Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:2727

2026-03-11 Civiel recht C/03/332230 / HA ZA 24-297
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-03-11
Publicatiedatum
2026-03-23
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/03/332230 / HA ZA 24-297
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Rechtbank komt terug van bindende eindbeslissing omdat nieuwe informatie ander licht op de zaak werpt. Vordering tot vergoeding van schade bovenop het bedrag van boetebeding wordt afgewezen omdat niet vaststaat dat schade hoger is dan boete. Anderzijds geen reden om boete te matigen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.073 tekens)
RECHTBANK Limburg


Civiel recht



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: C/03/332230 / HA ZA 24-297




Vonnis van 11 maart 2026




in de zaak van




ENECO ZAKELIJK B.V.,
te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Eneco,
advocaat: mr. G.A. de Jongh,



tegen




DOCMORRIS N.V.,
te Heerlen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: DocMorris,
advocaat: mr. O.L. van der Pol.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 26 november 2025,- de akte van Eneco.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling



Boete




2.1.
DocMorris heeft de rechtbank verzocht om terug te komen van het oordeel dat DocMorris de door Eneco gestelde omvang van de op grond van de AV Essent verschuldigde boete van € 421.991,71 niet heeft betwist en dat dit bedrag daarom toewijsbaar is, behouden een eventuele matiging.


2.1.1.
DocMorris heeft daartoe allereerst gesteld dat zij de omvang van de boete wel heeft betwist. Dat is echter onjuist. DocMorris heeft in haar conclusie van antwoord enkele alinea’s specifiek gewijd aan het boetebeding en is daarbij alleen ingegaan op de vraag of de boete naast schadevergoeding kon worden gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling is daar niets aan toegevoegd. DocMorris heeft de door Eneco gestelde omvang van de boete aanvankelijk dus niet betwist. Zij verwijst nu naar stellingen die zij heeft ingenomen ter betwisting van de door Eneco gevorderde schadevergoeding – die werd gevorderd bovenop het bedrag van het boetebeding – maar daaruit kon geen expliciete of impliciete betwisting van de door Eneco gestelde omvang van de boete worden afgeleid. DocMorris heeft die koppeling eerder ook niet gelegd. DocMorris voert in dit kader nu ook aan dat Eneco niet zou hebben voldaan aan haar stelplicht voor wat betreft de omvang van de boete. Dat zegt uiteraard niets over de vraag of DocMorris de betreffende stelling heeft betwist.



2.1.2.

DocMorris voert verder aan dat zij de omvang van de boete eerder niet kon betwisten vanwege het ontbreken van gegevens en dat zij dat, aan de hand van de door Eneco inmiddels verstrekte gegevens, pas nu kan. Zij stelt daartoe – kort gezegd – dat haar aan de hand van de aanvullende informatie van Eneco is gebleken dat de aan te houden ‘Referentie Jaarhoeveelheid’ zoals bedoeld in artikel 17.4. van de AV Essent vermenigvuldigd met het aan te houden tarief leidt tot een lager bedrag dan Eneco opvoert als het boetebedrag. Weliswaar heeft DocMorris niet eerder gesteld dat zij de omvang van de boete niet kon betwisten, maar gegeven wat beide partijen stellen aan de hand van de nu bekende informatie, is de rechtbank van oordeel dat vasthouden aan het boetebedrag van
€ 421.991,71 zou betekenen dat bij eindvonnis deels wordt beslist op basis van een onjuiste feitelijke grondslag, zodat het is aangewezen dat wordt teruggekomen van de bindende eindbeslissing. Daarover het volgende.



Beide partijen gaan ervan uit dat de voor de berekening van de boete relevante ‘Referentie Jaarhoeveelheid’ bestaat uit het gecontracteerde jaarvolume elektra en gas over 2022. Een andere variabele die van belang is voor de berekening van de boete is het tarief waarmee wordt gerekend om het bedrag vast te stellen dat correspondeert met de ‘Referentie Jaarhoeveelheid’ (aan de hand waarvan vervolgens de boete worden vastgesteld). DocMorris heeft gerekend met de door Eneco in haar nadere conclusie na het tussenvonnis genoemde ‘zweverstarieven’, zijnde de tarieven die zouden gelden bij voortzetting van de overeenkomst tussen partijen vanaf 1 januari 2023. Eneco heeft die tarieven aangehaald in het kader van de onderbouwing van de door haar gestelde schade – en dus geen relatie gelegd met de boete – maar Eneco heeft, zoals gezegd, aangenomen dat deze ‘zweverstarieven’ ook kunnen worden gebruikt bij de berekening van de boete. Deze stelling maakt deel uit van het betoog van DocMorris dat zij eerder niet over de informatie beschikte om de omvang van de boete te betwisten. De rechtbank heeft Eneco verzocht om op die stelling te reageren. Eneco stelt weliswaar dat (onder andere) de ‘zweverstarieven’ niet bekend hoeven te zijn om de boete te berekenen maar heeft niet aangegeven aan de hand van welke tarieven dat dan wel zou moeten en ook niet hoe DocMorris daarmee bekend had kunnen zijn. Gegeven het nader gevoerde debat lag dat wel op haar weg. Bij gebreke van andere informatie moet er daarom vanuit worden gegaan dat de boete mede wordt berekend aan de hand van de ‘zweverstarieven’. DocMorris heeft voorgerekend dat dit leidt tot een boete met een omvang van € 124.159,28, welke berekening als zodanig (ook) niet door Eneco is betwist. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgehouden aan de beslissing dat de boete € 421.991,71 bedraagt. Anders gezegd:

- Eneco heeft de berekening van de boete niet toegelicht,
- dat was – vanuit haar perspectief – aanvankelijk geen bezwaar omdat DocMorris de omvang van de boete niet betwistte,
- vervolgens heeft Eneco informatie gedeeld die aanwijzingen bevat dat de boete mogelijk op een lager bedrag uitkomt,
- gelet daarop had Eneco van de aan haar geboden gelegenheid gebruik moeten maken om alsnog duidelijkheid te verschaffen over de berekening van de boete,
- dat deed zij niet, met als gevolg dat de nieuw verschafte informatie reden is om terug te komen van de bindende eindbeslissing.




2.2.

De rechtbank neemt aldus als vaststaand aan dat de omvang van de boete
€ 124.159,28 bedraagt.




Schadevergoeding





2.3.
De rechtbank roept in herinnering dat Eneco heeft gesteld dat de door haar geleden schade (afgezien van de gemaakte kosten) moet worden vastgesteld door het tarief waartegen in 2023 aan DocMorris zou zijn verkocht, verminderd met het tarief waartegen de niet afgenomen energie in de markt zou zijn terug verkocht, te vermenigvuldigen met het volume dat DocMorris naar verwachting in 2023 zou hebben afgenomen. Voor wat betreft de omvang van dat volume is in het tussenvonnis overwogen dat ervan wordt uitgegaan dat hetgeen DocMorris heeft afgenomen bij de opvolgend energieleverancier daarvoor een goede indicatie is. Eneco is in de gelegenheid gesteld om haar standpunt dat het aldus vast te stellen schadebedrag hoger is dan het bedrag van de boete, nader te onderbouwen.



2.4.
Voor wat betreft het tarief waartegen in 2023 aan DocMorris zou zijn verkocht heeft Eneco verwezen naar de hiervoor al genoemde ‘zweverstarieven’ en de gestelde tarieven waartegen de in 2023 door DocMorris niet afgenomen energie zou zijn terug verkocht in de markt. Het verschil tussen deze bedragen vermeerderd met het door DocMorris opgegeven volume aan daadwerkelijk in 2023 afgenomen energie zou leiden tot een schadebedrag van € 19.237,00. Eneco heeft echter betwist dat de door DocMorris aangeleverde verbruiksoverzichten een goede indicatie zijn van wat DocMorris in 2023 heeft afgenomen omdat er aanzienlijke en – volgens Eneco – onverklaarbare verschillen zijn tussen deze overzichten en de in 2022 door DocMorris bij Eneco afgenomen energie. Uitgaande van de overzichten zou de energieafname in 2023 met ongeveer 40% zijn afgenomen ten opzichte van 2022. Eneco voert aan dat 2023 gemiddeld genomen niet warmer was dan 2022, zodat een daling aan gasverbruik niet kan worden verklaard door temperatuurverschillen.



2.5.
DocMorris stelt dat de daling aan energieverbruik te verklaren is uit:
- de maatregelen die zijn genomen om te voldoen aan de energiebesparingsplicht (zoals het gebruiken van LED-verlichting en het isoleren van verwarmingsleidingen),
- het verplaatsen van een groot deel van de productie naar een nieuwe locatie met een Duitse elektriciteitsaansluiting,
- het vrijkomen van restwarmte op de nieuwe locatie met een lager gasverbruik tot gevolg,
- het niet meer ‘s-nachts werken,
- het gebruik van zonnepanelen.



2.6.
Bij de verdere beoordeling stelt de rechtbank voorop dat Eneco niet heeft gesteld dat het daadwerkelijk in 2023 door DocMorris afgenomen energie geen goede indicatie zou zijn voor het inschatten van volume dat bij Eneco zou zijn afgenomen als de overeenkomst was voortgezet. Wat Eneco stelt is dat zij niet gelooft dat het afgenomen volume in 2023 zo laag was als DocMorris heeft opgegeven. Eneco heeft echter ook gesteld dat DocMorris de bij de overzichten horende facturen heeft overgelegd. Gelet en daarop en gezien de betwisting van DocMorris is er onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de opgegeven en kennelijk daadwerkelijk gefactureerde energieafname onjuist is en is er ook geen reden daarnaar verder onderzoek te doen. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat het passend is de schade te berekenen aan de hand van de opgegeven energieafname in 2023. Gelet op de berekening van Eneco zelf volgt daaruit dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de geleden schade hoger is dan de boete.



Matiging boete





2.7.
DocMorris stelt dat het ‘opleggen van’ de boete naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans dat de boete tot nihil moet worden gematigd. Onduidelijk is wat het onderscheid tussen het beroep op redelijkheid en billijkheid en matiging is, zodat de rechtbank zal beoordelen of er reden is de boete te matigen (tot nihil).



2.8.
DocMorris voert allereerst aan dat Eneco niet heeft aangetoond welke schade zij heeft geleden, zodat er sprake is van een wanverhouding tussen de boete en de daadwerkelijk geleden schade. Zoals hiervoor is overwogen is het juist dat niet kan worden vastgesteld dat de door Eneco geleden schade hoger is dan ruim € 19.000,00. Daarvan uitgaande is er inderdaad een discrepantie met het bedrag van de boete van ongeveer € 124.000,00. Het feit dat de door Eneco geleden schade in rechte niet op een hoger bedrag kan worden vastgesteld betekent echter niet dat de daadwerkelijke schade niet hoger is. Bij een schadevergoedingsclaim rust het risico van het niet kunnen aantonen van de gestelde omvang van de schade bij degene die schade claimt – hier Eneco – met als gevolg dat de betreffende vordering wordt afgewezen voor zover de schade niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. Bij een claim op grond van een boete kan dat niet voorop worden gesteld. DocMorris heeft ook zelf betoogd dat de berekening van de schade in dit geval omgeven is met onzekerheden, bijvoorbeeld vanwege het niet goed kunnen individualiseren van de door Eneco voor DocMorris gekochte of gereserveerde energie en de verkoop daarvan in de markt. Het is een op zich acceptabele functie van een boete om dergelijke onzekerheid in beginsel niet voor risico van de schadelijder te laten komen. Verder gelet op het feit dat het boetebeding is opgenomen in een overeenkomst tussen (grote) professionele partijen, maakt dit dat er geen aanleiding is de boete te matigen vanwege het aangenomen verschil tussen de geleden schade en de omvang van de boete.



2.9.

DocMorris heeft zich er verder op beroepen dat de door Eneco geleden schade in belangrijke mate zou voortvloeien uit het handelen van Eneco zelf.
DocMorris noemt daarbij de omstandigheid dat Eneco stelt dat zij de voor DocMorris bestemde energie voor het gehele jaar 2023 al had ingekocht. Wat daar ook van zij; in het tussenvonnis is voorshands geoordeeld dat de discussie op dit punt geen rol speelt bij de berekening van de schade en er is niets aangevoerd wat aanleiding geeft daarop terug te komen. In de hiervoor aangehaalde berekening van de vaststaande schade heeft dat (dus) ook geen rol gespeeld. Dit punt is daarom niet relevant voor de beoordeling van het beroep op de matiging van de boete.
DocMorris voert daarnaast dat opnieuw aan dat Eneco in 2022 nagelaten heeft om contact op te nemen met DocMorris en/of haar te waarschuwen voor een mogelijke verlenging, terwijl dat, aldus DocMorris, voordien gebruikelijk was. DocMorris miskent daarmee haar eigen verantwoordelijkheid. Niet is gebleken dat op Eneco een al dan niet contractuele (zorg)plicht rustte om DocMorris te wijzen op de mogelijkheid de overeenkomst met Eneco te beëindigen. Een dergelijke plicht ontstaat ook niet als DocMorris eerder onverplicht daarop is geattendeerd. Het betoog van DocMorris leidt dan ook niet tot matiging van de boete.




Slotsom hoofdvordering





2.10.
De slotsom van het voorgaande is dat in rechte niet kan worden vastgesteld dat de door Eneco geleden schade hoger is dan de boete, waarvan de hoogte nader moet worden vastgesteld op € 124.159,28. DocMorris moet dit bedrag aan Eneco betalen omdat er geen reden is de boet te matigen.



Wettelijke rente





2.11.
Eneco vordert wettelijke handelsrente. Het toegewezen bedrag betreft echter niet de geldelijke tegenprestatie voor de door Eneco geleverde diensten maar de (gefixeerde) vergoeding van de door Eneco geleden schade, zodat handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen.



2.12.
Eneco heeft de door haar gestelde ingangsdatum voor de wettelijke rente niet toegelicht. Als hoofdregel geldt dat wettelijke rente over een als gevolg van een boetebeding verbeurde boete verschuldigd wordt na schriftelijke aanmaning op de voet van artikel 6:82 BW. Er is dus niet gesteld dat dit hier anders is en Eneco heeft zich evenmin beroepen op een aanmaning eerder dan met de inleidende dagvaarding. De wettelijke rente is daarom pas vanaf de dag van dagvaarding toewijsbaar.



Proceskosten





2.13.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





3De beslissing


De rechtbank



3.1.
veroordeelt DocMorris om aan Eneco te betalen een bedrag van € € 124.159,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,



3.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.1. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,



3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.




R.o. 4.11. van het tussenvonnis


Zie 2.6. van het tussenvonnis van 11 juni 2025


Randnummer 16 antwoordconclusie DocMorris en randnummer 16 van de daarop door Eneco genomen akte


Meer specifiek in figuur 8 en figuur 9


Randnummer 18 van de laatste akte van Eneco


Randnummer 4.15.1.


Zie ook r.o. 4.2.2., derde alinea, van het tussenvonnis


Zie ook HR 05-09-2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3127