Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:577

2026-01-22 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12019286 \ CV EXPL 25-5715
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-01-22
Publicatiedatum
2026-01-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12019286 \ CV EXPL 25-5715
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding - huur - ontruiming woonruimte wegens verblijf zonder recht of titel.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.091 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: 12019286 \ CV EXPL 25-5715




Vonnis in kort geding van 22 januari 2026




in de zaak van




WONINGSTICHTING SERVATIUS,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Servatius,
gemachtigde: mr. G. Vansant,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 29 december 2025 met producties 1 tot en met 11;- de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.






2Het geschil


2.1.
Op 11 februari 2019 is tussen Servatius en mevrouw [huurder] (hierna: [huurder] ) een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de woonruimte gelegen aan [adres] (hierna: de woning). [gedaagde] is de zoon van [huurder] . Op 27 november 2024 is [huurder] overleden. Na het overlijden van [huurder] is [gedaagde] de woning gaan bewonen.



2.2.
Servatius heeft getracht om met [gedaagde] in gesprek te komen over het aangaan van een tijdelijke huurovereenkomst met woonbegeleiding voor de woning en heeft daarbij samengewerkt met Zorg- en Veiligheidshuizen Maastricht Heuvelland, Honee+ en de wijkagent. Op 19 december 2024 heeft het eerste gesprek tussen Servatius en [gedaagde] plaatsgevonden. Per brief van 23 december 2024 heeft Servatius [gedaagde] uitgenodigd voor een gesprek op haar kantoor over een passende oplossing.


2.3.
Er zijn voorwaarden met [gedaagde] besproken voor het sluiten van een tijdelijke huurovereenkomst met woonbegeleiding voor de woning, waarmee [gedaagde] heeft ingestemd. [gedaagde] is de met de zorgpartners gemaakte afspraken niet nagekomen waardoor de begeleiding is stopgezet. [gedaagde] is ook niet verschenen op de afspraak met Servatius op 16 juli 2025. Servatius heeft vervolgens per brief van 17 juli 2025 aan [gedaagde] laten weten geen vertrouwen meer te hebben in een correcte naleving van de verplichtingen uit een huurovereenkomst en [gedaagde] tot 19 augustus 2025 de tijd gegeven om de woning te ontruimen.



2.4.
Op 24 september 2025 is aan [gedaagde] nogmaals de mogelijkheid geboden om de woning vrijwillig te ontruimen. Hier heeft [gedaagde] geen gehoor aan gegeven.



2.5.

[gedaagde] heeft een betalingsachterstand van € 7.826,51 laten ontstaan, bestaande uit een (schade)vergoeding voor het gebruik van de woning door [gedaagde] .



2.6.
Servatius ontvangt sinds enige tijd klachten van omwonenden over het overlast veroorzakend gedrag van [gedaagde] . De woning is volgens de heer Stephane Ummels, werkzaam bij de Politie, zwaar vervuild en daardoor onbewoonbaar.



2.7.
Tegen de achtergrond van deze feiten vordert Servatius – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ontruiming van de woning aan [adres] , betaling van € 7.826,51 aan achterstand (schade)vergoeding voor het gebruik van de woning te vermeerderen met de wettelijke rente en betaling van € 658,82 aan (schade)vergoeding voor het gebruik van de woning vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van ontruiming vermeerderd met de wettelijke rente alsmede veroordeling in de proceskosten en nakosten.





3De beoordeling


3.1.
Aangezien alle voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor oproeping in acht zijn genomen, is tegen de niet verschenen [gedaagde] verstek verleend.



3.2.
Uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat het gaat om een spoedeisende zaak waarin, gelet op de belangen van Servatius, een onmiddellijke voorziening bij voorraad geboden is.



3.3.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.



3.4.
De overige door het verstek van [gedaagde] onweersproken vorderingen, die de kantonrechter onrechtmatig noch ongegrond voorkomen, zullen worden toegewezen.



3.5.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Servatius worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


145,45







- griffierecht


€


559,00







- salaris gemachtigde


€


543,00







- nakosten


€


135,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.382,45











3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





4De beslissing


De kantonrechter



4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning staande en gelegen aan [adres] met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Servatius zijn, te ontruimen en ontruimd te houden en de sleutels af te geven aan Servatius,



4.2.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan Servatius:
a. a) een schadevergoeding ad € 7.826,51, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, zijnde de eerste dag van iedere maand, tot de dag der algehele betaling,
b) een schadevergoeding gelijk aan de laatst geldende huurprijs (€ 658,82) vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, zijnde de eerste dag van iedere maand, tot de dag der algehele betaling,



4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.382,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten exclusief nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Drenth en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.