Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:5544
2026-06-17
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11991024 CV 25-5476
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering ziektekostenverzekering toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.073 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11991024 \ CV EXPL 25-5476
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. G. Tajjiou.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] is bij CZ verzekerd tegen ziektekosten.
3Het geschil
3.1.
CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 364,97, vermeerderd met kosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vordering van CZ.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
CZ vordert betaling van een bedrag van € 364,97. Bij de dagvaarding is als bijlage 1 een overzicht van de door zorgverleners ingediende rekeningen overgelegd en als bijlage 2 een overzicht van de stand van het eigen risico. Uit deze beide stukken kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [gedaagde partij] een bedrag van € 364,97 aan eigen risico verschuldigd is. Dit is ook vermeld in de brief van 7 oktober 2024 die aan de dagvaarding is gehecht. Het verweer dat [gedaagde partij] bij conclusie van antwoord voert, kan de kantonrechter daarom niet volgen.
4.2.
Daarna voert [gedaagde partij] aan dat de vordering volgens hem nog steeds niet voldoende is onderbouwd. Bewijsstukken dat hij de zorg heeft genoten, zoals gespecificeerde nota’s, ontbreken nog steeds. De kantonrechter verwerpt ook dit verweer. Dat de zorg is genoten, staat wel vast. Waarom zou de zorgverlener anders kosten in rekening brengen bij CZ? Bovendien is dit een vraag die [gedaagde partij] bij de zorgverlener moet neerleggen, voor zover hij al twijfelt of de zorg is genoten. In bijlage 1 en ook uit de bij repliek overgelegde brieven volgt dat het gaat om het eigen risico van de behandeling bij MET GGZ op 18 april 2024.
Omdat dit verweer ook pas bij dupliek is gevoerd, heeft CZ hierop niet kunnen reageren. Het had voor [gedaagde partij] al bij antwoord duidelijk moeten zijn, gelet op bijlage 1 en 2, waarover de vordering ging, zodat hij zijn verweer op grond van artikel 128 Rv al bij antwoord moeten voeren. Met dit verweer kan daarom ook op deze grond geen rekening worden gehouden.
4.3.
Tot slot voert [gedaagde partij] nog aan dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden geen betalingsregeling kon treffen. Daarom vindt [gedaagde partij] dat hij de kans moet krijgen om de rekening in delen te betalen. Dit moet [gedaagde partij] met CZ of met de gemachtigde van CZ regelen. De kantonrechter kan geen betalingsregeling in een vonnis opnemen.
4.4.
De conclusie is dat het verweer van [gedaagde partij] wordt verworpen en dat de vordering van CZ wordt toegewezen.
4.5.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
€
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
497,95
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan CZ te betalen een bedrag van € 364,97,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 497,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11991024 \ CV EXPL 25-5476
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. G. Tajjiou.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] is bij CZ verzekerd tegen ziektekosten.
3Het geschil
3.1.
CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 364,97, vermeerderd met kosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vordering van CZ.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
CZ vordert betaling van een bedrag van € 364,97. Bij de dagvaarding is als bijlage 1 een overzicht van de door zorgverleners ingediende rekeningen overgelegd en als bijlage 2 een overzicht van de stand van het eigen risico. Uit deze beide stukken kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [gedaagde partij] een bedrag van € 364,97 aan eigen risico verschuldigd is. Dit is ook vermeld in de brief van 7 oktober 2024 die aan de dagvaarding is gehecht. Het verweer dat [gedaagde partij] bij conclusie van antwoord voert, kan de kantonrechter daarom niet volgen.
4.2.
Daarna voert [gedaagde partij] aan dat de vordering volgens hem nog steeds niet voldoende is onderbouwd. Bewijsstukken dat hij de zorg heeft genoten, zoals gespecificeerde nota’s, ontbreken nog steeds. De kantonrechter verwerpt ook dit verweer. Dat de zorg is genoten, staat wel vast. Waarom zou de zorgverlener anders kosten in rekening brengen bij CZ? Bovendien is dit een vraag die [gedaagde partij] bij de zorgverlener moet neerleggen, voor zover hij al twijfelt of de zorg is genoten. In bijlage 1 en ook uit de bij repliek overgelegde brieven volgt dat het gaat om het eigen risico van de behandeling bij MET GGZ op 18 april 2024.
Omdat dit verweer ook pas bij dupliek is gevoerd, heeft CZ hierop niet kunnen reageren. Het had voor [gedaagde partij] al bij antwoord duidelijk moeten zijn, gelet op bijlage 1 en 2, waarover de vordering ging, zodat hij zijn verweer op grond van artikel 128 Rv al bij antwoord moeten voeren. Met dit verweer kan daarom ook op deze grond geen rekening worden gehouden.
4.3.
Tot slot voert [gedaagde partij] nog aan dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden geen betalingsregeling kon treffen. Daarom vindt [gedaagde partij] dat hij de kans moet krijgen om de rekening in delen te betalen. Dit moet [gedaagde partij] met CZ of met de gemachtigde van CZ regelen. De kantonrechter kan geen betalingsregeling in een vonnis opnemen.
4.4.
De conclusie is dat het verweer van [gedaagde partij] wordt verworpen en dat de vordering van CZ wordt toegewezen.
4.5.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
€
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
497,95
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan CZ te betalen een bedrag van € 364,97,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 497,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.