Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:5691

2026-06-17 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12126396 \ CV EXPL 26-970
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-06-17
Publicatiedatum
2026-06-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12126396 \ CV EXPL 26-970
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering FBTO toegewezen. Niet betwist dat vordering niet is betaald. Betalingen na interventie deurwaarder verminderd op de rente en incassokosten.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.993 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 12126396 \ CV EXPL 26-970




Vonnis van 17 juni 2026




in de zaak van




FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders,



tegen





[gedaagde partij]
,
te [plaats]
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- het mondeling antwoord- de conclusie van repliek.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten


2.1.


[gedaagde partij] is tegen ziektekosten aanvullend verzekerd (geweest) bij Achmea. De premie over drie maanden is niet betaald. Deze zijn bij factuur van 27 november 2024, 27 mei 2025 en 27 juni 2025 in rekening gebracht. Het gaat om een totaalbedrag van € 423,65.
Nadat de deurwaarder is ingeschakeld is € 145,95 betaald.




2.2.
Achmea heeft haar vordering op [gedaagde partij] gecedeerd, dat wil zeggen in eigendom overgedragen.






3Het geschil


3.1.
FBTO vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 343,31, vermeerderd met rente en kosten.



3.2.

[gedaagde partij] voert verweer.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






4De beoordeling


4.1.
Het gaat in deze procedure om de vraag of [gedaagde partij] het restantbedrag van € 343,31 moet betalen. Dat is het geval. Hierna zal de kantonrechter dit uitleggen.



4.2.

[gedaagde partij] is op de terechtzitting van 18 maart 2026 verschenen en heeft verteld dat hij zich niet als de heer [gedaagde partij] identificeert en dat hij een beroep doet op artikel 30 EVRM. Ook geeft hij aan dat de dagvaarding niet is uitgereikt maar dat deze in een gesloten envelop is achtergelaten. Verder vertelde [gedaagde partij] dat hij dakloos is geweest, schulden heeft gehad en kennelijk staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.



4.3.

Het verweer dat [gedaagde partij] heeft gevoerd, is geen weerlegging van de stellingen van FBTO. Het is in elk geval niet toegespitst op de vordering. Zo heeft [gedaagde partij] niet betwist dat hij de premies, waarvan in deze procedure betaling wordt gevorderd, niet heeft betaald.
FBTO heeft daarentegen voldoende aangetoond dat zij nog een bedrag van € 343,31 van [gedaagde partij] tegoed heeft.




4.4.
De betaling die [gedaagde partij] na interventie van de deurwaarder heeft voldaan, wordt eerst in mindering gebracht op de rente en incassokosten. Dit is in de wet geregeld in artikel 6:44 BW. Dan moet wel eerst beoordeeld worden of de rente en incassokosten terecht in rekening is gebracht. Dit is het geval. Voor de rente geldt dat er verzuim is ingetreden en [gedaagde partij] daarom rente verschuldigd is. Voor de buitengerechtelijke kosten geldt dat de vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. FBTO heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat FBTO geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom is terecht een bedrag van € 48,40 gevorderd.



4.5.
De conclusie luidt dat [gedaagde partij] nog € 343,31 aan restant hoofdsom moet betalen. Hierover is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van dagvaarden op 13 februari 2026. Voor toewijzing vanaf een eerdere datum is geen wettelijke grondslag omdat de reeds verschenen rente volgens de dagvaarding is berekend tot vandaag. Met vandaag wordt de dag van dagvaarden bedoeld.







4.6.

[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FBTO worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


153,77







- griffierecht


€


139,00







- salaris gemachtigde


€


174,00


(2 punten × € 87,00)




- nakosten


€


43,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


510,27














5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan FBTO te betalen een bedrag van € 343,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 277,90, met ingang van 13 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,



5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 510,27, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.