Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:2286

2026-03-04 Civiel recht; Arbeidsrecht 11885136 \ CV EXPL 25-3731
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-03-04
Publicatiedatum
2026-03-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11885136 \ CV EXPL 25-3731
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2026-0957; PS-Updates.nl 2026-0281; Jurisprudentie HSE 2026/91

Inhoudsindicatie

Werknemer stelt werkgever aansprakelijk voor ongeval dat tijdens werktijd zou zijn gebeurd. Toedracht van ongeval is niet komen vast te staan en daarmee ook niet dat schade is geleden tijdens de werkzaamheden. Vordering afgewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.334 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: 11885136 \ CV EXPL 25-3731




Vonnis van 4 maart 2026




in de zaak van





[werknemer]
,
te [plaats 1] (Polen),
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. G.S. de Haas,



tegen





[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. drs. L. Hilhorst.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten


2.1.
Tussen [werknemer] en [werkgever] heeft van 25 oktober 2024 tot 26 december 2024 een arbeidsovereenkomst bestaan.



2.2.

[werkgever] is een hotel met restaurant. [werknemer] verrichte werkzaamheden ten behoeve van het restaurant.



2.3.

[werknemer] heeft begin november 2024 te kennen gegeven dat hij rugklachten had.



2.4.

[werknemer] heeft zich eind november ziekgemeld wegens rugklachten. Omdat hij Pools is en niet verzekerd was in Nederland, wenste hij terug te keren naar Polen.



2.5.
Op 28 februari 2025 is door een Poolse dokter een rapport opgesteld, waarbij de diagnose ischias is vastgesteld.



2.6.

[werkgever] is aansprakelijk gesteld door [werknemer] voor de door hem geleden schade. Bij brief van 10 april 2025 heeft [werkgever] de aansprakelijkheid afgewezen.



2.7.
Op verzoek van de rechtsbijstandsverzekeraar van [werkgever] is een toedrachtsonderzoek uitgevoerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport d.d. 9 oktober 2025.






3Het geschil


3.1.

[werknemer] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


te verklaren voor recht dat het bedrijfsongeval waardoor de schade bij [werknemer] is veroorzaakt te wijten is aan [werkgever] en dat [werkgever] aansprakelijk is voor alle schade die hieruit voortvloeit, nader op te maken bij staat;



[werkgever] te veroordelen te betalen een bedrag van € 50.000,00 althans een in goede justitie vast te stellen bedrag als voorschot op de schadevergoeding waarvan de hoogte nog nader bij staat te bepalen is;



[werkgever] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van 15% over de toe te wijzen hoofdsom en vermeerderd met de BTW;



[werkgever] te veroordelen in de proceskosten.





3.2.

[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






4De beoordeling


4.1.
In deze procedure staat de vraag centraal of [werkgever] , als werkgever, op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die [werknemer] stelt te hebben geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden.



4.2.
Artikel 7:658 BW regelt de werkgeversaansprakelijkheid. In dat artikel is bepaald dat de werkgever – kort gezegd – aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij – voor zover hier relevant – aan de op hem rustende zorgplicht heeft voldaan. Deze zorgplicht is ruim en vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden.


4.2.1.
Op de werknemer rust de stelplicht, en indien betwist, de bewijslast om aan te tonen dat de schade op het werk of in de uitvoering van de werkzaamheden is veroorzaakt. De werknemer hoeft niet de exacte toedracht van het ongeval te bewijzen, maar wel dat de schade is ontstaan tijdens de werkzaamheden.




4.3.
Kern van het geschil is de stelling van [werknemer] dat hij ischias heeft gekregen ten gevolge van de uitoefening van zijn werkzaamheden, meer in het bijzonder door het tillen van een serveerkar. [werkgever] heeft betwist dat een dergelijk ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de werkzaamheden of dat de ischias daarvan het gevolg is. De kantonrechter overweegt als volgt.


4.3.1.

[werknemer] stelt in de dagvaarding dat hij op enig moment in de periode 1 tot 4 november 2024 de opdracht heeft gekregen desserts voor te bereiden. Deze moesten op borden worden geplaatst en naar de lift worden gebracht. Om bij die lift te komen, moest [werknemer] met de serveerkar volgens zijn zeggen drie traptreden op. Ondanks dat [werknemer] heeft gevraagd om hulp bij zijn collega’s, zou hij die niet hebben gekregen. Hij heeft daarom geprobeerd de serveerkar de traptreden op te tillen. Dat is niet goed gegaan en [werknemer] kreeg pijn in zijn rug. Waar [werknemer] met de serveerkar naar onderweg was, is bij dagvaarding niet verduidelijkt. Bij conclusie van repliek heeft [werknemer] toegelicht dat hij de desserts in de koeling moest plaatsen, maar dat daar geen plaats was. Om die reden moest [werknemer] de serveerkar optillen, omdat het niet hygiënisch zou zijn om de desserts op de grond te plaatsen. De foto’s waarnaar wordt verwezen in het toedrachtsonderzoek van de voorraadkamer zijn niet de plek waar het ongeval volgens [werknemer] heeft plaatsgevonden. Het ongeval vond namelijk plaats op weg van de koeling naar de lift, aldus de conclusie van repliek. [werknemer] heeft na het vermeende tilincident nog twee weken doorgewerkt, voordat hij zich wegens rugklachten heeft ziekgemeld bij zijn leidinggevende.



4.3.2.

[werkgever] (h)erkent de door [werknemer] geschetste toedracht niet. Zo zijn er geen traptreden die genomen hoeven te worden om bij de lift te komen. Uit het toedrachtsonderzoek dat [werkgever] heeft laten uitvoeren, is over de situatie ter plaatse het volgende opgenomen:



“Vanuit de keuken rijdt men met een serveerkar door de (smalle) gang naar de lift. Vanuit de lift kun maar via één route naar de voorraadkamer, waar ook de koeling is gesitueerd. Om de voorraadkamer te betreden moet je door een toegangsdeur. Deze toegangsdeur is te bereiken door op een plateau (10 centimeter) te stappen. Vervolgens dien je over een drempel van ongeveer 7,5 centimeter te stappen waarna je de voorraadkamer naar achter loopt waar de koelingen zijn.”.






4.4.
De kantonrechter stelt allereerst voorop dat het rapport van het toedrachtsonderzoek, ondanks dat [werknemer] niet betrokken is geweest bij de opstelling daarvan, bruikbaar is in deze procedure. In hetgeen namens [werknemer] naar voren is gebracht, ziet de kantonrechter geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de rapportage voor wat betreft de daarin opgenomen feitelijke situatie van de werkomstandigheden. Het had op de weg van [werknemer] gelegen om deugdelijk te stellen op welke punten het rapport niet zou stroken met de werkelijkheid. Dit heeft hij nagelaten.



4.5.
Wat betreft het tilincident stelt de kantonrechter vast dat dit door niemand is waargenomen. Onduidelijk blijft bovendien wanneer, waar en op welke wijze het incident zou hebben plaatsgevonden. Zo [werknemer] gevolgd moet worden in zijn stelling dat hij vanuit de koeling naar de lift is gegaan met de serveerkar, wordt de verdere door [werknemer] geschetste toedracht gemotiveerd weerlegt door [werkgever] . Er zijn daar namelijk geen traptreden. Wel blijkt uit het toedrachtsonderzoek dat, om de koeling te verlaten, een drempel moet worden genomen, maar dat zijn niet de traptreden waar [werknemer] de serveerkar overheen heeft getild, zo wordt namens [werknemer] bij conclusie van repliek gesteld. Al met al kan de kantonrechter dan ook niet anders dan vaststellen dat [werknemer] er niet in is geslaagd om te onderbouwen dát of op welke wijze zich een ongeval heeft voorgedaan, waaruit hij schade zou leiden.



4.6.
Wat die schade betreft, merkt de kantonrechter nog op dat uit de rapportage van de Poolse arts uit de anamnese volgt dat een zware last is getild en dat als gevolg daar pijn is ontstaan. De anamnestisch verstrekte informatie is dus informatie die [werknemer] heeft verstrekt en die niet medisch geobjectiveerd is. Hoewel niet betwist wordt door [werkgever] dat [werknemer] last heeft van ischias, wordt wel betwist dat dit is ontstaan door of tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. De kantonrechter is met [werkgever] van oordeel dat op geen enkele wijze is komen vast te staan, laat staan aannemelijk gemaakt, dat [werknemer] die ischias heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij [werkgever] . Mede gezien ook het tijdsverloop van bijna 3 maanden tussen het vermeende incident, de klachten en het eerste huisartsenbezoek, is het bestaan van de schade die het gevolg zou zijn van de bij de werkzaamheden uitgevoerde tilbeweging, onvoldoende onderbouwd.



4.7.
De vorderingen van [werknemer] worden afgewezen.



4.8.

[werknemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werkgever] worden begroot op:









- salaris gemachtigde


€


1.732,00


(2 punten × € 866,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1876,00











4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
wijst de vorderingen van [werknemer] af,



5.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1876,00,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [werknemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.






ECLI:NL:HR:2008:BC9225


ECLI:NL:HR:2001:AB1430


Productie 7 bij dagvaarding