Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:2715
2026-04-08
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12053369 \ CV EXPL 26-58
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huur woonruimte. Voorschot servicekosten
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2011:BO9675 Hoge Raad 25-03-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.603 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12053369 \ CV EXPL 26-58
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
STICHTING WONEN ZUID,
te Roermond,
eisende partij,
hierna te noemen: Wonen Zuid,
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de schriftelijke vastlegging van het mondelinge antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] huurt van Wonen Zuid de woning aan de [adres] . Daarvoor moet [gedaagde] een huursom betalen van € 858,58 per maand, inclusief een voorschot voor de servicekosten.
2.2.
Wonen Zuid heeft het voorschot per 1 januari 2025 vastgesteld op € 240,00 per maand. Op verzoek van [gedaagde] is het voorschot per 1 mei 2025 verlaagd naar € 125,00 per maand. Per 1 juli 2025 is het voorschot per ongeluk verhoogd naar € 240,00 per maand en per 1 augustus 2025 is dit weer teruggebracht naar € 125,00.
2.3.
[gedaagde] heeft over de maanden januari tot en met april 2025 het lagere bedrag aan voorschot betaald.
3Het geschil
3.1.
Wonen Zuid vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 698,74 (€ 584,76 aan hoofdsom, € 85,26 aan incassokosten en € 28,72 aan rente), vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat partijen op grond van het bepaalde in artikel 21 Rv verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit houdt onder andere in dat een partij geen feiten mag achterhouden waardoor de rechter en de wederpartij op het verkeerde been worden gezet. Hieronder valt ook de situatie waarin een partij slechts een deel van het verhaal vertelt en enkel de daarbij behorende stukken overlegt. De verplichting tot volledigheid is immers een belangrijk aspect van de waarheidsplicht. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
4.2.
De rechter mag ambtshalve beoordelen of één van de dan wel beide partijen in strijd hebben gehandeld met de in artikel 21 Rv neergelegde verplichting. Ook mag hij hieraan, ook zonder dat partijen daarover specifiek hebben gedebatteerd, de gevolgen verbinden die in overeenstemming zijn met de aard en de ernst van deze schending. Een verrassingsbeslissing kan dit niet opleveren, tenzij uit het processuele debat blijkt dat partijen met een dergelijke beslissing en de gevolgen daarvan geen rekening behoefden te houden (Hoge Raad 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675). In dit geval is geen sprake van een verrassingsbeslissing. In deze zaak heeft [gedaagde] aangevoerd dat het geen huurachterstand betreft, maar een achterstand in de betaling van de stookkosten. Wonen Zuid heeft hierop kunnen reageren en heeft, gelet op het betoog van [gedaagde] , rekening ermee kunnen houden dat de kantonrechter de stellingen zou toetsen aan artikel 21 Rv en daaraan eventueel consequenties zou kunnen verbinden.
4.3.
In de dagvaarding stelt Wonen Zuid dat het om een huurachterstand gaat. Zij vermeldt niets over het feit dat [gedaagde] om vermindering van het voorschot heeft gevraagd en het per 1 januari 2025 verhoogde bedrag niet (volledig) is betaald. In feite gaat hier het debat tussen partijen over. Dit wordt pas eerst duidelijk na het mondeling antwoord en de stellingen in de conclusie van repliek. Door hier niets van te vermelden heeft Wonen Zuid de voor de beoordeling van het geschil relevante feiten niet volledig naar voren gebracht en is een onvolledige en deels onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Daaraan doet niet af dat uit het bij de dagvaarding overgelegde overzicht ook blijkt van een huurachterstand die medio 2024 is ontstaan.
4.4.
Op basis van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat Wonen Zuid in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 21 Rv. In de aard en ernst van de schending ziet de kantonrechter aanleiding om Wonen Zuid te veroordelen in de proceskosten en meer in het bijzonder de verletkosten van [gedaagde] .
4.5.
Met betrekking tot de vordering overweegt de kantonrechter het volgende. Bij de dagvaarding zijn de algemene huurvoorwaarden overgelegd. [gedaagde] heeft niet betwist dat deze van toepassing zijn. In artikel 4.3. staat vermeld dat de verhuurder het maandelijkse voorschotbedrag kan wijzigen. Een huurder kan, onder voorwaarden, een beslissing van de rechter vorderen over de redelijkheid van het voorstel als hij het er niet mee eens is. Dit is in artikel 4.5. van die voorwaarden geregeld. Dit heeft [gedaagde] kennelijk niet gedaan, zodat hij gebonden is aan de verhoging per 1 januari 2025 en deze verhoging ook moet betalen.
Dit houdt in dat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen.
4.6.
Wonen Zuid vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De overeenkomst bevat een incassokostenbeding in artikel 13.2 van de algemene huurvoorwaarden. Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Het beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling (meer specifiek artikel 6:96 lid 5) die zonder dit beding (dwingend) zou gelden. Het beding is daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. Wonen Zuid kan in dat geval geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
4.7.
Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente geldt dat sprake is van een eerlijk beding. Het bedrag aan rente wordt daarom toegewezen en ook de gevorderde rente vanaf 22 december 2025.
4.8.
Vanwege de schending van artikel 21 Rv wordt Wonen Zuid veroordeeld in de verletkosten van [gedaagde] . Deze worden begroot op € 50,00.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Wonen Zuid te betalen een bedrag van € 613,48, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 584,76, met ingang van 22 december 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Wonen Zuid in de verletkosten van € 50,00,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12053369 \ CV EXPL 26-58
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
STICHTING WONEN ZUID,
te Roermond,
eisende partij,
hierna te noemen: Wonen Zuid,
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de schriftelijke vastlegging van het mondelinge antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] huurt van Wonen Zuid de woning aan de [adres] . Daarvoor moet [gedaagde] een huursom betalen van € 858,58 per maand, inclusief een voorschot voor de servicekosten.
2.2.
Wonen Zuid heeft het voorschot per 1 januari 2025 vastgesteld op € 240,00 per maand. Op verzoek van [gedaagde] is het voorschot per 1 mei 2025 verlaagd naar € 125,00 per maand. Per 1 juli 2025 is het voorschot per ongeluk verhoogd naar € 240,00 per maand en per 1 augustus 2025 is dit weer teruggebracht naar € 125,00.
2.3.
[gedaagde] heeft over de maanden januari tot en met april 2025 het lagere bedrag aan voorschot betaald.
3Het geschil
3.1.
Wonen Zuid vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 698,74 (€ 584,76 aan hoofdsom, € 85,26 aan incassokosten en € 28,72 aan rente), vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat partijen op grond van het bepaalde in artikel 21 Rv verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit houdt onder andere in dat een partij geen feiten mag achterhouden waardoor de rechter en de wederpartij op het verkeerde been worden gezet. Hieronder valt ook de situatie waarin een partij slechts een deel van het verhaal vertelt en enkel de daarbij behorende stukken overlegt. De verplichting tot volledigheid is immers een belangrijk aspect van de waarheidsplicht. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
4.2.
De rechter mag ambtshalve beoordelen of één van de dan wel beide partijen in strijd hebben gehandeld met de in artikel 21 Rv neergelegde verplichting. Ook mag hij hieraan, ook zonder dat partijen daarover specifiek hebben gedebatteerd, de gevolgen verbinden die in overeenstemming zijn met de aard en de ernst van deze schending. Een verrassingsbeslissing kan dit niet opleveren, tenzij uit het processuele debat blijkt dat partijen met een dergelijke beslissing en de gevolgen daarvan geen rekening behoefden te houden (Hoge Raad 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675). In dit geval is geen sprake van een verrassingsbeslissing. In deze zaak heeft [gedaagde] aangevoerd dat het geen huurachterstand betreft, maar een achterstand in de betaling van de stookkosten. Wonen Zuid heeft hierop kunnen reageren en heeft, gelet op het betoog van [gedaagde] , rekening ermee kunnen houden dat de kantonrechter de stellingen zou toetsen aan artikel 21 Rv en daaraan eventueel consequenties zou kunnen verbinden.
4.3.
In de dagvaarding stelt Wonen Zuid dat het om een huurachterstand gaat. Zij vermeldt niets over het feit dat [gedaagde] om vermindering van het voorschot heeft gevraagd en het per 1 januari 2025 verhoogde bedrag niet (volledig) is betaald. In feite gaat hier het debat tussen partijen over. Dit wordt pas eerst duidelijk na het mondeling antwoord en de stellingen in de conclusie van repliek. Door hier niets van te vermelden heeft Wonen Zuid de voor de beoordeling van het geschil relevante feiten niet volledig naar voren gebracht en is een onvolledige en deels onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Daaraan doet niet af dat uit het bij de dagvaarding overgelegde overzicht ook blijkt van een huurachterstand die medio 2024 is ontstaan.
4.4.
Op basis van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat Wonen Zuid in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 21 Rv. In de aard en ernst van de schending ziet de kantonrechter aanleiding om Wonen Zuid te veroordelen in de proceskosten en meer in het bijzonder de verletkosten van [gedaagde] .
4.5.
Met betrekking tot de vordering overweegt de kantonrechter het volgende. Bij de dagvaarding zijn de algemene huurvoorwaarden overgelegd. [gedaagde] heeft niet betwist dat deze van toepassing zijn. In artikel 4.3. staat vermeld dat de verhuurder het maandelijkse voorschotbedrag kan wijzigen. Een huurder kan, onder voorwaarden, een beslissing van de rechter vorderen over de redelijkheid van het voorstel als hij het er niet mee eens is. Dit is in artikel 4.5. van die voorwaarden geregeld. Dit heeft [gedaagde] kennelijk niet gedaan, zodat hij gebonden is aan de verhoging per 1 januari 2025 en deze verhoging ook moet betalen.
Dit houdt in dat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen.
4.6.
Wonen Zuid vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De overeenkomst bevat een incassokostenbeding in artikel 13.2 van de algemene huurvoorwaarden. Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Het beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling (meer specifiek artikel 6:96 lid 5) die zonder dit beding (dwingend) zou gelden. Het beding is daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. Wonen Zuid kan in dat geval geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
4.7.
Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente geldt dat sprake is van een eerlijk beding. Het bedrag aan rente wordt daarom toegewezen en ook de gevorderde rente vanaf 22 december 2025.
4.8.
Vanwege de schending van artikel 21 Rv wordt Wonen Zuid veroordeeld in de verletkosten van [gedaagde] . Deze worden begroot op € 50,00.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Wonen Zuid te betalen een bedrag van € 613,48, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 584,76, met ingang van 22 december 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Wonen Zuid in de verletkosten van € 50,00,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.