Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:6187

2026-06-29 Bestuursrecht; Omgevingsrecht ROE 25/1746
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-06-29
Publicatiedatum
2026-06-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 25/1746
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

College heeft de vergunning voor het bouwen van een bouwwerk (hersituering zonnepanelen) terecht verleend. De hersituering van de zonnepanelen in niet strijd met het bestemmingsplan en ook niet in strijd met de redelijke eisen van welstand. Beroep ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.385 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 25/1746


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren
(gemachtigde: B.G.J. Knubben).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats 2] (vergunninghouder).



Samenvatting


1. Vergunninghouder heeft aan de [adres] in [woonplaats 2] een landgoed ontwikkeld met twee woningen, zonnepanelen (een zonneweide) en bijbehorende landerijen. Het college heeft – voor zover hier van belang – voor de aanleg van de zonnepanelen eerder op 16 januari 2020 een vergunning verleend. Op 1 mei 2023 heeft vergunninghouder een wijzigingsaanvraag ingediend omdat de zonnepanelen op een andere plek zijn gerealiseerd dan oorspronkelijk vergund. Het college heeft deze vergunning verleend. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert hiertegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning terecht heeft verleend. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Op 1 mei 2023 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van de situering van de zonnepanelen zoals die bij besluit van 16 januari 2020 zijn vergund, gelegen op Landgoed [naam] (kadastraal bekend als [kadastrale gegevens] ). Het college heeft deze vergunning met het besluit van 5 december 2024 verleend.



2.1.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 17 juni 2025 (het bestreden besluit) bij die verlening gebleven.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft een schriftelijke reactie ingediend.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en vergunninghouder.





Beoordeling door de rechtbank



Overgangsrecht




3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo). De aanvraag omgevingsvergunning is ingediend op 1 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.



3.1.
De relevante wet- en regelging staat in de bijlage.



Is de hersituering van de zonnepanelen in strijd met het bestemmingsplan?



4. Eiser betoogt dat de zonnepanelen in strijd zijn met het bestemmingsplan waardoor het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Eiser betoogt dat het bestemmingsplan zonnepanelen alleen toestaat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding -1’ (Bouwaanduiding). Volgens eiser volgt dat uit de planregels. Omdat uitdrukkelijk is bepaald dat op die specifieke locatie zonnepanelen zijn toegestaan, zijn zonnepanelen buiten die aanduiding in strijd met het bestemmingsplan. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een eerdere procedure tussen dezelfde partijen, waarin de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) al uitspraak heeft gedaan. Volgens eiser blijkt uit die eerdere uitspraak dat de Bouwaanduiding juist in het bestemmingsplan is opgenomen om zonnepanelen voor eigen gebruik op die specifieke locatie mogelijk te maken. Daaruit volgt dat zonnepanelen voor eigen gebruik buiten de Bouwaanduiding niet zijn toegestaan. Nu de zonnepanelen in dit geval mede buiten de Bouwaanduiding zijn gerealiseerd, en tevens voor eigen gebruik zijn, is volgens eiser sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan.

5. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Voor zover een activiteit betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het bouwen niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012, het bouwen niet voldoet aan de gemeentelijke bouwverordening, de activiteit bouwen in strijd is met het geldende bestemmingsplan of als het uiterlijk van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de redelijke eisen van welstand.



5.1.
Op de betreffende locatie geldt het bestemmingsplan ‘Landgoed [naam] ’. Op de plek waar de zonnepanelen zijn gesitueerd geldt zowel de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ alsde bestemming ‘Waarde – Cultuurhistorische waardevol ensemble’. Ook geldt hier de gebiedsaanduiding ‘overige zone – landgoed’ en valt een deel van de zonnepanelen binnen de Bouwaanduiding ‘Specifieke bouwaanduiding -1’.

6. De rechtbank oordeelt dat de Bouwaanduiding in het bestemmingsplan is opgenomen om zonnepanelen voor eigen gebruik mogelijk te maken op die locatie. Tussen partijen is ook niet in geschil dat zonnepanelen voor eigen gebruik ter plaatse van de Bouwaanduiding zijn toegestaan. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of de zonnepanelen ook mogen worden gesitueerd op gronden met de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’, oftewel buiten de Bouwaanduiding. De rechtbank is van oordeel dat dit is toegestaan. Uit de planregels volgt dat op de als ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ aangewezen gronden binnen de gehele bestemming bouwwerken, niet zijnde gebouwen, mogen worden gebouwd ten behoeve van het opwekken van energie door middel van het omzetten van zonlicht in elektriciteit met gebruik van zonnepanelen. Hieruit volgt dat ook op deze bestemming zonnepanelen zijn toegestaan. Ten overvloede oordeelt de rechtbank dat ook de dubbelbestemming niet aan de plaatsing van de zonnepanelen in de weg staat. Uit de planregels volgt dat, als een bouwwerk op grond van de enkelbestemming is toegestaan, dit niet reeds wegens de dubbelbestemming in strijd met het bestemmingsplan is. De Afdeling heeft in haar eerdere uitspraak van 14 februari 2024 tussen partijen hetzelfde uitgangspunt gehanteerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.



Is de hersituering van de zonnepanelen in strijd met de redelijke eisen van welstand?



7. Eiser betoogt dat de hersituering van de zonnepanelen in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat hij twijfelt aan de juistheid van het advies van de welstandscommissie. Daartoe voert hij aan dat de zonnepanelen boven de haag uitsteken die rondom de zonnepanelen is aangebracht.

8. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het college moet beoordelen of de hersituering van de zonnepanelen in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Voor die beoordeling heeft het college het aangepaste plan (de gewijzigde situering van de zonnepanelen), op 16 mei 2023 voorgelegd aan de welstandscommissie. De welstandscommissie heeft vervolgens een welstandsadvies uitgebracht, waarin zij heeft aangegeven te kunnen instemmen met de afwijkende positionering van de zonnepanelen in het landschap. Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit heeft het college nogmaals advies gevraagd aan de commissie. De commissie heeft vervolgens in haar vergadering van 3 april 2025 geconcludeerd dat de gerealiseerde situering van de zonnepanelen uit het oogpunt van welstand aanvaardbaar is. Het college heeft dit advies opgevolgd. Het college mag in beginsel op dit advies afgaan, wanneer het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een advies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundige heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. De rechtbank oordeelt niet zelf of de zonnepanelen in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand, maar beoordeelt of het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen strijd is met de redelijke eisen van welstand.

9. De rechtbank is van oordeel dat het college zich, op basis van het advies van de welstandscommissie van 3 april 2025, op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college, onder verwijzing naar dat advies, gemotiveerd heeft toegelicht dat de hersituering van de zonnepanelen uit welstandsoogpunt aanvaardbaar is. De rechtbank volgt eiser niet in diens betoog dat het advies van de commissie niet kan worden gevolgd of dat daaraan moet worden getwijfeld. Eiser heeft die stelling namelijk niet met stukken of anderszins onderbouwd. Het had op de weg van eiser gelegen om bijvoorbeeld een contra deskundigenadvies over te leggen of concrete aanknopingspunten aan te dragen die aanleiding geven om aan de juistheid of zorgvuldigheid van het commissieadvies te twijfelen. Nu eiser dat heeft nagelaten, ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college het advies van de welstandscommissie van 3 april 2025 niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Deze beroepsgrond slaagt niet.





Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. Eiser krijgt dus geen gelijk en krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskosten veroordeling.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van B.L.J.M. Frijns, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 juni 2026.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





















Bijlage: relevante wet- en regelging



Invoeringswet Omgevingswet





Artikel 4.3. (besluit op aanvraag)




Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:


a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
(…)



Wet algemene bepalingen omgevingsrecht





Artikel 2.1




Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:


a. het bouwen van een bouwwerk,(…)



Artikel 2.10



1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
(…)



Bestemmingsplan ‘Landgoed [naam] ’





Artikel 3.2.1 Bouwwerken




Binnen de gehele bestemming mogen uitsluitend worden gebouwd:




(…)


c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van het opwekken van energie door middel van het omzetten van zonlicht in elektriciteit met gebruik van zonnepanelen;
(…)



Artikel 5.1 Bestemmingsomschrijving




De voor 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevol ensemble' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de waarde van het ensemble van cultuurhistorisch waardevolle landschappen, erfgoed en bouwwerken.



Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:616.


Dit staat in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo.


Dit staat in artikel 2.10, van de Wabo.


Dit staat in artikel 3.2.1, aanhef en onder c van het bestemmingsplan.


Dit staat in artikel 5.1. van het bestemmingsplan.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2873, en van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1139.