Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:5044
Inhoudsindicatie
Civiel recht. Hoofd- en vrijwaringszaak. Eindvonnis. De rechtbank wijst de vorderingen in de hoofdzaak (grotendeels) toe, in die zin dat de rechtbank voor recht verklaart dat gedaagde in de hoofdzaak toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk en wordt veroordeeld tot betaling van een vervangende schadevergoeding tot een bedrag van € 26.800,00 (inclusief btw). De rechtbank oordeelt in de vrijwaringszaak dat gedaagde in de vrijwaring toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van onderaanneming. De rechtbank wijst de vorderingen in de vrijwaring (grotendeels) toe, in die zin dat gedaagde in de vrijwaring wordt veroordeeld tweederde (2/3) deel van het bedrag te betalen waartoe gedaagde in de hoofdzaak toe wordt veroordeeld.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.446 tekens)
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Vonnis van 27 mei 2026
in de hoofdzaak met zaaknummer C/03/325118 / HA ZA 23-529 van
[opdrachtgever]
,
wonende te [plaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. G.G.J. Geerlings,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[aannemer]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. B.A.L.H. Robijns.
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/03/329917 / HA ZA 24-191 van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[aannemer]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
eiseres in vrijwaring,
advocaat: mr. B.A.L.H. Robijns.
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[onderaannemer]
gevestigd te [plaats 3] ,
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. M. Struik.
Partijen zullen hierna [opdrachtgever] , [aannemer] en [onderaannemer] genoemd worden.
1De procedure
In de hoofdzaak
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 mei 2025.
In de vrijwaringszaak
1.2.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 mei 2025,
- het deskundigenbericht, opgemaakt op 12 januari 2026, - de conclusie na deskundigenbericht van 25 februari 2026 van [onderaannemer] ,
- de conclusie na deskundigenbericht van 25 februari 2026 van [aannemer] .
In de hoofdzaak en de vrijwaringszaak
1.3.
Ten slotte is in beide zaken gelijktijdig vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
in de hoofdzaak
Vervangende schadevergoeding en schadeomvang
2.1.
Vaststaat dat – ongeacht de vraag of de oorzaak van de lekkages aan de kozijnen gelegen is in de montage en/of levering van de kozijnen door [onderaannemer] dan wel in het plaatsen van de kozijnen in de woning door [aannemer] – [aannemer] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst met [opdrachtgever] (r.o. 4.2. tussenvonnis van 5 februari 2025).
2.2.
De rechtbank is het met [opdrachtgever] eens dat zij aanspraak kan maken op vervangende schadevergoeding voor de door haar geleden en nog steeds te lijden schade als gevolg van de lekkages aan de kozijnen. Voor zover nakoming niet blijvend onmogelijk is, wordt een verbintenis omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk meedeelt dat zij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert (artikel 6:87 lid 1 BW). Aan deze twee vereisten is voldaan. [opdrachtgever] heeft [aannemer] namelijk bij brief van 30 juni 2021 (productie 4, dagvaarding in de hoofdzaak) in gebreke gesteld en herstel binnen de genoemde termijn is uitgebleven. Ten tijde van de omzettingsverklaring bij de brief van 3 oktober 2023 (productie 20, dagvaarding in de hoofdzaak) verkeerde [aannemer] derhalve in verzuim. Op grond hiervan is [aannemer] per 15 juli 2021 in verzuim geraakt (artikel 6:80 lid 1 sub c BW).
2.3.
Wat betreft de vraag naar de hoogte van de door [aannemer] te betalen schadevergoeding sluit de rechtbank aan bij de door (de rechtbank benoemde) deskundige begrote herstelkosten van in totaal € 26.800,00 inclusief btw. De deskundige heeft deze kosten in zijn deskundigenrapport voldoende onderbouwd en ook toegelicht waarom deze kosten afdoende zijn om de gebreken te herstellen. De stelling van [onderaannemer] dat de berekende btw over de herstelkosten niet als schade kan worden aangemerkt en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komt, kan niet worden onderschreven. Op het moment dat [opdrachtgever] opdracht geeft om de herstelwerkzaamheden uit te voeren, zal de opdrachtgever de daarmee gemoeide kosten inclusief btw bij [opdrachtgever] als consument in rekening brengen. De btw kan derhalve als (vermogens)schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW worden aangemerkt, waardoor dit voor vergoeding in aanmerking komt.
2.4.
Het voorgaande leidt volgens de rechtbank tot de conclusie dat bij de begroting van de schade moet worden uitgegaan van een totaalbedrag van € 26.800,00 inclusief btw. De vordering onder I in de hoofdzaak kan derhalve worden toegewezen, in die zin dat de rechtbank voor recht verklaart dat [aannemer] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en [aannemer] wordt veroordeeld tot betaling van een vervangende schadevergoeding ter hoogte van € 26.800,00 (inclusief btw) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.5.
[opdrachtgever] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [opdrachtgever] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [opdrachtgever] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [opdrachtgever] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [opdrachtgever] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 1.262,03 worden toegewezen.
Proceskosten
2.6.
[aannemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtgever] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
132,42
- griffierecht
€
1.301,00
- kosten deskundigen
€
2.268,75
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.563,17
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in de vrijwaringszaak
2.8.
Ter beoordeling ligt thans nog voor of [onderaannemer] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van onderaanneming met [aannemer] en als dat het geval is, of [onderaannemer] dient te worden veroordeeld om aan [aannemer] datgene te betalen waartoe zij in de hoofdzaak is veroordeeld, te weten een bedrag van € 26.800,00 inclusief btw (r.o. 2.3.).
Tekortkoming in de nakoming
2.9.
Om deze vraag te kunnen beantwoorden, zal de rechtbank eerst beoordelen wat de inhoud is van de door partijen in de vrijwaring gesloten overeenkomst. Die beoordeling kan niet plaatshebben op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de overeenkomst, de door [aannemer] aanvaarde offerte van 29 augustus 2017 van [onderaannemer] . Het komt hierbij ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
2.10.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht van [onderaannemer] als onderaannemer worden verwacht dat hij deugdelijke kozijnen – die voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk – zou monteren en leveren. Van goed en deugdelijk werk kan echter niet worden gesproken. De deskundige heeft in zijn deskundigenrapport namelijk geconstateerd dat de kozijnen fabricage-/detailfouten hebben. Meer specifiek heeft de deskundige geconstateerd dat (i) de raamvleugels een onjuiste maatvoering (hoogte) hebben, waardoor onderaanslag c.q. kaderdichting niet sluitend functioneert, (ii) ongeschikte c.q. te dunne kaderprofielen en onjuiste c.q. losse eindkapjes zijn gebruikt, (iii) niet-passende stolpstukjes en te korte aanslagprofielen zijn gebruikt en (iv) de kozijnen geprefabriceerde hang- en sluitwerk c.q. afdichtingsprofielen hebben, waardoor rubbers meermaals vervangen moesten worden zonder structurele oplossing. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot had mogen worden verwacht dat voornoemde punten correct zouden zijn uitgevoerd. [onderaannemer] was immers verantwoordelijk voor de montage (en levering) van de kozijnen. Dat de deskundige heeft geconstateerd dat de lekkages aan de kozijnen het gevolg zijn van een combinatie van fabricage-/detailfouten ( [onderaannemer] ), plaatsings-/uitlijningsgebreken ( [aannemer] ) en onvoldoende tijdige/complete aflak ( [aannemer] / [opdrachtgever] ), maakt het voorgaande niet anders, nu de rechtbank die conclusie in het hiernavolgende verder zal uitwerken en verdisconteren onder ‘schade’ (r.o. 2.12 e.v.).
2.11.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [onderaannemer] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van onderaanneming met [aannemer] . [onderaannemer] is in verzuim komen te verkeren, omdat zij niet binnen de bij brief van 16 juni 2022 (productie 23, dagvaarding in de vrijwaringszaak) gegeven termijn de gebreken aan de kozijnen heeft hersteld. Dat betekent dat [onderaannemer] – in beginsel – de schade moet vergoeden die [aannemer] heeft geleden als gevolg van deze tekortkoming.
Schade
2.12.
De deskundige – haar bevindingen maakt de rechtbank tot de hare – heeft geconstateerd dat de fabricage-/detailkeuze- en maatvoeringsgebreken aan de zijde van [onderaannemer] “substantieel” bijdragen aan de oorzaak van de lekkages en dat de plaatsingskwaliteit en nazorg c.q. afwerking aan de zijde van [aannemer] de problematiek van de lekkages hebben “versterkt”. Meer specifiek heeft de deskundige geconcludeerd dat de fabricage-/detailkeuze- en maatvoeringsgebreken aan de zijde van [onderaannemer] de primaire ontstaansoorzaak zijn: “Het is daarmee een gedeelde verantwoordelijkheid, waarbij de initiële oorzaak primair ligt bij maatvoering en detaillering van de draaiende delen en profielen ( [onderaannemer] ) (onderstrepingen zijn van de rechtbank).” Vertaald naar de mate van schadeplichtigheid van ieder der partijen, bepaalt de rechtbank op de voet van artikel 6:97 BW dat [onderaannemer] tweederde (2/3) deel van de schade van [opdrachtgever] dient te dragen en [aannemer] éénderde (1/3) deel. Dit impliceert dat [onderaannemer] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van
€ 17.866,67 (2/3 deel van € 26.800,00) aan [aannemer] , onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.
2.13.
Onder toepassing van dezelfde verdeelsleutel zal [onderaannemer] ook worden veroordeeld tot betaling van tweederde (2/3) deel van de door [opdrachtgever] geleden schade, bestaande in de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten van € 1.262,03, zijnde € 841,27, zoals (onder meer) door [aannemer] onder I van haar petitum is gevorderd.
Proceskosten in de hoofdzaak en de buitengerechtelijke incassokosten in de vrijwaring
2.14.
Verder heeft [aannemer] onder II van haar petitum gevorderd dat [onderaannemer] wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in de hoofdzaak. Ook hier acht de rechtbank de voorgaande verdeelsleutel van tweederde/eenderde aangewezen. Nu [aannemer] in de hoofdzaak is veroordeeld tot betaling van € 5.563,17 aan proceskosten, zal [onderaannemer] in deze zaak worden veroordeeld tot betaling van tweederde (2/3) deel hiervan, zijnde € 3.708,40.
2.15.
Onder II van haar petitum heeft [aannemer] voorts vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten in de vrijwaring gevorderd. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [aannemer] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [aannemer] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 953,67 worden toegewezen.
Proceskosten van [aannemer] in de vrijwaringszaak
2.16.
[onderaannemer] is in de vrijwaringszaak (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen zoals door [aannemer] is gevorderd onder III van haar petitum. De proceskosten van [aannemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,08
- salaris advocaat
€
2.090,00
(2,5 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.394,08
2.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
3.1.
verklaart voor recht dat [aannemer] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst,
3.2.
veroordeelt [aannemer] tot betaling van een vervangende schadevergoeding ter hoogte van € 26.800,00 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening,
3.3.
veroordeelt [aannemer] om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 1.262,03 aan buitengerechtelijke kosten,
3.4.
veroordeelt [aannemer] in de proceskosten van € 5.563,17, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [aannemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5.
veroordeelt [aannemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 3.2. tot en met 3.5. uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in de vrijwaringszaak
3.8.
veroordeelt [onderaannemer] aan [aannemer] tot een bedrag van € 17.866,67 te betalen voor hetgeen [aannemer] in de hoofdzaak met betrekking tot de schade van [opdrachtgever] toe is veroordeeld,
3.9.
veroordeelt [onderaannemer] aan [aannemer] een bedrag van € 841,27 te betalen, zijnde tweederde (2/3) deel van de door [opdrachtgever] geleden schade bestaande uit de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten,
3.10.
veroordeelt [onderaannemer] aan [aannemer] tot een bedrag van € 3.708,40 te betalen, zijnde tweederde (2/3) deel van de proceskosten in de hoofdzaak waartoe [aannemer] is veroordeeld,
3.11.
veroordeelt [onderaannemer] om aan [aannemer] te betalen een bedrag van € 953,67 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3.12.
veroordeelt [onderaannemer] in de proceskosten van € 2.394,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [onderaannemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.13.
veroordeelt [onderaannemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.14.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.15.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
Conclusie na deskundigenbericht van [onderaannemer] , pagina 2, voetnoot 5.
Deskundigenbericht, pagina 33.
Deskundigenbericht, pagina 33.
Deskundigenbericht, pagina 34.
Deskundigenbericht, pagina 34.