Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:6199

2026-06-11 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/03/351494 / KG ZA 26-144
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-06-11
Publicatiedatum
2026-06-26
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/03/351494 / KG ZA 26-144
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Onvoldoende spoedeisend belang bij voorlopige voorzienig en daarnaast is de bodemrechter daarnaast van oordeel dat de kans van slagen in de bodemprocedure dermate ongewis is dat geen voorlopige voorziening kan worden gegeven.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.320 tekens)
RECHTBANK Limburg


Civiel recht



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: C/03/351494 / KG ZA 26-144




Vonnis in kort geding van 11 juni 2026




in de zaak van





1 [persoon 1] ,

wonende te [plaats 1] ,2. [persoon 2],
wonende te [plaats 1] ,
eiseressen in conventie, verweerders in reconventie,
advocaat: mr. F.M.C. van Helmond,



tegen





1 [persoon 3] , in zijn hoedanigheid van

erfgenaam en vereffenaar in de nalatenschap van wijlen de heer [vader]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie, 2. [persoon 4] , in zijn hoedanigheid van
erfgenaam en vereffenaar in de nalatenschap van wijlen de heer [vader]
,
wonende te [plaats 3] (België),
gedaagde in conventie.



Eisende partijen in conventie, verweerders in reconventie zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [partij 1] en afzonderlijk als [persoon 1] en [persoon 2] . Gedaagde partijen in conventie zullen worden aangeduid als [partij 2] .






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 16;- een aanvullend productieoverzicht van [partij 1] ; - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 9;- de op 27 mei 2026 ingebrachte aanvullende producties 17 tot en met 21 van [partij 1] ; - de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarbij door [partij 1] spreekaantekeningen zijn overgelegd.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[partij 2] zijn zonen van de heer [vader] , hierna te noemen [vader] . [moeder] is op [datum 1] 2021 overleden.



2.2.
Begin 2022 ervaart [vader] mentale klachten en verhuist hij van zijn woning te [plaats 1] naar een woonzorgcomplex in [plaats 4] .



2.3.
Beide zonen besluiten, in overleg met [vader] , de woning te [plaats 1] - eigendom van [vader] - aan een derde, bij voorkeur een bekende, te verhuren.



2.4.
In mei 2022 bezichtigt [persoon 3] met [persoon 1] als potentiële huurster de woning. [persoon 1] is een bekende van de [familie].



2.5.
Nadat [persoon 1] heeft aangegeven de woning te willen huren, treden partijen in overleg over de huurprijs. Op 16 juli 2020 is een huurovereenkomst waarin [vader] als verhuurder en [persoon 1] als huurder wordt aangeduid ondertekend door [persoon 4] (volgens de overeenkomst namens vader) en [persoon 1] . Volgens [persoon 4] is er een huurovereenkomst met [persoon 1] tot stand gekomen, hetgeen door [persoon 3] betwist wordt.



2.6.

[persoon 1] heeft per 1 juli 2022 haar intrek in de woning genomen.



2.7.

[persoon 3] is in september 2023, samen met [vader] , een procedure bij deze rechtbank gestart waarbij zowel vernietiging van een tweetal rechtshandelingen als een verklaring voor recht gevorderd wordt dat [persoon 4] vader onbevoegd heeft vertegenwoordigd waardoor [persoon 1] zonder recht en titel gebruik maakt van de woning.



2.8.

Gaande deze procedure zijn bij beschikking van (een andere kamer van) deze rechtbank de goederen van [vader] met ingang van 16 maart 2024 onder bewind
gesteld. De bewindvoerder, mevrouw [bewindvoerder], heeft bij akte van 17 april
2024 de rechtbank medegedeeld, het geding namens [vader] over te nemen.




2.9.
Bij de mondelinge behandeling op 14 juni 2024 hebben partijen aangegeven tijd nodig te hebben om met elkaar in overleg te treden over een mogelijke regeling. De rechtbank heeft de zaak aangehouden in afwachting van bericht van partijen over de voortgang.



2.10.
Partijen zijn vervolgens in overleg getreden over een mogelijke verkoop van de woning aan [persoon 1] en haar zus [persoon 2] . [persoon 1] heeft een bod gedaan dat door de bewindvoerder is geaccepteerd. Vervolgens is er een koopovereenkomst opgesteld die op 9 oktober 2024 ondertekend is door de bewindvoerder, namens [vader] , en door [persoon 1] en [persoon 2] . De koopovereenkomst is gesloten onder de opschortende voorwaarde dat de rechtbank Limburg, team Toezicht, toestemming geeft aan deze verkoop. Ook zijn partijen overeengekomen dat separaat een vaststellingsovereenkomst zal worden opgesteld waarin overige geschilpunten beslecht worden. De vaststellingsovereenkomst is door partijen niet ondertekend.



2.11.
De bewindvoerder dient op 9 december 2024 een machtigingsverzoek bij de Rechtbank Limburg, Team Toezicht in voor goedkeuring van de overeenkomst(en). Alvorens het machtigingsverzoek behandeld wordt op de mondelinge behandeling van 17 december 2024, komt [vader] op [datum 2] 2024 te overlijden. Het machtigingsverzoek wordt derhalve niet meer door de kantonrechter behandeld.



2.12.

[partij 2] zijn de erfgenamen van [vader] . [persoon 3] heeft de nalatenschap van vader beneficiair aanvaard. [partij 2] zijn beiden vereffenaar in de nalatenschap van [vader] .



2.13.
De rechtbank wordt in de lopende huurkwestie bericht over het overlijden van [vader] , waarna de rechtbank vonnis wijst. Eisende partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.



2.14.
Partijen onderhandelen verder over de vaststellingsovereenkomst en een eventueel nieuw te sluiten koopovereenkomst, zonder daar overeenstemming over te bereiken.






3Het geschil



In conventie




3.1.


[partij 1] vordert - samengevat - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij 2] te veroordelen om de verplichtingen uit de koopovereenkomst d.d. 9 oktober 2024 na te komen, meer in het bijzonder [partij 2] te veroordelen om binnen 6 weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de woning conform het bepaalde in de koopovereenkomst bij notariële akte te leveren, bij gebreke waarvan [persoon 3] jegens [partij 1] c.s. een dwangsom verbeurt van € 5.000,- per dag dat niet aan deze verplichting wordt voldaan;
II. te bepalen dat wanneer [partij 2] niet binnen 6 weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, weigeren aan het gevorderde onder I te voldoen, het vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van de vereiste wilsverklaringen, medewerking en/of handtekening(en) van [partij 2] ten behoeve van de levering van de woning;
III. [persoon 3] te veroordelen in de kosten van deze procedure, met bepaling dat indien [persoon 3] het bedrag aan proceskosten niet heeft voldaan binnen 14 dagen na dagtekening, althans betekening van het in dezen te wijzen vonnis, [persoon 3] vanaf de 15e dag over het bedrag aan proceskosten de wettelijke rente is verschuldigd zulks tot aan de dag der algehele
voldoening.




3.2.

[persoon 3] voert verweer. [persoon 3] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij 1] in de kosten van deze procedure.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



In reconventie





3.4.


[persoon 3] vordert - samengevat- om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [persoon 1] en [persoon 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen éen week na het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis de onderhandelingen te hervatten en voortvarend door te onderhandelen met [persoon 3] op basis van de door [persoon 3] als productie 3 overgelegde stukken;
II. [persoon 1] en [persoon 2] hoofdelijk te veroordelen om op eerste verzoek van [persoon 3] , [persoon 3] onverwijld toe te laten tot de woning zodat hij zich kan vergewissen van de aanwezigheid en de staat van de roerende zaken die tot de nalatenschap behoren en de aanwezigheid en ernst
van de door [partij 1] gestelde gebreken aan de woning.
III. [persoon 1] en [persoon 2] hoofdelijk te veroordelen tot de betaling van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [persoon 1] en [persoon 2] de op basis van de voorgaande vorderingen door de voorzieningenrechter uit te spreken veroordelingen niet nakomen.




3.5.

[persoon 1] voert verweer en concludeert tot niet ontvankelijkheid van [persoon 3] dan wel afwijzing van zijn vorderingen.



3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover van belang - ingegaan.






4De beoordeling



Het toetsingskader in kort geding




4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of [partij 1] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.



In conventie






[partij 1] hebben onvoldoende spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening




4.1.1.
Eén van de vereisten om een vordering in een kort geding te kunnen toewijzen, is dus dat de partij die de vordering instelt, in dit geval [partij 1] , voldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing daarvan. Het moet daarbij gaan om een situatie waarin, vanwege de feiten en omstandigheden van de zaak, het treffen van een onmiddellijke voorlopige voorziening noodzakelijk is en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [partij 1] onvoldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft en dat alle vorderingen alleen al om die reden moeten worden afgewezen.




4.2.


[persoon 1] , die thans alleen in de woning woont, stelt in een acuut onveilige woonsituatie te leven maar heeft dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aangetoond. Er wordt door haar als productie 15 bij dagvaarding een aantal foto’s overgelegd van vermeende gebreken van badkamer en toilet maar die zijn onvoldoende om een dergelijke vergaande conclusie te trekken. Bovendien volgt uit de door [persoon 3] overgelegde productie 3 dat [klusbedrijf] heeft aangegeven de gebreken aan de badkamer reeds voor 80 % te hebben hersteld en uit productie 16 van [partij 1] volgt dat door een noodreparatie aan de ketel acuut gevaar geweken is.
In de vaststellings- en koopovereenkomst wordt voorts geen melding gemaakt van gebreken. Ook in het taxatierapport van [taxateur] van 19 augustus 2024 zijn geen (ernstige) gebreken opgesomd. Dat er thans (nog) een acuut onveilige situatie zou bestaan waardoor een bodemprocedure niet afgewacht kan worden is onvoldoende vast komen te staan.




4.3.
Daar komt bij dat [partij 1] de woning naar eigen zeggen heeft gehuurd. Indien zij in haar hoedanigheid van huurder gebreken aan haar huurwoning constateert die aan de leefbaarheid of veiligheid van de woning in de weg staan zal zij zich moeten wenden tot de verhuurder. Daarvoor gelden andere procedures. [partij 1] kan haar positie als huurder in elk geval niet gebruiken om haar spoedeisende belang bij nakoming van de koopovereenkomst te onderbouwen.



4.4.
De voorzieningenrechter gaat ook niet mee in de stelling van [partij 1] dat zij een spoedeisend belang heeft omdat haar rechtspositie onder de koopovereenkomst onherstelbaar beschadigd wordt indien zij (vanwege de door haar gestelde gebreken) gedwongen zou worden de huur op te zeggen. Haar rechtspositie als partij bij de door haar gestelde koopovereenkomst staat immers los van haar rechtspositie als huurder van de woning. Enkel indien zou blijken dat geen geldige koopovereenkomst tot stand is gekomen verslechtert de positie van [partij 1] als mogelijke koper door opzegging van de huur omdat dan sprake is van een woning in onverhuurde staat met een mogelijk hogere prijs. Dat is echter een keuze die aan [partij 1] zelf is en buiten het bestek van dit kort geding valt.



4.5.
Echter ook indien wel sprake was van spoedeisendheid zou de vordering niet kunnen worden toegewezen en wel om het volgende. Het voorlopige karakter van een beslissing in kort geding brengt mee dat aan die beslissing geen gezag van gewijsde toekomt en dat partijen en de rechter niet aan die beslissing zijn gebonden in een bodemprocedure of een later kort geding. Verder geldt dat de beslissing in het dictum van een uitspraak in kort geding vervalt als een andersluidende uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. De omstandigheid dat de gevolgen van een in kort geding gegeven voorziening feitelijk onomkeerbaar zijn, hoeft aan het geven van een dergelijke voorziening niet in de weg staan. Gelet op het voorlopige karakter van het kort geding, kan de kortgedingrechter evenwel slechts een voorlopig oordeel geven over de rechtsverhouding tussen partijen, en daarover niet een definitieve uitspraak doen.



4.6.

[partij 1] vordert [partij 2] te veroordelen om de verplichtingen uit de koopovereenkomst d.d. 9 oktober 2024 na te komen en meer in het bijzonder [partij 2] te veroordelen om de woning te leveren. Deze vordering kan niet worden toegewezen zonder hieraan voorafgaand de vraag te beantwoorden of op 9 oktober 2024 een rechtsgeldige koopovereenkomst tussen de bewindvoerder en [partij 1] tot stand is gekomen, ondanks dat de daarin opgenomen opschortende voorwaarde niet in vervulling is gegaan en ook niet meer in vervulling zal gaan en voorts vast te stellen dat [partij 2] als erfgenamen gehouden zijn die koopovereenkomst na te komen. In feite vraagt [partij 1] de voorzieningenrechter hiermee de rechtsverhouding tussen partijen (definitief) vast te stellen, nu zij hier verstrekkende gevolgen aan wenst te verbinden, namelijk de levering van een registergoed. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat zich niet laat verenigen met het voorlopig karakter van het kort geding.


4.7.
Hier komt bij dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter de kans van slagen van die vorderingen in de bodemprocedure dermate ongewis is dat ook op grond daarvan toewijzing van de gevraagde voorlopige voorzieningen niet gerechtvaardigd is. Allereerst is tussen partijen niet in geschil dat de opschortende voorwaarde niet in vervulling is gegaan en ook niet meer kan gaan, zodat dat de koopovereenkomst geen werking heeft. [partij 1] heeft evenwel betoogd dat dat in dit geval anders is omdat de opschortende voorwaarde zeker in vervulling zou zijn gegaan als de kantonrechter over de machtiging zou hebben geoordeeld. De kantonrechter zou de machtiging voor uitvoering van de koopovereenkomst volgens [partij 1] hebben verleend. [persoon 3] betwist dit. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het niet relevant is of de kantonrechter goedkeuring zou hebben verleend indien [vader] nog zou hebben geleefd. De kantonrechter zou immers hebben moeten beoordelen of de koopovereenkomst in het belang van de rechthebbende, zijnde [vader] , was. Dat belang is niet noodzakelijkerwijs hetzelfde als het belang van de erfgenamen, dat door het overlijden van vader vóór de beoordeling van de gevraagde machtiging door de kantonrechter een relevante factor werd. Het overlijden van [vader] leidde er niet alleen toe dat de bewindvoerder niet langer bevoegd was om een machtiging te vragen, maar leidde ook tot een geheel nieuwe situatie met mogelijk andere belangen. Daar komt bij dat [partij 1] in 2025 gedurende langere tijd onderhandeld heeft met [partij 2] over een nieuw te sluiten koopovereenkomst, zodat het er alle schijn van heeft dat zij zelf ook niet steeds het standpunt heeft ingenomen dat de koopovereenkomst van 9 oktober 2024 rechtsgeldig was.



4.8.
De voorzieningenrechter kan de vraag of in de bodemzaak zal worden geoordeeld dat [partij 2] aan de koopovereenkomst kunnen worden gehouden op basis van de in dit geding ingenomen stellingen en voorhanden zijnde stukken dan ook niet met voldoende zekerheid bevestigend beantwoorden, zodat een (verstrekkende) voorlopige voorziening ook hierom niet gerechtvaardigd is.



4.9.
Conclusie is dat de voorlopige voorzieningen zullen worden afgewezen.




Proceskosten





4.10.

[partij 1] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [persoon 3] betalen, die als volgt worden begroot:
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 760,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.366,00



In reconventie





4.11.
Ook hier komt eerst de vraag aan de orde of [persoon 3] voldoende spoedeisend belang heeft bij de door hem ingestelde vorderingen. Het antwoord op deze vraag luidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontkennend.



4.12.

[persoon 3] onderbouwt het spoedeisend belang door te stellen dat hij als erfgenaam gerechtigd is de goederen van de nalatenschap te bekijken maar dat hem de toegang tot de woning is ontzegd. [partij 1] heeft dit uitdrukkelijk betwist. Zij heeft [persoon 3] de toegang nooit geweigerd en juist uitgenodigd om de gebreken in de woning te bekijken en de aanwezige roerende zaken op te halen. Ten aanzien van de spoedeisendheid van de vordering met betrekking tot het hervatten van de onderhandelingen heeft [persoon 3] niets gesteld. [persoon 3] heeft de spoedeisendheid van zijn vordering derhalve onvoldoende onderbouwd.



4.13.
Echter ook indien wel sprake zou zijn van voldoende spoedeisendheid kunnen de vorderingen niet tot toewijzing leiden. [persoon 3] heeft niet onderbouwd waarom en op welke rechtsgrond [partij 1] gehouden zou zijn de onderhandelingen te hervatten. Dat dat volgens [persoon 3] wenselijk is is onvoldoende. Nu [partij 1] gemotiveerd heeft aangegeven [persoon 3] de toegang tot de woning niet te weigeren en nooit te hebben geweigerd en [persoon 3] daar niets tegenover heeft gesteld zou ook deze vordering niet kunnen worden toegewezen.



4.14.
De door [persoon 3] gevorderde voorzieningen worden afgewezen.



Proceskosten





4.15.

[persoon 3] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [partij 1] betalen, die als volgt worden begroot:
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 760,00
- nakosten € 189,00
Totaal € 1.366,00






5De beslissing


De voorzieningenrechter




in conventie




5.1.
wijst de vorderingen van [partij 1] af,



5.2.
veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van [persoon 3] van € 1.366,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



in reconventie





5.3.
wijst de vorderingen van [persoon 3] af,



5.4.
veroordeelt [persoon 3] in de proceskosten van [partij 1] van € 1.366,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.






in conventie en in reconventie





5.5.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en door mr. Koster-van der Linden in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.







Rechtbank Limburg 26 november 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:11555