Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:6412

2026-07-07 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12259425 \ CV EXPL 26-2933
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-02
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12259425 \ CV EXPL 26-2933
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

huur bedrijfspand. Ontruiming. Contractuele boete niet spoedeisend.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.635 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 12259425 \ CV EXPL 26-2933




Vonnis in kort geding van 7 juli 2026




in de zaak van





[eiser] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.J.M.H. Simons,



tegen





[bedrijf]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf],
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026- het verweer namens [bedrijf].






2De feiten


2.1.

[eiser] verhuurt aan [bedrijf] een pand, inhoudende een loods, kantoorruimte en buitenterrein, aan de [adres] te [plaats 2] . De huurprijs, inclusief het voorschot voor gas, elektra en water, bedraagt € 6.814,72, inclusief btw per maand.



2.2.


[bedrijf] heeft een achterstand in de betaling van de huurprijs en het voorschot laten ontstaan. In totaal bedraagt de achterstand tot en met juni 2026 een bedrag van
€ 32.707,00.




2.3.
Ook de betalingsregeling aangaande de achterstand is [bedrijf] niet nagekomen.







3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert samengevat – veroordeling van [bedrijf] tot:


ontruiming van het pand aan [adres] te [plaats 2] , inclusief machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie,


betaling van de huurachterstand van € 32.707,00 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,


betaling van € 6.814,72, inclusief btw, per maand vanaf 1 juli 2026 totdat de huurovereenkomst is geëindigd, te vermeerderen met de contractuele boeterente vanaf de vervaldag van de betreffende betaling, met een minimum van € 300,00 per maand, althans de wettelijke handelsrente,


betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 4.906,05, althans € 1.102,07,


betaling van de proceskosten, vermeerderd met rente.





3.2.


[bedrijf] voert verweer. [bedrijf] concludeert tot afwijzing van de gevorderde ontruiming en de vorderingen met betrekking tot de boete en buitengerechtelijke incassokosten eveneens af te wijzen, althans te matigen.

[bedrijf] vraagt subsidiair een ruimere ontruimingstermijn te bepalen tot 1 september 2026, althans tot 1 augustus 2026.
Dit, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.




3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.



Ontruiming




4.2.

[bedrijf] heeft de achterstand ad € 32.707,00 erkend. [bedrijf] heeft betwist dat er sprake is van spoedeisend belang aan de zijde van [eiser] . De hoogte van het bedrag maakt dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat over een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De gevorderde ontruiming zal daarom worden toegewezen.



4.3.


[eiser] heeft een ontruimingstermijn van 14 dagen gevorderd.

[bedrijf] heeft verzocht een ruimere ontruimingstermijn te hanteren, nu zij een nieuwe huurovereenkomst heeft getekend, ingaande 1 september 2026 en de importeur van de door haar gebruikte laserapparatuur niet eerder dan eind augustus 2026 kan komen om de laser te ontmantelen en op locatie weer op te bouwen. De laser is essentieel voor [bedrijf] en zonder de importeur kan de laser niet worden verplaatst.
De kantonrechter passeert het verweer van [bedrijf] met betrekking tot de termijn echter, nu zij heeft verzuimd haar stellingen te onderbouwen met relevante stukken.
De kantonrechter zal daarom een ontruimingstermijn van veertien dagen hanteren.




4.4.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.



Hoofdsom en rente




4.5.
Gelet op de erkenning door [bedrijf], zal de vordering met betrekking tot de huurachterstand tot en met juni 2026 worden toegewezen. Gelet daarop zal de vordering ten aanzien van de lopende huurpenningen vanaf 1 juli 2026 eveneens worden toegewezen.



4.6.
De gevorderde wettelijke handelsrente wordt ook toegewezen, omdat sprake is van de huur van bedrijfsruimte en dus van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a Van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).



Contractuele boete




4.7.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is ook terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die uit hoofde van onverwijlde spoed meebrengen dat een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede moet betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.



4.8.
De kantonrechter stelt voorop dat het belang om betaling te verkrijgen een algemeen belang is dat inherent is aan het hebben van een geldvordering, maar dit maakt de vordering ten aanzien van de contractuele boete nog niet spoedeisend. Voor de toewijzing van de contractuele boete (naast of in plaats van de wettelijke handelsrente) in kort geding heeft [eiser] onvoldoende gesteld ter zake het spoedeisend belang. Een contractuele boete is van een andere orde dan de hoofdsom. Bovendien valt niet uit te sluiten dat de boete in een bodemzaak zal worden gematigd. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.



Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.




4.9.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 1.102,07 worden toegewezen. Voor toewijzing van een hoger bedrag ziet de kantonrechter geen aanleiding.



4.10.

[bedrijf] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:













- kosten van de dagvaarding


€


128,65







- griffierecht


€


1.504,00







- salaris gemachtigde


€


865,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.641,65











4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [bedrijf] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan [adres] te [plaats 2] , inhoudende een loods, kantoor en buitenterrein, te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,



5.2.
veroordeelt [bedrijf] om te betalen aan [eiser] :
a. a) € 32.707,00 aan achterstallige huur tot en met juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, te rekenen vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van voldoening,
b) € 6.814,72 per maand vanaf 1 juli 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de betreffende betaling tot de dag van voldoening,



5.3.
veroordeelt [bedrijf] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.102,07 aan buitengerechtelijke kosten,



5.4.
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 2.641,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bedrijf] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.5.
veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.