Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:5313

2026-05-26 Bestuursrecht ROE 24/335
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-05-26
Publicatiedatum
2026-05-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 24/335
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen het bestreden besluit waarbij het bezwaar tegen een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming ongegrond is verklaard. Gelet op de expiratiedatum heeft die ontheffing geen rechtskracht meer en daarom is (ambtshalve) aan de orde of er nog procesbelang is. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. Eisers kunnen met hun beroep tegen het bestreden besluit niet meer bereiken dan hetgeen door tijdsverloop reeds is ingetreden. Daarbij is volgens de rechtbank relevant dat noch een eventuele verlenging van de geëxpireerde ontheffing noch een intrekking daarvan aan de orde is. Er zal een nieuwe aanvraag moeten komen en een nieuwe beoordeling door verweerder van de alsdan geldende situatie. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eisers procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep. Beroep niet-ontvankelijk en geen reden voor de gevraagde proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand. Toewijzing van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van proceskosten (zeer licht) in dat verband.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.825 tekens)
RECHTBANK limburg


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 24 / 335


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen


[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] ,



[eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] ,

allen wonend aan de [straatnaam] te [woonplaats] , eisers,
(gemachtigde: mr. A.A. van den Brand),



en


het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder.


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Symphony Estates B.V., te Eindhoven
(gemachtigde: mr. W.G.B. van de Ven).





Procesverloop


Bij besluit van 25 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Symphony Estates B.V. (verder ontheffinghouder) ontheffing verleend op grond van artikel 3.5, leden 2 en 4, van de Wet natuurbescherming (Wnb) van het verbod om verblijfplaatsen te vernielen van vleermuizen, alsmede het verstoren van vleermuizen, ten behoeve van de renovatie van [locatie] te [woonplaats] .



Bij besluit van 12 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.



Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026.
Van eisers zijn [eiser 1] , [eiser 3] en [eiser 5] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Jansen en M.H.H. Mouchart. De derde-partij is, met bericht van verhindering, niet verschenen.





Overwegingen



Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet



1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om de aan de orde zijnde ontheffing is ingediend op 26 januari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.



Beroep



2. Bij het primaire besluit is aan ontheffinghouder een ontheffing verleend van het verbod om verblijfplaatsen te vernielen van vleermuizen, alsmede het verstoren van vleermuizen, ten behoeve van de renovatie van [locatie] . Het voornemen bestaat om dat rijksmonument te verbouwen tot een woon-zorgcomplex. De ontheffing is verleend onder voorschriften en beperkt tot de periode van 15 april 2024 tot 1 januari 2026.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daartegen is het beroep van eisers gericht.

3. Ontheffinghouder heeft na ontvangst van de kennisgeving van behandeling van de zaak op zitting en voorafgaand aan de zitting de rechtbank laten weten dat er geen gebruik is gemaakt van de ontheffing als gevolg van schorsing van het benodigde bestemmingsplan en de omgevingsvergunning ten behoeve van de renovatie en transformatie van [locatie] en dat de verleende ontheffing geen rechtskracht meer heeft.



Procesbelang



4. De rechtbank ziet zich, gelet op de expiratiedatum van de verleende ontheffing, ambtshalve gesteld voor de vraag of eisers nog een (proces)belang hebben bij de beoordeling van hun beroep tegen het bestreden besluit.


4.1.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.



4.2.
Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een op vernietiging van het bestreden besluit gericht beroep. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is.



4.3.
De rechtbank is van oordeel dat eisers met hun beroep tegen het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaar tegen het verlenen van de gevraagde ontheffing ongegrond heeft verklaard, niet meer kan bereiken dan wat reeds de rechtens geldende situatie is. De rechtens geldende situatie is dat de ontheffing geen rechtskracht meer heeft omdat die was verleend voor een tot 1 januari 2026 beperkte periode. Het gevolg hiervan is dat eisers met hun beroep tegen het bestreden besluit niet meer kunnen bereiken dan hetgeen door tijdsverloop reeds is ingetreden.



4.4.

Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eisers procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen de ongegrond verklaring van hun bezwaar tegen de verleende ontheffing.
Daarbij is volgens de rechtbank van belang dat noch een eventuele verlenging van de geëxpireerde ontheffing noch een intrekking daarvan aan de orde is. Indien en voor zover ontheffinghouder werkzaamheden wil aanvangen als gevolg waarvan sprake is van het verstoren van vleermuizen, en/of het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen, moet hij een nieuwe ontheffing, en thans op grond van de Omgevingswet, aanvragen. Die nieuwe aanvraag moet opnieuw en integraal worden beoordeeld naar de alsdan geldende situatie (feitelijk en rechtens). Verweerder heeft ter zitting al aangegeven dat de onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan de eerdere aanvraag niet meer actueel zijn. Eisers komt volledige rechtsbescherming toe tegen de alsdan eventueel te verlenen ontheffing.
Omdat (in de toekomst) sprake kan zijn van een nieuwe aanvraag, een nieuw wettelijk kader, een nieuwe feitelijke situatie en volledige beoordeling door verweerder van de nieuwe feitelijke situatie, is naar het oordeel van de rechtbank de vrees van eisers ongegrond dat de rechtskracht van de inmiddels geëxpireerde ontheffing hen kan worden tegengeworpen.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de bestuursrechter niet is geroepen om een enkel principiële beoordeling te maken van een bestuursrechtelijk besluit als daarbij geen (feitelijk) procesbelang, zoals hiervoor omschreven, meer bestaat.




4.5.

Dat betekent dat eisers geen procesbelang meer hebben. Het beroep van eisers tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. De rechtbank zal daarom geen inhoudelijk oordeel geven over de beroepsgronden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht verweerder te veroordelen in de door eisers gevraagde proceskosten (rechtsbijstand) van de procedure die heeft geleid tot dit oordeel. Het heeft naar het oordeel van de rechtbank op de weg van eisers gelegen om tijdig erop te wijzen dat expiratie van de verleende ontheffing aan de orde was en op die grond de procedure tot een inhoudelijke beoordeling te leiden.




Overschrijding redelijke termijn




5. Eisers hebben ter zitting aangeven dat zij van mening zijn dat redelijkerwijs de rechtsgang in totaal te lang geduurd heeft en dat ze daarvoor gecompenseerd moeten worden. Dit verzoek, om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is niet nader gemotiveerd. Volgens vaste rechtspraak mag bij de behandeling van zaken als deze, de behandeling van het bezwaar bij het bestuursorgaan (verweerder) ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur als deze in het geheel niet meer dan twee jaar heeft geduurd. Per half jaar of over een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, is een immateriële schadevergoeding van € 500,- gepast.




5.1.

De redelijke termijn vangt aan op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. In dit geval is het bezwaarschrift door verweerder op 6 juli 2023 ontvangen. Op 6 juli 2025 was dat twee jaar geleden.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in dit geval geen bijzondere omstandigheden om van een langere totale behandelingsduur voor het bezwaar en beroep dan twee jaar uit te gaan. Verweerder heeft de beslissing op bezwaar op 12 december 2023 genomen en op
18 december 2023 verzonden. Daarmee is de verweerder ter beschikking staande termijn van een half jaar met een (verwaarloosbaar) paar dagen overschreden.
Eisers hebben op 25 januari 2024 beroep ingesteld en het beroep heeft dus thans meer dan anderhalf jaar (welke termijn eindigde op 25 juli 2025) geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn moet daarom aan de rechtbank worden toegerekend. De redelijke termijn van anderhalf jaar is met ongeveer tien maanden overschreden. Uitgaande van het forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar, of gedeelte daarvan, dat de redelijke termijn is overschreden, zal de rechtbank de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,- aan eisers gezamenlijk.




5.2.

De rechtbank veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook in de door eisers in verband met het verzoek om vergoeding van immateriële schade gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van
€ 934,- en een wegingsfactor 0,25 vanwege het ontbreken van een motivering).




Conclusie




6. Het beroep is niet-ontvankelijk en aan eisers dient een vergoeding van immateriële schade en in verband daarmee een vergoeding van proceskosten te worden toegekend.







Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding van € 1000,- aan eisers gezamenlijk;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 233,50.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van
J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.








griffier rechter






Afschrift verzonden aan partijen op: 26 mei 2026





Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294 (met name onder 2.2.).