater waaruit u wilt onttrekken op kaart “oppervlaktewater onttrekkingen 2?”

De rechtbank stelt vast dat het oppervlaktewater waaruit het water wordt onttrokken, namelijk het Afleidingskanaal, staat aangegeven op de hiervoor bedoelde kaart.




13.3.2.

Op grond van het stroomschema moet vervolgens vraag 2 worden beantwoord.
Vraag 2 in het stroomschema luidt als volgt:

Wilt u meer dan 100 m3 water per uur onttrekken op kaart “oppervlaktewater onttrekkingen 2”?

De rechtbank stelt vast dat op pagina 7 van de door de vergunninghoudster ingediende melding voor het onttrekken van het water is opgenomen dat er maximaal 100 m3 water per uur wordt onttrokken uit het oppervlaktewaterlichaam. Gelet hierop is het antwoord op vraag 2 van het stroomschema ontkennend en dat betekent dat er een meldingsplicht voor het onttrekken van het water geldt. Nu een meldingsplicht geldt, heeft verweerder geen bevoegdheid tot het verlenen van een vergunning. De beroepsgrond slaagt daarom.


14. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het bestreden besluit I vernietigen voor zover een vergunning is verleend voor het onttrekken van het water. De rechtbank zal ook voorschrift 5, zoals dat is opgenomen in het bestreden besluit I, vernietigen omdat dit voorschrift ziet op het onttrekken van het water.

15. De rechtbank zal hierna ingaan op de beroepsgronden van eisers en eiser voor zover die zien op het bestreden besluit I voor zover daarbij een watervergunning is verleend voor het dempen van de watergang en het aanleggen van de watergang.





VII. De beoordeling van de gronden van beroep van eisers (ROE 23/1091)



De verleende vergunning wijkt af van de aanvraag



16. Eisers stellen dat de verleende vergunning afwijkt van wat in de aanvraag is opgenomen. Volgens eisers is er voor wat betreft de lengte en de ligging van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ meer vergund dan aangevraagd. Daarom is de aanvraag verlaten waardoor het bestreden besluit I alleen al om die reden niet in stand kan blijven volgens eisers. Eisers wijzen in dit kader op tekening 2 van bijlage 1 bij de aanvraag voor de vergunning en op afbeelding 1 op pagina 7 van het bestreden besluit I.

17. De rechtbank is van oordeel dat de aanvraag niet is verlaten en dat, als het gaat om de verlegging van de beek, door verweerder niet meer is vergund dan is aangevraagd. De rechtbank heeft daarover als volgt overwogen.


17.1.
De rechtbank stelt vast dat de bewuste bocht aan de meest westelijke kant van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ richting het noordoosten niet is aangevraagd door de vergunninghoudster. Op de tekening genaamd ‘Bijlage bij aanvraag Waterwetvergunning [vergunninghoudster] , [adres] [vestigingsplaats] ’ van Arvalis bij de aanvraag voor de watervergunning is deze bocht namelijk niet ingetekend. Uit de aanvraag voor de vergunning en het bestreden besluit I blijkt ook anderszins niet dat de vergunninghoudster dit deel van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ heeft verlegd en vergund wil krijgen. Daarover zijn partijen het ook eens. De rechtbank is, in tegenstelling tot wat eisers zeggen, van oordeel dat de betreffende bocht niet alsnog door verweerder is vergund met het bestreden besluit I. Hoewel de bocht wel is ingetekend op afbeelding 1 op pagina 7 van het bestreden besluit I volgt de rechtbank verweerder in zijn, door eisers niet weersproken, standpunt dat deze bocht reeds bestond op het moment van de aanvraag voor de vergunning en dat dit deel van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ door vergunninghoudster niet verlegd is.



17.2.
Omdat de bewuste bocht in de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag en ook niet vergund is, heeft verweerder niet meer vergund dan is aangevraagd. Deze beroepsgrond van eisers slaagt daarom niet.



De aanvraag dient een ander doel dan waarvoor aangevraagd



18. Eisers stellen verder dat de aanvraag voor de watervergunning een ander doel dient dan wat door verweerder is opgenomen onder het kopje “Aanvraag” onder punt 6.1 op pagina 7 van het bestreden besluit I. Hierin is opgenomen dat het doel c.q. de aanleiding voor de aanvraag is geweest het optimaliseren van het aanwezige watersysteem voor landbouwkundig gebruik. Volgens eisers dient de aanvraag echter geen ander doel dan de illegale situatie te legaliseren. Daarnaast is volgens eisers het werkelijke doel achter de aanvraag geweest dat de vergunninghoudster door het dempen van de ‘Venrayse Endepoel’ de beschikking zou krijgen over een aaneengesloten stuk landbouwgrond waardoor het bewerken daarvan een stuk eenvoudiger zou worden. De vergunninghoudster hoeft hierdoor namelijk niet meer om te rijden door de aanwezigheid van de watergang. Aangezien de aanvraag een ander doel dient dan waarvoor deze is aangevraagd, had verweerder deze niet in behandeling mogen nemen of in ieder geval niet tot het verlenen van de watervergunning kunnen besluiten, aldus eisers.

19. Voor zover eisers beogen aan te voeren dat verweerder de watervergunning niet had mogen verlenen omdat sprake is van het legaliseren van al uitgevoerde werkzaamheden, volgt de rechtbank hen hierin niet. Het doel van de aanvraag, ook al is dit (mede) het legaliseren van de bestaande situatie of het vergemakkelijken van het gebruik van het perceel, is geen reden om de aanvraag te weigeren. Bepalend is enkel of de aanvraag voldoet aan het toetsingskader zoals opgenomen in artikel 6.21 van de Waterwet en artikel 2.1 van de Waterwet. Op de vraag of hieraan is voldaan, zal de rechtbank in de volgende overwegingen ingaan. De beroepsgrond faalt.



Geen toetsing van de aanvraag aan de doelstellingen van de Waterwet



20. Eisers voeren om te beginnen aan dat in het bestreden besluit I paragraaf 7.3 ontbreekt. Hierin zou de toetsing van de aanvraag aan de doelstellingen van de Waterwet, zoals die zijn opgenomen in artikel 2.1 van de Waterwet, moeten zijn opgenomen. Verder voeren eisers aan dat, gegeven het toetsingskader van de Waterwet, verweerder nooit tot verlening van de vergunning had kunnen komen. Dit omdat de aangevraagde activiteiten onder andere zullen leiden tot het dalen van de grondwaterstanden aan weerszijde van de sloot en tot het optreden van verdrogende effecten.
21. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag wel is getoetst aan de doelstellingen van de Waterwet. Volgens verweerder is de verwijzing in paragraaf 7.1 van het bestreden besluit I naar paragraaf 7.3 voor de inhoud van de toetsing een kennelijke verschrijving geweest. Dat moet namelijk paragraaf 7.2 zijn. In die paragraaf wordt het belang van de waterhuishoudkundige belangen die de Keur beschermt afgewogen tegen het belang van vergunninghoudster. Verweerder wijst daarnaast erop dat in de conclusie van de watervergunning is opgenomen dat met de in de vergunning opgenomen voorschriften is gewaarborgd dat de te bereiken doelstellingen in artikel 2.1 van de Waterwet worden beschermd.

22. De rechtbank volgt verweerder dat de verwijzing in het bestreden besluit I naar paragraaf 7.3 een kennelijke verschrijving is en dat paragraaf 7.2 is bedoeld. De rechtbank is mede gelet op de in die paragraaf opgenomen motivering van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om de watervergunning te weigeren gelet op de doelstellingen uit artikel 2.1. van de Waterwet. De rechtbank heeft daarover het volgende overwogen.



22.1.

In artikel 6.21 van de Waterwet is het toetsingskader voor het verlenen van een watervergunning opgenomen. Deze bepaling luidt als volgt:
Een vergunning wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11.




22.2.

In artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet zijn de volgende doelstellingen opgenomen:
a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met
b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en
c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.




22.3.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016 volgt dat artikel 6.21 van de Waterwet een limitatieve opsomming van weigeringsgronden kent en dat een eventuele weigering van de aangevraagde watervergunning slechts aan de orde is, voor zover de aanvraag niet verenigbaar is met de doelstellingen die worden genoemd in artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet.



22.4.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in paragraaf 7.2 van het bestreden besluit I het volgende heeft opgenomen:

“Belangenafweging






Door het dempen van het secundaire oppervlaktewater Venrayse Endepoel en het graven van de Verlegde Venrayse Endepoel wordt de afvoerende functie in positieve zin veranderd. Door de aanleg van een 2-tal stuwen kunnen de grondwaterstand en de waterstand in het oppervlaktewater worden gereguleerd ter voorkoming van verdrogende effecten. Het waterschap zal zorgdragen voor de aanleg van de stuwen (zie hiervoor de uitgangspunten in de bijlagen).




Door de realisatie van een onderhoudspad langs de Verlegde Venrayse Endepoel verbetert de mogelijkheid tot het beheer van het oppervlaktewater. De plannen zijn door het Waterschap Limburg afgestemd met de omgeving.




Het meest kritische onderdeel in het functioneren van de waterhuishoudkundige situatie is het onderhoud aan de watergang. Onderhoudsplichtige van de Venrayse Endepoel was het Waterschap Limburg. Ook het onderhoud van de Verlegde Venrayse Endepoel blijft bij het Waterschap Limburg. Om goed onderhoud uit te kunnen voeren is als voorschrift in de vergunning opgenomen dat er een onderhoudspad moet worden aangelegd.




Het belang van de aanvrager bij het verkrijgen van een vergunning is afgewogen tegen de waterhuishoudkundige belangen die door de Keur van het Waterschap Limburg worden beschermd.




Uit die belangenafweging is gebleken dat bij honorering van de aanvraag, met inachtneming van de aan dit besluit verbonden voorschriften, de zorg voor de waterhuishouding en het oppervlaktewater wordt gewaarborgd.”





22.5.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat twee hydrologische onderzoeken (bijlage 1 en bijlage 2) onderdeel uitmaken van het bestreden besluit I. In het onderzoek van
26 maart 2020 zijn de effecten van de verleende watervergunning onderzocht en zijn mitigerende maatregelen aangegeven om de negatieve effecten weg te nemen. Uit dit onderzoek volgt dat door de mitigerende maatregelen gemiddeld de verdrogende effecten van de omlegging van de Venrayse Endepoel teniet zullen worden gedaan. Dit houdt wel in dat er plekken zullen zijn waar verdroging plaatsvindt, terwijl op andere plekken vernatting optreedt. Er zijn geen vernattende effecten. Indien deze optreden, kan het stuwpeil desgewenst naar beneden worden bijgesteld. Uit het onderzoek van 6 januari 2021 volgt dat in de situatie na de vergunningverlening bij natte omstandigheden er een betere af- en ontwatering is en dat door de twee stuwen de verdrogende effecten worden weggenomen.




22.6.
In de zienswijzerapportage, die ook onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit I, heeft verweerder verder opgenomen dat in de watervergunning voorschriften zijn opgenomen om negatieve effecten te voorkomen als gevolg van mogelijke grondwaterstandsdalingen. Zo wordt in voorschrift 3 voorgeschreven dat de werken dienen te worden uitgevoerd en te worden behouden conform bijlage 1 en bijlage 2 behorende bij het besluit. Volgens verweerder betekent dit concreet dat op door het waterschap bepaalde plaatsen stuwen geplaatst dienen te worden waardoor er geen negatieve effecten voor de grondwaterstand met gevolgschade te verwachten zijn.



22.7.
Verder is ter zitting door de deskundige van verweerder toegelicht dat hoogstens aan de zijde van de watergang verdroging optreedt, maar niet in het gebied van de woningen van eisers en eiser. Partijen erkennen ook dat er verdroging in het gebied optreedt, maar dat nergens uit blijkt (ook niet uit de door partijen overlegde rapporten) dat deze verdroging enkel en alleen door de watervergunning optreedt.



22.8.
De rechtbank kan zich voorstellen dat door ontwikkelingen in het gebied waarop deze watervergunning geen betrekking heeft, zoals het projectplan Loobeek en de peilgestuurde drainage systemen, (verdrogende) effecten optreden in het gebied. Zoals de rechtbank hiervoor echter al heeft overwogen, ligt in deze zaken enkel de door verweerder verleende watervergunning voor en de vraag of verweerder in het kader van die vergunning voldoende heeft gemotiveerd dat aan de doelstellingen van de Waterwet zoals opgenomen in artikel 2.1 is voldaan.



22.9.
Gelet op wat hiervoor in rechtsoverweging 22 tot en met 22.8 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag wel heeft getoetst aan de doelstellingen van de Waterwet en dat uit deze toetsing volgt dat door het verlenen van de watervergunning niet zodanige effecten optreden dat er niet aan de doelstellingen van de Waterwet wordt voldaan. De rechtbank betrekt hierbij ook de in de watervergunning opgenomen voorschriften c.q. maatregelen die zijn gericht op voorkoming van verdrogende effecten zoals bijvoorbeeld de stuwen. Deze beroepsgrond van eisers slaagt daarom niet.



Toetsingskader onvolledig



23. Volgens eisers had de aanvraag voor de watervergunning naast de Waterwet ook getoetst moeten worden aan de uitvoeringsregel 1.12 behorende bij de Keur en aan de beleidsregels 4 en 11 behorende bij de Keur.

24. De rechtbank volgt eisers daarin niet en heeft daartoe het volgende overwogen.



24.1.
Uitvoeringsregel 1.12 behorend bij de Keur is in dit geval niet van toepassing. Deze uitvoeringsregel vereist namelijk dat het in het bestreden besluit I gaat om het treffen van (mede) op de waterhuishouding van het projectgebied gerichte maatregelen in een aaneengesloten gebied van minimaal 10 hectare. Daarvan is in dit geval geen sprake. De maatregelen waarop de watervergunning ziet, beslaan niet een projectgebied met een omvang van minimaal 10 hectare (10.000 m2). Voor wat betreft het dempen van de watergang is er sprake van een oppervlakte van 560 m2 en voor wat betreft het aanleggen van de watergang is er sprake van een oppervlakte van 455m2. Beleidsregel 11 hangt vervolgens weer samen met uitvoeringsregel 1.12, omdat deze beleidsregel ziet op de in het kader van uitvoeringsregel 1.12 uit te voeren beoordeling. Aangezien die uitvoeringsregel niet van toepassing is, is beleidsregel 11 dus ook niet van toepassing.



24.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat ook beleidsregel 4, die ziet op de beoordeling van het aanleggen van een duiker of overkluizing, niet van toepassing is. Zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 9.2 heeft overwogen valt de duiker/overkluizing buiten de omvang van het geding, waardoor deze beleidsregel en het daarin opgenomen beoordelingskader voor het bestreden besluit I niet van toepassing is.



De voorschriften beschermen de doelstellingen van de Waterwet niet



25. Eisers stellen zich op het standpunt dat de voorschriften 1 tot en met 7 die verweerder aan de watervergunning heeft verbonden niet of onvoldoende de doelstellingen uit artikel 2.1 van de Waterwet beschermen.

26. De rechtbank is van oordeel dat ook deze beroepsgrond van eisers niet slaagt en heeft daarvoor het volgende van belang geacht.



26.1.
Wat betreft voorschrift 5 is van belang dat hiervoor onder rechtsoverweging 14 al is overwogen dat dit voorschrift zal worden vernietigd. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat een inhoudelijk oordeel over de doeltreffendheid van dat voorschrift niet meer nodig is.



26.2.
Wat betreft de voorschriften 2, 4 en 6 stelt de rechtbank vast dat eisers hun beroepsgrond niet hebben onderbouwd. De enkele stelling van eisers dat met deze voorschriften de doelstellingen van de Waterwet niet in voldoende mate worden beschermd, is onvoldoende.



26.3.
Wat betreft voorschrift 7 is de rechtbank van oordeel dat wat eisers daarover hebben aangevoerd gaat over de uitvoering van de watervergunning. Eisers stellen namelijk dat niet te begrijpen is dat het onderhoudspad nog niet gerealiseerd is, terwijl de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ al zo’n kleine vier jaar geleden gerealiseerd is. Voor zover eisers menen dat de voorschriften in de watervergunning niet of niet snel genoeg worden nageleefd, kunnen zij daarover een handhavingsverzoek indienen.



26.4.
Voor zover eisers over voorschriften 1 en 3 aanvoeren dat deze voorschriften volgens hen geen meerwaarde hebben, volgt de rechtbank hen hierin niet. Voorschriften over de wijze van beheer, onderhoud en uitvoering hebben naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk nut in het kader van het beschermen van de doelstellingen van de Waterwet en daarom heeft verweerder deze voorschriften mogen opnemen.



Bijlage 1 en bijlage 2 kunnen niet dienen ter onderbouwing van de watervergunning



27. Eisers stellen zich op het standpunt dat de bijlagen 1 en 2, zoals die zijn opgenomen in het bestreden besluit I, niet kunnen dienen ter onderbouwing hiervan. Dit omdat deze niet zijn ingediend door de vergunninghoudster maar van verweerder afkomstig zijn. Verder blijkt volgens eisers nergens uit dat deze bijlagen ook de bijlagen zijn zoals opgenomen in de watervergunning. Dit omdat de gegevens waarnaar verwezen wordt in de watervergunning ontbreken op de betreffende bijlagen zelf. De bijlagen zijn niet gedateerd en evenmin blijkt van wie deze afkomstig zijn. Ook voor het overige zijn de bijlagen volgens eisers volstrekt onduidelijk.

28. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel niet slaagt. Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals dat is opgenomen in artikel 3:2 van de Awb, moet verweerder bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaren. Op grond hiervan is verweerder dus verplicht om, als dat nodig is, onderzoek te verrichten in het kader van een aangevraagde vergunning. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat verweerder zelf onderzoek doet naar de vergunbaarheid van een aanvraag. Ook is er geen rechtsregel die maakt dat verweerder dit onderzoek vervolgens niet als bijlage bij een besluit mag voegen. Voor wat betreft de gegevens die ontbreken op de bijlagen kan de rechtbank zich voorstellen dat dit tot enige onduidelijkheid bij eisers heeft geleid. Dit maakt echter niet dat de bijlagen niet kunnen dienen ter onderbouwing van de watervergunning. Verweerder heeft in het aanvullende verweerschrift van 6 december 2024 aangegeven dat de bijlagen zijn opgesteld door de (interne) hydroloog van het waterschap Limburg. Verder heeft verweerder aangegeven dat de stukken dateren van 26 maart 2020 (bijlage 1) en
6 januari 2021 (bijlage 2), wat overeenkomt met de gegevens waarnaar in de watervergunning wordt verwezen. Omdat eisers verder niet hebben onderbouwd waarom de bijlagen volstrekt onduidelijk zijn, slaagt de beroepsgrond niet.




De beoordeling van de gronden van beroep van eiser (ROE 23/995)




Geen onderzoek



29. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld omdat er ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van alle werkzaamheden waarop de watervergunning ziet voor zijn perceel. Zo is verzuimd om een hydrologische nulmeting te verrichten. Ook is er geen onderzoek gedaan naar de inklinking en verdroging van veenlagen.

30. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder op deze punten onzorgvuldig heeft gehandeld. Zoals de rechtbank hiervoor onder rechtsoverweging 28 heeft overwogen heeft verweerder twee door hem verrichte onderzoeken ten grondslag gelegd aan de verleende watervergunning. Het gaat om het in bijlage 1 bij de watervergunning opgenomen onderzoek genaamd “hydrologisch onderzoek mitigerende maatregelen omlegging Endepoel” van 26 maart 2020 en het in bijlage 2 bij de watervergunning opgenomen onderzoek genaamd “hydrologisch onderzoek effecten verlegde Endepoel” van 6 januari 2021. Eiser heeft, hoewel dit wel op zijn weg lag, verder niet toegelicht waarom het door verweerder verrichte onderzoek dat uit die twee bijlagen in ieder geval blijkt en dat mede verdrogingseffecten omvat, ontoereikend zou zijn om op de aanvraag te kunnen beslissen. Bovendien is niet gebleken dat een wat eiser noemt ‘hydrologische nulmeting’ nodig zou zijn of wat dat voor gevolgen zou hebben voor het oordeel van verweerder over de watervergunning. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.



Schade



31. Eiser voert in zijn zaak nog aan dat hij als gevolg van onder andere de werkzaamheden waarop de watervergunning ziet schade heeft ondervonden aan zijn perceel. Deze schade bestaat onder andere uit forse scheuren in de woning, tegels die van de muren vallen en een verzakking van de woning, aldus eiser.

32. Voor zover eiser stelt schade te hebben geleden als gevolg van de verleende watervergunning is de rechtbank van oordeel dat dit geen reden is om, gelet op het wettelijke toetsingskader, de watervergunning te weigeren. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet. Eiser kan als hij schade heeft geleden een verzoek om nadeelcompensatie indienen. In het aanvullende verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat voor de vraag welke schade er is geleden en welke oorzaak die schade heeft, er al nadeelcompensatieprocedures lopen.




Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn


33. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voor zover hier van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. In zaken als de onderhavige bedraagt de redelijke termijn voor de afhandeling van het beroep door de rechtbank twee jaar.

34. Nu sinds het instellen van de beroepen op 4 en 17 mei 2023 ten tijde van deze uitspraak ruim drie jaar is verstreken, is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank ziet aanleiding om ambtshalve een schadevergoeding hiervoor toe te kennen, nu ten tijde van het sluiten van het onderzoek die termijnoverschrijding niet voorzienbaar was. De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan de overschrijding gerechtvaardigd is te achten. Uitgaande van een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eisers, eiser en vergunninghoudster toe te kennen bedrag aan schadevergoeding in beginsel € 1.500,00 per zaak. Hoewel eisers twee aparte beroepen hebben ingesteld, is sprake van één zaak omdat het over hetzelfde onderwerp en hetzelfde geschil tussen partijen gaat. Omdat eisers samen hebben geprocedeerd, bestaat verder aanleiding om het bedrag voor hen aldus te matigen, dat ieder recht heeft op een bedrag van € 750,00. Deze matiging acht de rechtbank redelijk vanwege de matigende invloed die het gezamenlijk procederen wordt geacht te hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die eisers hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure.

35. Nu de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van de schadevergoeding worden veroordeeld.




X. Conclusie en gevolgen

36. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren voor wat betreft de beroepen van eisers en eiser tegen het leggerbesluit.

37. De rechtbank zal de beroepen van eisers en eiser tegen de watervergunning gegrond verklaren. Dit omdat verweerder niet bevoegd is tot het verlenen van een watervergunning voor het onttrekken van water. Deze activiteit is namelijk meldingsplichtig. De rechtbank zal gelet daarop het bestreden besluit I vernietigen voor zover daarbij een watervergunning is verleend voor het onttrekken van het water. De rechtbank zal ook voorschrift 5, zoals dat is opgenomen in het bestreden besluit I, vernietigen omdat dit voorschrift ziet op het onttrekken van het water. Voor het overige blijft het bestreden besluit I in stand.

38. Omdat de beroepen van eisers en eiser gegrond zijn, krijgen eisers en eiser het door hen betaalde griffierecht terug. Zij krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze bedragen betalen aan zowel eisers als eiser. De vergoeding voor de proceskosten van eisers en eiser stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep door de gemachtigde en 1 punt voor het verschijnen ter zitting door de gemachtigde met een waarde per punt: € 934,- bij een wegingsfactor 1).

39. Eisers (ROE 23/1091) hebben ook een proceskostenformulier overgelegd waarmee zij om vergoeding van deskundigenkosten, reis- en verblijfkosten en verletkosten hebben gevraagd.

40. Wat betreft de verzochte deskundigenkosten overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 februari 2018; ECLI:NL:RVS:2018:380) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing. Onder bepaalde omstandigheden bestaat er echter aanleiding hierop een uitzondering te maken.


40.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2505) overwogen dat omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor het maken van een uitzondering zich in het bijzonder voordoen in zaken in het omgevingsrecht. In die zaken kan het voorkomen dat beroepsgronden zijn gericht tegen zeer verschillende aspecten van hetzelfde besluit. Wanneer ter onderbouwing van een beroepsgrond over bijvoorbeeld het aspect geluid een rapport door een deskundige wordt opgesteld en de bestuursrechter komt na een inhoudelijke bespreking tot de slotsom dat die beroepsgrond niet slaagt, dan komen de kosten in verband met het geluidsrapport niet voor vergoeding in aanmerking. Ook niet in het geval het bestreden besluit om andere redenen voor vernietiging in aanmerking komt, bijvoorbeeld vanwege een ambtshalve te toetsen aspect of vanwege een andere beroepsgrond over een ander aspect van het bestreden besluit en die beroepsgrond wel slaagt.



40.2.
In deze zaak zijn door eisers kosten gemaakt voor het laten opstellen van een deskundigenrapport en reactie door bureau CRUX Engineering B.V. Die stukken hebben betrekking op de beroepsgrond over de schade. Uit de overwegingen 31 en 32 volgt dat deze grond niet slaagt. De beroepsgrond die wel slaagt en die aanleiding is voor de proceskostenveroordeling ziet op de bevoegdheid van verweerder tot het verlenen van een watervergunning voor het onttrekken van water. Nu deze beroepsgrond geen verband houdt met het onderwerp van het deskundigenrapport en de reactie, oordeelt de rechtbank dat de kosten daarvoor niet voor vergoeding door verweerder in aanmerking komen.

41. Voor wat betreft de reis- en verblijfkosten komen in aanmerking de kosten die zijn gemaakt met de laagste klasse openbaar vervoer, of met een kilometervergoeding van € 0,28 als reizen met het openbaar vervoer niet mogelijk is. Dat betekent dat verweerder aan ieder van eisers een bedrag van (2 x 56,1 km x € 0,28 =) € 31,42 dient te betalen.

42. Eisers hebben ook verzocht om verletkosten van 6,5 uur tegen een uurtarief van
€ 103,-. Eisers hebben het uurtarief echter niet nader onderbouwd terwijl daar in de toelichting op het proceskostenformulier op wordt gewezen. De rechtbank heeft daarom bij de berekening van de verletkosten het forfaitair minimumuurtarief van € 9,00 gehanteerd. Dat betekent dat verweerder aan ieder van eisers een bedrag van (6,5 x € 9,00 =) € 58,50 zal moeten betalen.

43. Tot slot ziet de rechtbank aanleiding om de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn zoals hiervoor in rechtsoverweging 34 is overwogen.




Beslissing




De rechtbank:




Inzake ROE 23/1090:


- verklaart zich onbevoegd om van de beroepen tegen het leggerbesluit kennis te nemen;



Inzake ROE 23/1091:




verklaart de beroepen van eisers tegen de watervergunning gegrond;


vernietigt het bestreden besluit I voor zover daarbij een watervergunning is verleend voor het onttrekken van het water;


vernietigt voorschrift 5 uit het bestreden besluit I;


bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 184,00 aan eisers gezamenlijk dient te vergoeden;


veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers gezamenlijk;


veroordeelt verweerder tot betaling van € 31,42 aan reis- en verblijfkosten aan ieder van eisers;


veroordeelt verweerder tot betaling van € 58,50 aan verletkosten aan ieder van eisers;


veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot


betaling van € 750,00 aan schadevergoeding aan ieder van eisers;





Inzake ROE 23/995:




verklaart zich onbevoegd om van de beroepen tegen het leggerbesluit kennis te nemen;


verklaart het beroep van eiser tegen de watervergunning gegrond;


vernietigt het bestreden besluit I voor zover daarbij een watervergunning is verleend voor het onttrekken van het water;


vernietigt voorschrift 5 uit het bestreden besluit I


bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184,00 aan eiser dient te vergoeden;


veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;


veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 1.000,00 aan schadevergoeding aan eiser;





Inzake ROE 23/1091 en ROE 23/995:


- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van in totaal € 1.000,00 aan schadevergoeding aan vergunninghoudster.





Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, voorzitter, en mr. K.M.J.A. Smitsmans en
mr. M.B.L. van der Weele, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Genders, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 26 juni 2026.












griffier


voorzitter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 26 juni 2026.






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Bijlage





Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019 deel 1





1.2





Uitvoeringsregel onttrekken van water uit een oppervlaktewater



Afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Jaargang 2022, nr. 8052, gepubliceerd op 13 juli 2022.


Jaargang 2023, nr. 4125, gepubliceerd op 6 april 2023.


Zoals die luidde ten tijde van de bestreden besluiten.


Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2601.


Verordening van het algemeen bestuur van Waterschap Limburg houdende regels ter bescherming van waterkeringen en watergangen Keur Waterschap Limburg.


Besluit van het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg houdende regels omtrent de uitvoering van de Keur Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019 deel 1


Opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.


ECLI:NL:RVS:2016:850.


Bijlage 1: hydrologisch onderzoek mitigerende maatregelen omlegging Endepoel, Waterschap Limburg d.d. 26 maart 2020. Bijlage 2: hydrologisch onderzoek effecten verlegede Endepoel, Waterschap Limburg, d.d. 6 januari 2021.


Besluit van het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg houdende regels omtrent de uitvoering van de Keur Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019 deel 2.


Beleidsregel van het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg houdende regels omtrent de beleidsregels van de keur Beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 deel 1.