Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:4929

2026-05-26 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12182601 \ CV EXPL 26-1784
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-05-26
Publicatiedatum
2026-05-19
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12182601 \ CV EXPL 26-1784
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Huurzaak. Kort geding. verstek. Gevorderde huurachterstand en ontruiming toegewezen. Contractuele boete afgewezen, vanwege ontrbreken spoedeisend belang.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.222 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 12182601 \ CV EXPL 26-1784




Vonnis in kort geding van 26 mei 2026




in de zaak van





[verhuurder] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. P.M. Jacometti,



tegen





[huurder] handelend onder de naam [bedrijf],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
niet verschenen.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 11 mei 2026
- het tegen [huurder] verleende verstek.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[verhuurder] verhuurt met ingang van 11 april 2025 aan [huurder] de bedrijfsruimte aan [adres] (hierna: het gehuurde) voor de duur van vijf jaar. De maandelijkse huurprijs, vermeerderd met een voorschot servicekosten van € 25,00 en met btw, bedraagt in totaal € 1.336,25 en moet bij vooruitbetaling worden voldaan.



2.2.
In de huurovereenkomst is met de hand artikel 17.6 bijgeschreven, waarin vermeld is: “Bij 3 maanden huurschuld is het einde contract.”. Onder deze tekst staat “Akkoord” en vervolgens de handtekening van [huurder] . [verhuurder] heeft hierbij zijn paraaf geplaatst.



2.3.
Vanaf december 2025 is de huur niet meer betaald. Ondanks aanmaningen hebben er geen betalingen meer plaatsgevonden. De huurachterstand is alsmaar verder opgelopen.





3Het geschil


3.1.


[verhuurder] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad [huurder] veroordeelt:
I. om het gehuurde binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten, onder afgifte van alle sleutels aan [verhuurder] en met machtiging van [verhuurder] om de ontruiming zo nodig zelf te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van de politie en justitie;
II. tot betaling aan [verhuurder] van € 8.017,50 aan achterstallige huur tot en met mei 2026;
III. tot betaling aan [verhuurder] van de lopende huurpenningen, groot € 1.336,25 per maand, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van de feitelijke ontruiming;
IV. tot betaling aan [verhuurder] van € 1.800,00 aan contractuele boete, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
V. tot betaling aan [verhuurder] van € 775,88 aan buitengerechtelijke incassokosten, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
VI. tot betaling aan [verhuurder] van de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) over de onder 2, 3, 4 en 5 genoemde bedragen, telkens vanaf de vervaldatum van de betreffende bedragen, althans vanaf de dag van dagvaarden, tot de dag van volledige betaling;
VII. in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan.




3.2.

[verhuurder] legt hieraan ten grondslag dat [huurder] op grond van de huurovereenkomst gehouden is de maandelijkse huurprijs bij vooruitbetaling te voldoen. [huurder] is deze verplichting niet nagekomen en heeft een huurachterstand van inmiddels zes maanden laten ontstaan. Ondanks pogingen daartoe is het niet gelukt om met [huurder] in contact te treden. Dit rechtvaardigt volgens [verhuurder] de ontbinding van de huurovereenkomst en, daarop vooruitlopend in kort geding, de ontruiming van het gehuurde.





4De beoordeling


4.1.

[huurder] is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Uit het exploot van de dagvaarding blijkt dat hij correct en tijdig is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 11 mei 2026. Aangezien ook de overige bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is verstek verleend tegen [huurder] .



4.2.
Het verlenen van verstek houdt in dat de vordering in kort geding wordt toegewezen als [verhuurder] een spoedeisend belang heeft en de vordering de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.




Huurachterstand en ontruiming





4.3.
Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel die diep in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder ingrijpt. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet volgens vaste jurisprudentie grote terughoudendheid worden betracht, nu in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Voorts is voor de toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.



4.4.
Als niet weersproken staat vast dat sprake is van een aanzienlijke huurachterstand en dat partijen de aanvullende afspraak hebben gemaakt dat de huurovereenkomst eindigt bij een huurschuld van drie maanden. Dat maakt dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat over een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De gevorderde ontruiming zal daarom worden toegewezen, waarbij wel een redelijke ontruimingstermijn van veertien dagen zal worden gehanteerd.



4.5.
Gevorderd is een huurachterstand van zes maanden over de periode december 2025 tot en met mei 2026, die zal worden toegewezen. Gelet daarop zal de vordering ten aanzien van de lopende huurpenningen vanaf 1 juni 2026 worden toegewezen en niet zoals door [verhuurder] is gevorderd vanaf 1 mei, omdat dit tot een dubbeltelling leidt.



4.6.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zelf zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen zal worden afgewezen. Artikel 556 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat gedwongen ontruiming door een deurwaarder geschiedt. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging om de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent hij immers rechtsreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.



4.7.
De gevorderde wettelijke handelsrente wordt ook toegewezen, omdat sprake is van de huur van bedrijfsruimte en dus van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a Van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).



Contractuele boete





4.8.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is ook terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die uit hoofde van onverwijlde spoed meebrengen dat een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede moet betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.




4.9.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het belang om betaling te verkrijgen een algemeen belang is dat inherent is aan het hebben van een geldvordering, maar dit maakt de vordering ten aanzien van de contractuele boete nog niet spoedeisend. Voor de toewijzing van de contractuele boete in kort geding heeft [verhuurder] onvoldoende gesteld terzake het spoedeisend belang. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [verhuurder] onmiskenbaar een spoedeisend belang heeft bij betaling van de huurpenningen, omdat zij zelf ook vaste lasten heeft. Een contractuele boete is echter van een andere orde. Ter compensatie voor de vertraging in de betaling kan [verhuurder] bovendien al aanspraak maken op de wettelijke handelsrente. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter deze vordering af.



Buitengerechtelijke incassokosten





4.10.
In het lichaam van de dagvaarding wordt een bedrag van € 876,56 genoemd aan buitengerechtelijke incassokosten, terwijl in het petitum slechts € 775,88 gevorderd is. De voorzieningenrechter kan niet meer toewijzen dan gevorderd, zodat aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 775,88 zal worden toegewezen.



4.11.
Voor toewijzing van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de buitengerechtelijke incassokosten bestaat geen grond, omdat de buitengerechtelijke incassokosten dienen te worden aangemerkt als vermogensschade (artikel 6:96 lid 2, onder c, BW) en daarom geen (primaire) verplichting zijn tot betaling uit hoofde van een handelsovereenkomst. Gelet hierop zal slechts de gewone wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen (vanaf de dag van dagvaarden).



Proceskosten





4.12.

[huurder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


125,57







- griffierecht


€


559,00







- salaris gemachtigde


€


577,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.405,57











4.13.
De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in het dictum vermeld.





5De beslissing


De voorzieningenrechter



5.1.
veroordeelt [huurder] om het gehuurde, de bedrijfsruimte aan [adres] , binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurder] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurder] ,



5.2.
veroordeelt [huurder] tot betaling aan [verhuurder] van de achterstallige huur tot en met mei 2026, groot € 8.017,50, en de lopende huurpenningen vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van de feitelijke ontruiming, groot € 1.336,25 per maand,



5.3.
veroordeelt [huurder] tot betaling aan [verhuurder] van de buitengerechtelijke incassokosten, groot € 775,88, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 28 april 2026 tot aan de dag van volledige betaling,



5.4.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.405,57, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,



5.5.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald,



5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.