Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:5958

2026-07-22 Civiel recht 11996479 \ CV EXPL 25-5171
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-06-22
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11996479 \ CV EXPL 25-5171
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Toekenning huurrecht na verbroken relatie. Partijen zijn beiden partij bij de huurovereenkomst. Belangenafweging conform artikel 7:267 lid 7 BW. Volgens artikel 3 lid 1 IVRK vormen de belangen van de minderjarigen een eerste overweging, wat niet betekent dat de belangen van de minderjarigen doorslaggevend zijn. Voorzieningenrechter heeft bepaald dat de vrouw voorlopig het uitsluitend gebruik heeft van de woning totdat in een bodemprocedure is beslist wie van partijen de woning definitief mag blijven huren en dat de man de woning moet verlaten. De kantonrechter oordeelt in de bodemprocedure dat het belang van de kinderen ermee gediend is dat de huidige situatie gehandhaafd blijft en de vrouw aldus het gebruik van de woning voortzet.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.764 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: 11996479 \ CV EXPL 25-5171




Vonnis van 22 juli 2026




in de zaak van





[huurder 1]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [huurder 1] ,
gemachtigde: mr. M.W.M. van Doorn,



tegen





[huurder 2]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [huurder 2] ,
gemachtigde: mr. D.G.A. Rossi.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met twee producties- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in reconventie- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de door [huurder 2] ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte producties 1 tot en met 8
- de door [huurder 2] ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte aanvullende productie 9
- de door [huurder 1] ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte aanvullende productie 3
- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij waren niet met elkaar getrouwd, hadden geen geregistreerd partnerschap of een samenlevingscontract. Zij hebben vier, op dit moment, minderjarige kinderen. Zij zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De affectieve relatie is op enig moment tussen partijen geëindigd.



2.2.

[huurder 1] en [huurder 2] huren samen van Woonpunt de woning staande en gelegen aan [adres] te [plaats].



2.3.
Bij vonnis in kort geding van 16 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat [huurder 1] voorlopig het uitsluitend gebruik heeft van de woning totdat in een bodemprocedure is beslist wie van partijen de woning definitief mag blijven huren en dat [huurder 2] die woning uiterlijk binnen twee dagen na betekening van het vonnis moest verlaten. Verder is [huurder 2] veroordeeld om zich uit te laten schrijven op het huuradres binnen twee dagen na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00.



2.4.

[huurder 2] heeft vrijwillig uitvoering gegeven aan voormeld vonnis. Hij heeft de woning verlaten en zich laten uitschrijven op het huuradres.





3Het geschil



in conventie




3.1.

[huurder 1] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat de kantonrechter bepaalt dat [huurder 2] vanaf 16 oktober 2025, zijnde de dag van het vonnis in kort geding, althans een in goede justitie te bepalen dag, niet langer de huurovereenkomst voortzet met betrekking tot de huurwoning, staande en gelegen aan [adres] te [plaats] en dat [huurder 1] enkel de huurder van deze woning is en blijft, met veroordeling van [huurder 2] in de proceskosten.



3.2.

[huurder 2] voert verweer. [huurder 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [huurder 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [huurder 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [huurder 1] in de kosten van deze procedure.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



in reconventie





3.4.

[huurder 2] vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


dat de kantonrechter bepaalt dat [huurder 1] vanaf de datum van dit vonnis niet langer de huurovereenkomst voortzet met betrekking tot de huurwoning, staande en gelegen aan [adres] te [plaats] en te verklaren voor recht dat enkel [huurder 2] de huurder van deze woning is,


te verklaren voor recht dat toewijzing van het huurrecht aan [huurder 2] werking heeft tegenover de verhuurder van de woonruimte (Stichting Woonpunt) en haar eventuele rechtsopvolgers,


veroordeling van [huurder 1] om binnen twee dagen na betekening van het vonnis het gehuurde te verlaten en te ontruimen, zo nodig met behulp van de sterke arm en onder verbeurte van een dwangsom indien [huurder 1] daarmee in gebreke blijft,


veroordeling van [huurder 1] om zich binnen twee dagen na betekening van het vonnis uit te schrijven op huuradres [adres] te ( [postcode 1] : de kantonrechter begrijpt dat dit een verschrijving is en bedoeld is [postcode 2] ) [plaats] , onder verbeurte van een dwangsom indien [huurder 1] daarmee in gebreke blijft,


veroordeling van [huurder 1] in de proceskosten.





3.5.

[huurder 1] voert verweer. [huurder 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [huurder 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [huurder 2] , met veroordeling van [huurder 2] in de kosten van deze procedure.



3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



in conventie en in reconventie




4.1.
Gezien de samenhang van de vordering in conventie en de vordering in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken en beoordeeld.



Toekenning van het huurrecht





4.2.

[huurder 1] en [huurder 2] hebben over en weer om toekenning van het huurrecht van de woning verzocht.



4.3.
In artikel 7:266 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is geregeld onder welke voorwaarde een echtgenoot of geregistreerde partner van een huurder van rechtswege medehuurder is. Artikel 7:267 BW voorziet in de mogelijkheid van medehuur door anderen dan de echtgenoot of geregistreerde partner van de huurder. In dit geval hebben [huurder 1] en [huurder 2] gezamenlijk een huurovereenkomst met de verhuurder gesloten. Dit brengt mee dat zij anders dan in de in artikel 7:266 BW en artikel 7:267 BW bedoelde gevallen, allebei partij zijn bij die huurovereenkomst.



4.4.
Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1964) volgt dat ook artikel 7:267 lid 7 BW, waarin is bepaald dat zowel een huurder als een medehuurder kan vorderen dat de rechter bepaalt dat een van hen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zal voortzetten, van overeenkomstige toepassing is in geval van gezamenlijke huur. De overeenkomstige toepassing van artikel 7:267 lid 7 BW op gezamenlijke huur omvat ook de werking van het vonnis jegens de verhuurder. Dit brengt mee dat de huurovereenkomst ten aanzien van de vertrekkende huurder eindigt op de door de rechter bepaalde dag. De huurovereenkomst wordt ten aanzien van de achterblijvende huurder voortgezet, ook als de huurovereenkomst een eigen regeling bevat omtrent voortzetting door een of meer van de huurders.



4.5.
In lid 7 van artikel 7:267 BW is bepaald dat de rechter een vordering tot, simpel gezegd toekenning van het huurrecht, slechts toewijst, als dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is. De kantonrechter moet daarom een belangenafweging maken en wel op basis van de situatie zoals deze op dit moment is. Daarbij geldt, aangezien de te nemen beslissing ook de kinderen raakt, dat artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) meebrengt dat de belangen van de kinderen de eerste overweging vormen. Artikel 3 lid 1 IVRK richt zich namelijk onder meer tot rechterlijke instanties. Dat betekent dat de rechter in geschillen die onder de reikwijdte van die bepaling vallen (“maatregelen betreffende kinderen”), bijzonder gewicht dient toe te kennen aan de belangen van het kind in kwestie.



4.6.
Dit betekent niet dat de belangen van de kinderen doorslaggevend zijn. Wel volgt daaruit dat aan die belangen een bijzonder gewicht toekomt in verhouding tot andere bij die maatregelen betrokken belangen. Als de belangen van de kinderen conflicteren met de belangen van anderen, moeten alle belangen zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen en moet voor ogen worden gehouden dat “het recht van het kind [om] zijn belangen de eerste overweging te laten zijn inhoudt dat deze belangen een hoge prioriteit hebben en niet slechts een van verschillende overwegingen zijn”.



4.7.
De kantonrechter zal de over en weer ingestelde vorderingen tot toekenning van het huurrecht met inachtneming van het voorgaande beoordelen. Die beoordeling leidt, de belangen van de kinderen in aanmerking nemend en de door [huurder 1] en [huurder 2] aangevoerde belangen bij toekenning van het huurrecht aan haar respectievelijk aan hem, afwegend, tot het oordeel dat de vordering van [huurder 1] zal worden toegewezen. De vorderingen van [huurder 2] zullen worden afgewezen. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.



4.8.
Partijen nemen in deze procedure grotendeels min of meer vergelijkbare posities in: qua rechten op de woning, qua over en weer gestelde en betwiste (on)mogelijkheden om elders te verblijven dan wel een nieuwe (sociale) woning te vinden en qua financiële positie. Geen van deze stellingen/omstandigheden vormen op zichzelf een doorslaggevende reden om de belangenafweging in het voordeel van de een of de ander te laten uitvallen. Beiden zijn immers sinds aanvang van de huur huurder van de woning en hebben evenveel recht om de woning te huren. In de huidige tijd is het bovendien voor veel mensen lastig om (betaalbare) woonruimte te vinden en daarom is het voorstelbaar dat [huurder 1] en [huurder 2] er beiden belang bij hebben dat zij de woning mogen blijven gebruiken. Dit is tijdens de mondelinge behandeling ook wel gebleken. Omdat inmiddels een situatie is ontstaan waarin het niet meer wenselijk en ook niet meer mogelijk is dat [huurder 1] en [huurder 2] nog gezamenlijk in de woning verblijven, kan de kantonrechter - ook gelet op de vorderingen die partijen in deze zaak hebben ingesteld - echter niet anders dan bepalen dat een van partijen de huur van de woning niet meer zal voortzetten.



4.9.
Aangenomen kan worden dat de kinderen het meeste baat hebben bij een stabiele thuissituatie, in de eigen omgeving en zonder de spanningen tussen de beide ouders. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is de mogelijkheid van ‘birdnesting’, waarbij partijen afwisselend bij de kinderen in de woning verblijven totdat een van hen een andere woning heeft gevonden, besproken, maar dat vindt [huurder 1] geen optie, zodat dit niet mogelijk of wenselijk is gebleken.


4.10.
De huidige situatie is dat [huurder 1] met de kinderen - in navolging van het door de voorzieningenrechter in het vonnis van 16 oktober 2025 (randnummer 2.3.) bepaalde - in de woning verblijft en dat [huurder 2] de woning heeft verlaten. Bij conclusie van antwoord in reconventie en herhaald bij de mondelinge behandeling is onweersproken gesteld dat [huurder 1] sedertdien de volledige zorg en opvoeding van de kinderen voor haar rekening neemt. Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat het belang van de kinderen ermee gediend is dat de huidige situatie gehandhaafd blijft en [huurder 1] aldus het gebruik van de woning voortzet.



4.11.
Ten slotte leidt de stelling van [huurder 2] dat hij veel in de woning heeft geïnvesteerd en veel werkzaamheden in de woning heeft verricht om het woongenot te verbeteren, niet tot een ander oordeel. [huurder 1] heeft dit bovendien betwist. [huurder 2] heeft in dat licht onvoldoende onderbouwd dat hij substantieel grotere investeringen heeft gedaan en meer werkzaamheden heeft verricht dan de gebruikelijke investeringen en werkzaamheden die huurders plegen uit te voeren om een woning naar hun zin te maken, nog daargelaten of dit aspect, indien het was komen vast te staan, tot een andere uitkomst had geleid.



Conclusie





4.12.
Het voorgaande leidt tot de beslissing dat het belang van [huurder 1] bij het exclusief gebruik van de woning zwaarder weegt dan het belang van [huurder 2] . Dit betekent dat de vordering in conventie van [huurder 1] wordt toegewezen en dat de vorderingen in reconventie van [huurder 2] worden afgewezen.



Proceskosten





4.13.
Gelet op het feit dat partijen voormalige partners zijn en deze procedure samenhangt met de afwikkeling van hun relatie, zullen de proceskosten zowel in conventie als in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





5De beslissing


De kantonrechter




in conventie




5.1.
bepaalt dat [huurder 2] vanaf 16 oktober 2025 niet langer de huurovereenkomst voortzet met betrekking tot de woning aan [adres] te [plaats] en [huurder 1] nog enkel huurder van deze woning is en blijft,



5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



in reconventie





5.3.
wijst de vorderingen van [huurder 2] af,



in conventie en in reconventie





5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.





De prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1799)


General Comments 14, punt 39