Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:6411
2026-07-08
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12053238 \ CV EXPL 26-57
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Non-conformiteit. Bedrijfswagen met koel-vriesinstallatie voldoet niet aan hetgeen partijen zijn overeengekomen. Het had op de weg van de professionele verkoper gelegen om eiseres te bevragen over de duur van de stops. Ook waren de bewoordingen dat de koelcapaciteit niet toerental afhankelijk is niet duidelijk genoeg voor eiseres. De afgeleverde zaak beantwoordt daarmee niet aan de overeenkomst. De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van vervangende schadevergoeding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.753 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12053238 \ CV EXPL 26-57
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
1 [eisende partij 1] V.O.F.,
te [plaats 1] ,2. [eisende partij 2] , IN DE HOEDANIGHEID VAN VENNOOT VAN DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [eisende partij 1] V.O.F.,
te [plaats 2] ,3. [eisende partij 3] , IN DE HOEDANIGHEID VAN VENNOOT VAN DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [eisende partij 1] V.O.F.,
te [plaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partijen] ,
gemachtigde: mr. P.J.H.C. Glenz,
tegen
[gedaagde partij] B.V. (H.O.D.N. [bedrijf] ),
te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: SRM Rechtsbijstand (mr. A.A. Alciyan).
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 december 2025 met bijlagen;
- de conclusie van antwoord met bijlagen;
- de brief waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 17 juni 2026. [eisende partijen] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar eis verminderd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
In deze procedure is iets een feit als het 1) een feit van algemene bekendheid is, 2) een stelling is waar partijen het samen over eens zijn, 3) een stelling is die door de ene partij is genoemd en door de andere partij onvoldoende is weersproken (artikel 149 Rv).
2.1.
[gedaagde partij] drijft een gespecialiseerde onderneming die zich richt op de inkoop, verkoop en vakkundige ombouw van bedrijfswagens, waaronder koel- en vrieswagens voor professionele afnemers.
2.2.
[eisende partijen] houdt zich bezig met het leveren van maaltijden aan de deur. Zij heeft contact gezocht met [gedaagde partij] voor de koop en levering van een bedrijfswagen met een koel- en vriesinstallatie ten behoeve van het uitleveren van haar maaltijden.
2.3.
[eisende partijen] heeft [gedaagde partij] verteld over haar bedrijfsactiviteiten en dat zij de bedrijfswagen daarvoor wilde inzetten. Zij heeft gezegd dat zij gemiddeld 8 keer per uur stopt. Een stop betekent: het pakken van de maaltijd, de maaltijd afleveren aan de klant en het afrekenen met de klant.
2.4.
Partijen hebben via e-mail onder meer de volgende informatie uitgewisseld:
E-mail van 29 juli 2024 om 08:47 van [gedaagde partij] aan [eisende partijen] :“(…) een koeling aanbieden van Thermo King. Deze is volledig elektrisch aangedreven waardoor de airco van de auto niet weg zal vallen.”
E-mail van 29 juli 2024 om 09:06 uur van [eisende partijen] aan [gedaagde partij] :“(…) Voordeel van elektrische koeling is dat deze kan blijven doorlopen als de auto stil staat. De vraag is dan even hoeveel bedrijfsuren de koeling kan draaien op 1 acculading en hoeveel ruimte het accupakket inneemt in de laadruimte.”
E-mail van 29 juli 2024 om 09:23 uur van [gedaagde partij] aan [eisende partijen] :“Volledig elektrisch en dan moeten vriezen in combinatie met een Vito kan ik nu nog niet aanbieden. Je zit dan te snel aan je laadvermogen en inderdaad de uren dat je de wagen kunt inzetten. De koeling waar ik nu over praat in combinatie met een diesel Vito is ook elektrisch aangedreven waardoor de koel capaciteit niet toerental afhankelijk is. Dit zal met jullie werkzaamheden ideaal zijn!”
E-mail van 9 augustus 2024 om 11:15 uur van [eisende partijen] aan [gedaagde partij] :“Ik zat nog even te denken over het plaatsen van het batterijpakket. (…)”
E-mail van 9 augustus 2024 om 13:55 uur van [gedaagde partij] aan [eisende partijen] :“Accu’s plaatsen in de laadruimte kunnen wij niet aanbieden. Tevens is het bij de dieselombouw niet nodig om accu’s bij te plaatsen. (…)”
E-mail van 12 augustus 2024 om 07:37 uur van [eisende partijen] aan [gedaagde partij] :“Ik denk dat we langs elkaar heen communiceren. Je hebt ons een diesel vito met een elektrische koeling voorgesteld. Ik heb het over het accupakket van de koel/vriesinstallatie. Dit accupakket zal je ergens kwijt moeten. (…)”
E-mail van 12 augustus 2024 om 08:58 uur van [gedaagde partij] aan [eisende partijen] :“Er is geen extra accu vereist voor de Thermo King waarvan je de documentatie van ontvangen hebt. Dit heb ik zojuist ook nog even geverifieerd telefonisch met Thermo King. Wat belangrijk is dat de dynamo sterk genoeg is en een grote accu gemonteerd is. Deze combinatie is voldoende om de wagen top te laten functioneren. De Vito waar we in deze over praten heeft een grote accu en een sterke dynamo. Deze dynamo is zelfs meer dan Thermo King eist.”
2.5.
De documentatie van de koel- en vriesinstallatie van Thermo King die [gedaagde partij] voorafgaande aan de koop aan [eisende partijen] heeft verstrekt, vermeldt onder meer:
“A smarter form of power
With performance that’s completely autonomous from the vehicle, and intelligent power source optimization to give you increased uptime and improved maintenance intervals.
Capacity you can always rely on
Due to the E-200’s enhanced controller for single and multi-temperature that delivers constant capacity independent of vehicle RPM.”
2.6.
[gedaagde partij] heeft vervolgens op 10 september 2024 een offerte uitgebracht voor een Mercedes- Benz, type 116 L3 Extra Lang MBUX Automaat Koelwagen Carrier, model Vito, voorzien van een Thermo King E200-50 electric als koel- en vriesinstallatie (hierna: de bedrijfswagen). [eisende partijen] heeft deze offerte geaccepteerd.
2.7.
De bedrijfswagen is in januari 2025 geleverd en kort daarna in gebruik genomen.
2.8.
[eisende partijen] maakt gemiddeld 8 stops per uur om haar maaltijden uit te leveren en stops duren gemiddeld tussen de 3-5 minuten, met soms een uitschieter naar boven. Bij een stop schakelt [eisende partijen] de motor van de bedrijfswagen uit. De koel- en vriesinstallatie is dan niet in werking. Na het weer starten van de motor van de bedrijfswagen, heeft de koel- en vriesinstallatie één minuut de tijd nodig om weer op te starten. Tijdens die minuut koelt de installatie niet.
2.9.
Op 7 februari 2025 heeft [eisende partijen] zich bij [gedaagde partij] gemeld met de klacht dat de koel- en vriesinstallatie niet voldoet aan wat partijen waren overeengekomen, omdat de installatie niet doordraait wanneer de motor van de bedrijfswagen niet draait en omdat de installatie na iedere stop wanneer de motor van de bedrijfswagen weer wordt gestart, één minuut niet koelt als gevolg van de opstarttijd.
2.10.
Partijen zijn vervolgens samen met leverancier Thermo King in overleg gegaan over een oplossing en de financiële afwikkeling daarvan. Zij zijn het niet met elkaar eens geworden.
2.11.
Per brief van 16 juni 2025 heeft [eisende partijen] [gedaagde partij] in gebreke gesteld en gesommeerd om twee weken zorg te dragen voor herstel. Per e-mail van
27 augustus 2025 is nogmaals gesommeerd, concreet om er binnen twee weken voor te zorgen dat de koel- en vriesinstallatie gedurende de rijtijd en stilstand zonder draaiende motor 100% koelvermogen levert.
2.12.
[gedaagde partij] heeft aansprakelijkheid per brief van 19 november 2025 van de hand gewezen. Daarop is [eisende partijen] deze procedure gestart.
3Het geschil
3.1.
[eisende partijen] vordert na eisvermindering, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 3.351,50, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partijen]
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Er is sprake van non-conformiteit
4.1.
Op grond van artikel 7:17 Burgerlijk Wetboek (BW) moet een afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. Lid 2 bepaalt vervolgens: een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
4.2.
De verkoper moet dus een zaak leveren die de hoedanigheden heeft die de koper mag verwachten. Om uit te maken wat de koper mag verwachten, moet mede rekening worden gehouden met wat de verkoper wist of had behoren te weten over het gebruik waarvoor de zaak bestemd is en de bedoelingen van de koper.
4.3.
[eisende partijen] beroept zich erop dat [gedaagde partij] tekort is geschoten in de nakoming van tussen partijen gesloten overeenkomst door een zaak te leveren die niet aan de overeenkomst beantwoordt (non-conformiteit). [eisende partijen] legt die
non-conformiteit ten grondslag aan de vordering tot vervangende schadevergoeding. [eisende partijen] draagt de bewijslast, omdat zij zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde tekortkoming.
4.4.
Volgens [eisende partijen] voldoet de geleverde bedrijfswagen met koel- en vriesinstallatie niet aan wat partijen zijn overeengekomen, omdat
a. a) de koel- en vriesinstallatie bij stilstand van de bedrijfswagen niet doordraait en
b) na iedere stop 1 minuut nodig heeft om weer op te starten en tijdens die minuut niet koelt.
Met gemiddeld 8 stops per uur betekent dit dat er niet voldoende koeling plaatsvindt. De duur van de stops levert volgens [eisende partijen] geen relevante bijdrage aan het probleem.
4.5.
[gedaagde partij] betwist dat de geleverde bedrijfswagen met koel- en vriesinstallatie niet voldoet aan wat partijen zijn overeengekomen. De koel- en vriesinstallatie is niet gebrekkig en functioneert technisch overeenkomstig het doel waarvoor deze is ontworpen en vervaardigd. De gekozen koel- en vriesinstallatie wordt gevoed door boordspanning van de bedrijfsauto. Het feit dat de koel- en vriesinstallatie elektrisch is aangedreven, betekent dat de koelcapaciteit niet afhankelijk is en niet meebeweegt met het toerental van de bedrijfswagen. Het betekent niet dat de installatie ook kan koelen wanneer de motor van de bedrijfswagen, en dus de voedingsbron, uit staat. Zonder voedingsbron kan de installatie alleen koelen indien extra accu’s worden geplaatst. Partijen hadden afgesproken dat als achteraf zou blijken dat extra accu’s nodig waren, deze tegen betaling zouden worden geleverd. Er zou worden gestart met een standaardconfiguratie. Temperatuurwisselingen worden veroorzaakt door het gebruikspatroon van [eisende partijen] [gedaagde partij] is ervan uitgegaan dat een stop ongeveer 1-3 minuten zou zijn, terwijl dat gemiddeld 3-5 minuten bleek te zijn. Dit is essentiële informatie die [eisende partijen] had moeten melden. Er is daarom geen sprake van een tekortkoming van [gedaagde partij] . [gedaagde partij] erkent wel dat de koel- en vriesinstallatie na starten van de motor van de bedrijfswagen één minuut opstarttijd heeft en dan niet koelt. Dit wist [gedaagde partij] bij verkoop en levering ook niet. [gedaagde partij] heeft aangeboden een extra voorziening aan te brengen om dit te compenseren.
4.6.
De kantonrechter overweegt als volgt. Mocht [eisende partijen] verwachten dat zij een bedrijfswagen geleverd kreeg met een koel- en vriesinstallatie die ook zou koelen indien de motor van de auto uit stond en die bij het weer starten van de motor direct zou koelen? De kantonrechter beantwoordt die vraag met “ja”. Hierna licht de kantonrechter dat toe.
4.7.
Ten eerste is van belang dat [gedaagde partij] een gespecialiseerde onderneming is, die zich richt op de inkoop, verkoop en vakkundige ombouw van bedrijfswagens, waaronder koel- en vrieswagens voor professionele afnemers. Gesteld noch gebleken is dat [eisende partijen] op dit vlak vakinhoudelijke kennis en ervaring heeft. [eisende partijen] heeft zich voor advies en verkoop gericht tot [gedaagde partij] als professional en mag van [gedaagde partij] verwachten dat deze op basis van de uitvraag van [eisende partijen] die vragen aan [eisende partijen] stelt, waarvan zij de antwoorden nodig heeft om tot een goed advies en verkoopresultaat te komen. Het is immers de professional die er het (meeste) zicht op heeft welke factoren allemaal van invloed zijn om tot het door de koper gewenste resultaat te komen.
4.8.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] wist van het gebruik waarvoor de zaak bestemd was: het uitleveren van maaltijden aan klanten, waarbij gemiddeld 8 stops per uur gemaakt zouden worden, waarbij de koel- en vriesinstallatie de maaltijden gekoeld moest houden. [eisende partijen] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij ook uitdrukkelijk heeft gevraagd om een koel- en vriesinstallatie die bij uitschakeling van de motor door zou blijven koelen, maar dat betwist [gedaagde partij] . Voor de verdere beoordeling maakt het geen wezenlijk verschil wie hier het gelijk aan zijn zijde heeft, zoals hierna wordt toegelicht.
4.9.
[gedaagde partij] is er in haar advisering en verkoop vanuit gegaan dat de stops gemiddeld 1-3 minuten zouden duren en vindt dat [eisende partijen] haar had moeten zeggen dat de stops gemiddeld 3-5 minuten zouden duren. Volgens [gedaagde partij] is de duur van de stops de reden dat per saldo sprake is van onvoldoende koeling. De kantonrechter is echter van oordeel, dat als (het verschil in) de duur van de stops in deze ordegrootte
(1-3 versus 3-5 minuten) van wezenlijke invloed is op het te bereiken resultaat, het op de weg van de professionele verkoper lag om zijn klant zonder bijzondere kennis op dit vlak daarover te bevragen alvorens een bepaalde koel- en vriesinstallatie te adviseren. Er is verder ook niet gebleken dat [eisende partijen] [gedaagde partij] in de veronderstelling heeft gebracht dat de stops gemiddeld 1-3 minuten zouden duren. [gedaagde partij] kan de verkeerde veronderstelling aan haar zijde ter zake de duur van de stops dus niet aan [eisende partijen] tegenwerpen.
4.10.
Van belang is verder dat [eisende partijen] de motor van de bedrijfswagen uitschakelt wanneer zij de maaltijd pakt, naar de klant brengt en met de klant afrekent. [eisende partijen] zegt dat zij ervan uitging en ook ervan uit mocht gaan, dat de koel- en vriesinstallatie dan door zou koelen.
4.11.
Op basis van de verkregen informatie kan de kantonrechter niet vaststellen dat [eisende partijen] expliciet heeft gezegd dat zij de motor van de bedrijfswagen tijdens een stop uitschakelt. Wat ook niet kan worden vastgesteld, is dat [gedaagde partij] hiernaar heeft gevraagd. Partijen lijken alleen te hebben gesproken over ‘stops’ en ‘stilstaan’, waarbij zij ieder zo hun eigen aannames hebben gehad over wat precies ‘stilstaan’ betekent (is de motor dan wel of niet ingeschakeld: beide situaties doen zich voor bij bezorgdiensten).
4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde partij] wel had moeten begrijpen, dat [eisende partijen] ervan uitging dat de koel- en vriesinstallatie zou blijven werken als de motor van de auto uit stond. De kantonrechter verwijst hiervoor naar de
e-mail van 29 juli 2024 om 09:06 uur van [eisende partijen] aan [gedaagde partij] . Daaruit vloeit voldoende kenbaar voort dat [eisende partijen] ervan uitging dat een accupakket van de koel- en vriesinstallatie voor koeling zou zorgen wanneer de bedrijfswagen uit stond. Het lag op de weg van [gedaagde partij] als professionele verkoper om [eisende partijen] duidelijk te informeren over de voorwaarden waaronder de koel- en vriesinstallatie wel of niet zou werken. In haar reactie per e-mail van 29 juli 2024 om 09:23 uur aan [eisende partijen] informeert zij [eisende partijen] daarover niet duidelijk genoeg. Zij benoemt daarbij dat “de koel capaciteit niet toerental afhankelijk is”, maar de vraag of een potentiële koper zonder bijzondere kennis op dit vlak hieruit had moeten begrijpen dat de koel- en vriesinstallatie enkel koelt indien de motor van de auto is ingeschakeld en haar eerdere veronderstelling dus niet juist was, beantwoordt de kantonrechter met “nee”. Daarvoor zijn die bewoordingen niet duidelijk genoeg. [eisende partijen] stelt dat zij deze woorden zo heeft begrepen dat de koel- en vriesinstallatie er juist niet van afhankelijk is of de motor van de auto is ingeschakeld. De kantonrechter is van oordeel dat bij gebrek aan andere, meer duidelijke, informatie, [eisende partijen] die woorden ook in deze zin heeft mogen opvatten.
4.13.
In dat verband weegt ook de vóór de koop aan [eisende partijen] verstrekte documentatie van de koel- en vriesinstallatie mee. Wellicht is voor [gedaagde partij] als professional zonder meer logisch en duidelijk dat de bewoordingen “completely autonomous from the vehicle” en “constant capacity independent of vehicle RPM” uitsluitend zien op een ingeschakelde motor en niet meer of minder zeggen dan dat de koeling niet fluctueert naar gelang het toerental. [gedaagde partij] heeft echter geen toereikende toelichting gegeven, waarom een potentiële koper zonder bijzondere kennis op dit vlak deze woorden ook zo heeft moeten opvatten. Zeker gezien de bewoordingen “completely autonomous from the vehicle” heeft [eisende partijen] gerechtvaardigd mogen aannemen dat de koel- en vriesinstallatie ook zou werken (gedurende een bepaalde tijd) wanneer de motor van de bedrijfswagen was uitgeschakeld. Het lag op de weg van [gedaagde partij] om duidelijk te benoemen dat koel- en vriesinstallatie alleen werkt wanneer de motor van de bedrijfswagen is ingeschakeld. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] nog wel verklaard dat zij heeft gezegd dat als de motor van de bedrijfswagen uitgaat, dan ook de koeling uitgaat, maar dat betwist [eisende partijen] en [gedaagde partij] heeft vervolgens haar stelling niet concreet genoeg toegelicht of onderbouwd. De kantonrechter gaat daar daarom aan voorbij. Nu ervan wordt uitgegaan dat [gedaagde partij] [eisende partijen] niet duidelijk genoeg heeft geïnformeerd, is de kantonrechter van oordeel dat [eisende partijen] mocht verwachten dat de koel- en vriesinstallatie ook zou werken (gedurende een bepaalde tijd) wanneer de motor van de bedrijfswagen was uitgeschakeld.
4.14.
Vaststaat dat dit niet het geval is en daarmee staat vast dat [gedaagde partij] niet heeft geleverd wat [eisende partijen] mocht verwachten.
4.15.
In het oordeel hiervoor ligt al besloten dat [eisende partijen] ook geen rekening hoefde te houden met 1 minuut opstarttijd waarin de koel- en vriesinstallatie niet koelde. Los daarvan geldt dat gesteld noch gebleken is dat [eisende partijen] met deze factor, die bij een gemiddeld aantal stops van 8 per uur van wezenlijke invloed is, rekening had moeten houden. [gedaagde partij] bestrijdt dit ook niet gemotiveerd.
4.16.
[gedaagde partij] heeft nog aangevoerd dat partijen hadden afgesproken dat eerst met de standaardconfiguratie zou worden gewerkt en als later zou blijken dat aanvullende voorzieningen nodig waren, dat deze tegen betaling zouden worden toegevoegd. [eisende partijen] heeft bestreden dat een gesprek hierover betrekking had op de kwesties die in deze zaak aan de orde zijn: het functioneren met de motor van de bedrijfsauto uit en de opstarttijd. Zij vindt dit punt dan ook niet van belang voor deze zaak. De kantonrechter volgt hierin [eisende partijen] Er zijn geen voldoende concrete feiten en/of omstandigheden gesteld om hier anders over te denken.
4.17.
Kortom: de afgeleverde zaak beantwoordt niet aan de koopovereenkomst. Deze tekortkoming is wel aan [gedaagde partij] toerekenbaar. Zij kan zich er niet op beroepen dat [eisende partijen] belangrijke informatie niet heeft vermeld.
Herstelkosten zijn toewijsbaar
4.18.
[eisende partijen] heeft [gedaagde partij] tweemaal gesommeerd om tot herstel over te gaan. Herstel heeft echter niet plaatsgevonden.
4.19.
[eisende partijen] begroot de kosten die nodig zijn om de zaak aan de overeenkomst te laten beantwoorden op € 3.351,50. Zij baseert zich op een offerte die [gedaagde partij] op
20 april 2025 heeft aangeboden als oplossing.
4.20.
[gedaagde partij] heeft op dit punt alleen aangevoerd dat niet goed is onderbouwd welk nadeel is geleden. Daarmee gaat zij er echter aan voorbij dat [eisende partijen] niet langer aanspraak maakt op nakoming maar op vervangende schadevergoeding en heeft zij niet gemotiveerd betwist dat de door haar op 20 april 2025 begrote kosten, de kosten reflecteren die nodig zijn om de afgeleverde zaak, qua eindresultaat wat het koelen betreft, aan de overeenkomst te laten beantwoorden. De kantonrechter volgt [eisende partijen] daarom op dit punt. Gevolg is dat de vordering tot betaling van € 3.351,50 wordt toegewezen.
Wettelijke rente
4.21.
[eisende partijen] vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 juli 2025. Zij heeft echter niet gesteld op basis waarvan zij hier recht op zou hebben. De kantonrechter wijst de wettelijke rente daarom toe vanaf de dag van de dagvaarding, 22 december 2025.
Proceskosten
4.22.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partijen] worden op basis van de toegewezen hoofdsom begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.268,85
5De beslissing
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan [eisende partijen] van € 3.351,50, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 22 december 2025 tot de dag van volledige voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.268,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12053238 \ CV EXPL 26-57
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
1 [eisende partij 1] V.O.F.,
te [plaats 1] ,2. [eisende partij 2] , IN DE HOEDANIGHEID VAN VENNOOT VAN DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [eisende partij 1] V.O.F.,
te [plaats 2] ,3. [eisende partij 3] , IN DE HOEDANIGHEID VAN VENNOOT VAN DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [eisende partij 1] V.O.F.,
te [plaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partijen] ,
gemachtigde: mr. P.J.H.C. Glenz,
tegen
[gedaagde partij] B.V. (H.O.D.N. [bedrijf] ),
te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: SRM Rechtsbijstand (mr. A.A. Alciyan).
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 december 2025 met bijlagen;
- de conclusie van antwoord met bijlagen;
- de brief waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 17 juni 2026. [eisende partijen] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar eis verminderd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
In deze procedure is iets een feit als het 1) een feit van algemene bekendheid is, 2) een stelling is waar partijen het samen over eens zijn, 3) een stelling is die door de ene partij is genoemd en door de andere partij onvoldoende is weersproken (artikel 149 Rv).
2.1.
[gedaagde partij] drijft een gespecialiseerde onderneming die zich richt op de inkoop, verkoop en vakkundige ombouw van bedrijfswagens, waaronder koel- en vrieswagens voor professionele afnemers.
2.2.
[eisende partijen] houdt zich bezig met het leveren van maaltijden aan de deur. Zij heeft contact gezocht met [gedaagde partij] voor de koop en levering van een bedrijfswagen met een koel- en vriesinstallatie ten behoeve van het uitleveren van haar maaltijden.
2.3.
[eisende partijen] heeft [gedaagde partij] verteld over haar bedrijfsactiviteiten en dat zij de bedrijfswagen daarvoor wilde inzetten. Zij heeft gezegd dat zij gemiddeld 8 keer per uur stopt. Een stop betekent: het pakken van de maaltijd, de maaltijd afleveren aan de klant en het afrekenen met de klant.
2.4.
Partijen hebben via e-mail onder meer de volgende informatie uitgewisseld:
E-mail van 29 juli 2024 om 08:47 van [gedaagde partij] aan [eisende partijen] :“(…) een koeling aanbieden van Thermo King. Deze is volledig elektrisch aangedreven waardoor de airco van de auto niet weg zal vallen.”
E-mail van 29 juli 2024 om 09:06 uur van [eisende partijen] aan [gedaagde partij] :“(…) Voordeel van elektrische koeling is dat deze kan blijven doorlopen als de auto stil staat. De vraag is dan even hoeveel bedrijfsuren de koeling kan draaien op 1 acculading en hoeveel ruimte het accupakket inneemt in de laadruimte.”
E-mail van 29 juli 2024 om 09:23 uur van [gedaagde partij] aan [eisende partijen] :“Volledig elektrisch en dan moeten vriezen in combinatie met een Vito kan ik nu nog niet aanbieden. Je zit dan te snel aan je laadvermogen en inderdaad de uren dat je de wagen kunt inzetten. De koeling waar ik nu over praat in combinatie met een diesel Vito is ook elektrisch aangedreven waardoor de koel capaciteit niet toerental afhankelijk is. Dit zal met jullie werkzaamheden ideaal zijn!”
E-mail van 9 augustus 2024 om 11:15 uur van [eisende partijen] aan [gedaagde partij] :“Ik zat nog even te denken over het plaatsen van het batterijpakket. (…)”
E-mail van 9 augustus 2024 om 13:55 uur van [gedaagde partij] aan [eisende partijen] :“Accu’s plaatsen in de laadruimte kunnen wij niet aanbieden. Tevens is het bij de dieselombouw niet nodig om accu’s bij te plaatsen. (…)”
E-mail van 12 augustus 2024 om 07:37 uur van [eisende partijen] aan [gedaagde partij] :“Ik denk dat we langs elkaar heen communiceren. Je hebt ons een diesel vito met een elektrische koeling voorgesteld. Ik heb het over het accupakket van de koel/vriesinstallatie. Dit accupakket zal je ergens kwijt moeten. (…)”
E-mail van 12 augustus 2024 om 08:58 uur van [gedaagde partij] aan [eisende partijen] :“Er is geen extra accu vereist voor de Thermo King waarvan je de documentatie van ontvangen hebt. Dit heb ik zojuist ook nog even geverifieerd telefonisch met Thermo King. Wat belangrijk is dat de dynamo sterk genoeg is en een grote accu gemonteerd is. Deze combinatie is voldoende om de wagen top te laten functioneren. De Vito waar we in deze over praten heeft een grote accu en een sterke dynamo. Deze dynamo is zelfs meer dan Thermo King eist.”
2.5.
De documentatie van de koel- en vriesinstallatie van Thermo King die [gedaagde partij] voorafgaande aan de koop aan [eisende partijen] heeft verstrekt, vermeldt onder meer:
“A smarter form of power
With performance that’s completely autonomous from the vehicle, and intelligent power source optimization to give you increased uptime and improved maintenance intervals.
Capacity you can always rely on
Due to the E-200’s enhanced controller for single and multi-temperature that delivers constant capacity independent of vehicle RPM.”
2.6.
[gedaagde partij] heeft vervolgens op 10 september 2024 een offerte uitgebracht voor een Mercedes- Benz, type 116 L3 Extra Lang MBUX Automaat Koelwagen Carrier, model Vito, voorzien van een Thermo King E200-50 electric als koel- en vriesinstallatie (hierna: de bedrijfswagen). [eisende partijen] heeft deze offerte geaccepteerd.
2.7.
De bedrijfswagen is in januari 2025 geleverd en kort daarna in gebruik genomen.
2.8.
[eisende partijen] maakt gemiddeld 8 stops per uur om haar maaltijden uit te leveren en stops duren gemiddeld tussen de 3-5 minuten, met soms een uitschieter naar boven. Bij een stop schakelt [eisende partijen] de motor van de bedrijfswagen uit. De koel- en vriesinstallatie is dan niet in werking. Na het weer starten van de motor van de bedrijfswagen, heeft de koel- en vriesinstallatie één minuut de tijd nodig om weer op te starten. Tijdens die minuut koelt de installatie niet.
2.9.
Op 7 februari 2025 heeft [eisende partijen] zich bij [gedaagde partij] gemeld met de klacht dat de koel- en vriesinstallatie niet voldoet aan wat partijen waren overeengekomen, omdat de installatie niet doordraait wanneer de motor van de bedrijfswagen niet draait en omdat de installatie na iedere stop wanneer de motor van de bedrijfswagen weer wordt gestart, één minuut niet koelt als gevolg van de opstarttijd.
2.10.
Partijen zijn vervolgens samen met leverancier Thermo King in overleg gegaan over een oplossing en de financiële afwikkeling daarvan. Zij zijn het niet met elkaar eens geworden.
2.11.
Per brief van 16 juni 2025 heeft [eisende partijen] [gedaagde partij] in gebreke gesteld en gesommeerd om twee weken zorg te dragen voor herstel. Per e-mail van
27 augustus 2025 is nogmaals gesommeerd, concreet om er binnen twee weken voor te zorgen dat de koel- en vriesinstallatie gedurende de rijtijd en stilstand zonder draaiende motor 100% koelvermogen levert.
2.12.
[gedaagde partij] heeft aansprakelijkheid per brief van 19 november 2025 van de hand gewezen. Daarop is [eisende partijen] deze procedure gestart.
3Het geschil
3.1.
[eisende partijen] vordert na eisvermindering, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 3.351,50, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partijen]
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Er is sprake van non-conformiteit
4.1.
Op grond van artikel 7:17 Burgerlijk Wetboek (BW) moet een afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. Lid 2 bepaalt vervolgens: een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
4.2.
De verkoper moet dus een zaak leveren die de hoedanigheden heeft die de koper mag verwachten. Om uit te maken wat de koper mag verwachten, moet mede rekening worden gehouden met wat de verkoper wist of had behoren te weten over het gebruik waarvoor de zaak bestemd is en de bedoelingen van de koper.
4.3.
[eisende partijen] beroept zich erop dat [gedaagde partij] tekort is geschoten in de nakoming van tussen partijen gesloten overeenkomst door een zaak te leveren die niet aan de overeenkomst beantwoordt (non-conformiteit). [eisende partijen] legt die
non-conformiteit ten grondslag aan de vordering tot vervangende schadevergoeding. [eisende partijen] draagt de bewijslast, omdat zij zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde tekortkoming.
4.4.
Volgens [eisende partijen] voldoet de geleverde bedrijfswagen met koel- en vriesinstallatie niet aan wat partijen zijn overeengekomen, omdat
a. a) de koel- en vriesinstallatie bij stilstand van de bedrijfswagen niet doordraait en
b) na iedere stop 1 minuut nodig heeft om weer op te starten en tijdens die minuut niet koelt.
Met gemiddeld 8 stops per uur betekent dit dat er niet voldoende koeling plaatsvindt. De duur van de stops levert volgens [eisende partijen] geen relevante bijdrage aan het probleem.
4.5.
[gedaagde partij] betwist dat de geleverde bedrijfswagen met koel- en vriesinstallatie niet voldoet aan wat partijen zijn overeengekomen. De koel- en vriesinstallatie is niet gebrekkig en functioneert technisch overeenkomstig het doel waarvoor deze is ontworpen en vervaardigd. De gekozen koel- en vriesinstallatie wordt gevoed door boordspanning van de bedrijfsauto. Het feit dat de koel- en vriesinstallatie elektrisch is aangedreven, betekent dat de koelcapaciteit niet afhankelijk is en niet meebeweegt met het toerental van de bedrijfswagen. Het betekent niet dat de installatie ook kan koelen wanneer de motor van de bedrijfswagen, en dus de voedingsbron, uit staat. Zonder voedingsbron kan de installatie alleen koelen indien extra accu’s worden geplaatst. Partijen hadden afgesproken dat als achteraf zou blijken dat extra accu’s nodig waren, deze tegen betaling zouden worden geleverd. Er zou worden gestart met een standaardconfiguratie. Temperatuurwisselingen worden veroorzaakt door het gebruikspatroon van [eisende partijen] [gedaagde partij] is ervan uitgegaan dat een stop ongeveer 1-3 minuten zou zijn, terwijl dat gemiddeld 3-5 minuten bleek te zijn. Dit is essentiële informatie die [eisende partijen] had moeten melden. Er is daarom geen sprake van een tekortkoming van [gedaagde partij] . [gedaagde partij] erkent wel dat de koel- en vriesinstallatie na starten van de motor van de bedrijfswagen één minuut opstarttijd heeft en dan niet koelt. Dit wist [gedaagde partij] bij verkoop en levering ook niet. [gedaagde partij] heeft aangeboden een extra voorziening aan te brengen om dit te compenseren.
4.6.
De kantonrechter overweegt als volgt. Mocht [eisende partijen] verwachten dat zij een bedrijfswagen geleverd kreeg met een koel- en vriesinstallatie die ook zou koelen indien de motor van de auto uit stond en die bij het weer starten van de motor direct zou koelen? De kantonrechter beantwoordt die vraag met “ja”. Hierna licht de kantonrechter dat toe.
4.7.
Ten eerste is van belang dat [gedaagde partij] een gespecialiseerde onderneming is, die zich richt op de inkoop, verkoop en vakkundige ombouw van bedrijfswagens, waaronder koel- en vrieswagens voor professionele afnemers. Gesteld noch gebleken is dat [eisende partijen] op dit vlak vakinhoudelijke kennis en ervaring heeft. [eisende partijen] heeft zich voor advies en verkoop gericht tot [gedaagde partij] als professional en mag van [gedaagde partij] verwachten dat deze op basis van de uitvraag van [eisende partijen] die vragen aan [eisende partijen] stelt, waarvan zij de antwoorden nodig heeft om tot een goed advies en verkoopresultaat te komen. Het is immers de professional die er het (meeste) zicht op heeft welke factoren allemaal van invloed zijn om tot het door de koper gewenste resultaat te komen.
4.8.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] wist van het gebruik waarvoor de zaak bestemd was: het uitleveren van maaltijden aan klanten, waarbij gemiddeld 8 stops per uur gemaakt zouden worden, waarbij de koel- en vriesinstallatie de maaltijden gekoeld moest houden. [eisende partijen] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij ook uitdrukkelijk heeft gevraagd om een koel- en vriesinstallatie die bij uitschakeling van de motor door zou blijven koelen, maar dat betwist [gedaagde partij] . Voor de verdere beoordeling maakt het geen wezenlijk verschil wie hier het gelijk aan zijn zijde heeft, zoals hierna wordt toegelicht.
4.9.
[gedaagde partij] is er in haar advisering en verkoop vanuit gegaan dat de stops gemiddeld 1-3 minuten zouden duren en vindt dat [eisende partijen] haar had moeten zeggen dat de stops gemiddeld 3-5 minuten zouden duren. Volgens [gedaagde partij] is de duur van de stops de reden dat per saldo sprake is van onvoldoende koeling. De kantonrechter is echter van oordeel, dat als (het verschil in) de duur van de stops in deze ordegrootte
(1-3 versus 3-5 minuten) van wezenlijke invloed is op het te bereiken resultaat, het op de weg van de professionele verkoper lag om zijn klant zonder bijzondere kennis op dit vlak daarover te bevragen alvorens een bepaalde koel- en vriesinstallatie te adviseren. Er is verder ook niet gebleken dat [eisende partijen] [gedaagde partij] in de veronderstelling heeft gebracht dat de stops gemiddeld 1-3 minuten zouden duren. [gedaagde partij] kan de verkeerde veronderstelling aan haar zijde ter zake de duur van de stops dus niet aan [eisende partijen] tegenwerpen.
4.10.
Van belang is verder dat [eisende partijen] de motor van de bedrijfswagen uitschakelt wanneer zij de maaltijd pakt, naar de klant brengt en met de klant afrekent. [eisende partijen] zegt dat zij ervan uitging en ook ervan uit mocht gaan, dat de koel- en vriesinstallatie dan door zou koelen.
4.11.
Op basis van de verkregen informatie kan de kantonrechter niet vaststellen dat [eisende partijen] expliciet heeft gezegd dat zij de motor van de bedrijfswagen tijdens een stop uitschakelt. Wat ook niet kan worden vastgesteld, is dat [gedaagde partij] hiernaar heeft gevraagd. Partijen lijken alleen te hebben gesproken over ‘stops’ en ‘stilstaan’, waarbij zij ieder zo hun eigen aannames hebben gehad over wat precies ‘stilstaan’ betekent (is de motor dan wel of niet ingeschakeld: beide situaties doen zich voor bij bezorgdiensten).
4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde partij] wel had moeten begrijpen, dat [eisende partijen] ervan uitging dat de koel- en vriesinstallatie zou blijven werken als de motor van de auto uit stond. De kantonrechter verwijst hiervoor naar de
e-mail van 29 juli 2024 om 09:06 uur van [eisende partijen] aan [gedaagde partij] . Daaruit vloeit voldoende kenbaar voort dat [eisende partijen] ervan uitging dat een accupakket van de koel- en vriesinstallatie voor koeling zou zorgen wanneer de bedrijfswagen uit stond. Het lag op de weg van [gedaagde partij] als professionele verkoper om [eisende partijen] duidelijk te informeren over de voorwaarden waaronder de koel- en vriesinstallatie wel of niet zou werken. In haar reactie per e-mail van 29 juli 2024 om 09:23 uur aan [eisende partijen] informeert zij [eisende partijen] daarover niet duidelijk genoeg. Zij benoemt daarbij dat “de koel capaciteit niet toerental afhankelijk is”, maar de vraag of een potentiële koper zonder bijzondere kennis op dit vlak hieruit had moeten begrijpen dat de koel- en vriesinstallatie enkel koelt indien de motor van de auto is ingeschakeld en haar eerdere veronderstelling dus niet juist was, beantwoordt de kantonrechter met “nee”. Daarvoor zijn die bewoordingen niet duidelijk genoeg. [eisende partijen] stelt dat zij deze woorden zo heeft begrepen dat de koel- en vriesinstallatie er juist niet van afhankelijk is of de motor van de auto is ingeschakeld. De kantonrechter is van oordeel dat bij gebrek aan andere, meer duidelijke, informatie, [eisende partijen] die woorden ook in deze zin heeft mogen opvatten.
4.13.
In dat verband weegt ook de vóór de koop aan [eisende partijen] verstrekte documentatie van de koel- en vriesinstallatie mee. Wellicht is voor [gedaagde partij] als professional zonder meer logisch en duidelijk dat de bewoordingen “completely autonomous from the vehicle” en “constant capacity independent of vehicle RPM” uitsluitend zien op een ingeschakelde motor en niet meer of minder zeggen dan dat de koeling niet fluctueert naar gelang het toerental. [gedaagde partij] heeft echter geen toereikende toelichting gegeven, waarom een potentiële koper zonder bijzondere kennis op dit vlak deze woorden ook zo heeft moeten opvatten. Zeker gezien de bewoordingen “completely autonomous from the vehicle” heeft [eisende partijen] gerechtvaardigd mogen aannemen dat de koel- en vriesinstallatie ook zou werken (gedurende een bepaalde tijd) wanneer de motor van de bedrijfswagen was uitgeschakeld. Het lag op de weg van [gedaagde partij] om duidelijk te benoemen dat koel- en vriesinstallatie alleen werkt wanneer de motor van de bedrijfswagen is ingeschakeld. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] nog wel verklaard dat zij heeft gezegd dat als de motor van de bedrijfswagen uitgaat, dan ook de koeling uitgaat, maar dat betwist [eisende partijen] en [gedaagde partij] heeft vervolgens haar stelling niet concreet genoeg toegelicht of onderbouwd. De kantonrechter gaat daar daarom aan voorbij. Nu ervan wordt uitgegaan dat [gedaagde partij] [eisende partijen] niet duidelijk genoeg heeft geïnformeerd, is de kantonrechter van oordeel dat [eisende partijen] mocht verwachten dat de koel- en vriesinstallatie ook zou werken (gedurende een bepaalde tijd) wanneer de motor van de bedrijfswagen was uitgeschakeld.
4.14.
Vaststaat dat dit niet het geval is en daarmee staat vast dat [gedaagde partij] niet heeft geleverd wat [eisende partijen] mocht verwachten.
4.15.
In het oordeel hiervoor ligt al besloten dat [eisende partijen] ook geen rekening hoefde te houden met 1 minuut opstarttijd waarin de koel- en vriesinstallatie niet koelde. Los daarvan geldt dat gesteld noch gebleken is dat [eisende partijen] met deze factor, die bij een gemiddeld aantal stops van 8 per uur van wezenlijke invloed is, rekening had moeten houden. [gedaagde partij] bestrijdt dit ook niet gemotiveerd.
4.16.
[gedaagde partij] heeft nog aangevoerd dat partijen hadden afgesproken dat eerst met de standaardconfiguratie zou worden gewerkt en als later zou blijken dat aanvullende voorzieningen nodig waren, dat deze tegen betaling zouden worden toegevoegd. [eisende partijen] heeft bestreden dat een gesprek hierover betrekking had op de kwesties die in deze zaak aan de orde zijn: het functioneren met de motor van de bedrijfsauto uit en de opstarttijd. Zij vindt dit punt dan ook niet van belang voor deze zaak. De kantonrechter volgt hierin [eisende partijen] Er zijn geen voldoende concrete feiten en/of omstandigheden gesteld om hier anders over te denken.
4.17.
Kortom: de afgeleverde zaak beantwoordt niet aan de koopovereenkomst. Deze tekortkoming is wel aan [gedaagde partij] toerekenbaar. Zij kan zich er niet op beroepen dat [eisende partijen] belangrijke informatie niet heeft vermeld.
Herstelkosten zijn toewijsbaar
4.18.
[eisende partijen] heeft [gedaagde partij] tweemaal gesommeerd om tot herstel over te gaan. Herstel heeft echter niet plaatsgevonden.
4.19.
[eisende partijen] begroot de kosten die nodig zijn om de zaak aan de overeenkomst te laten beantwoorden op € 3.351,50. Zij baseert zich op een offerte die [gedaagde partij] op
20 april 2025 heeft aangeboden als oplossing.
4.20.
[gedaagde partij] heeft op dit punt alleen aangevoerd dat niet goed is onderbouwd welk nadeel is geleden. Daarmee gaat zij er echter aan voorbij dat [eisende partijen] niet langer aanspraak maakt op nakoming maar op vervangende schadevergoeding en heeft zij niet gemotiveerd betwist dat de door haar op 20 april 2025 begrote kosten, de kosten reflecteren die nodig zijn om de afgeleverde zaak, qua eindresultaat wat het koelen betreft, aan de overeenkomst te laten beantwoorden. De kantonrechter volgt [eisende partijen] daarom op dit punt. Gevolg is dat de vordering tot betaling van € 3.351,50 wordt toegewezen.
Wettelijke rente
4.21.
[eisende partijen] vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 juli 2025. Zij heeft echter niet gesteld op basis waarvan zij hier recht op zou hebben. De kantonrechter wijst de wettelijke rente daarom toe vanaf de dag van de dagvaarding, 22 december 2025.
Proceskosten
4.22.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partijen] worden op basis van de toegewezen hoofdsom begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.268,85
5De beslissing
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan [eisende partijen] van € 3.351,50, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 22 december 2025 tot de dag van volledige voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.268,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.